Feestrede bij de viering van het 150-jarig jubileum van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde

Perspectief
J.C. Kennedy
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:425-32
Abstract
Download PDF

Het is een grote eer voor mij om hier te mogen spreken ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG). Ik ben mij er wel van bewust dat ik hier sta als buitenstaander, als historicus, en dat ik in de voetsporen treed van oratoren die hun sporen hadden verdiend op het terrein van de geneeskunde en u tijdens andere mijlpalen in de geschiedenis van dit tijdschrift toespraken (figuur 1). Ik ben de professie van medicus het meest genaderd toen mijn dochter werd geboren in de staat Indiana in de VS. Het geluk wilde dat mijn vrouw Nederlandse is en het kind thuis geboren wilde laten worden, hoewel de wet van Indiana vroedvrouwen verbiedt hun werk aan huis te doen – een van die ‘moderne’ wetten die uit naam van de veiligheid alle geboorten in het ziekenhuis willen laten plaatsvinden. Via via kwamen wij in contact met een ervaren vroedvrouw, die bij de begeleiding van de bevalling al onze verwachtingen overtrof; maar zij wilde niet met naam en toenaam vermeld worden in de geboorteakte. Ik had toen net mijn doctorsgraad in de geschiedenis ontvangen en aangezien ik de navelstreng had doorgeknipt, besloot ik bij het vakje waarin werd gevraagd naar ‘the attendant at birth’ in te vullen: ‘Dr. James Kennedy’. Geloof me, ik heb sindsdien vaak nagedacht over het verschil tussen de medische en de historische doctorsgraad en over de vraag of ik hierdoor mijn eigen doctorsgraad of die van de hardwerkende medici die ik kende door het slijk had gehaald.

Eén eeuw en één dag geleden, op 5 januari 1907, hield de beroemde Hector Treub, hoogleraar in de Verloskunde en Gynaecologie, in de Senaatskamer van de Universiteit van Amsterdam een inspirerende rede voor de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, waarin hij aandrong op het voltooien van de ‘levensgeschiedenis van het NTvG’. Treub was een man van de geneeskunde met een bijzondere belangstelling voor de geschiedenis van zijn vakgebied, die overigens niet door al zijn collega’s gedeeld werd. Al in 1900 was volgens de arts en NTvG-historicus Constant Charles Delprat (figuur 2) door de Vereniging het besluit genomen om ‘ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan’ van het NTvG een feestuitgave te publiceren ‘nadat het woord “historische” daaruit was geschrapt’. Treub, die erop stond dat deze feestuitgave een historische dimensie zou krijgen, kreeg later een aanvaring met de beroemde fysioloog Hendrik Zwaardemaker, die in 1904 opmerkte: ‘Men moet de jongere generatie van wetenschappelijke mannen niet leeren, om achter zich te kijken, maar veeleer om voor zich uit te zien.’ De plaats en de waarde van de geschiedenis bleven de daaropvolgende decennia een controversiële kwestie voor de redactie. Tijdens het interbellum had het Tijdschrift, onder de bezielende leiding van hoofdredacteur Gerard van Rijnberk, zo’n twintig jaar lang een eigen maandelijkse geschiedenisrubriek. Naast de voorstanders hiervan waren er echter ook altijd artsen die de rubriek slechts tolereerden of die zich geregeld openlijk verzetten tegen deze ‘geheel zinloze’ onderneming. Toen Van Rijnberk in 1946 met emeritaat ging, ging ook zijn geschiedeniscolumn met pensioen. Uiteindelijk kwam er wel een feestuitgave, maar het duurde nog tot 1932, bij de viering van het 75-jarig bestaan van het NTvG, voordat de geschiedenis van de eerste 50 jaar van het Tijdschrift het licht zag (figuur 3). Zelfs toen verontschuldigde de auteur, Delprat, zich voor zijn eigen werk, want dat kon niet zo boeiend zijn als de betogen van zijn voorgangers. Nee, legde hij uit, ‘van mij is de GESCHIEDENIS van het Tijdschrift gevraagd . . . Men zal dus in deze geschiedenis niets anders zien dan een klanklooze film, een droge historia morbi, waarin anamnese, symptomen, therapeutische maatregelen en prognose elkander opvolgen . . .’

