Wie het verleden vergeet . . .

Opinie
J. van Gijn
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:1-2
Abstract
Download PDF

Voor de oppervlakkige beschouwer lijkt de geschiedenis van de geneeskunde een aaneenschakeling van triomfen. Voornamelijk vanaf het einde van de 19e eeuw hebben generaties medici de mensheid ontelbare zegeningen gebracht: vaccinatie, röntgendiagnostiek, insuline, antibiotica, de anticonceptiepil, multidisciplinaire behandeling van kanker, transplantaties, behandeling van vaatziekten via katheterisatie, en wat niet al. Van een afstand bezien lijkt dit alles te danken aan een combinatie van toegenomen inzicht, logisch denken en doorzettingsvermogen.

Wat betreft de toekomst hoeft men, zo redenerend, die lijn alleen maar door te trekken. Als het ontstaan van een ziekte eenmaal goed begrepen is, zou de behandeling daaruit logischerwijs moeten volgen.

dwalingen in het verleden

In werkelijkheid is die indruk van gestage vooruitgang een drogbeeld. Een betere vergelijking is misschien de processie van Echternach: 5 stappen vooruit en 3 achteruit. Sterker nog, elke blijvende vordering bij de behandeling van een bepaalde ziekte is gepaard gegaan met een groter aantal mislukkingen, waarvan er steeds ook enkele jarenlang als standaardbehandeling hebben gegolden. Velen denken daarbij alleen aan bekende voorbeelden als het plaatsen van bloedzuigers en het aderlaten bij allerlei ziekten. Vergeten zijn de talloze onwerkzame behandelingen waarin lang is geloofd. Met weinig moeite is een keur aan voorbeelden te vinden in de 149 achter ons liggende jaargangen van dit tijdschrift – die elektronisch voor ieder zijn ontsloten (www.ntvg.nl).

Zo benadrukt een artikel uit 1944 over de behandeling van poliomyelitis het belang van warm inpakken van verlamde spieren; tijdens hete zomers stonden daarom in de ziekenzalen ook nog eens waterketels te stomen. Daarbij biedt het artikel een kritische terugblik op eerder aangeprezen, maar toen inmiddels verlaten behandelingen: inspuiting van reconvalescentenserum of urotropine, orale toediening van sulfathiazol of kaliumchloraat, röntgenbestraling van het ruggenmerg en elektriseren van spieren met galvanische of faradische stroom.1 Alleen het nemen van maatregelen tot vermijding van een spitsvoet of andere ‘vicieuse standen’ komt ons ook nu nog zinvol voor.

Psychiatrische ziekten van allerlei aard werden aan het begin van de 20e eeuw behandeld met langdurige baden, een uit Duitsland afkomstige behandeling.2 In vele gestichten werden zalen met badkuipen ingericht. Vooral opgewonden patiënten werden uren en soms dagen in het lauwwarme water gehouden.

Een ander sprekend voorbeeld is de behandeling van de zogenoemde ischias, hevige pijn aan de achterzijde van het bovenbeen, uitstralend in het verloop van de N. ischiadicus. Pas in 1934 werd door onderzoek van de neurochirurgen Mixter en Barr bekend dat de oorzaak gelegen is in de wervelkolom; de pijn ontstaat door druk van een uitstulpende tussenwervelschijf op een uittredende zenuwwortel. Vóór die tijd – en ook nog jaren erna – moest de N. ischiadicus het ontgelden bij de behandeling: arsenicumdruppels,3 Schotse douches,4 zenuwrekking,5 eventueel onder narcose,6 röntgenbestraling,7 inspuiting van novocaïne8 of thiodacaïne,9 galvanische stroom,10 en zelfs hypnose.11

dwalingen in het heden

Maar ook heden ten dage kan men bedrogen uitkomen wanneer behandelingen worden gebaseerd op ‘inzicht’ of ‘gezond verstand’. Daarvoor kunnen we bij de ischias blijven. Nu bekend was dat de aandoening wordt veroorzaakt door uitpuilen van een tussenwervelschijf, leek het logisch de werking van de zwaartekracht op de discus te verminderen door de patiënt bedrust voor te schrijven. Inderdaad heel logisch – maar niet effectief, blijkens een vergelijkend onderzoek dat een paar jaar geleden werd gedaan, nadat decennialang aan ontelbare patiënten bedrust was voorgeschreven.12 Ziekten zijn soms ingewikkelder dan wij denken. Dat mag ook wel eens worden bedacht door orthopedisch chirurgen in Duitse klinieken die zonder enige steun van gecontroleerd onderzoek plastic tussenwervelschijven implanteren bij patiënten met chronische rugpijn.13

