Cysteuze adventitiadegeneratie van de A. poplitea; een onverwachte oorzaak van claudicatio intermittens

Klinische praktijk
G. de Klerk
R.M. The
W.J. Zeeuwen
W.L. Akkersdijk
H.D.W.M. van de Pavoordt
J.P.P.M. de Vries
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:1802-7
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Drie mannen, van 48, 44 en 51 jaar, werden op de polikliniek Vaatchirurgie gezien wegens acuut ontstane klachten van claudicatio intermittens aan één been. Bij de eerste patiënt was de voorgeschiedenis blanco en waren er geen vasculaire risicofactoren, de tweede patiënt werd medicamenteus behandeld wegens hypercholesterolemie en diabetes mellitus en de derde patiënt rookte. Na aanvullend radiologisch onderzoek werd de diagnose ‘cysteuze adventitiadegeneratie van de A. poplitea’ gesteld. Alledrie de patiënten werden geopereerd. Bij de tweede werden alleen de aangetaste tunica adventitia en de buitenlaag van de tunica media gereseceerd: exarteriëctomie. Bij de andere twee patiënten vond resectie van de aangedane arterie plaats, waarna een veneus interponaat werd ingehecht. Het postoperatieve beloop was ongecompliceerd. De cysteuze adventitiadegeneratie werd bij histopathologisch onderzoek bevestigd. Cysteuze adventitiadegeneratie is bij 85-90 van de patiënten solitair gelokaliseerd in de A. poplitea. Vermoedelijk is de oorzaak te vinden in de embryogenese, waarbij mesenchymale cellen in de arteriewand zouden worden geïncorporeerd. De aandoening is dikwijls progressief, hetgeen kan leiden tot kritieke ischemie door arteriële occlusie. Chirurgische interventie is daarom noodzakelijk; daarbij geniet exarteriëctomie de voorkeur, zeker gezien de vaak jeugdige leeftijd van de patiënten.

Ned Tijdschr Geneeskd 2005;149:1802-7

Inleiding

In Nederland ligt de prevalentie van chronische claudicatio intermittens rond de 4,5, met een man-vrouwratio van 2:1.1 Een zeldzame oorzaak van acute claudicatio intermittens is cysteuze adventitiadegeneratie van de A. poplitea. In de literatuur zijn tot nu toe ongeveer 350 casussen gerapporteerd. In dit artikel beschrijven wij 3 patiënten met deze aandoening die in de afgelopen 2 jaar op onze polikliniek Vaatchirurgie werden gezien.

ziektegeschiedenissen

Patiënt A, een 48-jarige man, werd gezien op de polikliniek Vaatchirurgie wegens sinds 7 weken bestaande klachten van krampende pijn in de rechter kuit, optredend na circa 400 m lopen. Patiënt had een blanco medische voorgeschiedenis. Bij lichamelijk onderzoek werden geen ulcera of defecten aan de benen of voeten gevonden, maar er was wel een pulserende massa in de knieholte rechts palpabel. De enkel-armindex bedroeg in rust beiderzijds 1 (hierbij wordt de systolische bloeddruk van de arteriën op enkelniveau gedeeld door de systolische bloeddruk van de A. brachialis). Tijdens de looptest gaf patiënt na 480 m krampende pijn aan in de rechter kuit en voet, met een daling van de index naar 0,7.

Aanvullend duplexonderzoek, een combinatie van echografische beeldvorming en het meten van stroomsnelheden met behulp van ultrageluid, toonde een cysteuze afwijking rond de A. poplitea rechts. MRI toonde een cysteuze afwijking van de arteriewand (figuur 1); de werkdiagnose luidde ‘cysteuze adventitiadegeneratie’. Patiënt kreeg acetylsalicylzuur 100 mg 1 dd en gezien de aard van het letsel werd besloten tot chirurgische interventie.

Patiënt werd geopereerd in buikligging; de A. poplitea werd dorsaal benaderd. Peroperatief werd een cysteus gedegenereerde A. poplitea gezien (figuur 2), welke werd gereseceerd en vervangen door een kort veneus interponaat. Perioperatief deden zich geen complicaties voor. De enkel-armindex bedroeg postoperatief 1.

Histopathologisch onderzoek toonde inderdaad een cysteuze degeneratie van de tunica adventitia van de A. poplitea (figuur 3). Bij controle 12 maanden na de operatie was het interponaat goed doorgankelijk. Patiënt had nu geen problemen meer met lopen en zijn enkel-armindex bedroeg 1, zowel in rust als tijdens inspanning.

