Gérard Abraham van Rijnberk, 'redacteur-gérant' van het Tijdschrift 1913-1946

Gérard Abraham van Rijnberk NTvG
S.E. van ’t Hof
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:2115-7
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Gérard Abraham van Rijnberk (1875-1953), hoogleraar Fysiologie, was de langstzittende redacteur-gerant uit de geschiedenis van het Tijdschrift. Onder zijn 33-jarig bewind bloeiden het Tijdschrift en de Vereniging Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde op. Van Rijnberk startte onder meer de historische bibliotheek van de Vereniging. De Tweede Wereldoorlog betekende het einde van de langdurige relatie van de Vereniging met de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (NMG). De NMG werd door de Duitse bezetter opgeheven, maar Van Rijnberk zette het Tijdschrift voort, wat hem op beschuldigingen van collaboratie kwam te staan. Na de oorlog bleef het Tijdschrift zelfstandig voortbestaan, naast Medisch Contact, het orgaan van de NMG.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:2115-7

Gérard Abraham van Rijnberk (1875-1953) studeerde medicijnen in Rome. Hij specialiseerde zich bij de fysioloog Luigi Luciani en volgde deze in 1904 op als privaatdocent Fysiologie. De Italiaanse ervaringen bleken vormend voor Van Rijnberk. Hij raakte in de ban van het land en de cultuur – en door contact met een spiritistisch medium ook van occultisme.1 (figuur)

In 1909 werd hij benoemd tot hoogleraar Fysiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens sommigen was Van Rijnberk een goed docent, die zittend hoorcollege gaf en zelden het schoolbord gebruikte.1 2 Anderen meenden dat hij met tegenzin les gaf; op het laatst las hij alleen nog voor uit zijn eigen Nederlandsch leerboek der physiologie, dat in 1937-1940 in 7 delen verscheen.3 Hij vernieuwde de opleiding door bij zijn aanstelling practicumlokalen te eisen voor praktisch fysiologieonderricht.1 Eén van de beroemdste studenten, Simon Vestdijk, zou Van Rijnberk later in zijn Anton-Wachter-cyclus vereeuwigen als professor Reinders.1

Van Rijnberk deed experimenteel onderzoek, vooral op het gebied van de segmentale fysiologie.1 In zijn laboratorium werd chirurgisch werk verricht, waarvoor de medewerkers zelf instrumenten ontwierpen.2 Onder Van Rijnberks assistenten en promovendi bevond zich E.Sluiter. Zij zou in 1927 als eerste vrouw in de hoofdredactie van het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde worden opgenomen. Zij volgde de overleden P.Muntendam op.1 2 4

Van Rijnberk werd door studenten en medewerkers moeilijk tot dictatoriaal gevonden. Een klacht leidde in 1919 tot een onderzoek van het college van curatoren van de universiteit. De klacht werd ongegrond verklaard, maar het college waarschuwde Van Rijnberk wel zich betamelijker te gedragen tegenover vrouwelijke medewerkers en studenten.3 Hij zou zichzelf later een eenzaam mens noemen, zonder vrienden.5 Uit Van Rijnberks schriftelijke nalatenschap rijst ook een ander beeld op: hij leidde een amoureus dubbelleven.1

In 1913 werd Van Rijnberk redacteur-gerant van het Tijdschrift, op voordracht van de vertrekkende H.Burger, die zijn journalistieke kwaliteiten zag. Dat Van Rijnberk, net 4 jaar terug in Nederland, de Nederlandse geneeskundige wereld niet goed kende, vormde geen bezwaar voor de Vereniging Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde. Wél dat hij in een preklinisch vak werkte en klinische ervaring ontbeerde, terwijl het Tijdschrift voor de praktiserend arts was bedoeld. Het stond de benoeming niet in de weg.5

