Vrouwen en deeltijdarbeid in het medische beroep
Open

Humaniora
03-06-1999
Th.M. Vroom

Tijdens een Tijdschriftconferentie kwamen de volgende onderwerpen aan de orde: (a) deeltijdwerk in de geneeskunde is weliswaar maatschappelijk algemeen aanvaard voor mannen en vrouwen, maar kan niet bepaald worden aanbevolen als men wil opklimmen tot hogere functies; (b) door de lange opleidingsduur in de geneeskunde worden paarvorming en gezinsopbouw bij artsen pas laat gerealiseerd; (c) de ambitie van vrouwelijke artsen, die ruimschoots aanwezig is bij het artsexamen, blijkt vaak niet verder te reiken dan de zwangerschap; (d) in de carrière van vrouwelijke artsen ontstaat een knik die voornamelijk veroorzaakt wordt door de gezinstaken en de gebrekkige kinderopvangmogelijkheden in Nederland; (e) de huidige overbelasting van geneeskunde(top)functionarissen leidt bij veel vrouwen niet bepaald tot het ambiëren van een dergelijke functie.

Vrouwen die geneeskunde gaan studeren, dienen veel eerder dan thans het geval is te bedenken wat hun aan keuzen te wachten staat en wat zij binnen hun mogelijkheden willen en kunnen worden in het brede gebied van de geneeskunde. Het met voortvarendheid werken aan verkorting van de opleiding kan ertoe leiden dat een kinderwens eerder gerealiseerd kan worden.

Zie ook de artikelen op bl. 1134 en 1161.

Al geruime tijd vormen vrouwen de meerderheid van de medisch studenten in Nederland. Het zou te verwachten zijn dat deze vrouwen na het voltooien van hun studie doorstromen naar de verschillende specialismen die de Nederlandse geneeskunde rijk is en in gelijke mate als mannen opklimmen tot hogere regionen; immers, vrouwen scoren bij het artsexamen minstens even goed als mannen. Vrouwelijke artsen blijven echter achter bij het beklimmen van de ladder en blijken in meerdere specialismen ondervertegenwoordigd te zijn. Vormt deeltijdarbeid een van de oorzaken van deze vertraging en ondervertegenwoordiging?

Over dit onderwerp werd onder auspiciën van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een Tijdschriftconferentie georganiseerd. Er werden 4 inleidingen gehouden, waarna een algemene discussie volgde.

aantallen vrouwen en mannen in opleiding en in deeltijd

Op de Coul liet zien dat in vergelijking met het aantal vrouwelijke geneeskundestudenten (60 in 1998) er een geringe doorstroming bestaat naar hogere functies; zo was van de opleiders voor medische specialismen 4,5 vrouw in 1998 en van de geneeskundehoogleraren 2 in 1992. Wel is er een toename van 25 naar 40 vrouwen opgetreden bij de nieuw ingeschreven specialisten over de afgelopen 5 jaren. Het aantal op 1 januari 1998 geregistreerde vrouwelijke assistent-geneeskundigen in opleiding (AGIO's) overstijgt dat van de mannelijke AGIO's in meerdere specialismen, maar niet in de snijdende.

Onderzoek te Maastricht toont dat 13 van de mannelijke AGIO's en 80 van de vrouwelijke in deeltijd wil werken. Invoering van een soepeler regeling voor een parttime specialistenopleiding heeft vooral voordelen voor de vrouwelijke AGIO's omdat dezen 1 tot 2 maal zwanger blijken te worden gedurende de opleiding. Voorwaarde voor die regeling blijft wel dat de continuïteit van de opleiding en van de patiëntenzorg gewaarborgd is. Ondertussen gaan niet alle vrouwelijke AGIO's na hun eerste zwangerschapsverlof in deeltijd werken, want 1 op de 5-6 (18) wordt zwanger en maar 3 van alle AGIO's doet de opleiding in deeltijd.