Patiënt B, een 44-jarige man, presenteerde zich met acuut ontstane krampende pijn in zijn linker been na 400 m lopen, zonder luxerend moment. De vasculaire risicofactoren bestonden uit hypercholesterolemie en diabetes mellitus, waarvoor hij medicamenteus werd behandeld. Bij lichamelijk onderzoek bedroeg de enkel-armindex in rust links 0,8 en rechts 1. Tijdens de looptest daalde de index links naar 0,56. Aanvullend duplexonderzoek en CT-angiografie toonden een cysteuze afwijking van de A. poplitea links, met een diameterreductie van 70-80.

Bij operatie via een dorsale S-vormige incisie werd een cysteus veranderde A. poplitea gezien; er volgde een resectie van de aangedane tunica adventitia en van de membrana elastica externa (figuur 4). Perioperatief deden er zich geen complicaties voor en de postoperatieve enkel-armindex bedroeg beiderzijds 1. De diagnose ‘cysteuze adventitiadegeneratie’ werd bij histologisch onderzoek bevestigd.

Bij follow-uponderzoek na 12 maanden was er geen stenose of dilatatie van de geopereerde A. poplitea. Patiënt had geen pijnklachten bij lopen en de enkel-armindex links bedroeg 0,97 in rust.

Patiënt C, een 51-jarige man, werd op de polikliniek Vaatchirurgie gezien wegens langer bestaande, sterk wisselende klachten van krampende pijn in het linker been, optredend na 50 tot 400 m lopen; sinds kort had hij ook nachtpijn. De enige aanwezige vasculaire risicofactor was roken. De enkel-armindex in rust bedroeg links 0,69, met een daling naar 0,42 tijdens inspanning. Bij aanvullend onderzoek werd een stenose van de A. poplitea gevonden van 85 en een distale occlusie van de A. tibialis posterior, mogelijk op basis van trombo-embolische complicaties. Gezien de nachtpijn werd percutane transluminale angioplastiek verricht. Na de ingreep was er nog een reststenose van 80. Wegens de lokalisatie van de stenose rond het flexiepunt van het kniegewricht werd er geen stent geplaatst.

Twee weken later werd via een dorsale S-vormige incisie de cysteus veranderde A. poplitea vrijgeprepareerd. Er werd getracht de aangetaste wandlagen te reseceren, maar de resterende vaatwand werd over een afstand van enkele centimeters als te zwak beoordeeld. De aangedane arterie werd gereseceerd en een kort V.-saphena-magna-interponaat werd omgekeerd ingehecht (zodat de veneuze kleppen de bloedstroom doorlieten). De diagnose ‘cysteuze adventitiadegeneratie’ werd middels histologisch onderzoek bevestigd. Het postoperatieve beloop was ongecompliceerd en 19 maanden na dato hadden zich geen complicaties voorgedaan. De pijnvrije loopafstand bedroeg meer dan 900 m en de enkel-armindex links was 0,85 in rust, zonder beduidende daling tijdens inspanning.

beschouwing

Cysteuze adventitiadegeneratie heeft een prevalentie van ongeveer 1:1200 onder patiënten met claudicatio intermittens.2 De aandoening komt vooral bij mannen van 40-60 jaar voor.3 Vaak zijn er geen vasculaire risicofactoren. In 1947 werd cysteuze adventitiadegeneratie van de A. iliaca voor het eerst beschreven.4 In 1998 werden in een overzicht van de tot dan toe verschenen literatuur 323 patiënten met cysteuze adventitiadegeneratie beschreven.5 De voorkeurslokalisatie is de A. poplitea met 85-90.5

Patiënten met cysteuze adventitiadegeneratie presenteren zich vaak met acuut ontstane krampende pijn in het aangedane lidmaat;6 zo ook de patiënten A en B. De oorzaak hiervan is waarschijnlijk een ruptuur of een bloeding in een aanwezige cyste. Tevens kunnen de pijnklachten sterk fluctueren,7 zoals bij patiënt C; soms worden patiënten zelfs weer klachtenvrij.8 De oorzaak van dit fenomeen moet worden gezocht in het feit dat de cysteuze afwijkingen in de arteriewand rechtstreeks kunnen communiceren met het kniegewricht.7

In uitzonderlijke gevallen presenteren patiënten zich met kritieke ischemie door lokale occlusie van de arterie als gevolg van uitbreiding van het cysteuze proces.

