Overgewicht. I. Prevalenties en trends

Klinische praktijk
E.M.H. Mathus-Vliegen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:1982-9
Abstract
Download PDF

Samenvatting

- Overgewicht en obesitas, gedefinieerd als een Quetelet-index (QI; gewicht in kilogram gedeeld door het kwadraat van de lengte in meters) van respectievelijk 25-30 kg/m2 en ≥ 30 kg/m2, komen in Nederland voor bij 30-40 van de bevolking. Obesitas komt bij 7 van de mannen en 11 van de vrouwen voor, waarmee Nederland een middenpositie inneemt tussen (extreem) hoge prevalenties (bijvoorbeeld in zich snel moderniserende ontwikkelingslanden en de USA) en lage prevalenties (bijvoorbeeld in China en Japan).

- Gezien de toename in het laatste decennium kan Nederland zich echter meten met de landen die daarvoor het hoogst scoren, zoals de USA, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland; vooral de inhaalactie van de mannen wat betreft obesitas en de toename van overgewicht bij jongeren en bij laagopgeleide mensen is verontrustend.

Zie ook de artikelen op bl. 1989 en 1995.

Wereldwijd beginnen overgewicht en obesitas epidemische vormen aan te nemen, een epidemie die zich met onrustbarende snelheid uitbreidt. Geen enkele leeftijdsgroep, geen enkel ras of etnische groep blijft gevrijwaard. Helaas halen ook hier de ontwikkelingslanden de achterstand in.

In de USA en het Verenigd Koninkrijk bleken de doelstellingen van de campagnes tegen overgewicht al bij de start niet haalbaar te zijn.12 In 1996 werd op initiatief van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de International Obesity Task Force gelanceerd, die een rapport met richtlijnen en aanbevelingen ten aanzien van het aanpakken van het wereldwijd groeiende probleem van obesitas uit zou moeten brengen, een declaratiebijeenkomst beleggen en in debat gaan met gezondheidswerkers, consumenten, patiënten en beleidsmakers.34

Voor een goed beleid is echter inzicht in de problematiek noodzakelijk. Allereerst vereist dit een definitie van normaal en gezond gewicht. In dit artikel worden kinderen en ouderen apart besproken. Daarna worden in een wereldwijd perspectief en meer toegespitst op de Nederlandse situatie gegevens over prevalentie en toename van overgewicht gepresenteerd.

normaal en gezond gewicht

Aanvankelijk werden in de USA normtabellen van verzekeringsinstanties gehanteerd (Metropolitan Life Insurance Company Tables), waarbij gewenst gewicht werd beschouwd vanuit het oogpunt van het minste risico op totale en ziektespecifieke mortaliteit en morbiditeit. In 1959 werd voor een 35-jarige man van 1,78 m een gewicht van 62-78 kg wenselijk geacht; in 1983 werd dit gewicht verhoogd naar 64-81 kg. In 1984 werd de Quetelet-index (QI; gewicht in kilogram gedeeld door het kwadraat van de lengte in meters) op populatieniveau als maat voor het teveel aan vetmassa ingevoerd en werd een QI van 19-24 kg/m2 aangeraden. In Nederland werd in het ‘Advies inzake adipositas’ van de Gezondheidsraad een normaal gewicht gedefinieerd als een lichaamsgewicht waarbij de sterftekans minimaal zou zijn; alleen voor mannen jonger dan 50 jaar kon hiervoor een QI worden vastgesteld tussen circa 23 en 27 kg/m2.5 De WHO onderscheidde vervolgens graad-0-obesitas (normaal gewicht; QI 18,5-24,9 kg/m2); graad-I-obesitas (overgewicht; QI 25-29,9 kg/m2); graad-II-obesitas (ernstig overgewicht; QI 30-39,9 kg/m2); en graad-III-obesitas (ziekelijk overgewicht; QI ? 40 kg/m2. De ‘1990 US guidelines’ adviseerden een gewicht van 65-85 kg of een QI van 21 tot 27 kg/m2. Een gewichtstoename van 4,5-7 kg vanaf het 35e jaar achtte men verenigbaar met een goede gezondheid.