Direct in de eerste redactievergadering nam Van Rijnberk de leiding. Hij stelde de povere financiën en de inhoud van het Tijdschrift aan de orde en kreeg zijn voorstel aanvaard om de ‘prulleboel’ aan boeken ter redactie te laten catalogiseren. Dat was het begin van de huidige historische bibliotheek van de Vereniging.5 Zelf een verwoed verzamelaar, startte hij ook andere verzamelingen – de ex librissen van Nederlandse geneeskundigen, en postzegels en penningen die verband hielden met geneeskunde. Dit kon worden betaald doordat Van Rijnberk mettertijd een financieel gezonde situatie schiep. Bovendien kon daardoor in 1936 voor het redactiekantoor een pand aan de Jan Luyckenstraat worden gekocht.5

Van Rijnberk stelde verschillende nieuwe rubrieken in, onder andere voor de geschiedenis van de geneeskunde, waaraan hij zelf veel bijdroeg. Dit werd inzet van een permanente strijd met zijn voorganger Burger. Het boterde niet tussen deze twee en zij zochten geregeld de confrontatie. Op jaarvergaderingen van de Vereniging kwam geregeld aan de orde dat de omvang van het blad moest worden beperkt. Burger stelde dan – vergeefs – voor de rubriek ‘Geschiedenis der geneeskunde’ op te heffen. Van Rijnberks historische stukken schijnen soms stekeligheden jegens Burger te bevatten.5

In de Hoofdartikelen in het Tijdschrift besteedde hij vaak aandacht aan het medisch onderwijs. De serie ‘Hedendaags mirakelgeloof’, vanaf 1914, gaf blijk van zijn belangstelling voor het occulte en paranormale – opgemerkt moet worden dat hij zeer kritisch was over de besproken onderwerpen.1 5 Ook het verzet tegen de vivisectie kon herhaaldelijk op zijn grote afkeuring rekenen. Verder schreef hij veelvuldig over het zijns inziens belabberde medisch taalgebruik. Hij gaf de aanzet tot het ontstaan van het Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemsche geneeskundige termen, dat later leidde tot Pinkhof geneeskundig woordenboek.1

Wilden eerdere redacteurs-gerants vaak na enkele jaren al van hun taak worden ontheven, Van Rijnberk voelde zich als een vis in het water. Hij bleef maar liefst 33 jaar aan en werd de latere jaren op kantoor bijgestaan door 2 van zijn dochters, Mathilde van Eijsden-van Rijnberk en Gioia Thole-van Rijnberk.4 Hij was ‘de centrale figuur in de gehele ingewikkelde machinerie, de man die alles van het bedrijf afwist, van de belangrijkste redactionele vraagstukken van beleid tot de nietigheden van de dagelijkse interne administratie.’6 Hij kreeg meestal gedaan wat hij wilde. ‘Men overdrijft niet, wanneer men Van Rijnberk een verlicht despoot noemt.’5 De Klinische les kwam weer tot leven doordat hij besloot de hoogleraren van de medische faculteiten en de directeuren van enkele grote ziekenhuizen volgens een rooster beurtelings een les te laten leveren. De rubriek was vanaf 1928 wekelijks gevuld.1 5

Van Rijnberk schreef gemakkelijk, wetenschappelijk en populair, en ook in het Engels, Italiaans, Duits en Frans. Vanaf 1921 verzorgde hij een vaste medische rubriek in de Haagsche Post.1 Hij publiceerde over eigen onderzoek en maakte deel uit van andere tijdschriftredacties, zoals in de periode 1907-1923 van Folia neurobiologica, Internationales Zentralorgan für die gesamte Biologie des Nervensystems. Ook hielp hij 2 nieuwe tijdschriften oprichten, waaronder in 1918 de Archives Néerlandaises de physiologie de l’homme et des animaux (van 1950 tot de opheffing in 1969 voortgezet als Acta physiologica et pharmacologica neerlandica).1 Hiervan werd hij bovendien hoofdredacteur, naast zijn hoofdredacteurschap voor het Tijdschrift. Hij bleef dat tot 1946, het jaar van zijn emeritaat en zijn aftreden als hoofdredacteur van het Tijdschrift. Rijnberks positie lijkt adequaat gevat in de titel van zijn biografie, Gerant van de Nederlandse geneeskunde in het Interbellum.1