Vandaag zijn er misschien ook onder u artsen die zich, evenals Zwaardemaker, afvragen of een historische feestrede de beste besteding van hun tijd is. Ik moet toegeven dat elke oppervlakkige lezer van Delprats boek – met de weinig creatieve titel De geschiedenis van de eerste 50 jaren van het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde – waarschijnlijk snel uitgekeken is op de vaak uitgebreide beschrijvingen, die neer lijken te komen op het wijdlopig samenvatten van de notulen van de Vereniging. Het gedenkboek van C.T.van Valkenburg uit 1957, dat de tweede halve eeuw bestrijkt, is compacter en analytischer dan Delprats geschrift (figuur 4 en 5). Toch zullen waarschijnlijk alleen lezers die werkelijk geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van het Tijdschrift en de conflicten die werden uitgevochten – waaronder de chronisch gespannen verhouding met de huidige KNMG – dit boek helemaal uit krijgen.

Beter dan deze beide boeken is het gloednieuwe jubileumboek De derde 50 jaar van Jan van der Meer en Sonja van ’t Hof (figuur 6 en 7). Evenals Delprat en Van Valkenburg is Van der Meer een gepensioneerde arts; dat is blijkbaar een vereiste voor schrijvers van de officiële geschiedenis van het NTvG. Maar dit jubileumboek is een grote stap voorwaarts vergeleken met de geschiedschrijvingen van de genoemde voorgangers. In de eerste plaats wordt het meer dan de andere boeken gekenmerkt door een heldere en toegankelijke stijl. Zowel Delprat als Van Valkenburg was nog beïnvloed door de formele schrijfstijl van het eind van de 19e eeuw (Delprat was in 1854 geboren en Van Valkenburg in 1872). Nog belangrijker is de verbetering van de inhoud: de recente geschiedenis van het NTvG is duidelijk en systematisch weergegeven, met veel aandacht voor bredere ontwikkelingen in de geneeskunde. Zo laten de auteurs zien hoe het optimisme over de veronderstelde vooruitgang – bijvoorbeeld in de bestrijding van infectieziekten – na verloop van tijd toch weer voorzichtiger werd. Van veranderingen in de lay-out van het Tijdschrift (er kwam meer kleur tijdens het 10-jarig bewind van de huidige hoofdredacteur Van Gijn) tot veranderingen in de samenstelling van de artsenstand (geneeskundestudenten zijn nu in meerderheid vrouw, een kwart van hen is van niet-Nederlandse afkomst en er zijn meer specialisaties): de auteurs geven met recht aandacht aan deze en allerlei andere veranderingen in de geneeskunde, te beginnen met de introductie van ‘de pil’, de pacemaker en de fiberscoop – allemaal medische innovaties van zo’n halve eeuw geleden.

Van nog meer belang is het feit dat Van der Meer en Van ’t Hof in hun boek aandacht geven aan de relatie tussen het NTvG, de medische professie en de brede samenleving. Geneeskunde is zelf een sociaal proces, dat wordt beïnvloed door veranderingen in de omgeving. De geneeskunde en haar beoefenaars staan niet buiten de samenleving, maar maken er intrinsiek deel van uit en daarom is het goed dat de auteurs hier aandacht aan besteden. Dit was natuurlijk ook het geval in 1857, ook al presenteerden Delprat en Van Valkenburg het NTvG meer als een geïsoleerd gebeuren, hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Sinds de jaren zestig echter is de interactie tussen de medische wereld, de staat en de samenleving nog intenser en dynamischer geworden en daarom verdient deze des te meer aandacht in de historische verhandelingen. Door het Tijdschrift in zijn sociale context te plaatsen, komen Van der Meer en Van ’t Hof tot twee kritische kanttekeningen. Hoewel zij concluderen dat het NTvG de pretentie om een algemeen medisch tijdschrift te zijn heeft waargemaakt, vinden zij dat er toch twee onderwerpen zijn ‘die weinig aan bod komen: de stem van de patiënt en de mening van de hoofdredactie over actuele maatschappelijke vraagstukken’. Op het eerste gezicht lijkt deze kritiek van bescheiden aard, omdat deze lacunes met enkele eenvoudige redactionele aanpassingen aangevuld kunnen worden. Het NTvG zou bijvoorbeeld artikelen kunnen publiceren waarin patiënten verslag doen van hun eigen medische ervaringen; zulke artikelen verschijnen al, zoals Van der Meer en Van ’t Hof opmerken, in The Lancet en Annals of Internal Medicine. Bovendien zouden de redacteuren van het NTvG, in navolging van hun collega’s bij andere medische tijdschriften, zich assertiever kunnen opstellen in de discussies over actuele maatschappelijke vraagstukken. Omdat het om betrekkelijk kleine redactionele wijzigingen gaat, zou men kunnen veronderstellen dat de kritiek van de jubileumboekauteurs meevalt.