Sinds 1993 tot zeer recentelijk in 1997 is in diverse publicaties de aanbeveling aangevochten.6-12 Na correctie voor roken en vroegtijdig overlijden binnen 5 jaar en na aanpassingen voor risicofactoren die van invloed zijn op de relatie QI en mortaliteit, toonden deze onderzoeken aan dat de overmatige overlijdenskans bij lage QI-waarden verdween en de relatie tussen mortaliteit en QI soms zelfs lineair werd. Alleen de meta-analyse van Troiano et al. bleef een J-vormig beloop tonen, met een minimaal algeheel overlijdensrisico bij een QI van 23-28 voor mannen en van 22-28 voor vrouwen.13 Bovendien bleek dat niet alleen obesitas, maar ook gewichtstoename onafhankelijk van elkaar een bijdrage leverden aan cardiovasculaire ziekten en diabetes mellitus. Daarnaast moest de norm naar beneden worden bijgesteld. Zo bleek bij mannen de algehele en cardiovasculaire mortaliteit het laagst bij een gewicht van 20 beneden het gemiddelde (QI 2).6 12 Bij vrouwen was de algehele mortaliteit het laagst bij een gewicht van 15 beneden het gemiddelde en bij een constant blijvend gewicht sinds het 18e levensjaar.8 Voor fatale en niet-fatale coronaire aandoeningen gold hetzelfde: zelfs een QI in de normale spreiding (23 kg/m2) of de vroeger toegelaten ‘fysiologische’ gewichtsaanwas van 5-7,9 kg gaf een verhoogd risico.9

Om in deze ondoorzichtige materie helderheid te scheppen organiseerde de American Health Foundation een rondetafelconferentie over gezond gewicht.14 Hier werd eens temeer duidelijk dat het lichaamsgewicht niet los kan worden gezien van het vetpercentage en van de vetverdeling, bepaald door de middel-heupratio: risicovol bij centraal vet (abdominaal, mannelijk), waarbij het viscerale, intra-abdominale vet is toegenomen; fysiologisch en minder risicovol bij perifeer vet (femorogluteaal, vrouwelijk) vet, waarbij subcutaan en perifeer vet overheerst. Ook bleken gewichtsfluctuaties en gewichtstoename belangrijk.

Voor cardiovasculaire ziekten, hypertensie, diabetes mellitus, artrose en met obesitas samenhangende carcinomen werden optimale intervallen voor QI en gewichtsveranderingen vastgesteld; dit gebeurde eveneens voor de beschermende effecten van obesitas, bijvoorbeeld ten aanzien van osteoporose. Hoewel voor cardiovasculaire effecten de QI meer in de richting van 22 kg/m2 neeg, beval men in het algemeen voor een gezond gewicht een QI aan 2 op een leeftijd van 21 jaar en ouder, en stelde men een nieuw concept op voor het bereiken van een gezonder gewicht: een reductie met 4,5-7,3 kg of het equivalent van 2 QI-eenheden voor degenen met een QI van 25 kg/m2 of hoger. Ook benadrukte deze rondetafelconferentie het positieve effect van matig gewichtsverlies op diabetes mellitus, hypertensie, bloedlipideconcentratie en artrose, waarbij, afhankelijk van de mate van overgewicht en de aanwezigheid van risicofactoren, min of meer grote gezondheidswinst is te behalen. Bij een QI van 25-29,9 kg/m2 en aanwezige risicofactoren (abdominale vetverdeling, inactiviteit, hypercholesterolemie, verminderde glucosetolerantie en hypertensie) is dit al het geval bij 5-10 kg gewichtsverlies, bij een QI van ? 30 kg/m2 bij 10 gewichtsverlies.15-19 Deze adviezen ziet men nu ook gereflecteerd in de officiële richtlijnen voor de Amerikaanse bevolking in 1995: men streeft een QI van 19-25 kg/m2 na en bij overgewicht een geleidelijk gewichtsverlies van 5 tot 10.

normaal en gezond gewicht bij ouderen en bij kinderen en adolescenten

Bij het stijgen van de leeftijd neemt het gewicht toe en men kan zich afvragen hoe dan QI en gewichtsvariatie zich verhouden tot mortaliteit en morbiditeit. Gegevens van het Framingham-onderzoek en van gezonde 70-89-jarige zevendedagadventisten, die een toegenomen kans op overlijden tonen bij een QI van boven 27,5 kg/m2, komen niet overeen met recentere gegevens.20 21 Deze laatste suggereren een goede tolerantie van een bredere spreiding van (hogere) QI's, naarmate men ouder wordt.22 Een QI van 28,8 (uitersten: 27-30 kg/m2) bij 70-jarige mannen en van 31,7 (uitersten: 30-35 kg/m2) bij 70-jarige vrouwen gaat gepaard met een minimaal risico en de laagste mortaliteit. Lage QI-waarden, waarbij echter niet gecorrigeerd werd voor roken en vroegtijdig overlijden,23 en vooral grote gewichtsvariaties gaan samen met een verhoogd algeheel overlijdensrisico en morbiditeit door myocardinfarct, beroerte en diabetes mellitus.24 25