Waarom gaan zoveel vrouwen geneeskunde studeren? Anders gezegd: waarom gaan er relatief minder mannen geneeskunde studeren? Als oorzaken worden genoemd: het vak heeft steeds minder status in maatschappelijke zin, het heeft minder heroïek, het geeft minder inkomen, er is minder idealisme en arbeidsethos, er is minder carrièreperspectief doordat de meeste specialisten zich in een perifeer ziekenhuis blijken te vestigen in een maatschap of dienstverband, er worden minder mensen voor de studie ingeloot en tenslotte zijn er meer excellente vrouwen, waardoor het moeilijk zou zijn om in het AGIO-aanbod even excellente mannelijke kandidaten te vinden. Bovendien zou de situatie bij de specialistenopleidingen veel te wensen overlaten en niet bepaald aantrekkelijk zijn.

feminisering van de geneeskunde

Keizer sprak over ‘Professionaliteit, gender en uitsluiting in het medische beroep’.1 Als niet-medicus ging zij na wat de feminisering van het medische beroep betekent voor de beroepscultuur en -identiteit. Enerzijds kan feminisering getalsmatig opgevat worden. Hoewel al meer dan 10 jaar evenveel vrouwelijke als mannelijke basisartsen de universiteit verlaten, betekent dit niet automatisch dat men als patiënt meer kans heeft een vrouwelijke arts te treffen. Wel geldt dit bij huisartsen, kinderartsen en specialisten in de verloskunde en gynaecologie, maar niet bij de snijdende specialisten en de cardiologen.

Als feminisering organisatorisch wordt opgevat, zal dit leiden tot meer deeltijdarbeid met alle problemen van dien. Een deel van deze problemen zou kunnen worden opgelost als ook op andere vlakken een cultuuromslag zou plaatsvinden. Feminisering heeft echter ook normatieve en persoonlijke betekenissen. Oefenen vrouwen het medische beroep anders uit dan mannen? Is er sprake van een meer ‘vrouwelijke’ en een meer ‘mannelijke’ beroepsuitoefening? Hiervoor kan een gender-as worden geconstrueerd met aan de ene kant ‘objectieve kennis’ als uiterst mannelijk en aan de andere kant ‘gesitueerde kennis’ als uiterst vrouwelijk. Iedereen beweegt tussen deze uitersten heen en weer, ook artsen. Nog steeds wordt medisch studenten geleerd om zoveel mogelijk kennis op te doen en deze paraat te hebben om solistisch te kunnen behandelen. Vragen wordt niet aangemoedigd of zelfs negatief beoordeeld. Deze wijze staat bekend als een mannelijke wijze van leren.

Vervolgens bracht Keizer het medische beroep als een ‘gulzige’ institutie ter sprake. Artsen zijn in de eerste plaats arts en daarna pas vader, moeder, zoon, dochter - kortom, zij komen er niet aan toe een individu te zijn met eigen behoeften en eigen interessen. Waarom is het gulzige karakter van het medische beroep nu veel problematischer dan een jaar of dertig geleden? Vroeger was er een ‘thuisfront’: er was een vrouw thuis die kinderen kreeg en in de behoefte aan zorg voorzag. Voor de vrouwelijke artsen is er geen thuisfront. Zij combineren hun werk met tenminste de zorg voor zichzelf en vaak ook de zorg voor hun gezin. Zij zullen daarom eerder dan hun mannelijke collega's genegen zijn om zich te verzetten tegen dit gulzige karakter van de geneeskunde en zullen gedeeltelijk noodgedwongen, gedeeltelijk ook bewust kiezen voor meer prioriteiten in hun leven dan hun beroep alleen.

