Genderfactoren in de keus voor opleiding tot medisch specialist

Perspectief
M.F.M.T. du Moulin
R.J.H.M. Heymans
G. Noordenbos
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:129-33
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Inzicht krijgen in het keuzegedrag van mannelijke en vrouwelijke basisartsen met betrekking tot hun wens om zich wel of niet te specialiseren tot medisch specialist en in het eventuele zoekgedrag naar een opleidingsplaats.

Opzet

Beschrijvend.

Methode

Er werd in 1995 een telefonische enquête gehouden onder een aselecte steekproef van 600 basisartsen van de totale groep van 1223 basisartsen die in 1993 de geneeskunde- studie hadden afgerond. Van de 490 respondenten (82 van de totale steekproef) wilde 57 van de vrouwen en 63 van de mannen een opleidingsplaats. Aan de 293 respondenten die zich wilden specialiseren werd gevraagd naar de factoren die hun keuze beïnvloedden en de mate waarin ze dat deden. De scores liepen van 1 (‘heel positief’) tot 5 (‘heel negatief’).

Resultaten

Binnen 2 jaar na het afstuderen was 26 assistent-geneeskundige-in-opleiding. Mannelijke basisartsen kozen vaker voor een specialisme op grond van technische werkzaamheden (gemiddelde score: 2,9 versus 2,5), status en inkomen (5,9 versus 5,6) en wetenschappelijk onderzoek (2,4 versus 2,1). Vrouwelijke artsen hechtten meer waarde aan een intensief contact met patiënten (2,0 versus 1,7), gunstige werktijden en relatief weinig diensten (10,9 versus 10,3). Van de vrouwen wilde 43 parttime werken, van de mannen 14. Terwijl mannen met name gebruikmaakten van een informele manier van zoeken naar een opleidingsplaats (38; formele manier: 29), maakten vrouwen even vaak gebruik van een informele (36) als van een formele (36) manier.

Hoewel het aandeel van vrouwelijke geneeskundestudenten aan de universiteiten in Nederland de laatste jaren sterk is gestegen tot 60, betekent deze toename nog niet dat zij in gelijke mate als hun mannelijke collega's doorstromen naar vervolgopleidingen en toegelaten worden tot de opleiding tot medisch specialist.1-6 Vooral bij vrouwen wordt een breukvlak geconstateerd tussen het afronden van de opleiding geneeskunde en de entree in de medische specialisaties. Bovendien stromen vrouwen door naar andere specialisaties dan mannen. Zo blijkt een specialisme als chirurgie voornamelijk door mannen uitgevoerd te worden, terwijl een specialisme als kindergeneeskunde veel meer vrouwen aantrekt.3 Het aantal mannelijke en vrouwelijke artsen is derhalve nog scheef verdeeld.

In dit artikel beschrijven wij een onderzoek naar het keuzegedrag van mannelijke en vrouwelijke basisartsen betreffende de opleiding tot medisch specialist.7 De volgende twee vragen stonden centraal: (a) ‘Zijn er verschillen in de keuzeprocessen van mannelijke en vrouwelijke basisartsen om opgeleid te worden tot medisch specialist?’; (b) ‘Zijn er verschillen in het zoekgedrag van mannelijke en vrouwelijke basisartsen naar een opleidingsplaats binnen een klinische setting?’

methode

Uit de groep van 1223 studenten (53 vrouwen en 47 mannen) die in 1993 de studie geneeskunde op een Nederlandse universiteit afgesloten hadden, werd een aselecte steekproef van 600 respondenten (52 vrouwen en 48 mannen) samengesteld. Om inzicht te krijgen in hun keuzegedrag werd hun 2 jaar na hun afstuderen telefonisch een reeks vragen gesteld.

In totaal 490 respondenten, 255 vrouwen (52) en 235 mannen (48), deden hieraan mee. Deze respons bedroeg 82 van de totale steekproef. De non-respondersgroep (n = 110) bestond voornamelijk uit basisartsen van wie geen telefoonnummers werden getraceerd (n = 95); voor de 15 basisartsen die weigerden deel te nemen was gebrek aan interesse en tijd de belangrijkste reden. Van de vrouwelijke basisartsen kozen 144 (57) en van de mannelijke basisartsen 149 (63) voor een opleiding tot medisch specialist.