Etiologie

In de literatuur worden 5 mogelijke verklaringen gegeven, te weten: degeneratie, lokale uiting van een systemische aandoening, trauma, samenhang met een intra-articulaire ganglionachtige structuur (Baker-cyste) en afwijkende ontwikkeling van het vat.5

Zowel de degeneratieve als de systemische etiologische genese ligt niet voor de hand, aangezien ook op de kinderleeftijd cysteuze adventitiadegeneratie voorkomt en de aandoening bijna altijd als solitaire afwijking optreedt.5 Ook een (post)traumatische wordingsgeschiedenis is weinig plausibel, gezien het voorkomen in onder andere de A. radialis, de A. ulnaris en de A. iliaca bij patiënten die geen trauma hebben doorgemaakt.9

Volgens de gangliontheorie is er een anatomische relatie tussen cysteuze adventitiadegeneratie van de A. poplitea en de Baker-cyste, waardoor het fluctuerende klachtenpatroon wordt verklaard; echter, de histopathologische kenmerken van deze afwijkingen komen niet volledig overeen.10

Het waarschijnlijkst is de ontwikkelingstheorie. Het arteriële systeem van de onderste extremiteit bestaat tijdens de embryogenese primair uit zogenaamde segmentale arteriën; later worden dat de A. iliaca communis, een klein segment van het proximale deel van de A. poplitea en de A. peronea. Na de 5e ontwikkelingsweek groeien uit deze segmentale arteriën de niet-segmentale: de A. iliaca externa, de femorale arteriën, het resterende distale gedeelte van de A. poplitea en de A. tibialis posterior en anterior. Cysteuze adventitiadegeneratie treedt altijd op in deze niet-segmentale arteriën, mogelijk doordat de ontwikkeling van deze vaten samenvalt met de ontwikkeling van het mesenchym van de gewrichten, dat dan in de arteriewand zou worden ingebouwd en later zou uitgroeien tot cysten.5

Diagnostiek

De anamnese en de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek zijn vaak kenmerkend; typerend is de acuut ontstane claudicatio intermittens. Velen van de patiënten zijn jonge mannen zonder duidelijke vasculaire risicofactoren. Kenmerkend is ook het fluctuerende klachtenpatroon (patiënt C).

Bij lichamelijk onderzoek vindt men vaak geen aanwijzingen voor ernstige arteriële insufficiëntie. Met duplexonderzoek van de fossa poplitea kan men goed onderscheid maken tussen een Baker-cyste, dilaterend vaatlijden, een ‘entrapment’-syndroom of cysteuze adventitiadegeneratie. Bij vermoeden van cysteuze adventitiadegeneratie dient MRI of CT van de onderste extremiteit te worden verricht.11 Digitale-subtractieangiografie en MR-angiografie zijn niet geschikt om extraluminale afwijkingen van elkaar te onderscheiden.

De diagnose ‘cysteuze adventitiadegeneratie’ kan pas bij histopathologisch onderzoek worden bevestigd.12

Behandeling

Bij een patiënt met cysteuze adventitiadegeneratie kan, zelfs bij geringe claudicatio intermittens, op den duur chirurgische interventie aan de orde komen, met name als progressie van de cysteuze degeneratie plaatsvindt. De niet-chirurgische behandelopties zijn blinde of CT-geleide aspiratie van cysteninhoud of percutane transluminale angioplastiek, zoals bij patiënt C werd verricht; beide methoden geven echter onvoldoende resultaat op korte en lange termijn.3 13

De enige effectieve behandeling is de chirurgische. In de literatuur worden twee operaties beschreven met goede langetermijnresultaten. De eerste chirurgische optie is resectie van de aangedane arterie met interpositie van een autologe vene.14 De langetermijnresultaten van deze operatie zijn vergelijkbaar met die van de gangbare veneuze femoropopliteale bypassoperatie.

De tweede chirurgische optie is het reseceren van de aangedane lagen van de arteriewand, de zogenaamde exarteriëctomie. De beschreven groepen patiënten zijn klein, maar bij follow-uponderzoek dat zich uitstrekte over een langere termijn is er geen dilatatie van de gestripte arterie gezien.15 De reden om bij de patiënten A en C te kiezen voor een veneus interponaat was dat de degeneratie van de arteriewand op enkele plaatsen bijna transmuraal leek te zijn voortgeschreden en dat het risico van lokale aneurysmavorming hoog werd ingeschat.