Aan de ene kant wordt een dergelijke meervoudige identiteit door sommigen uitgelegd als een gebrek aan ambitie: als vrouwen iets willen bereiken in hun werk moeten zij bereid zijn om er offers voor te brengen. Aan de andere kant zou men kunnen zeggen dat deze vrouwen op een bepaalde manier meer ambitie hebben dan degenen die zich uitsluitend op hun werk concentreren. Feminisering van het beroep is een gecompliceerde ontwikkeling. Helaas verengen discussies op dit terrein zich vaak tot de vraag of het wel mogelijk is om in deeltijd te werken en de vraag hoe het gesteld is met de zwangerschapsverlofregeling. Deze kwesties moeten wel geregeld worden, maar alvorens dit te doen dienen politici, opleiders en beleidsmakers zich af te vragen hoe men zich voorstelt dat de ‘ideale’ dokter er in de 21e eeuw uit zou moeten zien.

continuïteit van zorg bij parttime huisartsgeneeskunde

Meyboom-de Jong sprak over de vraag: ‘Is continuïteit van zorg en professionaliteit gewaarborgd bij parttime werk in de (huisarts)geneeskunde?’ Zij stelde dat continuïteit hoort bij de basisfilosofie van de huisartsgeneeskunde: er moet continue, integrale persoonlijke zorg worden verleend aan de bij de huisarts ingeschreven patiënt. Cijfers van het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL) geven aan dat er 6900 huisartsen zijn (per 1 januari 1997), van wie 18 zelfstandig gevestigde vrouwen, terwijl van de 424 assistent-huisartsen 75 vrouwen zijn die dikwijls parttime werken in de praktijk van een oudere mannelijke collega. Van de vrouwen-huisartsen werkt 74 parttime, met een werktijd variërend van 0,5 tot 4 dagen per week, van de mannen 19. Van de praktijkzoekende huisartsen is 49 vrouw, van wie 72 parttime werk ambieert, 9 solistisch werk en 84 werk in samenwerkingsverband. Er valt dus een nog verder gaande verandering in het huisartsenvak te verwachten.

In de vakgroep van Meyboom-de Jong te Groningen combineren de huisartsen patiëntenzorg met onderzoek of onderwijs of met beide in eenzelfde patroon als dat waarin medisch-specialistische hoogleraren en hun medewerkers onderzoek en onderwijs combineren met patiëntenzorg. Omdat de laatstgenoemden werken bij één werkgever en vrijwel altijd ‘in huis’ zijn, valt dit niet op. In de genoemde vakgroep is dit wel zichtbaar, omdat de praktijken zich op een andere locatie bevinden. Onderzoek naar de continuïteit van zorg toonde aan dat parttime werken in dat opzicht heel goed haalbaar is.2 Spreekster ging ervan uit dat normalisatie van de arbeidstijd, parttime werken en feminisering in de huisartsgeneeskunde onontkoombaar zijn en niet een vermindering van de kwaliteit van zorg als gevolg hoeven te hebben. Er dient wel bij parttime werken aan een aantal voorwaarden van organisatie (overdracht en betrouwbaar vastleggen van informatie) voldaan te zijn.

verkorting van het opleidingstraject

Stuyt schetst de goede en minder goede omstandigheden waarmee vrouwelijke artsen worden geconfronteerd bij de opleiding en in het medische beroep. Vrouwelijke artsen zijn uitstekende dokters, uitstekende onderzoekers en uitstekende docenten en zij hebben uitstekende sociale en communicatieve vaardigheden. Wat betreft deeltijdwerk blijkt dat een 0,5-aanstelling in de praktijk dikwijls uitwerkt als een 0,6-aanstelling, en dat een deeltijdaanstelling zeker voldoende is voor een goede expertise. Een struikelblok bij deeltijdopleidingen vormt de overdracht. Er zal aangegeven moeten worden waar deeltijdwerk kan en waar niet. De intramurale zorg wordt vooral verricht door fulltime werkende AGIO's en als dezen worden vervangen door deeltijdwerkers moet de organisatie aangepast worden; dan is er meer aandacht - dus tijd - nodig voor de overdracht, wat kostenverhogend zal werken.