Gevraagd werd naar: gewenste functie, soort werkzaamheden, status en inkomen, type ziekenhuis waarin men in de toekomst wenst te werken alsmede het soort dienstverband, het aantal uren dat men wil werken en de manier waarop men probeert een opleidingsplaats te bemachtigen.

Aan de respondenten die zich wilden specialiseren werd gevraagd in hoeverre ‘technische werkzaamheden’, ‘wetenschappelijk onderzoek’ en ‘intensief contact met de patiënten’ hun keuze voor een specialisme hadden beïnvloed. Dit gebeurde aan de hand van een 5-puntsschaal; de scores liepen van 1 (‘heel positief’) tot en met 5 (‘heel negatief’). Verschillen werden getoetst met behulp van de Mann-Whitney-toets, waarbij een verschil met p

resultaten

In tabel 1 worden de functies weergegeven van de respondenten. Binnen 2 jaar na hun afstuderen hadden 73 respondenten (26) een opleidingsplaats (34 mannen en 39 vrouwen). Van de 293 respondenten die kozen voor een opleidingsplaats tot medisch specialist waren 147 (50) werkzaam als assistent-geneeskundige-niet-in-opleiding (AGNIO) (dit was 52 van de 282 respondenten; 54 onder mannen en 46 onder vrouwen). Er waren 73 basisartsen in opleiding tot specialist (73/282; 26). Daarnaast was 11 (31/282) van de respondenten die zich wilden specialiseren werkzaam als assistent-in-opleiding (AIO) of als wetenschappelijk onderzoeker.

Uit tabel 2 blijkt dat zowel de mannelijke als de vrouwelijke respondenten belangstelling hadden voor bijna alle specialismen. Vrouwelijke respondenten hadden de meeste voorkeur voor psychiatrie (15), verloskunde/ gynaecologie (15), interne geneeskunde (13) en kindergeneeskunde (13). Het percentage vrouwen dat koos voor een ander specialisme varieerde van 0 (anesthesiologie, neuro- en cardiopulmonale chirurgie, gastro-enterologie, revalidatiegeneeskunde en urologie) tot 5 (allergologie). Bij de mannelijke respondenten lag de concentratie bij interne geneeskunde (11) en heelkunde (11). Het percentage mannen dat koos voor een ander specialisme varieerde van 0 voor reumatologie, klinische genetica en klinische geriatrie tot 7 voor kindergeneeskunde en 8 voor psychiatrie.

In het navolgende worden de resultaten beschreven van de 293 respondenten die zich wensten te specialiseren. Voor 38 van zowel de vrouwelijke (55/144) als de mannelijke (57/149) respondenten was de co-schappenfase de belangrijkste periode om de keuze te maken om al dan niet te specialiseren. De mannelijke respondenten kozen relatief eerder dan de vrouwelijke respondenten: 31 (22) vrouwelijke artsen namen deze beslissing na het artsexamen, tegenover 19 (13) mannen. Vergeleken met vrouwelijke basisartsen werden mannelijke basisartsen in hun keuzeproces positiever beïnvloed door specialismen waarin de nadruk ligt op meer technische werkzaamheden (gemiddelde score respectievelijk 2,5 en 2,9); ook gaven zij vaker aan wetenschappelijk onderzoek belangrijk te vinden (gemiddelde score 2,1 versus 2,4). Verder vonden zij status en inkomen meer van belang bij het maken van de keuze (gemiddelde score (SD): 5,6 (0,7) versus 5,9 (0,6); gegevens van 12 personen ontbraken; F = 9,9; p

Van de mannelijke respondenten gaven 75 (52) en van de vrouwelijke respondenten 66 (48) de voorkeur aan een functie binnen een niet-academisch ziekenhuis (voorkeur voor een academisch ziekenhuis was er respectievelijk bij 47 (32) en bij 39 (29)). Met betrekking tot het soort dienstverband gaven vrouwelijke respondenten statistisch significant vaker de voorkeur aan het werken in loondienst, vergeleken met mannelijke respondenten (77 (55) versus 59 (40)); mannen kozen vaker voor een functie als vrijgevestigd specialist (44 (30) versus 25 (18)) (?2: 8,00; p

Van de vrouwelijke respondenten kozen 129 (91) voor activiteiten waarbij de nadruk ligt op patiëntenzorg, van hun mannelijke collega's 112 (77). Mannelijke basisartsen kozen in vergelijking met de vrouwelijke basisartsen ruim twee keer zo vaak voor werk waarbij de nadruk ligt op wetenschappelijke activiteiten, namelijk 28 (19) versus 11 (8) (p = 0,005). Van de mannen kozen 9 (4) en van de vrouwen 3 (1) voor activiteiten met nadruk op onderwijs.