Ik denk echter dat er meer nodig is dan een aanpassing van het redactionele beleid. In 1918 schreef de toenmalige hoofdredacteur Van Rijnberk dat het een ‘eigenschap van den bekwamen geneeskundige’ is om ‘eenkennig, eenzijdig en maatschappelijk onrijp’ te zijn. Van Rijnberk reageerde met deze woorden kritisch op het ontstaan van de Nederlandsche Specialisten Vereniging, die de positie van het NTvG als algemeen tijdschrift voor de hele medische professie bedreigde, waardoor de artsen vermoedelijk nog eenkenniger zouden worden. Misschien zouden we wat Van Rijnberk zei met een korreltje zout moeten nemen. Hij was naar eigen zeggen ‘zonder vrienden’, een zonderling die zo geïnteresseerd was in occultisme dat hij er artikelen in het Tijdschrift aan wijdde en er een boek over schreef – geen onderwerp waar veel van zijn collega’s warm voor konden lopen. Toch suggereert de geschiedenis van het NTvG dat medici inderdaad te vaak ‘eenkennig, eenzijdig en maatschappelijk onrijp’ zijn geweest in hun houding tegenover de patiënt en tegenover actuele maatschappelijke vraagstukken.

Laat ik beginnen met de relatie tussen de dokter en de patiënt, een zowel eenduidiger als hoopgevender verhaal. Zoals Van der Meer en Van ’t Hof zelf schetsen, was de afstand tussen de patiënt en de dokter tot 1970 nogal groot en was de relatie tamelijk paternalistisch. Deze verhouding was niet zonder voordelen, omdat ze gebaseerd was op het vertrouwen van de patiënt in de dokter en op een duidelijke rolverdeling. Zoals we allen weten, forceerde de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig een verandering in deze relatie. ‘Het idee dat de patiënt zich met de beslissingen over de eigen behandeling zou gaan bemoeien – dat was wel wat veel gevraagd voor de gemiddelde arts rond 1970’, schrijven de jubileumboekauteurs. Maar in de loop van de jaren zeventig nam de druk op de artsenstand toe om te veranderen; patiënten begonnen zich te organiseren in belangenverenigingen en politici, juristen en ethici stelden zich ten doel de kwaliteit van de medische besluitvorming en de positie van de patiënt ten opzichte van de dokter te verbeteren. Deze veranderingen werden dus niet vooral door de medici zelf in gang gezet – hoewel er in de eigen gelederen genoeg artsen waren die het ‘bolwerk van de beterweters’ bekritiseerden (Van den Hoofdakker) en er bij de jongere generatie artsen veel sympathie was voor de democratiseringsgolf in de samenleving. Uiteindelijk zou hierdoor de relatie tussen dokter en patiënt substantieel worden veranderd; de wensen en de keuzen van patiënten werden veel belangrijker en soms werden zij zelfs benaderd als ‘medebehandelaars’ (‘Medicijnmeester, genees Uzelven’). Vooral in de jaren zeventig kwam er onder huisartsen de wens op om ‘de totale mens’ onder ogen te zien en in dialoog te gaan met ‘de mondige patiënt’.

Deze relatie tussen de Nederlandse dokters en hun patiënten zou andere landen ter inspiratie kunnen dienen. In sommige landen is men bijvoorbeeld enthousiast over de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO), waarin de samenwerking tussen arts en patiënt centraal staat, althans als ideaal. Ook de wijze waarop in Nederland is omgegaan met het euthanasievraagstuk laat zien hoe centraal die relatie nu is komen te staan binnen de medische besluitvorming. De gesprekken tussen de behandelend artsen en de lijdende patiënt zijn belangrijke voorwaarden voordat overgegaan mag worden tot uitvoering van euthanasie. In de jaren zestig en zeventig werd ‘bespreekbaarheid’ (een woord dat overigens niet in het Engels te vertalen is) een centrale deugd. Zo is Nederland er meer dan andere landen in geslaagd om de verschillen tussen dokter en patiënt te verminderen, hoewel ze natuurlijk niet opgeheven zijn. Het is niet moeilijk om diep onder de indruk te komen van de grote betrokkenheid van de meeste Nederlandse artsen bij hun patiënten.