Het Tijdschrift was sinds zijn oprichting in 1856 het officiële orgaan van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (NMG), al dreigde aan het begin van de Tweede Wereldoorlog een breuk over een futiele kwestie. De NMG werd echter eind 1941 opgeheven en vervangen door een door de Duitsers gecontroleerde Artsenkamer en een Nederlandsche Vereeniging van Ziekenfondsgeneesheren. Van Rijnberk wist te bereiken dat het Tijdschrift onafhankelijk van deze instanties kon worden voortgezet, onder meer met het argument dat een wetenschappelijk orgaan ‘op geenerlei wijze in mogelijke geschillen wordt betrokken, doch boven partijen zijn taak blijft vervullen.’5 Joodse medewerkers en redacteuren moesten hun medewerking staken, zoals de lang aan het Tijdschrift verbonden H.Pinkhof, die later omkwam in een concentratiekamp.5 Hetzelfde gold mensen die op politieke gronden werden ontslagen aan de universiteit, zoals de hoogleraar Gezondheidsleer en Medische Politie J.J.van Loghem, tevens rector magnificus ten tijde van de Duitse inval, W.P.C.Zeeman, hoogleraar Oogheelkunde en zoon van voormalig gerant J.Zeeman, en A.Ch.Ruys, hoogleraar Microbiologie der Infectieziekten.7 De artsenverzetsorganisatie Medisch Contact nam Van Rijnberk deze handelwijze na de oorlog zeer kwalijk. Vele Verenigingsleden loofden hem daarentegen juist omdat hij inmenging van de bezetter had voorkomen.1 5

Naoorlogs onderzoek leverde geen bewijzen van collaboratie, maar de relatie met de NMG werd niet hersteld. Het (K)NMG-orgaan heet sindsdien Medisch Contact en het Tijdschrift ging zelfstandig voort als wetenschappelijk blad.5

Van Rijnberk nam eind 1946 afscheid van het Tijdschrift. Aan de achterzijde van een geschilderd portret van de hoogleraar Pel, dat jarenlang in zijn kamer had gehangen, plakte hij een etiket met daarop geschreven: ‘Vaarwel Vaarwel / Portret van Pel / Wij beiden / moeten scheiden / 30.9.1946’.

Van Rijnberk overleed in 1953. De in memoriams maken geen gewag van de oorlog.2 6 De medisch medewerker van Het Parool, die hem als student zowel had bewonderd als verfoeid, stelde: ‘Het is onmogelijk Van Rijnberk te herdenken zonder dat de grote bewondering nog steeds is gemengd met een vleugje ergernis, maar gelukkig in het besef, dat beide hem gelijktijdig gevleid zouden hebben’.1

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Quack LA. G.A.van Rijnberk. Gerant van de Nederlandse geneeskunde in het Interbellum. Rotterdam: Erasmus Publishing; 2005.

  2. Deelman HT. Herinnering aan prof. dr. G.A. van Rijnberk. Ned Tijdschr Geneeskd. 1953;97:2644-5.

  3. Mooij A. De polsslag van de stad. 350 jaar academische geneeskunde in Amsterdam. Amsterdam: Arbeiderspers; 1999.

  4. Meer J van der, Hof S van ’t. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. De derde vijftig jaar, 1957-2006. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2007.

  5. Valkenburg CT van. Geschiedenis van het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde gedurende de tweede halve eeuw van zijn bestaan. Haarlem: De Erven F.Bohn; 1957.

  6. Kouwenaar W. In memoriam prof. dr. G.A. van Rijnberk. Ned Tijdschr Geneeskd. 1953;97:2642.

  7. Knegtmans PJ. Een kwetsbaar centrum van de geest. De Universiteit van Amsterdam tussen 1935 en 1950. Amsterdam: Amsterdam University Press; 1998.