In tabel 3 wordt weergegeven of de respondenten na afronding van hun opleiding tot specialist fulltime of parttime wilden werken dan wel de voorkeur gaven aan een combinatie hiervan (fulltime afgewisseld met parttime). Significant meer mannen wilden fulltime werken na afronding van de opleiding tot specialist (?2: 48,29; p

Aan zowel de artsen zonder kinderen als die met kinderen werd gevraagd in welke mate gezinsuitbreiding invloed zou hebben/had gehad op hun loopbaan. Significant meer vrouwen (112; 87) dan mannen (68; 54) die nog geen kinderen hadden, verwachtten dat het krijgen van kinderen invloed zou hebben op hun loopbaan (?2: 33,7; df = 2; p

Bij het zoeken naar een opleidingsplaats maakten mannelijke artsen significant minder gebruik van advertenties en open sollicitaties dan vrouwelijke artsen (gemiddelde somscore (SD): 7,0 (2,1) versus 7,5 (2,0); F = 4,1; p

Uit tabel 4 blijkt dat van de 73 respondenten die al assistent-geneeskundige-in-opleiding (AGIO) waren, de meeste mannen die opleidingsplaats via informele netwerken hadden verkregen (38); de meeste vrouwelijke AGIO's hadden ofwel formele (36), ofwel informele (36) procedures gebruikt.

beschouwing

Steeds meer vrouwen willen doorstromen naar een opleiding tot medisch specialist.48 In het hier beschreven onderzoek werden vrijwel alle specialismen door zowel vrouwen als mannen gekozen; vrouwen hielden bij het maken van de keuze voor een specialisme echter meer rekening met (relatief) gunstige werktijden. Dit is niet verwonderlijk, aangezien voor de meesten de leeftijd waarop men de opleiding tot medisch specialist volgt, samenvalt met die waarop een kinderwens kan worden gerealiseerd. Tijd voor (toekomstige) gezins- en privé-taken blijkt voor vrouwen vaak zwaarder te wegen dan voor hun mannelijke collega's.89 Gunstige werktijden (en de mogelijkheid tot werken in deeltijd) is voor hen dan ook een zwaarwegend argument bij het maken van de keuze voor een specialisme. Voor sommige specialismen blijft deeltijd echter ‘not done’; bij de opleiders moet de discussie over deze mogelijkheden op gang worden gebracht. Het begrip ‘parttime werken’ blijft in de geneeskunde moeilijk te interpreteren. Minder dan 100 werken heeft verschillende betekenissen als de werkweken variëren van 50 tot 80 uur, zoals nu binnen de geneeskunde vaak het geval is. Korter werken hoeft dus niet altijd werken in deeltijd te betekenen.

Mannelijke artsen blijken vaker interesse te hebben voor wetenschappelijke activiteiten. Toelating tot de opleiding gaat vaak gepaard met de eis om te promoveren. Juist voor vrouwen kan dit een hinderpaal vormen (zij hebben minder interesse of vinden promoveren moeilijk te combineren met privé-taken). De combinatie van de opleiding tot klinisch wetenschappelijk onderzoeker en medisch specialist in het ‘assistent-geneeskundige-in-klinisch-onderzoek(AGIKO)-model’ biedt hiervoor echter perspectieven.10