Dit betekent niet dat er geen ruimte is voor verbetering. Nederlandse dokters hebben misschien geleerd om samen te werken met hun patiënten, maar het is niet duidelijk of zij dit doen omdat zij de patiënt en zijn interesses serieus nemen of uit strategische overwegingen, om moeilijkheden te voorkomen met assertieve en wantrouwende patiënten die soms onredelijke eisen stellen. Zijn artsen toegeeflijk omdat zij de waarde inzien van een samenwerkingsverband of omdat zij af willen van het gezeur van patiënten die hen zowel irriteren als intimideren? En hebben sommige artsen niet gelijk als zij zeggen dat de WGBO een recept is voor wantrouwen jegens de arts? Het laatste woord is hierover nog niet gesproken.

Uiteindelijk is de arts-patiëntrelatie deel van een overkoepelende kwestie: de relatie tussen de Nederlandse dokters en actuele maatschappelijke vraagstukken, waarover Van der Meer en Van ’t Hof hun tweede kritische opmerking maakten. Ik zou willen betogen dat daarbij een nog grotere kwestie aan de orde is: de problematische zoektocht naar een gezonde relatie tussen de medische professie en de samenleving. Wat moet de rol van de dokter zijn in de samenleving waar hij of zij deel van uitmaakt?

Dit probleem, en de betekenis daarvan voor het NTvG, werd ook gezien door de voormalige hoofdredacteur A.J.Dunning in het begin van de jaren tachtig. ‘Een tijdschrift is een meneer’, schreef Dunning in 1982, ‘en het NTvG is een zeer deftige meneer, die dan ook gevestigd is in een mooi pand in een chique buurt. Maar naast zijn huis, in de Jan Luykenstraat, staat . . . de Lucky Luyck, het meest beruchte kraakpand van Amsterdam. Zo is dat: ook een hele deftige meneer heeft met veranderingen in de omringende wereld te maken.’ De verhuizing van het Tijdschrift een paar jaar later naar de Johannes Vermeerstraat bracht volgens Van der Meer en Van ’t Hof weinig verandering: ‘Integendeel: de redactionele werkzaamheden worden verricht in een vrijstaande villa op stand, zonder bedreiging van krakers. De demonstraties en andere massabijeenkomsten op het aanpalende Museumplein garanderen evenwel dat de stem van de samenleving gehoord zal worden.’

Dit klinkt sympathiek: luisteren naar de stem van de samenleving, maar wat betekende het precies in de praktijk? Voor Dunning betekende dit dat hij de kolommen van het Tijdschrift ging openstellen voor uiteenlopende meningen over controversiële medisch-ethische kwesties, zonder dat het NTvG zelf een duidelijk standpunt innam. Dit beleid paste bij de metaforen die zijn gebruikt door Dunning en door de jubileumboekauteurs. Aan de ene kant stond deze ‘zeer deftige meneer’ apart van de krakers en de massabijeenkomsten – er is een duidelijk onderscheid tussen het Tijdschrift en de omringende wereld – en aan de andere kant worden wel het belang van de maatschappij en de invloed van sociale veranderingen erkend. Maar de taal is passief en suggereert dan ook dat deze verhouding tot de omringende samenleving passief en reactief is in plaats van proactief. Dokters zijn leiders op hun eigen werkterrein en verder passen zij zich aan als de maatschappelijke omstandigheden dat vereisen. Ze gaan mee met hun tijd. Een actuele leidersrol binnen de samenleving is echter geen deel van hun roeping; misschien wel voor individuen, maar niet voor de artsenstand.

