Tien jaar arts: een longitudinaal onderzoek naar de loopbaan van artsen die hun studie begonnen in Groningen

Onderzoek
J. Cohen-Schotanus
J.J. Reinders
J. Agsteribbe
B. Meyboom-de Jong
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2002;146:2474-8
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Het analyseren van de carrièreontwikkeling van twee Groningse cohorten afgestudeerde artsen.

Opzet

Gestructureerde interviews.

Methode

Van alle 333 afgestudeerden die in 1982 en 1983 in Groningen met de studie geneeskunde waren begonnen, werd in de jaren 1993-2000 nagegaan of zij op de gewenste plaats bij een vervolgopleiding terechtgekomen waren, welke inkomenspositie zij hadden, hoe actief zij waren geweest in wetenschappelijke zin en hoe tevreden zij waren met de werksituatie. Bij alle variabelen werd gekeken naar geslachtsverschillen. De gegevens werden verzameld met telefonische gestructureerde interviews en zoekacties in Medline en de online publiekscatalogus van de Rijksuniversiteit Groningen.

Resultaat

In 2000 had 73 van de afgestudeerden een vervolgopleiding gedaan of was bezig deze af te ronden. Het was 8 niet gelukt een plaats bij een vervolgopleiding te bemachtigen. De deeltijdwens was in de loop der jaren sterk toegenomen. Over het algemeen was de arbeidssatisfactie redelijk. 31 van het cohort had één of meer Engelstalige publicaties of een proefschrift op zijn of haar naam staan. Geslachtsverschillen werden gevonden bij functieomvang en publicaties.

Conclusie

Tien jaar na het afstuderen stabiliseerde de plek op de arbeidsmarkt. Het was mannen niet gelukt om hun deeltijdwens te realiseren. Vrouwen hadden een achterstand wat betreft hun wetenschappelijke loopbaan.

Inleiding

In de afgelopen jaren is het teveel aan artsen uit de jaren tachtig van de vorige eeuw veranderd in een tekort aan artsen. De verwachting is dat dit tekort de komende jaren nog verder toe zal nemen.1 Een van de factoren die geacht wordt van invloed te zijn op het tekort, is de feminisering van het beroep: sinds eind jaren tachtig zijn er meer vrouwen dan mannen als arts afgestudeerd, hetgeen heeft geleid tot meer mogelijkheden voor parttime opleidingen en functies. Tegelijkertijd zijn de werktijden genormaliseerd. Veelgehoord is de opmerking dat artsen op het moment van registratie als huisarts, verpleeghuisarts, specialist of sociaal geneeskundige te oud, te duur en te knap zijn. Er blijkt echter nauwelijks informatie te bestaan over het verloop van het opleidingstraject van artsen. In dit tijdschrift verscheen een artikel over de hoge leeftijd waarop vrouwelijke artsen hun eerste kind krijgen en door het Capaciteitsorgaan is informatie gegeven over de leeftijd waarop artsen zich (zelfstandig) vestigen.1 2

Hoe de carrière van artsen verloopt, hebben wij onderzocht in een longitudinaal onderzoek bij twee cohorten afgestudeerde artsen van de Faculteit Medische Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen: in de jaren 1993-2000 zijn de afgestudeerden uit de studentencohorten 1982 en 1983 (n = 333) van de faculteit ieder jaar geïnterviewd. Uiteenlopende onderzoeksvragen zijn in de loop der jaren beantwoord. De studenten van genoemde cohorten bleken gemiddeld 8 jaar over de studie geneeskunde te hebben gedaan. Per 5 afgestudeerden waren er 4 binnen 2 maanden na het afstuderen met hun eerste baan begonnen. In 1993 hadden alle ondervraagden, op 3 na, werk als arts. Ongeveer 85 gaf toen aan een vervolgopleiding te willen doen; 40 van deze groep was begonnen, 20 zei een toezegging op een plaats te hebben en 40 was nog zoekende.3 Twee jaar later was de helft van de groep zoekenden er nog niet in geslaagd een plaats bij een vervolgopleiding te vinden.4 Uiteindelijk was de gemiddelde tijd tussen afstuderen en het begin van de vervolgopleiding ruim 3 jaar. Opvallend was dat men zich nogal eens kritisch uitliet over het beroep van arts: lange dagen, het werk was routinematig en niet spectaculair en er was weinig tijd voor een sociaal en/of gezinsleven.5 Zowel mannelijke als vrouwelijke artsen gaven vaker psychische problemen aan dan hun leeftijdsgenoten van eenzelfde opleidingsniveau.6