Een internationaal aanvaarde analoge indeling, zoals die van de WHO, is voor kinderen niet voorhanden. Tot de leeftijd van 10 jaar worden gewicht-naar-lengtenomogrammen gebruikt, waarbij een bevinding boven een bepaald percentiel als afwijkend wordt aangeduid. Tussen het 10e en 21e jaar wordt de QI-naar-leeftijd gehanteerd.15 26-28 Overgewicht op de kinderleeftijd heeft belangrijke gevolgen: er is een hogere kans op ‘volwassen’ obesitas, naarmate het overgewicht al in de jeugd en dus voor langere tijd aanwezig is en het overgewicht aanwezig blijft tot in de late adolescentie of excessievere vormen aanneemt.29 30 De correlatie tussen adipositas als kind en als volwassene is hoog vanaf het 13e-14e jaar.30 Een QI boven het 95e percentiel op 18-jarige leeftijd gaf een kans op overgewicht op het 35e jaar van 70 voor mannen en van 60 voor vrouwen.31 Obesitas aanwezig vóór het 20e levensjaar heeft ook belangrijke repercussies op het latere leven; 5 onderzoeken laten de afloop enkele decennia later zien: overgewicht in de jeugd of adolescentie verhoogt de algehele sterfte en het overlijden aan cardiovasculaire ziekten en (bij mannen) aan coloncarcinoom. Ook is de morbiditeit hierdoor en door jicht, artrose en functionele beperkingen toegenomen.30

wereldwijde epidemie van overgewicht en obesitas

Transversale onderzoeken van representatieve bevolkingsgroepen of van niet-representatieve, maar zeer omvangrijke onderzoeksgroepen met merendeels objectief gemeten of soms subjectief gerapporteerde maten van lengte en gewicht tonen de hoge prevalentie van overgewicht en obesitas. 32-38 In Europa is 64 van de mannen en 56 van de vrouwen te dik (QI > 25 kg/m2). Overgewicht (QI 25-30kg/m2) komt voor bij 49 en 35, en obesitas (QI ? 30 kg/m2) bij 16 en 22 van de mannen en vrouwen. 37 Wereldwijd, maar ook in Europa variëren de prevalentiecijfers van obesitas sterk en de variatie blijkt het grootst bij vrouwen (figuur 1). De prevalentie is het hoogst in zich snel ontwikkelende en moderniserende landen en in verstedelijkte gebieden, met name in de Stille Oceaan en het Midden-Oosten. Voor Afrika, Azië en Zuid-Amerika zijn veel minder cijfers voorhanden. Opvallend laag is de prevalentie in China, Japan en Midden-Amerika. In Europa wordt de laagste prevalentie gezien in Gotenburg, waar 7 van de mannen en 9 van de vrouwen een QI ? 30 kg/m2 heeft, en de hoogste prevalentie in Litouwen (22 van de mannen en 45 van de vrouwen) en op Malta (25 van de mannen, 41 van de vrouwen). 3738

Nederlandse prevalentiegegevens met betrekking tot overgewicht en obesitas staan afgebeeld in figuur 2. Bij de gezondheidsenquêtes van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Voedsel Consumptie Peiling gaat het om zelfgerapporteerde lengte- en gewichtsmaten, waarbij onderrapportage van gewicht en overrapportage van lengte kan optreden.4446 De gegevens komen redelijk met elkaar overeen: 4 op de 10 mannen en 3-4 op de 10 vrouwen is te zwaar. Obesitas is aanwezig bij 7 van de mannen en 11 van de vrouwen, indien men zich baseert op de gewogen schatting van de gegevens uit de ‘Monitoring risicofactoren gezondheid Nederland’ (MORGEN; 20-59 jaar) en het ‘Erasmus Rotterdam gezondheid- en ouderenonderzoek’ (ERGO; boven de 55 jaar). 47 Bij mannen neemt de prevalentie van overgewicht toe tot het 50-59e levensjaar, waarna deze afbuigt; bij vrouwen zien wij een stijging tot op hoge leeftijd (figuur 3). Zoals elders, komt er ook in Nederland bij mannen meer overgewicht en bij vrouwen meer obesitas voor. Marokkaanse en Turkse vrouwen als subgroep hebben een duidelijk hogere prevalentie van ernstig overgewicht.