Waarom zijn dokters als klasse ‘maatschappelijk onrijp’, om terug te keren tot de zinsnede van Van Rijnberk? Ik denk dat er drie aan elkaar verwante redenen zijn voor deze situatie. De eerste reden is het verlies van de status en autoriteit die de artsen als leden van de notabelen eens bezaten. Van Valkenburg geeft een uitstekende beschrijving van de wereld waarin de generatie van Delprat een eeuw geleden actief was; die wereld was volgens Van Valkenburg in de jaren vijftig al verdwenen: ‘Delprat vertegenwoordigde een generatie van mensen uit een kring, die in het land, en in talrijke verenigingen, . . . bestuurders leverde, mensen . . . die nieuwe denkbeelden ernstig in overweging . . . nemen . . .. Deze soort mensen . . . waren lange tijd de ruggegraat der natie; zij kwamen veelal voort uit geslachten die de verantwoordelijkheid van leiding-geven kenden en aanvaardden, en die nooit blind waren voor de bekwaamheden van hen die buiten hun kring stonden, en die in de bezitters daarvan een winst voor land en volk zagen . . .. Zij gebruikten hun tijd en hun gaven, naast de consciëntieuze uitoefening van hun . . . beroep, voor het algemeen belang.’

Van Valkenburg beschrijft in dit citaat een generatie dokters die het als hun heilige plicht zagen om een leidende rol in de maatschappij te spelen. Maar op de lange termijn was deze elitaire rol niet houdbaar; de artsenstand stelde zich – gelukkig – open voor mensen die van buiten de vertrouwde kringen kwamen: vrouwen, de financieel minder draagkrachtigen en recent ook immigranten en nieuwe Nederlanders. De democratisering van de samenleving, vooral zichtbaar tijdens de laatste generatie, ontmoedigde dokters om zich te presenteren als ‘betweters’. Hierdoor werd de sociale exclusiviteit ondermijnd en de wittejassenarrogantie nam af, maar ook verminderde het besef van ‘noblesse oblige’ en verdwenen de tradities van de publieke dienst die eens de medische professie hadden gekenmerkt. Omdat deze ontwikkeling in veel beroepsgroepen een vergelijkbaar effect heeft gehad, staan nu niet alleen de medici, maar allerlei professionele kringen voor de vraag hoe zij zich met gezag en met dienstbaarheid kunnen manifesteren in een samenleving die vraagt om leiderschap en visie, maar nog altijd moeite heeft met autoriteit.

De sociale positie van artsen veranderde ook door een tweede factor: verdergaande professionalisering en specialisering. Geneeskunde had in de praktijk vaak, maar niet altijd, een sterke empirische en kwantitatieve oriëntatie, gericht op gespecialiseerde onderzoeksterreinen. Volgens mijn postdoc aan de Vrije Universiteit, Anne-Mei The, die dankzij een genereuze subsidie van de Vereniging onderzoek doet naar de verschuivende opvattingen van artsen over leven en dood, zijn tegelijkertijd veel artsen – of ze nu werken in laboratoria of in de praktijk – mensen van de daad, die gericht zijn op praktische resultaten; in dat opzicht passen ze goed binnen het nogal antitheoretische karakter van de Nederlandse samenleving. Dit alles heeft bijgedragen tot het ontstaan van een professioneel ethos dat wordt gekenmerkt door trots op bereikte resultaten, hard werken en een heldere no-nonsensementaliteit – het ethos van vakmensen die met hun voeten in de modder staan, zoals The het beschrijft. Maar hier zit ook een schaduwkant aan: een gebrek aan reflectie, wantrouwen ten opzichte van buitenstaanders, de neiging om zich snel miskend te voelen en weinig waardering voor andere, ‘softe’ vormen van kennis – een situatie die hoofdredacteur Van Gijn ertoe bewoog om meer aandacht te vragen voor de studie van letteren in de geneeskunde en voor dokters die ook Madame Bovary of Der Zauberberg lezen. Hoewel artsen zeker hebben bijgedragen aan het welzijn van de mensheid, is de huidige medische stand niet werkelijk de ‘ruggegraat der natie’; te vaak zijn medici inderdaad te ‘eenzijdig’ en ‘eenkennig’ om echt leiding te kunnen geven aan de samenleving. Dit heeft soms geleid tot een zelfgekozen isolatie, waardoor artsen te weinig optrekken met andere partners in het publieke domein en te weinig ingaan op de mogelijkheid om eigen onderzoek te verbinden met dat van andere wetenschappen, hoewel dit nu wat beter lijkt te worden.