Auteursinformatie

Contact Mw.dr.S.E.van ’t Hof, freelance onderzoeker, Vossiusstraat 31, 1071 AG Amsterdam (svthof@hotmail.com)

Ambrosius Arnoldus Guilielmus Guye, 'redacteur-gérant' van het Tijdschrift 1884-1889

Gerelateerde artikelen

Reacties

K.W.
Marck

Goutum, september 2007,

De lezers van het Tijdschrift worden in dit jubileumjaar royaal getrakteerd op een serie artikelen over de eigen geschiedenis van het Tijdschrift, met name over zijn voormalige hoofdredacteuren. Wat hierin opvalt, is de stereotiepe medisch-historische benadering van het onderwerp, beginnend met een korte levensschets, de academische en wetenschappelijke prestaties van de beschrevene, en tenslotte de verdienstelijke rol die deze speelde als hoofdredacteur. Een echt historische dimensie, op bijvoorbeeld sociaaleconomisch, wetenschapshistorisch of taalkundig gebied, wordt niet toegevoegd. De hoofdredactie houdt het bij de formule: petite histoire uit de eigen doos. Zo wordt er vanuit de wereld van historici in ieder geval gekeken naar veel medische geschiedschrijving en dat geldt ongetwijfeld ook voor deze serie.

Dat overmaat hierbij niet geschuwd wordt, blijkt uit het feit dat Van ’t Hof (2007:2115-7) onlangs een artikel wijdde aan Van Rijnberk, terwijl nog geen 2 jaar tevoren Quak (2005:2985-91) ook al uitgebreid verslag deed over de hoofdredacteur die meer dan welke andere ook, zijn stempel heeft gedrukt op het Tijdschrift, al was het maar omdat hij aan de wieg stond van de tweedeling met de (K)NMG (zie hierna). Wat opvalt in beide gelijkluidende publicaties is dat beide auteurs met een omzichtige boog om twee kanten van Van Rijnberks levenspad heen lopen. Allereerst gaan zij nauwelijks in op de dubbelhartigheid die Van Rijnberks levensgeschiedenis kenmerkt. Van ’t Hof bijvoorbeeld schrijft dat Van Rijnberk blijk gaf van zijn belangstelling voor het occulte en paranormale door het schrijven van de serie ‘Hedendaags mirakelgeloof’, maar haast zich op te merken ‘dat hij zeer kritisch was over de besproken onderwerpen’. Nergens vermeldt zij dat Van Rijnberk deels onder pseudoniem zich elders afficheerde als overtuigd aanhanger van occultisme en gelovige in spiritisme en aardstralen. Evenmin signaleert zij de tegenstrijdigheden dat Van Rijnberk enerzijds als hoofdredacteur fulmineerde tegen de antivivisectiebeweging, maar anderzijds geloofde in reïncarnatie, en dat hij zich publiekelijk graag uitsprak als moraalridder terwijl zijn persoonlijke nalatenschap bij Van ’t Hof het beeld oproept van ‘een amoureus dubbelleven’ en bij schrijver dezes dat van een veelzijdig erotomaan. Waarom wordt de lezer geen blik gegund op deze ambiguïteit in Van Rijnberks boeiende persoonlijkheid?

Een tweede onderbelichte kant van Van Rijnberk is zijn houding tijdens de Tweede Wereldoorlog. Veel leden van de toen nog Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (NMG) geheten artsenorganisatie keerden zich al spoedig tegen de bezetter, en deze artsenorganisatie werd in december 1941 opgeheven, terwijl onder leiding van Van Rijnberk het Tijdschrift op geen enkele manier de bezetter voor het hoofd wenste te stoten om maar vooral te kunnen blijven verschijnen. Zo werd joodse auteurs subtiel aangeraden ‘in hun eigen belang’ niet langer te publiceren, werd aan de Artsenkamer aangeboden gebruik te maken van de adresseermachine van het Tijdschrift, en hoewel dr.H.Pinkhof, die meer dan 50 jaar medewerker was geweest, al in 1943 in Westerbork was komen te overlijden, werd dit pas in augustus 1945 kort gememoreerd. Van Rijnberks apologetische hoofdredactionele stukken die net na de Bevrijding verschenen, spreken boekdelen.

Uit het voorgaande blijkt dat het Tijdschrift in zichzelf gekeerd is en zich niet gemakkelijk blootgeeft, hoewel het feit dat mijn kritische commentaar hier wordt gepubliceerd, aangeeft dat de huidige redactie niet alleen verandering beoogt, maar hiermee wellicht geschiedenis schrijft.