Een volgend punt van aandacht is dat de huidige medisch student niet bepaald positief aankijkt tegen de medisch specialist. De oorzaken van dit slechte imago kunnen gezocht worden in het lange opleidingstraject, de enorme competitie om een opleidingsplaats te bemachtigen, de lange werktijden, de niet harmonieuze intercollegiale verhoudingen en de problemen die opduiken bij het verkrijgen van deeltijdwerk - ook later, als men specialist is. Het feit dat er onvoldoende regelgeving is voor verlof en dat de medische wereld uiteindelijk toch een mannenwereld is, vormt een grote belemmering waar weinig vrouwen doorheen komen.

Voorts komt het lange opleidingstraject ter sprake. De specialistenopleiding duurt minimaal 13 jaar (7-8 jaar basisartsopleiding, 1-4 jaar als assistent-geneeskundige niet in opleiding (AGNIO), 5-6 jaar specialistenopleiding, en eventueel 3-4 jaar ‘jonge klare’); in de praktijk loopt de opleiding tot zelfs 20 jaar uit. Om voldoende specialisten op te kunnen leiden ter vervanging van de huidige generatie zal men veranderingen moeten realiseren. Zo moet het curriculum worden ingekort tot 6 jaar basisartsenstudie. Wachttijden dienen te verdwijnen; dat geldt ook voor de AGNIO-periode, die oneigenlijk wordt gebruikt om te selecteren voor de specialistenopleiding, terwijl in de regelgeving van de Specialisten Registratie Commissie (SRC) zit ingesloten dat de assistent in het eerste jaar beoordeeld wordt op geschiktheid en dat bijstelling kan plaatsvinden. Ook zouden opleidingen verkort kunnen worden door differentiatie in de opleiding. Van belang is in ieder geval dat de behoefte aan parttime werk aanzienlijk zou afnemen als men reeds met 31-32 jaar specialist zou kunnen zijn door een aanzienlijke verkorting van studie en opleidingen.

Waarom stokt de doorstroming van vrouwen naar topfuncties? Niet alleen zijn er te weinig vrouwelijke hoogleraren, maar ook in specialistenmaatschappen is de doorstroming van vrouwen schrikbarend gering, terwijl er in de academische ziekenhuizen veel vrouwelijke medisch specialisten werken, bijna allemaal in tijdelijke functies. Wat gebeurt er met die vrouwen, ambitieus in de collegebanken en nog steeds ambitieus bij sollicitaties voor opleidingen tot medisch specialist? Op een gegeven moment is er een ‘knik’ in de ontwikkeling doordat vrouwen afhaken in het verloop van de carrière. Heeft dit te maken met het imago van de medische specialismen of met de zorgtaak? Er wordt gepleit voor de voorbeeldfunctie die vrouwen in topfuncties hebben. Het is een misvatting dat vrouwen aarzelen om topfuncties te aanvaarden omdat zij vereenzelvigd zouden worden met vrouwen die opkomen voor vrouwenbelangen.

Tot slot vraagt Stuyt aandacht voor de problemen die een volledige dagtaak voor vrouwen oplevert: de lange werktijden, de avondactiviteiten, de zorgtaken voor het gezin die in de verdrukking komen.

beschouwing

De discussie na de inleidingen betrof een aantal onderwerpen die in de 4 inleidingen werden aangestipt.

Waarom studeren zoveel vrouwen geneeskunde?

Wat maakt de geneeskunde zo aantrekkelijk voor vrouwen? Of zijn er te weinig mannen? Op basis van gelijke aantallen mannen en vrouwen in de maatschappij mag men een gelijke verdeling over de beroepen verwachten. Geneeskunde is net zo aantrekkelijk voor mannen als voor vrouwen en misschien wel aantrekkelijker, volgens Keizer. Zij onderscheidt twee eigenschappen die in de geneeskunde aan de orde komen: aan de ene kant het heroïsche, het willen overwinnen van ziekten, en aan de andere kant het willen zorgen, het willen proberen mensen in de ziekte te begeleiden. Tot na 1945 was er vooral de heroïsche geneeskunde, waarin men zich bezighield met allerlei acute ziekten. In de loop van de daaropvolgende jaren is er een geleidelijke overgang te bespeuren naar meer chronische ziekten, die vooral vragen om een zorgzame benadering. Dit aspect zou een grotere aantrekkingskracht op vrouwen kunnen uitoefenen.2

Wat gebeurt er met de ambitieuze jonge vrouwen?

Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in de hogere functies. Er komen enkele mogelijke oorzaken van dit achterblijven ter sprake; zo toont een onderzoek bij AGIO's in Nederland aan dat 18 van de mannen en < 2 van de vrouwen het hoogleraarschap als het hoogste geambieerde niveau voor zichzelf ziet, wat wijst in de richting van een ambitieverschil tussen mannen en vrouwen. De ambitie van vrouwen in opleiding verandert wellicht als zij inzicht hebben verworven in de praktijk van alledag en in wat haalbaar is voor hen. De omstandigheden waaronder een hoogleraar werkt, zullen dan misschien niet zo zijn als deze vrouwen zouden wensen of haalbaar zouden achten in hun eigen situatie met een zorgtaak thuis.

Uit het onderzoek dat de KNMG enkele jaren geleden deed naar deeltijdarbeid bij 6 verschillende medische specialismen kwam al naar voren dat 80 van de vrouwelijke specialisten-fulltimers geen kinderen heeft, maar 80 van de mannelijke fulltimers wel. Waarschijnlijk hebben deze vrouwen het besluit genomen geen kinderen te krijgen om wel fulltime te kunnen werken.

Cohen-Schotanus deelt mee dat in een onderzoek naar in Groningen afgestudeerde artsen blijkt dat de mannen meer academisch gericht zijn dan de vrouwen, bij wie de carrièreplanning een beetje ophoudt bij het moment van kinderen krijgen. De ambitie reikt niet verder dan de zwangerschap. Deze attitude wordt door meerdere aanwezigen, onder wie opleiders, bevestigd. Het is niet bepaald stimulerend voor de omgeving te merken dat bij vrouwelijke artsen alle hulp en steun die geboden worden om verder te komen met een opleiding, een promotie of een baan soms geen effect sorteren, zodat de doorstroming naar hogere functies stokt en de knik in de loopbaan van deze artsen een feit is.

Opleidingsduur niet (onnodig) verlengen, maar juist verkorten.

Onder geneeskundestudenten leeft het idee dat er meer kans op een opleidingsplaats is als er een AGNIO-schap aan voorafgaat of als men gepromoveerd is. Dit idee wordt afgewezen als onterecht, omdat dan het opleidingstraject juist verlengd wordt. Overigens kan men ergens in het traject promoveren en dan vrijwillig. Een promotieonderzoek is een goede voorbereiding op de vorming, in tegenstelling tot een AGNIO-schap. De suggestie wordt gedaan om vooral vrouwelijke studenten die binnen 4 jaar hun doctoraal halen, te benaderen en hun een combinatie aan te bieden van co-assistentschap en assistent-in opleiding(AIO)-schap waarin zij kunnen promoveren, zodat zij op hun 28e-30e jaar zowel arts zijn als gepromoveerd zijn.

Het met voortvarendheid werken aan verkorting van de opleiding kan ertoe leiden dat een kinderwens eerder gerealiseerd kan worden. Bovendien wordt zodoende het bekende probleem van afgenomen fertiliteit voorkomen.

Tenslotte wordt er de aandacht op gevestigd dat men de opleiding kan verkorten door het jonge langskomende talent snel op te nemen in een combinatiefunctie van co-assistent met promotieonderzoek, welke na het artsexamen overgaat in een AGIO-schap met afronden van het onderzoek. Zodoende wordt een jonge gepromoveerde specialist afgeleverd, maar hiermee zijn niet alle problemen opgelost. Dan staan immers deze jonge specialisten, vrouwen zowel als mannen, voor een keuze. Enerzijds kunnen zij in deeltijd gaan werken; anderzijds kunnen zij de competitie zoeken teneinde internationaal mee te tellen, waarbij het er niet slechts om gaat wie het slimst is (of de kandidaten nu mannen of vrouwen zijn, maakt geen verschil), maar waarbij vooral telt wie het slimst is én het hardst werkt, dus de meeste uren maakt. Hieraan valt niets te veranderen - tenzij het aantal topfuncties wordt vermeerderd, zodat er snel meer ruimte voor vrouwen komt om op te klimmen tot hogere functies.