Dat hangt weer samen met de derde factor waardoor de sociale positie van de artsenstand is veranderd: een voortdurende weerstand tegen of onzekerheid over de rol van politieke, sociale en ethische kwesties in de medische praktijk. Wellicht heeft dit iets te maken met een strenge beroepscode: men moet niet te beïnvloeden zijn, niet door de commercie, maar ook niet door politiek en samenleving. Zouden artsen bijvoorbeeld afgevaardigd moeten worden naar het parlement? Over dit vraagstuk boog het NTvG zich al in 1905 en dat gebeurde opnieuw begin jaren twintig. Toen was Van Rijnberk van mening dat daar weinig eer mee te behalen viel: ‘Wie’, vroeg hij, ‘heeft nog eenige eerbied in deze tijden voor de zoogenaamde volksvertegenwoordiging?’ Vervolgens hield hij een pleidooi voor een van de kandidaten, wat hem niet in dank werd afgenomen; in een later nummer moest hij die steun weer intrekken. Het is niet verwonderlijk dat zuiver politieke thema’s bij voorkeur niet behandeld werden in het NTvG (hoewel er zeker artsen zitting hebben gehad in het Nederlandse parlement, zoals Arnold Tilanus en Jan Lamberts, om maar enkelen te noemen). Maar wat betreft de vraag of sociale problemen voldoende aandacht kregen in het NTvG waren de leden nooit op één lijn te krijgen. De klacht dat sociale geneeskunde onvoldoende werd behandeld, werd al gehoord in 1883. Deze klacht werd 20 jaar later herhaald en wordt sindsdien met enige regelmaat geuit. Enkele sociale problemen, zoals drankgebruik, werden zodoende wel eens besproken in het Tijdschrift.

Er was ook onenigheid en onzekerheid over de behandeling van ethische kwesties. Welke kwesties zouden aandacht moeten krijgen en hoe? Wat zou bijvoorbeeld de medische opinie moeten zijn over vivisectie? Na 1945 werd uiteindelijk gezamenlijk besloten dat ethische kwesties voortaan het terrein zouden zijn van het nieuw opgerichte Medisch Contact. Beide tijdschriften waren echter niet geheel enthousiast over het aanzwengelen van de discussie over ethische vraagstukken, hoewel ook het NTvG erkende dat deze kwesties een legitieme plek moesten krijgen. NTvG-hoofdredacteur Prakken stond eind jaren vijftig en in de jaren zestig toe dat over een aantal controversiële kwesties werd gedebatteerd: ‘alternatieve geneeswijzen, de farmacologische vooruitgang, maar ook kunstmatige inseminatie en zelfs een geslachtsveranderingsoperatie’, om Van der Meer en Van ’t Hof te citeren. Resuscitatie wordt, zoals Jan Molenaar terecht heeft opgemerkt, onderschat als een doorbraak in de geneeskunde die het maatschappelijk debat over leven en dood en de rol van de medische wetenschap en techniek op de kaart heeft gezet en het medisch maatschappelijk isolement heeft opengebroken. Maar ondanks deze revolutionaire ontwikkelingen concluderen de jubileumboekauteurs over de periode rond 1970: ‘Er was echter duidelijk weerstand om zich als medische stand bezig te houden met medisch-ethische vraagstukken. Anticonceptie, abortus, seksualiteitsvraagstukken in het algemeen en ook euthanasie werden lang uit de weg gegaan.’ Later zou de medische stand positiever gaan denken over de waarde van medisch-ethische discussies, maar het is de vraag of deze kwesties ooit veel aandacht opeisten in het professionele leven van Nederlandse artsen. Het ethos van de medische professie stond een al te levendige discussie over deze thema’s niet toe, deels vanwege de wens om boven het politieke rumoer verheven te blijven en deels vanwege het idee dat ethische kwesties – voor zover ze werkelijk van belang zijn – ingebakken zijn in de dagelijkse praktijk en daarom weinig extra aandacht nodig hebben.