K.W. Marck
J.
van Gijn

Amsterdam, oktober 2007,

Collega Marck beticht ons op hoffelijke, maar niet mis te verstane wijze van onvolledigheid en vergoelijking bij de levensschetsen van oud-hoofdredacteuren.

Het verwijt dat de historische dimensie ontbreekt, klopt voor deze korte schetsen natuurlijk. Ze pretenderen niet veel meer dan wat leven toe te voegen aan de geschilderde portretten die in het redactiekantoor van het Tijdschrift te bewonderen zijn. Daar de afgebeelden de meesten van ons niet meer bekend zijn, vormde het jubileumjaar van het Tijdschrift een aanleiding voor deze reeks. De auteur zou graag meer ruimte hebben genomen, maar dat zou al gauw een boek zijn geworden. Toch is in een inleidend stuk en waar mogelijk in de portretten wel de maatschappelijke, wetenschappelijke of de sociaaleconomische context van de gezondheidszorg aangestipt.

Het Tijdschrift is bij tijd en wijle te veel naar binnen gekeerd geweest, maar het is niet helemaal fair om dit verwijt te baseren op deze reeks. Het bewind van de achtereenvolgende hoofdredacteuren, inclusief wetenschappelijke en taalkundige ontwikkelingen, is uitvoerig beschreven in drie jubileumboeken, die elk vijftig jaar van de geschiedenis van het Tijdschrift omvatten. Het laatste deel is dit jaar verschenen,1 en volgens verschillende recensies en commentaren was juist één van de verdiensten ervan dat daarin het Tijdschrift en zijn beleid zijn beschreven in samenhang met de maatschappelijke ontwikkelingen van de voorbije 50 jaar. Het is nog in de handel; de twee eerdere delen zijn in talrijke bibliotheken en antiquariaten te vinden.

Dan Van Rijnberk. Marck heeft volgens ons geen lacunes of fouten aangetroffen, maar zou graag een zwaarder oordeel vellen over het onconventionele privéleven van deze hoofdredacteur. Hij verkiest bijvoorbeeld de omschrijving ‘erotomaan’ boven ‘amoureus dubbelleven’. De laatste term lijkt ons echter duidelijk genoeg en bovendien niet, zoals de eerste, een enigszins ouderwetse diagnose. Wat zijn opstelling in de oorlog betreft, voor een jongere generatie is terughoudendheid op zijn plaats. In de oorlogsgeschiedschrijving heeft inmiddels het idee postgevat dat de meeste mensen niet ‘goed’ of ‘fout’ waren, maar ‘grijs’. Dit lijkt ook voor Van Rijnberk te gelden. Er was vast aanleiding om hem voor de zuiveringscommissie te brengen, maar het eindoordeel was niet negatief. Er is ook een andere kant aan de zaak. In een volgend portret wordt J.J.van Loghem sr. beschreven, de hoogleraar Gezondheidsleer en Medische Politie die in augustus 1941 werd ontslagen vanwege zijn anti-Duitse houding. Daarna werd hij door Van Rijnberk in de hoofdredactie opgenomen. De zaken die Marck beschrijft, zijn dus ten dele ook Van Loghem aan te rekenen. Deze heeft vanuit het redactiekantoor met het Hooglerarencontact gewerkt aan plannen voor de reconstructie van de Amsterdamse universiteit – zou Van Rijnberk hier niet van hebben geweten? Hij werd haar eerste naoorlogse rector magnificus en staat te boek als ‘goed’.2 Van Loghem heeft Van Rijnberk nooit beschuldigd van collaboratie vanwege het blijven publiceren van het Tijdschrift. Hij begreep waarschijnlijk heel goed dat ‘grijs’ nodig was.

J. van Gijn
S. van ’t Hof
Literatuur
  1. Meer J van der, Hof S van ’t. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1957-2006. De derde 50 jaar. Houten: Bohn Stafleu van Loghum; 2007.

  2. Knegtmans PJ. Een kwetsbaar centrum van de geest. De Universiteit van Amsterdam tussen 1935 en 1950. Amsterdam: Amsterdam University Press; 1998.