In deze rapportage zullen de volgende vragen aan de orde komen. Hoe is de werksituatie van de afgestudeerden ongeveer 10 jaar na het afstuderen? Zijn de afgestudeerden op de door hen gewenste plaats terechtgekomen? Hoe actief zijn de afgestudeerden in wetenschappelijke zin? Welke aspecten hebben te maken met de tevredenheid over het werk? Welke verschillen bestaan er tussen mannen en vrouwen?

methode

De onderzoeksgroep bestond uit alle artsen die in 1982 en 1983 in Groningen met de studie geneeskunde waren begonnen (n = 420) en daar ook waren afgestudeerd (n = 333). Met gestructureerde, telefonische interviews werd in de jaren 1993-2000 jaarlijks informatie verzameld. Het lukte niet ieder jaar allen te spreken. Ook kwam het voor dat de respondenten niet alle vragen beantwoordden. Dit had tot gevolg dat het aantal ontbrekende gegevens per variabele varieerde.

De volgende gegevens werden verzameld.

- Werksituatie en carrièreverloop: de aard van de functie (specialist, assistent-geneeskundige in opleiding (AGIO), assistent-geneeskundige niet in opleiding (AGNIO), en andere (zoals gerapporteerd in 1993 en 2000)), de omvang van de functie en de gewenste omvang in toekomst (ieder jaar gevraagd: 1993-2000), de gewenste specialisatie in 1993 en de gerealiseerde arbeidsplaats in 2000, en het dienstverband en het inkomen in 2000.

- Wetenschappelijke activiteiten: publicaties in Engelstalige tijdschriften (zoekactie in Medline in januari 2002) en proefschriften (zoekactie in de online publiekscatalogus van de Rijksuniversiteit Groningen op auteursnaam in januari 2002). Als zoekcriterium werd de respondentnaam gehanteerd en om te controleren of het om de juiste persoon ging, werd gekeken naar vakgebied, plaats van promoveren, geboortejaar, publicatiejaar en namen van co-auteurs.

- Tevredenheid over de werksituatie: op basis van de definitie ‘Tevredenheid met het werk is een gevoelsmatige reactie op een baan op basis van de vergelijking die de betreffende persoon maakt van werkelijke uitkomsten met de gewenste (verwachte, verdiende, enzovoorts)’7 werd aan de afgestudeerden gevraagd in hoeverre de werkelijkheid van hun baan in 2000 overeenkwam met de verwachtingen die ze hadden bij het afstuderen. De respondenten was gevraagd om de mate van overeenkomst aan te geven met een schoolcijfer, waarbij het cijfer 10 aangaf dat de verwachting uitgekomen was. De volgende aspecten van arbeidssatisfactie werden bevraagd: wat bereikt was, ontplooiingsmogelijkheden, waardering van collega's, andere beroepsgroepen en patiënten, de samenwerking met collega's en andere beroepsgroepen, en de balans tussen werk en privé-leven.

Analyse

Bij de presentatie van de gegevens werd steeds onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Afhankelijk van (het niveau van) de data werden de resultaten statistisch geanalyseerd met behulp van ?2-toetsen of een variantieanalyse (ANOVA). Er werd een significantieniveau van p

resultaten

De onderzoekscohort van 333 afgestudeerde artsen bestond uit 169 mannen en 164 vrouwen. In 2000 was de gemiddelde leeftijd van de cohorten 38,4 jaar voor de mannen en 37,9 jaar voor de vrouwen.

Werksituatie en carrièreverloop

In 1993 was eenderde van de afgestudeerden bezig met een vervolgopleiding of had deze afgerond, in 2000 was bijna driekwart van de afgestudeerden specialist of nog bezig met de opleiding (tabel 1). Het aantal afgestudeerden dat werkte als onderzoeker was gedaald van 9 in 1993 naar 2 in 2000. Bijna 10 van de afgestudeerden werkte in 2000 nog als AGNIO. Het percentage artsen dat na afstuderen in het buitenland verbleef was circa 10.

In 1993 waren er 124 afgestudeerden die aangaven nog met een vervolgopleiding te willen beginnen (tabel 2). In 2000 bleek dat het 17 (14) van deze groep niet was gelukt een plaats te vinden. Verder waren 34 afgestudeerden bij een ander specialisme terechtgekomen dan zij oorspronkelijk wensten. Er werden geen statistisch significante verschillen tussen mannen en vrouwen gevonden. Een enkeling was gestopt met de opleiding. De afgestudeerden die een vervolgopleiding waren gaan doen, verdeelden zich over de diverse specialismen (tabel 3).