In dit overzicht van 150 jaar geschiedenis van het NTvG lijk ik te suggereren dat de artsenstand van de laatste generaties niet altijd een weloverwogen leidende rol in de Nederlandse samenleving heeft gespeeld. Sterker nog: het is een portret van een wat geïsoleerde beroepsgroep, die niet proactief inspeelt op de maatschappelijke veranderingen. Dat is een perceptie vanaf de buitenkant, van een cultuurhistoricus, en medici moeten zich afvragen in welke mate dat ook zo is, waar de verhoudingen het meest problematisch zijn en waar problemen het best verholpen kunnen worden. Maar zelfs als ik gelijk heb, maakt het dan echt uit? Elke beroepsgroep heeft zijn zwakke punten; historici hebben ook niet altijd vorm gegeven aan hun verantwoordelijkheden in de samenleving buiten het eigen beroepsmatige takenpakket. Toch ben ik van mening dat actieve betrokkenheid bij het reilen en zeilen van de samenleving ertoe doet. In de eerste plaats gaat het om de gezondheid van de medische beroepsgroep zelf. De laatste decennia is de besluitvorming over veel ethische en sociale kwesties waarmee de samenleving werd geconfronteerd grotendeels overgelaten aan andere actoren. Artsen namen zelden de leiding in dergelijke discussies; hun rol was opnieuw vaak reactief en assimilerend in plaats van proactief en visionair. Dat was zeker een van mijn bevindingen toen ik onderzoek deed naar de geschiedenis van euthanasie in dit land: de artsen gingen wel mee met de noodzakelijke veranderingen, maar traden in de voetsporen van juristen, politici en ethici die al op medisch terrein te werk waren gegaan. Te vaak hebben niet-artsen de agenda bepaald als het te bespreken onderwerp buiten het kader van de onderzoeksinteresses van de artsen viel. Zodoende dreigden de medici te worden overvallen door de uitkomsten van besluitvorming waarin zij onvoldoende participeerden. De verzakelijking van de arts-patiëntrelatie door arbeidscontracten met veranderde werktijden en met vervangers en het economische management van de zorg zijn problemen die wellicht steeds groter zullen worden en die niet alleen in Medisch Contact moeten worden besproken. Kortom, het is de vraag of de belangen van artsen zelf altijd zijn gediend met deze terughoudende opstelling binnen en buiten het NTvG.

Een proactieve houding van de medische stand is niet alleen van belang voor het welzijn van de eigen beroepsgroep, maar ook voor dat van de maatschappij. De Nederlandse samenleving heeft belang bij goed opgeleide leiders met een visie op het publieke leven en de ‘civil society’. Veel instellingen in dit land zijn versteend en hebben nieuwe inspiratie nodig. Allerlei ideeën komen voort uit vormen van burgeractivisme. Een recent artikel in The Journal of the American Medical Association (JAMA) riep artsen op om in de samenleving ‘physician-citizens’ te zijn, die weten hoe zij hun eigen professionele training kunnen gebruiken voor een breed scala aan sociale verantwoordelijkheden (2004;291:94-8).

Uiteraard is de medische stand ook dringend nodig bij het vormgeven van de toekomst van de nationale en de mondiale gezondheidszorg. Het NTvG bleek weinig animo te tonen (schrijven Van der Meer en Van ’t Hof) bij de recente overgang naar een ander stelsel van gezondheidszorg, ondanks de beste voornemens van de hoofdredacteur. Het protest – op het Museumplein – was ook een klassiek voorbeeld van ‘too little too late’. Vergelijkbare veranderingen en controversiële kwesties zullen er ook in de toekomst zijn en daarom is het essentieel dat artsen samen verder nadenken over hun ‘public roles’ en ‘professional obligations’, om datzelfde JAMA-artikel opnieuw te citeren. Het geven van een invulling aan deze publieke rollen kan natuurlijk niet betekenen dat artsen terug zullen keren naar de ‘noblesse oblige’ van de standenmaatschappij of naar het politieke radicalisme van de jaren zestig en zeventig. Wel vereist het van artsen een actievere en meer betrokken houding bij kwesties die de samenleving bezighouden en die ook hun weerslag zullen hebben op de gezondheidszorg in Nederland en daarbuiten. Denk aan debatten over marktwerking in de zorg, consumptiegedrag, medische verzekering, verslavingszorg en milieu. Dat betekent overigens niet dat artsen zoveel mogelijk wat moeten roepen, of dat ze alleen maar telegenieke vertegenwoordigers moeten vinden om de standpunten van de beroepsgroep te presenteren. Hun inzet moet van lange duur zijn, waarbij visie, draagvlak en politiek-maatschappelijk fingerspitzengefühl essentieel zijn.