Een actueel voorbeeld heeft te maken met homocysteïne. Er zijn overweldigende bewijzen dat het risico op hart- en vaatziekten verband houdt met de hoogte van de concentratie van homocysteïne in het bloed. Dat leidt logischerwijs tot de gedachte dat verlaging van de homocysteïneconcentratie door foliumzuur (vitamine B11) de kans op hart- en vaatziekten kan verkleinen. Daarom namen de initiatiefnemers van de ‘polypil’ het foliumzuur maar vast in de combinatie op.14 Toch kon het voordeel van dit middel niet worden aangetoond in een 2 jaar durende trial bij 3680 patiënten die een herseninfarct hadden ondergaan,15 en ook niet in een 3,5 jaar durende trial bij 3749 patiënten die een hartinfarct hadden gehad (Noorse vitaminetrial (NORVIT-trial), nog ongepubliceerd; www.medscape.com/viewarticle/512905). De homocysteïneconcentratie daalde overigens wel in de beide trials. Ook hier geldt vermoedelijk weer dat ziekten ingewikkelder zijn dan wij vaak denken.

experimenteren versus redeneren

De essentie van het onderscheid tussen kwakzalverij en reguliere geneeskunde is dan ook niet de geloofwaardigheid van de onderliggende theorie. Wie bedenkt dat in het verleden de meeste redeneringen over oorzaken en behandelingen van ziekten in de ‘officiële’ geneeskunde naderhand niet houdbaar bleken, heeft weinig reden om aan te nemen dat hedendaagse theorieën altijd kloppen, hoe plausibel ze ook klinken. Neen, het ware verschil bestaat uit de bereidheid om de effectiviteit van een behandeling op wetenschappelijke wijze te toetsen (figuur).16 Die toetsing bestaat uit de zojuist al even genoemde klinische trial, een vrij jonge verworvenheid in de geneeskunde.17

Een nog jongere aanwinst is het combineren van gegevens uit opeenvolgende klinische trials, de zogenaamde meta-analyse. Op die manier is bijvoorbeeld aangetoond dat elke werkzaamheid van homeopathie kan worden toegeschreven aan placebo-effecten.18 Niettemin verliezen zelfs koene bestrijders van de kwakzalverij soms uit het oog dat een wetenschappelijke toetsing geen erkenning inhoudt van de onderliggende theorie. Zo werd een meta-analyse van manueeltherapeutische, chiropractische of osteopathische behandeling bij zuigelingen met een voorkeurshouding, schedelafplatting en excessief huilen19 ten onrechte bekritiseerd als erkenning van een veronderstelde stoornis in de gewrichten tussen de schedel en de bovenste halswervel, het zogenaamde KISS-syndroom – ook al werd in dit geval geen gunstig effect gevonden.20 Het experiment is nu eenmaal van een hogere orde dan de theorie. Elke behandeling die werkt, is welkom, of we het nu begrijpen of niet.21

de arts als lijdzame volger van trials?

In de dagelijkse praktijk moet de arts niettemin talloze beslissingen nemen zonder dat deze steunen op bewijs uit gerandomiseerd onderzoek. Dit kan allerlei oorzaken hebben: mogelijk is er geen trial verricht, of slechts een enkele (denk aan het onderzoek naar de keizersnede bij stuitligging);22 de resultaten van één of meer trials kunnen onduidelijk zijn (bijvoorbeeld omtrent de meerwaarde van behandeling met clopidogrel ten opzichte van die met acetylsalicylzuur als secundaire preventie bij patiënten met herseninfarcten, myocardinfarcten en claudicatio intermittens);23 de patiënt kan verschillen van de patiënten in trials (zo kan het voorschrijven van geneesmiddelen aan kinderen een probleem zijn); nieuwe behandelmethoden, vooral chirurgische, hebben vaak een aanloopperiode nodig (voorbeeld: de laparoscopische behandeling van het coloncarcinoom);24 of een trial wordt als overbodig beschouwd (zo wordt niet getwijfeld aan het nut van ‘uitzuigen’ bij pasgeboren baby’s en aan het nut van leesbrillen).