Logistieke problematiek bij deeltijdwerk.

Als iemand voor een 50-opleiding kiest, moet om de beschikbare fulltime plaats te bezetten een ander gevonden worden die gelijkwaardig is en eveneens 50 werkt. Zo ontstaat er een organisatorisch probleem, vooral wat het zaalwerk betreft, dat gericht is op continuïteit van zorg. Uit de discussie blijkt dat de opleiders weliswaar de problematiek onderkennen, maar dagelijks geconfronteerd worden met de grenzen van de organisatie. Zo werd in Nijmegen geprobeerd om duobanen voor artsen in te voeren, zoals die in de verpleging al mogelijk zijn met behulp van verpleegkundige overdrachtsessies. In de praktijk leidde deze discontinuïteit op twee fronten ertoe dat de continuïteit van zorg niet meer gewaarborgd kon worden, mede doordat de altijd aanwezige zaalassistent die ‘alles over de patiënten weet’ er niet meer was.

Zijn parttime werkende artsen makkelijker in te passen in bepaalde medische organisaties?

Traditioneel wordt gedacht dat vrouwen beter in een laboratoriumvak zouden passen omdat de werktijden beter te regelen zouden zijn. Wat de pathologie betreft: wellicht zou de patholoog het lab kunnen verlaten op het moment waarop duidelijk is aangegeven wat aan de kliniek werd doorgegeven en welke ‘stukjes’ al werden ‘uitgeslagen’. De medisch microbioloog echter heeft te maken met overdrachten, continuïteit en nacht- en weekenddiensten. In de kliniek kunnen de ‘bèta-aspecten’ goed in de computer gezet worden (de gemeten waarden), maar dit geldt bijvoorbeeld niet voor de slechtnieuwsgesprekken. Ook hier is continuïteit nodig, die door het veelvuldig wisselen van de AGIO's in het gedrang komt. Overigens blijkt dat in niet-academische opleidingsziekenhuizen deze problematiek lang niet zo speelt als in de grotere academische opleidingen. Ook in de psychiatrie, die vanouds door veel vrouwelijke artsen extramuraal wordt uitgeoefend, kan deeltijdwerk problemen geven; dit geldt vooral voor de intramurale psychiatrie, die continuïteit vereist.

Ervaringen van/met herintreders.

Deze ervaringen zijn zeer wisselend. ‘Late toetreders’ die al grotere schoolgaande kinderen hebben, zijn in de psychiatrieopleiding van harte welkom. Het is zelfs een voordeel om als oudere, gerijpte arts aan de psychiatrie te beginnen. Hiertegenover staat de ervaring dat het moeilijk, zo niet sterk af te raden is om, na meer dan 10 jaar niet in de geneeskunde werkzaam te zijn geweest, alsnog in opleiding te gaan voor een beroep dat steunt op grondige kennis van de huidige biomedische wetenschap. Bovendien valt het niet mee voor een oudere arts om te werken in een groep van 10-15 jaar jongere collega-assistenten. Overigens worden er wel pogingen ondernomen om vrouwelijke artsen/specialisten op de een of andere manier de ‘carrièreknik’ te doen nemen; dat wil zeggen dat men hen gedurende de moeilijke jaren van én zorgtaken én parttime werk aan de gang houdt, ook al gebeurt dit laatste op een laag pitje (arbeid in een ‘waakvlamfunctie’), opdat zij later weer fulltime kunnen gaan werken.

Wat betreft biomedisch-wetenschappelijke activiteiten van vrouwen wordt gemeld dat er uitstekende ervaringen zijn opgedaan, zowel met jonge promovendae die nog geen kinderen hebben als met herintreedsters die al grote kinderen hebben. Het wordt afgeraden om in de beginjaren van een promotieonderzoek aan gezinsuitbreiding te beginnen.