Epidemiologische prevalentiegegevens over de vetverdeling in grote bevolkingsgroepen zijn er weinig en dan nog niet consistent. In de USA wordt bij negers en bij Mexicaanse Amerikanen frequenter een centrale vetverdeling gerapporteerd dan bij blanken, ongeacht de sekse.48 Het ‘Coronary artery diseases in young adults’(CARDIA)-onderzoek toonde bij 18-30-jarigen een lagere middel-heupomtrekverhouding bij negroïde mannen en blanke vrouwen en een hogere bij blanke mannen en negroïde vrouwen.49 Bij Aziaten komt een abdominale vetverdeling meer voor.50 Een belangrijke vraag is of bij een hogere QI of bij een meer abdominale vetverdeling ieder populatie dezelfde gezondheidsrisico's loopt. Er zijn aanwijzingen dat dit niet zo is.5051 Alleen op Mauritius, in het ‘Diagnostisch onderzoek mammacarcinoom’(DOM)-project en in het MORGEN-onderzoek worden prevalenties genoemd.1536 42 Een verhoogd risico voor een ongunstige abdominale vetverdeling volgens een middel-heupratio van > 0,95 voor mannen en > 0,89 voor vrouwen was aanwezig bij 14,4 van de mannen en 13,8 van de vrouwen op Mauritius in 1987. In 1992 was dit percentage toegenomen tot respectievelijk 19,9 en 20,8. In het DOM-project had 7,6 van de vrouwen een middel-heupratio van ? 0,85. In het MORGEN-onderzoek had 38 van de vrouwen een middel-heupratio van ? 0,80 en 24 van de mannen een van ? 0,95.

Sterker nog dan de recente prevalentiegegevens baart de wereldwijde toename van overgewicht over de laatste 10 jaar zorgen (figuur 4 en 5). Tot het midden van de jaren tachtig leek er een status-quosituatie: in Italië namen de gemiddelde QI en de prevalentie van overgewicht bij 20-59-jarige vrouwen af; mannen bleven stabiel over de periode 1979-1984.57 In Finland nam tussen 1972 en 1982 de QI bij 30-49-jarige vrouwen af en alleen bij 40-49-jarige mannen iets toe.58 Ook in Nederland meenden wij gerust te kunnen zijn: het Consultatiebureauproject ‘Hart- en vaatziekten’ (1974-1980) liet een toename van 0,5 kg/m2 in de QI en van 4 in de prevalentie van een QI van 27-30 kg/m2 zien bij gemiddeld 40-jarige mannen, maar vrouwen bleven stabiel. Het van 1981 tot 1986 uitgevoerde ‘Risicofactorenonderzoek hart- en vaatziekten’ (RIFOH) bij gemiddeld 35-jarige mannen wees zelfs op een daling van de QI en de prevalentie van overgewicht.55

Het laatste decennium is dat sterk veranderd. Weliswaar tonen Scandinavische onderzoeken stabiele cijfers, maar een verdubbeling van het vóórkomen van obesitas in het Verenigd Koninkrijk, het vroegere Oost-Duitsland en de USA (in de USA het meest bij negroïde mannen) liegt er niet om (zie figuur 4).52 Zich snel moderniserende landen in het Midden-Oosten en in de Stille Oceaan doen mee aan deze trend. Interessant zijn hier de uiteenlopende tendensen bij vertegenwoordigers van de 3 grote wereldbevolkingen op Mauritius, een sterke toename bij creoolse mannen en vrouwen, die al de dikste populatie vormden, een geringere toename bij Indische mannen en vrouwen, en een afname dan wel stabilisatie bij de altijd al magere Chinese mannen en vrouwen. 36