Logisch redeneren, met alle daaraan verbonden risico’s, blijft onmisbaar.25 Dat is niet alleen het geval bij lacunes in kennis, maar ook bij het opzetten van nieuwe trials. Het genereren van nieuwe medische kennis is een cyclisch proces waarin hypothesen tot nieuwe trials leiden, en de resultaten van die trials tot nieuwe hypothesen.

verleden en toekomst bij het tijdschrift

Voor het trekken van lering uit de geschiedenis van de geneeskunde biedt het Tijdschrift niet alleen de inhoud van de jaargangen vanaf 1857, maar ook een rijk voorziene bibliotheek die teruggaat tot in de 16e eeuw.26 Maar nog niet iedereen heeft die lessen geleerd. Al verheugt de hoofdredactie zich steeds weer in de ontvangst van artikelen waarin verslag wordt gedaan van oorspronkelijk onderzoek, toch wordt zij soms geconfronteerd met verslagen over een nieuwe behandelingswijze die niet is ingepast in een formeel onderzoek. Als bij navraag bovendien blijkt dat de patiënten niet zijn ingelicht over het experimentele karakter van de behandeling, moeten wij van plaatsing afzien. In zulke gevallen gaat het meestal niet om een nieuw geneesmiddel, maar om een nieuwe toepassing van een operatie, injectie of endovasculaire behandeling. De theorie wordt dan ten onrechte als afdoende beschouwd.

Kortom, wie het verleden vergeet, is gedoemd het te herhalen.27 Daarom wenst de hoofdredactie haar auteurs en lezers behalve veel geluk ook veel wijsheid toe in 2006, het jaar waarin het Tijdschrift zijn 150e jaargang ingaat.

Literatuur
  1. Lookeren Campagne J van. De behandeling van poliomyelitis anterior acuta. Ned Tijdschr Geneeskd. 1944;88II:5-8.

  2. Jong JM de. Geschiedenis van het genezen; badverpleging als psychiatrische therapie (1900-1950). Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:1487-91.

  3. Grondhout AA. Langdurige en intensieve ischias, genezen door arsenicum. Ned Tijdschr Geneeskd. 1878;22I:373-4.

  4. Breemen J van. Ischias en physische therapie. Ned Tijdschr Geneeskd. 1910;54II:106-25.

  5. Wittenrood AC. Een nieuwe wijze van zenuwrekking bij de behandeling van ischias. Ned Tijdschr Geneeskd. 1921;65I:1403-15.

  6. Cammaert CA. Over de behandeling van ischias rheumatica acuta door oprekking van den N. ischiadicus, in narcose. Ned Tijdschr Geneeskd. 1946;90I:1616-9.

  7. Sanders J. Ischias genezen door bestraling. Ned Tijdschr Geneeskd. 1924;68I:581.

  8. Adels MHJ. Behandeling van ischias met novocaine-inspuiting. Ned Tijdschr Geneeskd. 1926;70I:2082.

  9. Biemond A. Boekaankondiging. Ned Tijdschr Geneeskd. 1938;82I:3675.

  10. Roselaar EM. Over de behandeling van ischias en neuralgieën met een hooge galvanische stroomsterkte. Ned Tijdschr Geneeskd. 1929;73I:2374-6.

  11. Koster S. De behandeling van ischias, neuritis ischiadica en neuritis van den plexus lumbosacralis met hypnose. Ned Tijdschr Geneeskd. 1924;68I:110-26.

  12. Vroomen PCAJ, Krom MCTFM de, Wilmink JT, Kester ADM, Knottnerus JA. Twee weken bedrust niet effectief voor het lumbosacrale radiculaire syndroom; een gerandomiseerd klinisch onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:1441-5.

  13. Oner FC, Kleuver M de, Ooij A van, Verbout AJ. De discusprothese: mythen en feiten. Ned Tijdschr Geneeskd. 2002;146:1625-31.