Een alternatief voor de dorsale benadering van de A. poplitea is de mediale benadering, zowel boven als onder de knie. Deze benadering heeft als nadeel dat de aangedane arterie moeilijk kan worden verwijderd; ook is er vaak een langere bypass nodig.

conclusie

Wanneer jonge patiënten zonder uitgebreide vasculaire risicofactoren pijnklachten hebben die op claudicatio intermittens gelijken, dient men cysteuze adventitiadegeneratie te overwegen. Bij 85-90 van de betrokken patiënten is de aandoening gelokaliseerd in de A. poplitea. De diagnostiek is eenvoudig en bestaat uit duplexonderzoek van de fossa poplitea aangevuld met MRI of CT. Het verdient de voorkeur om de aangetaste tunica adventitia en de buitenlaag van de tunica media te reseceren (exarteriëctomie) met intact laten van de overige wandlagen van de arterie. Indien er twijfel bestaat over de haalbaarheid van deze exarteriëctomie dient resectie van de arterie te geschieden met inhechten van een bij voorkeur veneus interponaat. Deze laatste behandeling gaat gepaard met een risico op anastomoseproblemen, zoals gebruikelijk is bij een bypassoperatie. Dit is met name belangrijk vanwege de jonge leeftijd van deze specifieke patiëntengroep.

Dr.F.J.E.M.Blomjous, patholoog, St. Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein, verzorgde de histologische afbeelding bij dit artikel.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Klinkert P. Results of bypass surgery for peripheral arterial occlusive disease proefschrift? Leiden: Universiteit Leiden; 2004.

  2. Lewis GJT, Douglas DM, Reid W, Kennedy WJ. Cystic adventitial disease of the popliteal artery. BMJ 1967;iii:411-4.

  3. Lazic V, Stierli P. Adventitia resection in cystic degeneration of the popliteal artery. Helv Chir Acta 1994;60:883-6.

  4. Atkins HJB, Key JA. A case of myxomatous tumour arising in the adventitia of the left external iliac artery. Br J Surg 1947;34:426-7.

  5. Levien LJ, Benn CA. Adventitial cystic disease: a unifying hypothesis. J Vasc Surg 1998;28:193-205.

  6. Unno N, Kaneko H, Uchiyama T, Yamamoto N, Nakamura S. Cystic adventitial disease of the popliteal artery: elongation into the media of the popliteal artery and communication with the knee joint capsule: report of a case. Surg Today 2000;30:1026-9.

  7. Cassar K, Engeset J. Cystic adventitial disease: a trap for the unwary. Eur J Vasc Endovasc Surg 2005;29:93-6.

  8. Owen ERTC, Speechly-Dick EM, Kour NW, Wilkens RA, Lewis JD. Cystic adventitial disease of the popliteal artery: a case of spontaneous resolution. Eur J Vasc Surg 1990;4:319-21.

  9. Bergan JJ. Adventitial cystic disease of the popliteal artery. In: Rutherford RB, editor. Vascular surgery. Philadelphia: Saunders; 1995. p. 883-8.

  10. Cavallaro A, di Marzo L, Sciacca V. Cystic adventitial degeneration of the popliteal artery: a case report. VASA 1985;19:443-9.

  11. Crolla RMPH, Steyling JF, Hennipman A, Slootweg PJ, Taams A. A case of cystic adventitial disease of the popliteal artery demonstrated by magnetic resonance imaging. J Vasc Surg 1993;18:1052-5.

  12. Ihling C, Szombathy T, Nampoothiri K, Haendeler J, Beyersdorf F, Uhl M, et al. Cystic medial degeneration of the aorta is associated with p53 accumulation, Bax upregulation, apoptotic cell death, and cell proliferation. Heart 1999;82:286-93.

  13. Fox RL, Kahn M, Adler J, Sussman B, Mendes D, Ibrahim IM, et al. Adventitial cystic disease of the popliteal artery: failure of percutaneous transluminal angioplasty as a therapeutic modality. J Vasc Surg 1985;2:464-7.

  14. Tsolakis IA, Walvatne CS, Caldwell MD. Cystic adventitial disease of the popliteal artery: diagnosis and treatment. Eur J Vasc Endovasc Surg 1998;15:188-94.

  15. Stierli P, Mauch J, Koella C, Huber A, Eugster T, Gurke L. Circumferential removal of the adventitia for cystic degeneration of the popliteal artery. Br J Surg 2005;92:56-7.

Auteursinformatie

St. Antonius Ziekenhuis, afd. Chirurgie, Koekoekslaan 1, 3435 CM Nieuwegein.