Ook in Nederland is een absolute toename van obesitas met 1,4 (relatieve toename van 37) bij mannen en met 1,1 (relatieve toename van 18) bij vrouwen te zien in de CBS-gegevens over een periode van 10 jaar, waarschijnlijk nog een onderschat gegeven gezien de mogelijke onderrapportage (zie figuur 5). Hier treedt de sterkste toename op in de jongere leeftijdsgroep (20-29 jaar) en in de groep van 50-59 jaar en bij laagopgeleide mensen. Op grond van een gewogen schatting van de gegevens uit het MORGEN- en ERGO-onderzoek is de prevalentie van obesitas over de jaren 1987-1995 toegenomen met 4,6 voor mannen en met 3,6 voor vrouwen.47 In 6 jaar schoof 6 van de mensen in het MORGEN-onderzoek door van de categorie ‘overgewicht’ naar de categorie ‘obesitas’. 15 Verontrustend is de inhaalactie van mannen op vrouwen wat betreft obesitas, maar alarmerend is de toename van obesitas op jongere leeftijd bij 20-34-jarigen, zoals waargenomen in de USA, in Zweden en in Nederland,4359-61 maar ook in landen als Koeweit en Mauritius.36 54 Immers, de bekende gevolgen zullen zich hier pas jaren later manifesteren en de eerste voorbode hiervan, het optreden van niet van insuline afhankelijke diabetes mellitus, is misschien al wel zichtbaar, gezien een toename met 10 van diabetes in Nederland over de laatste 10 jaar, merendeels toe te schrijven aan een toename in de leeftijdsgroep van 45-64 jaar.62 Dramatisch mag de toename van zowel QI als middel-heupratio genoemd worden in landen met al hoge cardiovasculaire risico's en een hoge diabetesprevalentie. 36

prevalentie van overgewicht en wereldwijde toename ervan bij kinderen en adolescenten

Gegevens over prevalenties en trends zijn schaars bij kinderen. Meestal wordt hier de P50 voor gewicht-naar-lengte of QI-naar-lengte genomen. Is het gewicht of de QI 110-120 van deze waarde, dan spreekt men van overgewicht en bij > 120 van obesitas. In Australië was in 1974 bij 12-18-jarigen obesitas aanwezig bij 5 van de jongens en 8 van de meisjes.63 In 1980 was dat respectievelijk 15 en 19. In de USA zijn gegevens bij 6-11- en 12-17-jarige kinderen bekend over de periode van 1963-1970 tot 1976-1980.29 Op basis van huidplooimaten neemt obesitas bij 6-11-jarige jongens en meisjes toe van respectievelijk 6 en 17 naar 29 en 25. De toename voor 12-17-jarige jongens en meisjes is respectievelijk van 15 en 16 naar 18 en 25. De sindsdien gerapporteerde prevalenties verschillen onderling niet veel: 13 bij kinderen uit Singapore, 14 bij Thaise, 16 bij Arabische kinderen en 20 bij kinderen in Schotland.28 64-66 In Nederland is over de jaren 1991-1994 de prevalentie met 1 bij jongens en met 2 bij meisjes toegenomen tot een huidige prevalentie van obesitas van 10.47 Obesitas is meer aanwezig bij Turkse en Marokkaanse (19) en bij Surinaamse en Antilliaanse kinderen (11) dan bij Nederlandse kinderen (9).

Vanuit een wereldwijd perspectief kunnen wij stellen dat ook in Nederland overgewicht en obesitas een groeiend probleem vormen voor alle leeftijden. In de tijd gezien is de sterke toename vooral bij jongeren en mannen opvallend. Door de toegenomen mobiliteit mogen wij de ogen niet sluiten voor tendensen elders, zeker als door immigratie of vlucht mensen van elders in onze westerse maatschappij worden opgenomen. Kennis van de determinanten van overgewicht is onontbeerlijk bij het opstellen en voeren van beleid.

Literatuur
  1. Russell CM, Williamson DF, Byers T. Can the Year 2000objective for reducing overweight in the United States be reached: asimulation study of the required changes in body weight. Int J Obes RelatMetab Disord 1995;19:149-53.

  2. Smith SJL. Britain is failing to meet targets on reducingobesity. BMJ 1996;312:1440.

  3. Woodman R. WHO launches initiative against obesity. Lancet1996; 347:751.

  4. Obesity: prevention and managing the global epidemic.Report of a WHO consultation on obesity. Genève: WHO, 1998.

  5. Gezondheidsraad. Advies inzake adipositas. Den Haag:Staatsuitgeverij, 1984.

  6. Lee IM, Manson JE, Hennekens CH, Paffenbarger jr RS. Bodyweight and mortality. A 27-year follow-up of middle-aged men. JAMA1993;270:2823-8.

  7. Colditz GA, Willett WC, Rotnitzky A, Manson JE. Weightgain as a risk factor for clinical diabetes mellitus in women. Ann Intern Med1995;122:481-6.

  8. Manson JE, Willett WC, Stampfer MJ, Colditz GA, Hunter DJ,Hankinson SE, et al. Body weight and mortality among women. N Engl J Med1995;333:677-85.

  9. Willett WC, Manson JE, Stampfer MJ, Colditz GA, Rosner B,Speizer FE, et al. Weight, weight change, and coronary heart disease inwomen. Risk within the ‘normal’ weight range. JAMA1995;273:461-5.