Ik weet op welke bezwaren dit voorstel stuit: u hebt te weinig tijd en hebt geen zin om nog minder tijd te hebben voor familie of uw ‘eigen’ werk. Maar ik nodig u niet uit tot het opzetten van nieuwe projecten; deze uitnodiging om u in de publieke arena duidelijker en assertiever op te stellen is een aanmoediging om u meer te oriënteren op de samenleving. Deze oproep doe ik ook aan het NTvG. Een ‘zeer deftige meneer’, als we bij deze gendertypering blijven, gaat niet over één nacht ijs en het is zijn charme dat hij zich niet overgeeft aan de waan van de dag – een veelgeprezen deugd van het NTvG. Maar juist omdat zulke heren de veranderingen in de wereld om hen heen observeren, zijn zij in staat om te zien hoe hun eigen rijke inzichten en tradities optimaal in dienst gesteld kunnen worden van die wereld. Daarom is het NTvG een belangrijk vehikel voor de toekomst, niet alleen voor artsen, maar ook voor de samenleving.

Auteursinformatie

Vrije Universiteit, Faculteit der Letteren, afd. Geschiedenis, De Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam.

Contact Hr.prof.dr.J.C.Kennedy, hoogleraar Nieuwste Geschiedenis (jc.kennedy@let.vu.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties

S.F.
Berntsen

Nijmegen, januari 2007,

Ik was zeer blij verrast om te zien en te lezen hoe het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) zijn 150-jarig jubileum invulling heeft gegeven. Het Jubileumnummer voor deze gelegenheid (2007:1-104) heb ik verslonden en de later gepubliceerde feestrede van prof.dr.J.C.Kennedy (2007:425-32) heeft mij weer een gevoel van hoop gegeven en de overtuiging dat er licht gloort aan het einde van de tunnel. De besproken onderwerpen raken de kern van ons vak en de toekomst ervan: blijven we navelstaren of worden we artsen met tevens een maatschappelijke missie? Ik ben ervan overtuigd dat deze vraag vele collega’s heeft geraakt.

Ik lees het NTvG wekelijks, maar zonder veel passie; ik beschouw het als een steeds terugkerende opgaaf om te lezen wat er voor mij als huisarts aan zinvols in staat. Het blad bevat veel mooi opgezette wetenschappelijke onderzoeken, maar geeft betrekkelijk weinig blijk van maatschappelijk engagement.

Ik hoop dat het NTvG de weg die met het Jubileumnummer en de feestspeech is ingeslagen zal vervolgen en zo bij de abonnees meer passie zal losmaken voor maatschappelijke vraagstukken met een medische dimensie. Mijns inziens zal dit tevens een wederopbloei van het NTvG betekenen.

S.F. Berntsen
De
hoofdredactie

Amsterdam, februari 2007,

De hoofdredactie bedankt collega Berntsen voor het compliment betreffende het Jubileumnummer van het Tijdschrift. Dit compliment speelt zij overigens graag door aan de gastredacteuren, W.Köhler en H.van Maanen. Weliswaar is de inhoud van dit nummer door de hoofdredactie en beide journalisten gezamenlijk vastgesteld, maar voor de uitvoering hebben alleen de journalisten zorg gedragen en derhalve komt alle lof hun toe.

Voor de maatschappelijke betrokkenheid van het Tijdschrift is de hoofdredactie uiteraard volledig verantwoordelijk. Zij neemt Berntsens woorden ter harte, maar tekent erbij aan dat degelijkheid en betrouwbaarheid nu eenmaal de sterke punten van het NTvG zijn. Het Tijdschrift wordt wel vergeleken met een tanker; die verandert niet snel van koers. Maar ook een tanker kan zeker bijgestuurd worden. De hoofdredactie heeft de boodschap van prof.dr.J.C.Kennedy goed begrepen en zal maatschappelijke thema’s niet schuwen. Er is echter geen rigoureuze ommezwaai te verwachten. Het zwaartepunt van het Tijdschrift blijft de verspreiding van medisch-wetenschappelijke informatie voor alle artsen in Nederland, ongeacht hun specialisatie.

De hoofdredactie