  14. Wald NJ, Law MR. A strategy to reduce cardiovascular disease by more than 80. BMJ. 2003;326:1419-23.

  15. Toole JF, Malinow MR, Chambless LE, Spence JD, Pettigrew LC, Howard VJ, et al. Lowering homocysteine in patients with ischemic stroke to prevent recurrent stroke, myocardial infarction, and death. JAMA. 2004;291:565-75.

  16. Wulff HR, Pedersen SA, Rosenberg R. Philosophy of medicine – an introduction. Oxford: Blackwell Scientific Publications; 1986.

  17. Gijn J van. 50 jaar klinische trials; een nieuw kompas in de geneeskunde. Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:1-3.

  18. Shang A, Huwiler-Muntener K, Nartey L, Juni P, Dorig S, Sterne JA, et al. Are the clinical effects of homoeopathy placebo effects? Lancet. 2005;366:726-32.

  19. Brand PLP, Engelbert RHH, Helders PJM, Offringa M. Systematisch literatuuronderzoek naar de effecten van behandeling bij zuigelingen met ‘kopgewrichteninvloed bij storingen in de symmetrie’ (‘KISS-syndroom’). Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:703-7.

  20. Renckens CNM. Systematisch literatuuronderzoek naar de effecten van behandeling bij zuigelingen met ‘kopgewrichteninvloed bij storingen in de symmetrie’ (‘KISS-syndroom’) ingezonden. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:1237-8.

  21. Asher R. Richard Asher talking sense. Londen: Pitman Medical; 1972.

  22. Visser GHA, Rietberg CCTh, Oepkes D, Vandenbussche FPHA. Stuitligging: kind versus moeder. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:2211-4.

  23. Baigent C, Sudlow C, Collins R, Peto R. Collaborative meta-analysis of randomised trials of antiplatelet therapy for prevention of death, myocardial infarction, and stroke in high risk patients. The Antithrombotic Trialists Collaboration. BMJ. 2002;324:71-86.

  24. Tuynman JB, Bemelman WA, Lanschot JJB van. Laparoscopische resectie van coloncarcinoom. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:2315-8.

  25. Vandenbroucke JP. Medical journals and the shaping of medical knowledge. Lancet. 1998;352:2001-6.

  26. Molenaar JC. De bibliotheek van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:2341-5.

  27. Santayana G. The life of reason or the phases of human progress. New York: Charles Scribner’s Sons; 1905. p. 284.

Gerelateerde artikelen

Reacties

A.
Logmans

Rotterdam, januari 2006,

In de voorlaatste paragraaf van zijn hoofdartikel suggereert collega Van Gijn dat er geen trial is verricht waarin het nut van ‘uitzuigen’ bij neonaten is onderzocht (2006:1-3). Niet zonder schroom deel ik mee dat er over dit onderwerp wél een trial bestaat.1 Daarin werd aangetoond dat uitzuigen tijdens de bevalling – zelfs als er meconium in het vruchtwater aanwezig is – geen toegevoegde waarde heeft.

A. Logmans
Literatuur
  1. Vain NE, Szyld EG, Prudent LM, Wiswell TE, Aguilar AM, Vivas NI. Oropharyngeal and nasopharyngeal suctioning of meconium-stained neonates before delivery of their shoulders: multicentre, randomised controlled trial. Lancet. 2004;364:597-602.

J.
van Gijn

Utrecht, januari 2006,

Ik meende dat vrijmaken van de luchtwegen bij pasgeborenen zozeer voor de hand lag dat er wel geen gecontroleerd onderzoek naar zou zijn verricht. Met zijn kritiek onderstreept collega Logmans dan ook mijn stelling dat ‘logische redeneringen’ van artsen – ook van hoofdredacteuren – meestal onjuist zijn. Wel ben ik benieuwd of bij pasgeboren baby’s het uitzuigen nu geheel is verlaten, ongeacht of er meconium in het vruchtwater aanwezig is.