  10. Seidell JC, Verschuren WMM, Leer EM van, Kromhout D.Overweight, underweight, and mortality. A prospective study of 48,287 men andwomen. Arch Intern Med 1996;156:958-63.

  11. Jousilahti P, Tuomilehto J, Vartiainen E, Pekkanen J,Puska P. Body weight, cardiovascular risk factors, and coronary mortality.15-year follow-up of middle-aged men and women in eastern Finland.Circulation 1996;93:1372-9.

  12. Shaper AG, Wannamethee SG, Walker M. Body weight:implications for the prevention of coronary heart disease, stroke, anddiabetes mellitus in a cohort study of middle aged men. BMJ 1997;314:1311-7.

  13. Troiano RP, Frongillo jr EA, Sobal J, Levitsky DA. Therelationship between body weight and mortality: a quantitative analysis ofcombined information from existing studies. Int J Obes Relat Metab Disord1996;20:63-75.

  14. American Health Foundation Roundtable on Healthy Weight.Proceedings of an expert panel discussion. Am J Clin Nutr 1996;63(3Suppl):409S-77S.

  15. Over gewicht en hart- en vaatziekten. Den Haag:Nederlandse Hartstichting, 1995.

  16. Dattilo AM, Kris-Etherton PM. Effects of weight reductionon blood lipids and lipoproteins: a meta-analysis. Am J Clin Nutr1992;56:320-8.

  17. Goldstein DJ. Beneficial health effects of modest weightloss. Int J Obes Relat Metab Disord 1992;16:397-415.

  18. Staessen J, Fagard R, Lijnen P, Amery A. Body weight,sodium intake and blood pressure. J Hypertens Suppl 1989;7:S19-23.

  19. Staessen J, Fagard R, Amery A. The relationship betweenbody weight and blood pressure. J Hum Hypertens 1988;2:207-17.

  20. Harris T, Cook EF, Garrison R, Higgins M, Kannel W,Goldman L. Body mass index and mortality among nonsmoking older persons. TheFramingham Heart Study. JAMA 1988;259:1520-4.

  21. Lindsted K, Tonstad S, Kuzma JW. Body mass index andpatterns of mortality among Seventh-day Adventist men. Int J Obes 1991;15:397-406.

  22. Allison DB, Gallagher D, Heo M, Pi-Sunyer FX, HeymsfieldSB. Body mass index and all-cause mortality among people age 70 and over: theLongitudinal Study of Aging. Int J Obes Relat Metab Disord1997;21:424-31.

  23. Tayback M, Kumanyika S, Chee E. Body weight as a riskfactor in the elderly. Arch Intern Med 1990;150:1065-72.

  24. Folsom AR, French SA, Zheng W, Baxter JE, Jeffery RW.Weight variability and mortality: the Iowa Women's Health Study. Int JObes Relat Metab Disord 1996;20:704-9.

  25. French SA, Folsom AR, Jeffery RW, Zheng W, Mink PJ,Baxter JE. Weight variability and incident disease in older women: the IowaWomen's Health Study. Int J Obes Relat Metab Disord1997;21:217-23.

  26. Must A, Dallal GE, Dietz WH. Reference data for obesity:85th and 95th percentiles of body mass index (wt/ht2) and triceps skinfoldthickness. Am J Clin Nutr 1991;53:839-46.

  27. Cole TJ, Freeman JV, Preece MA. Body mass index referencecurves for the UK, 1990. Arch Dis Child 1995;73:25-9.

  28. White EM, Wilson AC, Greene SA, McCowan C, Thomas GE,Cairns AY, et al. Body mass index centile charts to assess fatness of Britishchildren. Arch Dis Child 1995;72:38-41.

  29. Gortmaker SL, Dietz jr WH, Cheung LW. Inactivity, diet,and the fattening of America. J Am Diet Assoc 1990;90:1247-52,1255.

  30. Power C, Lake JK, Cole TJ. Measurement and long-termhealth risks of child and adolescent fatness. Int J Obes Relat Metab Disord1997;21:507-26.

  31. Guo SS, Roche AF, Chumlea WC, Gardner JD, Siervogel RM.The predictive value of childhood body mass index values for overweight atage 35 y. Am J Clin Nutr 1994;59:810-9.

  32. Kuczmarski RJ, Flegal KM, Campbell SM, Johnson CL.Increasing prevalence of overweight among US adults. The National Health andNutrition Examination Surveys, 1960 to 1991. JAMA 1994;272:205-11.