Hr.G.de Klerk, assistent-geneeskundige; hr.dr.H.D.W.M.van de Pavoordt en hr.dr.J.P.P.M.de Vries, chirurgen.

Ziekenhuis St Jansdal, afd. Chirurgie, Harderwijk.

Hr.dr.R.M.The en hr.dr.W.L.Akkersdijk, chirurgen; hr.W.J.Zeeuwen, co-assistent.

Contact hr.dr.J.P.P.M.de Vries (j.vries@antonius.net)

Gerelateerde artikelen

Reacties

J.W.C.
Gratama

Apeldoorn, december 2005,

Graag willen wij een aanvulling geven op het artikel van De Klerk et al. (2005:1802-7) wat betreft de diagnostiek en behandeling van claudicatio intermittens ten gevolge van cysteuze adventitiadegeneratie van de A. poplitea (CDP), aan de hand van de ziektegeschiedenis van een patiënt uit ons ziekenhuis.

Deze patiënt, een 51-jarige man, werd door de huisarts verwezen naar de afdeling Radiologie voor een echografisch onderzoek vanwege kuitpijn. Er werd een cyste in de wand van de A. poplitea vastgesteld, welke leidde tot 50% vernauwing van het lumen (figuur a). Bij navraag bleek er sprake van claudicatio intermittens; patiënt werd verwezen naar de vaatchirurg. Na intercollegiaal overleg werd patiënt behandeld met percutane echogeleide aspiratie van de cyste-inhoud op de afdeling Radiologie, waarna de claudicatieklachten verdwenen waren. Een recidief na 6 maanden kon op gelijke manier behandeld worden (zie figuur b en c). Daarna bleef patiënt tot op heden (30 maanden) klachtenvrij.

De diagnose ‘CDP’ kan effectief en goedkoop gesteld worden met echografisch onderzoek, vanwege de superieure spatiële resolutie van de huidige transducers en de oppervlakkige ligging van de A. poplitea.1 MRI is onzes inziens alleen geïndiceerd bij zeer uitgebreide afwijkingen, omdat middels deze techniek de relaties met omgevende structuren beter weergegeven kunnen worden.2

In de bespreking van de therapeutische mogelijkheden van De Klerk et al. misten wij de echografisch geleide aspiratie van de cyste, welke als succesvol beschreven werd in een prospectieve studie bij 7 patiënten in 1997.3

Minimaal invasieve, percutane therapieën zijn als volgt beschreven in de literatuur. Percutane transluminale angioplastiek bleek niet succesvol, waarschijnlijk vanwege de elasticiteit van de laesie (daarin wijkt CDP af van de starre plaques bij atherosclerotisch vaatlijden, waarbij deze therapie wel goed werkt).4 5

Er zijn diverse manieren beschreven van directe punctie en aspiratie van de cyste-inhoud. ‘Blinde’ punctie bleek geen succes, vanwege het gebrek aan controle met betrekking tot de juiste positionering van de naald en de beoordeling van het resultaat.6 Punctie onder CT-geleide bleek in wisselende mate te slagen; problemen waren het ontbreken van directe controle over de naaldpositionering en gebrek aan mogelijkheden om het resultaat tijdens aspiratie te beoordelen. Twee keer was deze techniek succesvol,7 8 eenmaal trad een recidief op,9 en eenmaal was het resultaat alleen suboptimaal bij zeer forse (atletische) inspanning.10

Echogeleide aspiratie van de cyste-inhoud is de beste vorm van beeldgeleide aspiratie vanwege de zeer hoge spatiële resolutie en de directe beeldvorming.3 11 12 In de literatuur zijn 2 casuïstische mededelingen te vinden; in de ene werd toepassing van deze techniek beschreven zonder recidief,11 terwijl in de andere geen follow-upperiode vermeld werd.12 Verder is er een prospectief onderzoek verricht bij 7 patiënten, bij wie de cyste-inhoud met een 14-gauge-naald geaspireerd werd.3 Tijdens een follow-upperiode van gemiddeld 15 maanden (uitersten: 1-32) trad geen recidief van de claudicatieklachten op.

Bij een relatief jonge patiënt met kuitclaudicatie dient CDP in de differentiaaldiagnose opgenomen te worden, zoals ook De Klerk et al. schreven.13 De diagnose kan meestal op eenvoudige wijze met echografie gesteld worden. Als therapie dient eerst percutane echogeleide aspiratie van de cyste-inhoud overwogen te worden, vanwege de goede resultaten in de literatuur, de patiëntvriendelijkheid, de lage kosten en de geringe kans op complicaties – temeer daar in geval van een recidief de chirurgische therapie nog mogelijk blijft.

