Vergoeding van alternatieve geneeswijzen in Nederland: onbegrijpelijk

Een hand onder een kraan. Uit de kraan komen pillen.
Martijn W.F. van den Hoogen
Calin Popa
Lammy D. Elving
Jos W.M. van der Meer
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A4227
Abstract
Download PDF

Samenvatting

In een tijd waarin niet alleen artsen, maar ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en de zorgverzekeraars steeds meer letten op de kwaliteit van de reguliere geneeskunde, is het opmerkelijk dat er nog veel niet wetenschappelijk onderbouwde alternatieve behandelwijzen worden geaccepteerd in Nederland. Hoewel overtuigend is aangetoond dat de meeste alternatieve behandelwijzen niet werken en dat wetenschappelijk onderzoek naar veiligheid en effectiviteit ervan ontbreekt, vergoeden de zorgverzekeraars de gemaakte kosten vaak wel. Doordat de veiligheid van alternatieve behandelwijzen niet gegarandeerd is, zijn deze niet in het belang van de patiënt of de samenleving. Bovendien vormen alternatieve behandelwijzen een behoorlijke kostenpost voor de individuele patiënt. Door vergoeding van de kosten van niet of onvoldoende bewezen behandelingen meten de zorgverzekeraars met twee maten. Dit gaat ten koste van de vergoeding van andere, effectieve en bewezen behandelingen. Door gezamenlijke inspanning van beleidsmakers, artsen, IGZ en zorgverzekeraars kan hier verandering in komen.

De laatste 20 jaar is er toenemend aandacht voor wetenschappelijk bewijs voor werkzaamheid van behandelingen als de basis voor kwalitatief goede zorg. Richtlijnen gebaseerd op de principes van ‘evidencebased’ geneeskunde zijn er ruimschoots en medici die zich niet aan deze richtlijnen houden, hebben wat uit te leggen. Niet alleen spreekt men onder collega’s vaker over welke behandeling wél en welke niet bewezen effectief is, ook spreekt men er elkaar tegenwoordig makkelijker op aan als een collega niet wetenschappelijk onderbouwd werkt. Andere partijen, vooral de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) en zorgverzekeraars, mengen zich graag in het debat over optimale, op wetenschappelijk bewijs gebaseerde zorg. De zorgverzekeraars neigen er sterk toe om de vergoeding voor een reguliere behandeling ter discussie te stellen, wanneer het bewijs van werkzaamheid nog niet volledig sluitend is of wanneer de kwaliteit van deze behandelingen als onvoldoende wordt beoordeeld.

Alternatieve behandelwijzen

Tijdens onze wekelijkse plenaire bespreking voor de polikliniek Interne Geneeskunde passeren met enige regelmaat patiënten de revue die diverse alternatieve behandelingen ondergaan of hebben ondergaan. Meestal betreft het patiënten met onverklaarde klachten die voor een tweede mening naar onze polikliniek worden verwezen. Steeds zijn wij verbaasd over het gemak waarmee onbewezen ‘alternatieve’ behandelwijzen door de IGZ worden gedoogd en door de zorgverzekeraars worden vergoed, zeker in een tijd waarin de kwaliteit en de kosten van de zorg voortdurend onderwerp van debat zijn. Wij vinden het accepteren en vergoeden van dergelijke alternatieve behandelwijzen zorgelijk en willen dit aan de hand van 3 voorbeelden toelichten. Bij alle 3 patiënten vergoedde de zorgverzekeraar gedeeltelijk of geheel de kosten van diagnostiek en behandeling.

Ziektegeschiedenissen

Patiënt A, een vrouw van 38 jaar, werd verwezen vanwege moeheid. Zij had enige tijd tevoren een ‘levend-bloedanalyse’ gehad. Bij zo’n onderzoek worden via een vingerprik enkele bloeddruppels afgenomen en direct onder de donkerveldmicroscoop bekeken (http://www.skepsis.nl/levend-bloed-analyse.html). Er is geen wetenschappelijk bewijs voor de waarde van deze test.1,2

Patiënte bracht bij het polibezoek een dvd mee waarop de levend-bloedanalyse te zien was. Hieronder staat het filmpje.