Investering en output - een luxeprobleem?

Door Kingma wordt gesteld dat wij in feite een luxeprobleem hebben. In de Nederlandse maatschappij neemt het aantal werkers toe, waarbij de beroepsbevolking per persoon slechts 36 uur per week werkt. Wil men dezelfde service blijven leveren, dan zal er een enorme behoefte ontstaan aan extra dokters binnen - naar te verwachten valt - eenzelfde budget. Hoe dit artsentekort op te lossen? Enkele opties worden voorgesteld, zoals langer werken per week voor dezelfde vergoeding, maar dat lijkt in de huidige maatschapppij niet aanvaardbaar. Een volgende oplossing zou zijn om een differentiatie in de opleiding aan te brengen. Die differentiatie lijkt echter niet goed haalbaar, omdat de patiënt in Nederland verwacht dat ook zeldzame aandoeningen binnen de 24 uur worden aangepakt. Bovendien, zoals wordt opgemerkt door een van de aanwezigen met werkervaring in het buitenland, is het niet aanbevelenswaardig om af te zakken naar een ontwikkelingslandniveau.

Er is een duidelijk provocerender oplossing denkbaar. De gemiddelde output van een vrouwelijke arts is geringer dan die van een mannelijke doordat zij vaak eerder met pensioen gaat en gemiddeld meer in deeltijd werkt dan de man. Men zou een correctie van de output kunnen verkrijgen door te stellen dat iemand in opleiding kan gaan, maar wel daarna verplicht is een aantal jaren te werken ‘voor het land’. In de discussie komt naar voren dat er in dit model alleen sprake is van het materiële nadeel dat voortkomt uit het in deeltijd werken van de vrouwelijke/mannelijke arts. Daartegenover staat het immateriële voordeel van een harmonieuze persoons- en gezinsontwikkeling - een voordeel dat niet in maat of getal is uit te drukken.

Mentaliteitsverandering is nodig.

Enkele opmerkingen in de discussie - vrouwen kunnen eerder met pensioen dan mannen; vrouwen mógen werken en mannen móéten - geven aan dat een mentaliteitsverandering dringend gewenst is. Een vrouw kan net zo goed als een man studeren, als arts werkzaam zijn en zo haar eigen inkomen verwerven. Men zal eerst aan dit feit moeten wennen en erin moeten geloven voordat men ook voor het thuisfront wil zorgen. Nu kiest de vrouw niet, want er is niemand thuis behalve zijzelf. Deze situatie is slechts met de grootste moeite te veranderen wegens de gebrekkige maatschappelijke organisatie op het gebied van kinderopvang.

slot

De conferentie was levendig en boeiend. Aan de orde kwamen: deeltijdwerk, dat weliswaar maatschappelijk algemeen aanvaard is voor mannen en vrouwen, maar niet bepaald kan worden aanbevolen als men wil opklimmen tot hogere functies; de lange opleidingsduur, waardoor paarvorming en gezinsopbouw pas laat gerealiseerd kunnen worden; de ambitie van vrouwelijke artsen, die ruimschoots aanwezig is bij het artsexamen, maar niet verder lijkt te reiken dan zwangerschap(pen); en de knik in de carrière van vrouwelijke artsen, die voornamelijk veroorzaakt wordt door de gezinstaken en de gebrekkige kinderopvangmogelijkheden in Nederland. Bovendien noodt de huidige overbelasting van geneeskunde(top)functionarissen niet bepaald tot het ambiëren van een dergelijke functie.

Toch kan men zich afvragen of de vrouwen die geneeskunde gaan studeren zich niet veel eerder moeten realiseren wat zij binnen de hun ter beschikking staande mogelijkheden willen en kunnen worden in het brede gebied van de geneeskunde. In het huidige ‘pil’-tijdperk mag men daar toch wel van uitgaan. Van zogenaamde positieve discriminatie ten gunste van vrouwen kan alleen iets verwacht worden als de kwaliteit van de vrouwelijke arts die voor een functie in aanmerking komt, gewaarborgd is.