J.W.C. Gratama
E.G.J. Vermeulen
Literatuur
  1. Tsolakis IA, Walvatne CS, Caldwell MD. Cystic adventitial disease of the popliteal artery: diagnosis and treatment. Eur J Vasc Endovasc Surg. 1998;15:188-94.

  2. Elias DA, White LM, Rubenstein JD, Christakis M, Merchant N. Clinical evaluation and MR imaging features of popliteal artery entrapment and cystic adventitial disease. AJR Am J Roentgenol. 2003;180:627-32.

  3. Do DD, Braunschweig M, Baumgartner I, Furrer M, Mahler F. Adventitial cystic disease of the popliteal artery. Radiology. 1997;203:743-6.

  4. Fox RL, Kahn M, Adler J, Sussman B, Mendes D, Ibrahim IM, et al. Adventitial cystic disease of the popliteal artery: failure of percutaneous transluminal angioplasty as a therapeutic modality. J Vasc Surg. 1985;2:464-7.

  5. Khoury M. Failed angioplasty of a popliteal artery stenosis secondary to cystic adventitial disease – a case report. Vasc Endovascular Surg. 2004;38:277-80.

  6. Lazic V, Stierli P. Adventitiaresektion bei zystischer Degeneration der Arteria poplitea. Helv Chir Acta. 1994;60:883-6.

  7. Deutsch AL, Hyde J, Miller SM, Diamond CG, Schanche AF. Cystic adventitial degeneration of the popliteal artery: CT demonstration and directed percutaneous therapy. AJR Am J Roentgenol. 1985;145:117-8.

  8. Wilbur AC, Spigos DG. Adventitial cyst of the popliteal artery: CT-guided percutaneous aspiration. J Comput Assist Tomogr. 1986;10:161-3.

  9. Sieunarine K, Lawrence-Brown MM, Kelsey P. Adventitial cystic disease of the popliteal artery: early recurrence after CT guided percutaneous aspiration. J Cardiovasc Surg (Torino). 1991;32:702-4.

  10. Cholot M, Rousseau H, Aziza R, Ferro P, Elias A, Otal P, et al. Kyste adventiciel de l’artere poplitee. Imagerie et traitement percutane. J Radiol. 1996;77:201-4.

  11. Schaberle W, Eisele R. Die sonographische Diagnostik, Verlaufskontrolle und Therapie der zystischen Adventitiadegeneration. 2 Falldarstellungen und Literaturubersicht. Ultraschall Med. 1996;17:131-7.

  12. Peterson JJ, Kransdorf MJ, Bancroft LW, Murphey MD. Imaging characteristics of cystic adventitial disease of the peripheral arteries: presentation as soft-tissue masses. AJR Am J Roentgenol. 2003;180:621-5.

  13. Berge Henegouwen DP van, Barwegen MGMH, Thunnissen E, Dongen RJAM van. Kysteuze adventitia-degeneratie van de arteria poplitea. [LITREF JAARGANG="1983" PAGINA="958-61"]Ned Tijdschr Geneeskd. 1983;127:958-61.[/LITREF]

G.
de Klerk

Nieuwegein, januari 2006,

Wij danken de collegae Gratama en Vermeulen voor hun aanvulling aangaande de behandeling bij cysteuze adventitiadegeneratie van de A. poplitea. Zoals door henzelf al wordt aangegeven (zie hun literatuurlijst) zijn de initiële resultaten van deze behandeling echter zeer wisselend en is de kans op een recidief niet onaanzienlijk. Bij het merendeel van de patiënten met cysteuze adventitiadegeneratie gaat het niet om één geloketteerde cysteuze afwijking, maar om multipele, kleinere cysteuze afwijkingen. In deze gevallen is een simpele aspiratie technisch niet goed mogelijk, zeker ook gezien de sterke viscositeit van de cyste-inhoud. Daarnaast is er frequent een verbinding met cysteuze afwijkingen in het kniegewricht (baker-cyste) en die verbinding wordt door de aspiratie niet weggenomen. Als er sprake is van één grote cysteuze afwijking in de arteriewand, valt de behandeling waarvoor Gratama en Vermeulen opteren zeker te overwegen.

G. de Klerk
R.M. The
W.J. Zeeuwen
W.L. Akkersdijk
H.D.W.M. van de Pavoordt
J.P.P.M. de Vries