  33. al-Isa AN. Prevalence of obesity among adult Kuwaitis: across-sectional study. Int J Obes Relat Metab Disord 1995;19:431-3.

  34. Pishdad GR. Overweight and obesity in adults aged 20-74in southern Iran. Int J Obes Relat Metab Disord 1996;20:963-5.

  35. Khan LK, Sobal J, Martorell R. Acculturation,socioeconomic status, and obesity in Mexican Americans, Cuban Americans, andPuerto Ricans. Int J Obes Relat Metab Disord 1997;21:91-6.

  36. Hodge AM, Dowse GK, Gareeboo H, Tuomilehto J, Alberti KG,Zimmet PZ. Incidence, increasing prevalence, and predictors of change inobesity and fat distribution over 5 years in the rapidly developingpopulation of Mauritius. Int J Obes Relat Metab Disord1996;20:137-46.

  37. Seidell JC. Time trends in obesity: an epidemiologicperspective. Horm Metab Res 1997;29:155-8.

  38. Seidell JC, Flegal KM. Assessing obesity: classificationand epidemiology. Br Med Bull 1997;53:238-52.

  39. Epstein FH, Higgins M. Human obesity: general aspects.In: Björntorp P, Brodoff BN, editors. Epidemiology of obesity.Philadelphia: Lippincott, 1992:330-42.

  40. Dowse GK, Zimmet P, Collins VR. Obesity in Pacificpopulations. In: Björntorp P, Brodoff BN, editors. Epidemiology ofobesity. Philadelphia: Lippincott, 1992:619-39.

  41. Baecke JAH, Burema J, Frijters JE, Hautvast JGAJ,Wiel-Wetzels WA van der. Obesity in young Dutch adults: I, socio-demographicvariables and body mass index. Int J Obes 1983;7:1-12.

  42. Tonkelaar I den, Seidell JC, Noord PA van, Baanders-vanHalewijn EA. De middel-heupomtrekverhouding bij Nederlandse vrouwen en hetverband met zelf-gerapporteerde diabetes mellitus, hypertensie encholecystectomie. Ned TijdschrGeneeskd 1990;134:1900-2.

  43. Seidell JC, Verschuren WM, Kromhout D. Prevalence andtrends of obesity in the Netherlands 1987-1991. Int J Obes Relat Metab Disord1995;19:924-7.

  44. Zo eet Nederland, 1992. Resultaten van devoedselconsumptiepeiling 1992. Den Haag: Voorlichtingsbureau voor de Voeding,1993.

  45. Mennen LI, Witteman JCM, Geleijnse JM, Stolk RP, VisserMC, Grobbee DE. Risicofactoren voor hart- en vaatziekten bij ouderen: hetERGO onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd1995;139:1983-8.

  46. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). VademecumGezondheidsstatistiek Nederland 1996. Voorburg: CBS, 1996.

  47. Kramers PGN, Ruwaard D, redacteuren. VolksgezondheidToekomst Verkenning 1997. Amsterdam: Elsevier/De Tijdstroom, 1997.

  48. Kumanyika SK. Special issues regarding obesity inminority populations. Ann Intern Med 1993;119:650-4.

  49. Slattery ML, McDonald A, Bild DE, Caan BJ, Hilner JE,Jacobs jr DR, et al. Associations of body fat and its distribution withdietary intake, physical activity, alcohol, and smoking in blacks and whites.Am J Clin Nutr 1992;55:943-9.

  50. McKeigue PM, Pierpoint T, Ferrie JG, Marmot MG.Relationship of glucose intolerance and hyperinsulinaemia to body fatpatterns in south Asians and Europeans. Diabetologica1992;35:785-91.

  51. Wienpahl J, Ragland DR, Sidney S. Body mass index and15-year mortality in a cohort of black men and women. J Clin Epidemiol1990;43:949-60.

  52. Pietinen P, Vartiainen E, Männistö S. Trends inbody mass index and obesity among adults in Finland from 1972 to 1992. Int JObes Relat Metab Disord 1996;20:114-20.

  53. Björntorp P. Obesity. Lancet1997;350:423-6.

  54. al-Isa AN. Changes in body mass index (BMI) andprevalence of obesity among Kuwaitis 1980-1994. Int J Obes Relat Metab Disord1997;21:1093-9.

  55. Blokstra A, Kromhout D. Trends in obesity in young adultsin the Netherlands from 1974 to 1986. Int J Obes 1991;15:513-21.