J. van Gijn
T.
Nicolai

Wageningen, januari 2006,

In zijn hoofdartikel bespreekt collega Van Gijn onder meer de waarde van meta-analysen (2006:1-3). Tegenwoordig zijn meta-analysen van klinische trials een belangrijk en onderscheidend toetsingsinstrument in medisch-wetenschappelijk onderzoek. Van Gijn stelt dat met dit instrument onder meer is aangetoond ‘dat elke werkzaamheid van homeopathie kan worden toegeschreven aan placebo-effecten’. Helaas is het voorbeeld dat Van Gijn hier geeft minder treffend dan hij wil doen geloven.

Er bestaan meerdere meta-analysen van klinische trials over homeopathie. Sommige daarvan zijn positief, andere negatief. Van enkele eerdere meta-analysen luidt de conclusie dat de effecten van homeopathische behandeling niet alleen zijn toe te schrijven aan een placebo-effect.1 2 De recentste meta-analyse van klinische trials over homeopathische behandeling is van Shang et al.3 Zij komen tot de door Van Gijn geciteerde conclusie dat elke werkzaamheid van homeopathie aan placebo-effecten kan worden toegeschreven. De redactie van The Lancet besluit dat dit onderzoek de doodssteek betekent voor de homeopathie. In een van de kritische ingezonden reacties op het artikel van Shang et al. stellen Linde en Jonas dat de Lancet-redactie deze conclusie niet had mogen trekken.4 Bij de opzet en de analyse van het onderzoek zijn fouten gemaakt, zo meent de epidemioloog Linde; volgens hem had de Lancet-redactie tijdens de totstandkoming van het artikel moeten ingrijpen.

Dit betekent dat Van Gijn hooguit kan concluderen dat meta-analysen tot nu toe verschillende antwoorden geven op de vraag of het effect van homeopathische behandelingen uitsluitend berust op een placebo-effect. Een medisch-wetenschappelijk tijdschrift zou er goed aan doen wetenschappelijke discussies zorgvuldig te behandelen, ook als het gaat om voorbeelden in een beschouwend artikel. Naar wij begrepen hebben uit het betoog van Van Gijn, past een open, zakelijke en wetenschappelijke argumentatie precies bij de bedoelingen van de redactie van het Tijdschrift. In dat streven kunnen we elkaar helemaal vinden.

T. Nicolai
T. van der Linden
Literatuur
  1. Kleijnen J, Knipschild P, Riet G ter. Clinical trials of homoeopathy. BMJ. 1991;302:316-23.

  2. Linde K, Clausius N, Ramirez G, Melchart D, Eitel F, Hedges LV, et al. Are the clinical effects of homeopathy placebo effects? A meta-analysis of placebo-controlled trials. Lancet. 1997;350:834-43.

  3. Shang A, Huwiler-Müntener K, Nartey L, Jüni P, Dörig S, Sterne JAC, et al. Are the clinical effects of homoeopathy placebo effects? Comparative study of placebo-controlled trials of homoeopathy and allopathy. Lancet. 2005;366:726-32.

  4. Linde K, Jonas WB. Are the clinical effects of homoeopathy placebo effects [letter]? Lancet. 2005;366:2081-2.

J.
van Gijn

Utrecht, januari 2006,

De collegae Nicolai en Van der Linden wijzen er terecht op dat er over het effect van homeopathische behandelingen meer dan één meta-analyse is verschenen. Dat is trouwens bij nogal wat onderwerpen het geval. Daarmee verschuift de discussie naar de verschillen in kwaliteit tussen deze analysen: welke trials werden wel en welke werden niet meegeteld, en waarom? Shang et al. pasten selectie toe op grond van 3 methodologische criteria: dubbelblinde opzet, randomisatie zonder mogelijke beïnvloeding door de onderzoekers, en beoordeling van alle gerandomiseerde patiënten in hun oorspronkelijke groep (‘intention to treat’).1 Naarmate de trials minder patiënten omvatten, werden de effecten zwakker; ze zouden volgens de auteurs door placebo-effecten kunnen worden verklaard. Aan hun weergave van de feiten komt geen vooringenomenheid te pas – vandaar dat ik hun artikel kort als voorbeeld aanhaalde.