De doorstroming naar de opleidingsplaats wordt vaak ernstig vertraagd. Zo zijn er lange wachttijden voordat men aan de opleiding kan beginnen. In dit onderzoek had 2 jaar na afronding van de studie geneeskunde slechts 26 een opleidingsplaats. De lange wachttijden, die men veelal als AGNIO doorbrengt, dienen te verdwijnen.11 Naarmate de periode als AGNIO langer is, wordt de kans op kinderwens tijdens de opleiding tot medisch specialist groter. Voor vrouwen geeft zwangerschap een extra belasting. Voorts verkorten lange wachttijden de periode dat men als medisch specialist werkzaam is, hetgeen nadelige gevolgen heeft voor de carrière. Er is door beroepsgroepen en beleidsmakers al herhaaldelijk op gewezen dat er in de toekomst een ernstig tekort aan specialisten wordt verwacht (bron: ‘Eensgezindheid VWS-minister en KNMG-voorzitter over aanpak dreigend tekort artsen.’ KNMG-nieuwsbericht van 2 november 1998). Dit tekort wordt mede toegeschreven aan de steeds vaker gehoorde roep om deeltijdarbeid en normalisatie van werktijden.6 1112 Deze ontwikkeling kan zeker niet alleen toegeschreven worden aan het toenemende aantal vrouwen binnen de medische professie. Er is een toenemend aantal mannelijke artsen dat uitspreekt korter te willen werken. In dit onderzoek wilde 32 van de mannelijke basisartsen (een deel van hun loopbaan) in deeltijd werken. Met deze ontwikkelingen zal bij de toekomstige beroepskrachtenplanning rekening gehouden moeten worden.13

In de toekomst is binnen de medische specialismen een evenwichtigere loopbaanontwikkeling gewenst met een goede opbouwperiode voor de jongere specialist, een mogelijke combinatie van loopbaan en zorgtaken thuis in de middenfase, gevolgd door intensivering van werktijden daarna, en een flexibele afbouw aan het eind van de carrière.

Literatuur
  1. Martens ALJE. Cijfers over vrouwelijke artsen. Med Contact1990; 46:1369-71.

  2. Stukker N. Veranderen vrouwen het artsenberoep? Expertmeeting over de positie van vrouwelijke artsen. Med Contact1998;53:1208.

  3. Noordenbos G. Medische professie minder masculien?Consequenties van het afnemend aantal mannen in de medische professie. MedContact 1994;49:1475-7.

  4. Verslag van de Expertmeeting: van basisarts tot medischspecialist m/v. Domus Medica, 9 april 1997. Utrecht: KoninklijkeNederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst; 1997.

  5. Heymans RJHM, Noordenbos G. Het selectiebeleid vanacademische ziekenhuizen ten aanzien van vrouwelijke AGIO's enAGNIO's. Maastricht: Rijksuniversiteit Limburg; 1995.

  6. Meyboom-de Jong B. Feminisering van de geneeskunde. NedTijdschr Geneeskd 1999;143:1134-6.

  7. Heymans RJHM, Moulin MFMT du. Van basisarts tot medischspecialist m/v; een onderzoek naar seksespecifieke factoren in de doorstroomvan basisartsen naar de medische specialisaties. Maastricht: UniversiteitMaastricht; 1996.

  8. Keizer ME. De doktor spreekt. Professionaliteit, gender enuitsluiting in medische specialismen proefschrift. Delft: Eburon;1997.

  9. Cohen-Schotanus J, Meyboom-de Jong B, Agsteribbe J.Barrières in de carrières van vrouwelijke artsen. Groningen:Faculteit der Medische Wetenschappen; 1998.

  10. Nieuwenhuijzen Kruseman AC, Carpay JJ. Samenvatting vande AGIKO-ronde. Maastricht: Universiteit Maastricht, Faculteit derGeneeskunde; 1997.

  11. Vroom ThM. Vrouwen en deeltijdarbeid in het medischeberoep. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:1167-71.

  12. Cohen-Schotanus J, Huisjes HJ. De plaats op dearbeidsmarkt van artsen die in 1982 en 1983 in Groningen gingen studeren. NedTijdschr Geneeskd 1994;138:1434-7.

  13. Bensing JM, Hingstman L, Velden LFJ van der. Rekenen opde toekomst. De waarde van beroepskrachtenplanning. Med Contact1997;52:1521-3.

Auteursinformatie

Universiteit Maastricht, sectie Vrouwenstudies Geneeskunde, Postbus 616, 6200 MD Maastricht.

Mw.drs.M.F.M.T.Du Moulin, gezondheidswetenschapper-onderzoeker; mw.drs.R.J.H.M.Heymans, gezondheidswetenschapper; mw.dr.G.Noordenbos, psycholoog.

Contact mw.drs.M.F.M.T.Du Moulin

Gerelateerde artikelen

Reacties