In 2000 werkte driekwart van de geïnterviewde afgestudeerden in loondienst (n = 172), de overigen zelfstandig (n = 64). De inkomsten van de specialisten waren hoger dan die van niet-specialisten (tabel 4). De verschillen tussen mannen en vrouwen waren niet statistisch significant. In 1993 werkte 88 (n = 251) van de afgestudeerden fulltime, 50 (n = 138) gaf aan ook in de toekomst fulltime te willen blijven werken. In 2000 waren deze percentages respectievelijk 51 (n = 121) en 20 (n = 45). In de praktijk waren vooral de vrouwen minder gaan werken. Bij de mannen was de wens om niet fulltime te blijven werken sterker toegenomen dan bij de vrouwen (figuur).

Wetenschappelijke activiteiten

In januari 2002 was 22 als eerste auteur van Engelstalige artikelen gevonden en 24 als medeauteur. Van de afgestudeerden was 13 gepromoveerd. Mannen hadden meer gepubliceerd dan vrouwen (tabel 5).

Tevredenheid werksituatie

De gemiddelde rapportcijfers die de afgestudeerden gaven voor het uitkomen van de verwachtingen ten tijde van het afstuderen lagen vrijwel allemaal boven het cijfer 7. Mannen waren minder tevreden over de balans tussen werk en privé-leven en vrouwen waren minder tevreden over de waardering van hun collega's (tabel 6). Op de overige variabelen werden geen significante verschillen gevonden tussen mannen en vrouwen.

beschouwing

Tien jaar na het artsexamen had de carrière van 75 van de cohort afgestudeerden zich zodanig ontwikkeld dat deze afgestudeerden werkzaam waren als specialist, huisarts, sociaal-geneeskundige of verpleeghuisarts of bijna de vervolgopleiding hadden afgerond. Het was iets minder dan 10 van de afgestudeerden niet gelukt een gewenste plaats in een vervolgopleiding te bemachtigen. Deze artsen waren vaak nog werkzaam als AGNIO. De verwachting is dat bij toekomstige cohorten dit percentage lager wordt, gezien de krapte op de arbeidsmarkt. Van de ‘zoekenden’ in 1993 was eenderde bij een specialisme terechtgekomen dat niet de eerste voorkeur had. Of deze situatie zal verbeteren, valt te betwijfelen gezien de eenzijdige voorkeuren voor vervolgopleidingen.

Degenen die specialist waren geworden, hadden een opleidingstraject achter de rug van gemiddeld 14-17 jaar. Zij hadden gemiddeld meer dan 5 jaar besteed aan studievertraging en het zoeken naar een plaats bij de vervolgopleiding.3 4 Voor 20 van de cohort was het opleidingstraject nog langer; zij hadden in 2000, gemiddeld 10 jaar na het afstuderen, de vervolgopleiding nog niet afgerond. Onze verwachting is dat de huidige generatie (Groningse) studenten het opleidingstraject op jongere leeftijd zal afronden. Ten eerste omdat sinds de invoering van een nieuw curriculum de gemiddelde duur tot het basisartsexamen korter is geworden. Ten tweede omdat de arbeidsmarkt krap is. Ten derde zal met het huidige toelatingsbeleid tot de studie geneeskunde de aanvangsleeftijd gemiddeld lager worden. Wanneer daarnaast het opleidingstraject ook nog wordt bekort, zal de duur nog verder verminderen.

Zowel mannen als vrouwen gaven in de loop der jaren steeds vaker aan dat ze in de toekomst niet fulltime wilden werken. Opvallend was de toename van het percentage mannen dat zei minder te willen werken: in 2000 wilde nog slechts eenderde van de mannen fulltime blijven werken. Het percentage vrouwen dat fulltime wilde blijven werken, was tot 5 gedaald. Ook opvallend is dat het de vrouwen grotendeels wel was gelukt om in de loop der jaren minder te gaan werken, maar dat de mannen hun deeltijdwens niet hadden gerealiseerd. Bij de toekomstvoorspellingen van aantallen artsen wordt reeds rekening gehouden met de toename van het aantal vrouwen en hun wensen over de arbeidsomvang. Het lijkt ons belangrijk ook rekening te gaan houden met de deeltijdwens van mannen.

Van de mannen had 37 en van de vrouwen 25 één of meer publicaties op zijn/haar naam staan. Ook als rekening wordt gehouden met de functieomvang, waren mannen wetenschappelijk actiever dan vrouwen (data niet getoond). Dit gegeven wordt ook elders gevonden.6 Dat vrouwen academisch actief zijn, is belangrijk voor hun eigen carrièreontwikkeling, maar ook om bestaand talent niet verloren te laten gaan.