De kritiek van Linde en Jonas komt erop neer dat het artikel geen details over de afzonderlijke trials vermeldde (maar die zijn natuurlijk wel beschikbaar) en dat verschillende ziektebeelden op één hoop werden gegooid.2 Dit laatste bezwaar heeft wel enige grond; de meeste artsen zouden immers vreemd opkijken van een meta-analyse over een onderwerp als ‘de werkzaamheid van corticosteroïden’, ongeacht de ziekte. Dit alles neemt niet weg dat de bewijslast nog steeds rust op de aanhangers van homeopathie; er zijn niet voldoende grote trials over goed omschreven ziektebeelden. Dit besef helpt ons verder dan het blijven kibbelen over oneindige verdunningen.

J. van Gijn
Literatuur
  1. Shang A, Huwiler-Müntener K, Nartey L, Jüni P, Dörig S, Sterne JAC, et al. Are the clinical effects of homoeopathy placebo effects? Comparative study of placebo-controlled trials of homoeopathy and allopathy. Lancet. 2005;366:726-32.

  2. Linde K, Jonas WB. Are the clinical effects of homoeopathy placebo effects [letter]? Lancet. 2005;366:2081-2.

C.N.M.
Renckens

Hoorn, januari 2006,

In zijn bezonken hoofdartikel bespreekt collega Van Gijn de relatieve betekenis van en de waardering voor onderliggende theorie, het daarop gebaseerde redeneren, het uitvoeren van experimenten en de meta-analyse van klinische trials (2006:1-3). Hij stelt dat het experiment ‘van een hogere orde’ is dan de theorie. Daarom zou ondergetekende1 ten onrechte bezwaar hebben gemaakt tegen de studie van Brand et al.,2 waarin de nutteloosheid werd aangetoond van manuele therapie bij zuigelingen met ‘kopgewrichteninvloed bij storingen in de symmetrie’ (‘KISS-syndroom’). Van Gijn moet hebben gevoeld dat mijn bezwaar niet alleen dit curieuze onderzoek betrof, maar evenzeer de acceptatie ervan door de redactie. Het zij mij vergund op enkele van zijn bezwaren tegen mijn kritiek kort in te gaan.

Het afwijzen van onderzoeksresultaten op grond van theoretische bezwaren zou onjuist zijn gezien het aantal fouten dat in het verleden in allerlei pathofysiologische redeneringen is gemaakt. Van Gijn gaf daarvan enkele navrante voorbeelden. Twijfel is het kenmerk van de ware academicus en wij mogen de in het verleden gemaakte fouten nimmer vergeten, maar tegelijkertijd beschikt de geneeskunde inmiddels over een indrukwekkende hoeveelheid kennis, die grotendeels als betrouwbaar en vrijwel onomstotelijk kan worden beschouwd. Op grond daarvan is een buitengewoon groot aantal welomschreven en goed begrepen ziekten vastgesteld, terwijl de therapie – die veelal op volkomen inzichtelijke wijze werkt – steeds effectiever is geworden. Deze kennis is het resultaat van de inspanningen van een wereldwijd actieve wetenschappelijke gemeenschap, die voort kan bouwen op de verzamelde inzichten van de vele vorige generaties wetenschappers, wier kennis cumulatief steeds betrouwbaarder werd. Natuurlijk kan het nog steeds voorkomen dat men zich, uitgaande van deze kennis, vergist in een theoretische redenering. Zo’n redenering kan vervolgens in een experiment worden gelogenstraft, maar dat is eerder uitzondering dan regel. Uit een oogpunt van efficiëntie doet de onderzoeker er in het algemeen verstandig aan zich te baseren op algemeen aanvaarde kennis en zich niet in te zetten voor het aantonen of falsificeren van effecten waarin niemand – zelfs niet na een vlekkeloze trial – zal geloven. Er bestaan genoeg onderzoeken van die laatste categorie,3-9 en er is in dit tijdschrift ook al op welsprekende wijze tegen geageerd.10