  56. Baal M van. Trendcijfers gezondheidsenquête;gezondheidsindicatoren 1981-1995. Mndber Gezondheid (CBS)1996;7:12-39.

  57. Time trends of some cardiovascular risk factors in Italy.Results from the Nine Communities Study. The research group ATS-RF2-OB43 ofthe Italian National Research Council. Am J Epidemiol1987;126:95-103.

  58. Jalkanen L, Tuomilehto J, Nissinen A, Puska P. Changes inbody mass index in a Finnish population between 1972 and 1982. J Intern Med1989;226:163-70.

  59. Kuczmarski RJ. Prevalence of overweight and weight gainin the United States. Am J Clin Nutr 1992;55(2 suppl):495S-502S.

  60. Williamson DF. Descriptive epidemiology of body weightand weight change in US adults. Ann Intern Med 1993;119:646-9.

  61. Wolk A, Rössner S. Effects of smoking and physicalactivity on body weight: developments in Sweden between 1980 and 1989. JIntern Med 1995;237:287-91.

  62. Ruwaard D, Gijsen R, Bartelds AIM, Hirasing RA, VerkleijH, Kromhout D. Is the incidence of diabetes increasing in all age groups inthe Netherlands? Results of the second study in the Dutch Sentinel PracticeNetwork. Diabetes Care 1996;19:214-8.

  63. De Luise MA. Obesity studies in Australia. Med J Aust1985;142(7 Suppl):S20-5.

  64. Mo-suwan L, Geater AF. Risk factors for childhood obesityin a transitional society in Thailand. Int J Obes Relat Metab Disord1996;20:697-703.

  65. al-Nuaim AR, Bamgboye EA, al-Herbish A. The pattern ofgrowth and obesity in Saudi Arabian male school children. Int J Obes RelatMetab Disord 1996;20:1000-5.

  66. Chinn S, Rona RJ. Trends in weight-for-height and tricepsskinfold thickness for English and Scottish children, 1972-1982 and1982-1990. Paediatr Perinat Epidemiol 1994;8:90-106.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum/Universiteit van Amsterdam, afd. Maag-, Darm- en Leverziekten, Meibergdreef 9, 1105 AZ Amsterdam.

Mw.prof.dr.E.M.H.Mathus-Vliegen, gastro-enteroloog.

Gerelateerde artikelen

Reacties

J.
Stork

Amstelveen, september 1998,

In 3 boeiende artikelen beschrijven Mathus-Vliegen (1998:1982-9 en 1989-95) en Pijl en Meinders (1998:1995-9) de huidige inzichten betreffende overgewicht. Evenals bij roken, drugsgebruik, alcoholgebruik en seksueel overdraagbare aandoeningen komt naar voren dat een goede voorlichting van groot belang is voor eet- en leefgewoonten.

Ik weet niet hoeveel voorlichtingsfolders over leef- en eetgewoonten er in omloop zijn in ons land, maar ik heb er een kast vol van. Ook gaan veel voorlichters op schoolbezoek. Ik wil pleiten voor een vak algemene gezondheidsleer op alle scholen, te beginnen bij de basisscholen, dat wil zeggen verplichte leerstof over zaken als gezonde voeding, leefstijl, gebruik van alcohol en van tabak, seksuele voorlichting, maar ook zaken als koorts, hoofdpijn, griep, buikpijn, misselijkheid, diarree et cetera. Ik denk dat het leggen van een dergelijke basis ertoe kan leiden dat veel mensen later evenwichtiger met problemen aangaande gezondheid en ziekte omgaan; voorkomen is beter dan genezen. Het vak van huisarts zal dan mogelijk nog boeiender worden en misschien dat van onderwijzer of leraar ook wel.

J. Stork
H.
Pijl

Leiden, september 1998,

Wij zijn het met collega Stork eens dat voorkomen van adipositas beter en misschien ook gemakkelijker is dan genezen. Gevoelsmatig lijkt onderricht op scholen een zinvolle benadering. In een enkel Europees land zijn experimenten gedaan met systematische preventieve interventie op scholen. Daarbij werd aandacht besteed aan voeding en beweging. De resultaten waren op z'n best bemoedigend, maar zeker niet overtuigend. Interventie in het gezin (dus ook ouders bij de preventie betrekken) is mogelijk effectiever. In Nederland zijn er voorzover wij weten nog geen onderzoeken gedaan naar het effect van dergelijke interventies.

H. Pijl
A.E. Meinders