Aan de conferentie namen deel (in alfabetische volgorde; 13 vrouwen en 16 mannen): mw.prof.dr.J.M.Bensing, klinisch psycholoog, Universiteit Utrecht, NIVEL, Utrecht; ing.A.Bles, manager bedrijfsvoering cluster Biomedische Wetenschappen en Extramurale Gezondheidszorg (BEG), Katholieke Universiteit, faculteit der Medische Wetenschappen, Nijmegen; mw. W.M.J.Bosboom, AGIO, Academisch Ziekenhuis, afd. Neurologie, Utrecht; mw.dr.N.D.Bouvy, AGIO, Ikazia Ziekenhuis, afd. Heelkunde, Rotterdam; prof.dr.A.F.Casparie, Instituut Beleid en Management Gezondheidszorg, Erasmus Universiteit, Rotterdam; mw.dr.J.Cohen-Schotanus, hoofd Expertisecentrum, Onderwijsinstituut Faculteit der Medische Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen; mw.A.M.J.Coremans, internist, Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen, Gouda; prof.dr.G.G.M.Essed, gynaecoloog, hoogleraar Methodiek van het Klinisch Onderwijs, Universiteit Maastricht; prof.dr.J.van Gijn, neuroloog, Universiteit Utrecht, hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam; dr.W.Hart, internist, uitvoerend hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam; J.M.Hoogendoorn, redacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde Studenten-editie, Utrecht; mw.dr.C.J.E.Kaandorp, assistent wetenschappelijke eindredactie, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam; prof.dr.J.M.G.Kauer, anatoom-embryoloog, vice-decaan, portefeuille Onderwijs, Katholieke Universiteit, Nijmegen; mw.dr.M.Keizer, freelance sociaal wetenschapper, Amsterdam; dr.L.M.Kingma, radioloog, Westeinde Ziekenhuis, Den Haag; mw.I.A.Koelma, patholoog, Ziekenhuis Bronovo, Den Haag; mw.J.F.Lim-Feijen, jeugdarts te Waalre, Landelijke Vereniging van Artsen in Dienstverband, Utrecht; S.Mahesh, arts-stagiair Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam; prof.dr.J.van der Meer, internist, Vrije Universiteit, Amsterdam; prof.dr.J.W.M.van der Meer, internist, Katholieke Universiteit, Nijmegen; prof.dr.C.J.M.Melief, immunohematoloog, Rijksuniversiteit Leiden; mw.prof.dr.B. Meyboom-de Jong, huisarts, Rijksuniversiteit Groningen, bestuurslid Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde; dr.A.A.W.Op de Coul, neuroloog, secretaris Specialisten Registratie Commissie, Utrecht; dr.A.J.P.M.Overbeke, chirurg, uitvoerend hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam; prof.dr.H.G.M.Rooijmans, psychiater, Rijksuniversiteit Leiden, hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam; mw.C.Schultsz, assistent-geneeskundige, Academisch Medisch Centrum, afd. Medische Microbiologie, Amsterdam; dr.P.M.J.Stuyt, internist, Academisch Ziekenhuis, afd. Inwendige Geneeskunde, Nijmegen; mw.prof.dr.C.M.J.E.Vandenbroucke-Grauls, medisch microbioloog, Vrije Universiteit, Amsterdam; mw.prof. dr.Th.M.Vroom, emeritus hoogleraar Pathologie, Universiteit Utrecht, bestuurslid Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam; dr.H.C.Walvoort, dierenarts-patholoog, wetenschappelijk eindredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Amsterdam.

Verslag van de Tijdschriftconferentie gehouden op 6 november 1998.

Literatuur

  1. Keizer M. De dokter spreekt. Professionaliteit, gender enuitsluiting in medische specialismen. Delft: Eburon; 1997.

  2. Braak EM ter, Smith RJA. Continuïteit van zorg bijpart-time werkende huisartsen. Huisarts Wet1993;36:47-9.