Tot slot nog een opmerking over de literatuurstudie van Brand et al. aangaande het KISS-syndroom.2 Ik ben van mening dat men niet alleen bij het vaststellen van de therapie streng moet zijn, maar ook bij het stellen van de diagnose. Als het bestaan van een ziekte onzeker is, is er onzes inziens geen enkele reden voor effectiviteitsonderzoek van welke aard dan ook. Alleen al de bereidheid van serieuze onderzoekers om onderzoek te doen naar niet-bestaande aandoeningen als het KISS-syndroom, het postwhiplashsyndroom, het chronischevermoeidheidssyndroom, bekkeninstabiliteit, fibromyalgie et cetera versterkt bij degenen die in deze ‘ziekten’ geloven het schadelijke idee dat er een organische afwijking in het spel is en dat ‘de wetenschap er nog mee bezig is’. Van Gijn zal toch ook niet menen dat er nu eens serieus onderzoek moet worden verricht – aangezien het experiment nu eenmaal van hogere orde is dan de theorie – naar de behandeling van de zogenaamde hemopyrrollactamurie (HPU), terwijl in dit tijdschrift zo mooi is beschreven hoe die ‘ziekte’ in het leven is geroepen.11

De beoordeling van nieuwe ziekten is altijd moeilijk; ze kunnen natuurlijk wel echt zijn (aids, vogelgriep enzovoort), maar er zitten ook veel door de mens gemaakte ‘non-ziekten’ bij. Zo kan een van Van Gijns voorgangers achteraf worden verweten dat hij het toen recent ‘ontdekte’ whiplashsyndroom veel te serieus heeft genomen.12 Dat etiket heeft veel onheil aangericht. Laten we ook die les uit het verleden niet vergeten . . .

C.N.M. Renckens
Literatuur
  1. Renckens CNM. Systematisch literatuuronderzoek naar de effecten van behandeling bij zuigelingen met ‘kopgewrichteninvloed bij storingen in de symmetrie’ (‘KISS-syndroom’) [ingezonden]. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:1237-8.

  2. Brand PLP, Engelbert RHH, Helders PJM, Offringa M. Systematisch literatuuronderzoek naar de effecten van behandeling bij zuigelingen met ‘kopgewrichteninvloed bij storingen in de symmetrie’ (‘KISS-syndroom’). [LITREF JAARGANG="2005" PAGINA="703-7"]Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:703-7.[/LITREF]

  3. Reilly DT, Taylor MA, McSharry C, Aitchison T. Is homoeopathy a placebo response? Controlled trial of homoeopathic potency, with pollen in hayfever as model. Lancet. 1986;2(8512):881-6.

  4. Davenas E, Beauvais F, Amara J, Oberbaum M, Robinzon B, Miadonna A, et al. Human basophil degranulation triggered by very dilute antiserum against IgE. Nature. 1988;333:816-8.

  5. Byrd RC. Positive therapeutic effects of intercessory prayer in a coronary care unit population. South Med J. 1988;81:826-9.

  6. Linde K, Clausius N, Ramirez G, Melchart D, Eitel F, Hedges LV, et al. Are the clinical effects of homeopathy placebo effects? A meta-analysis of placebo-controlled trials. Lancet. 1997;350:834-43.

  7. Cardini F, Weixin H. Moxibustion for correction of breech presentation: a randomized controlled trial. JAMA. 1998;280:1580-4.

  8. Harris WS, Gowda M, Kolb JW, Strychacz CP, Vacek JL, Jones PG, et al. A randomized, controlled trial of the effects of remote, intercessory prayer on outcomes in patients admitted to the coronary care unit. Arch Intern Med. 1999;159:2273-8.

  9. Cha KY, Wirth DP. Does prayer influence the success of in vitro fertilization-embryo transfer? Report of a masked, randomized trial. J Reprod Med. 2001;46:781-7.

  10. Rosendaal FR, Bouter LM. Dwalingen in de methodologie (slot). XXXIX. De ultieme waarheid. [LITREF JAARGANG="2002" PAGINA="304-9"]Ned Tijdschr Geneeskd. 2002;146:304-9.[/LITREF]

  11. Meulenberg F. De pers als vehiculum bij de introductie van een modeziekte. [LITREF JAARGANG="2003" PAGINA="1752-5"]Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:1752-5.[/LITREF]

  12. Jongkees LBW. Cervicaal zweepslagsyndroom (whiplash). [LITREF JAARGANG="1981" PAGINA="1817-9"]Ned Tijdschr Geneeskd. 1981;125:1817-9.[/LITREF]