Actief beleid om meer vrouwelijke artsen ook wetenschappelijk actief te laten zijn, lijkt ons dringend gewenst. In de telefoongesprekken werd vaak spontaan geklaagd over allerlei negatieve aspecten van het beroep arts. Er werd de indruk gewekt dat de arbeidssatisfactie laag was. Wij hebben getracht meer zicht te krijgen op de arbeidssatisfactie door te vragen het verschil in verwachting bij het afstuderen en de feitelijke werksituatie uit te drukken als schoolcijfer. Gemiddeld werd ruim een 7,5 gegeven voor de overeenkomst tussen verwachting en werkelijkheid. Onduidelijk is hoe wij de hoogte van dit cijfer moeten interpreteren: is 7,5 nu een mooi cijfer of zegt 2,5 punt afwijking van de (perfecte) verwachting iets over de teleurstelling die vaak doorklinkt aan de telefoon? Verder onderzoek is nodig om uit te zoeken wat er precies aan de hand is.

Belangrijk in ons onderzoek was de vraag op welke punten de carrière-ontwikkeling van mannen en vrouwen verschilde. Bij de meeste variabelen werden geen statistisch significante verschillen gevonden: beide groepen deden vervolgopleidingen, verspreidden zich over vrijwel alle specialismen, verdienden evenveel en verschilden slechts op twee punten van mening wat betreft arbeidssatisfactie. Ten eerste waren vrouwen minder tevreden over de waardering die zij van hun collega's kregen. Ten tweede waren mannen ontevredener over de balans werk/privé. Als wij ons echter realiseren dat de mannen een sterke deeltijdwens hadden, maar deze meestal niet hadden kunnen realiseren de afgelopen jaren, dan is deze onvrede voor de hand liggend. Het duidelijkste verschil tussen mannen en vrouwen kwam naar voren bij de wetenschappelijke productie. Geconcludeerd kan worden dat de vrouwen tien jaar na het afstuderen op achterstand stonden wat betreft de ontwikkeling van hun wetenschappelijke carrière.

Tot slot een opmerking over de representativiteit van de Groningse basisartsen. Wij achten het aannemelijk dat er geen grote carrièreverschillen bestaan tussen de basisartsen van de verschillende faculteiten. Zo kwamen onze basisartsen terecht bij vrijwel alle specialismen. Daarbij bleven ze niet in het Noorden. Vergelijkbaar follow-uponderzoek bij de zusterfaculteiten kan echter pas het definitieve antwoord op de representativiteitsvraag geven.

Mw.J.Bouwkamp-Timmer, bibliothecaresse, voerde de zoekacties in Medline en de online publiekscatalogus uit.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Velden LFJ van der, Hingstman L, Windt W van der, ArnoldEJE. Raming opleidingscapaciteit per medisch specialisme 2000-2010. Utrecht:Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (Nivel)/Prismant;2001.

  2. Maas SM, Hoff BWM van ’t, Rings EHHM, Waals FW vander, Büller HA. Zwanger en in opleiding tot specialist.Ned Tijdschr Geneeskd1992;136:2526-31.

  3. Cohen-Schotanus J, Huisjes HJ. De plaats op dearbeidsmarkt van artsen die in 1982 en 1983 in Groningen gingen studeren.Ned Tijdschr Geneeskd1994;138:1434-7.

  4. Cohen-Schotanus J, Dijk LA van, Huisjes HJ. De plaats vanartsen op de arbeidsmarkt: is de positie van afgestudeerde artsen die in 1982en 1983 in Groningen gingen studeren na 1993 verbeterd? Medisch Contact1996;51:1099-102.

  5. Cohen-Schotanus J, Agsteribbe J, Rossum HJM van. Groningseartsen op de arbeidsmarkt. Proceedings Gezond Onderwijs Congres 8/NVMO(Nederlandse Vereniging voor Medisch Onderwijs) 1998. Houten: Bohn StafleuVan Loghum; 1999. p. 123-5.

  6. Agsteribbe J, Meyboom-de Jong B, Cohen-Schotanus J.Barrières in de carrières van vrouwelijke artsen: een onderzoekin opdracht van de Faculteit Medische Wetenschappen van de RijksuniversiteitGroningen. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen; 1998.

  7. Cranny CJ, Smith PC, Stone EF. Job satisfaction: howpeople feel about their jobs and how it affects their performance. New York:Lexington; 1992.

Auteursinformatie

Rijksuniversiteit Groningen, Ant. Deusinglaan 1, 9713 AV Groningen.

Onderwijsinstituut Faculteit Medische Wetenschappen: mw.dr.J.Cohen-Schotanus, psycholoog; drs.J.J.Reinders en mw.drs.J.Agsteribbe, psychologen.

Disciplinegroep Huisartsgeneeskunde: mw.prof.dr.B.Meyboom-de Jong, huisarts.

Contact mw.dr.J.Cohen-Schotanus

Gerelateerde artikelen

Reacties