Volgens de uitvoerend onderzoeker zijn verschillende parasieten te zien. Enkele van deze zogenaamde parasieten worden met een rode rechthoek aangewezen. Patiënte overhandigde onze arts hierbij de volgende schriftelijke uitslag: ‘Behandeling borrelia inzetten in combinatie met aanpak van parasieten; vega: taenia pisiformis, sporozoans gregarines, avia malaria, plasmodium cynomolgi, ancylostoma, fasciola hepatica en gyrodactylus.’ Wij stelden na uitgebreid onderzoek geen diagnose en startten geen specifieke behandeling. Het verdere ziektebeloop is onbekend.

Patiënt B, een vrouw van 49 jaar, werd verwezen vanwege vermoeidheid. Opvallend was de uitgebreide medicatie die zij op voorschrift van een alternatief arts slikte. Naast vitamines bestond deze lijst uit alternatief schildklierhormoonpreparaat, prasteron (dehydro-epiandrosteron) en hydrocortison. De alternatieve genezer had geconcludeerd dat er diverse tekorten in het lichaam aanwezig waren en voor ieder tekort werd een medicament gegeven. Het onderzoek van de alternatieve genezer bestond onder andere uit een bepaling van 17 vitamines, 11 extra- en intracellulaire sporenelementen, 17 essentiële vetzuren, 5 tumormarkers, 21 hormonen in het serum en in de urine, 6 biologische aminen, IgG tegen 6 micro-organismen (onder andere tegen Candida) en IgG tegen 92 verschillende voedingsmiddelen (onder andere yoghurt, kokosnoot, eigeel, champignons en bakkersgist). Deze diagnostiek kostte ruim € 2500. Op onze polikliniek werden geen aanwijzingen gevonden voor een lichamelijke aandoening. In overleg met patiënte werd de grote hoeveelheid medicatie in een half jaar afgebouwd. De vermoeidheid nam daarna af.

Patiënt C, een man van 58 jaar, bezocht de polikliniek Interne Geneeskunde wegens sinds 2 jaar bestaande klachten van malaise, misselijkheid en diarree. Ook zou hij regelmatig een verhoogde lichaamstemperatuur hebben. Analyses door internisten in diverse ziekenhuizen hadden, ondanks uitvoerig aanvullend onderzoek, geen diagnose opgeleverd. Patiënt was niet gerustgesteld en kwam terecht bij het Centrum voor Integrale Gezondheidszorg in Maastricht, een alternatief gezondheidscentrum. De arts van het centrum stelde patiënt na uitvoerig laboratoriumonderzoek in op een langdurige behandeling volgens het volgende schema: azitromycine 500 mg 2 dd gedurende 5 dagen, daarna 500 mg 4 dd gedurende 1 dag gevolgd door 500 mg 2 dd gedurende 6 dagen; daarna kreeg hij 1 dag 4 tabletten 3 dd van een antimalariamiddel, een combinatie van artemether 20 mg en lumefantrine 120 mg, van dit middel 1 dag 4 tabletten 2 dd en 1 dag 4 tabletten 1 dd. Dit schema werd vervolgens steeds herhaald. Wegens onvoldoende resultaat na 6 maanden behandeling kwam patiënt op onze polikliniek. Wij vonden geen somatische afwijkingen die zijn klachten konden verklaren. Het verdere ziektebeloop is onbekend.

Populariteit van alternatieve behandelwijzen

Bovenstaande beschrijvingen illustreren een deel van de diagnostiek en behandelingen zonder bewijs in Nederland die worden toegepast door alternatieve behandelaars. De regelmaat waarmee wij patiënten op onze polikliniek zien die zich tot alternatieve genezers hebben gewend, onderstreept de populariteit van alternatieve behandelwijzen. Deze populariteit is opmerkelijk, juist in een tijd waarin genezing of verlichting van veel ziekten langs reguliere weg mogelijk is geworden.

Toch schuilt in het succes van de moderne reguliere geneeskunde waarschijnlijk ook de verklaring voor de populariteit van de alternatieve behandelwijzen.3 De reguliere geneeskunde kent niet alleen succesverhalen, maar ook veel teleurstellingen. Vooral de zorg aan patiënten met somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten wordt vaak door zowel arts als patiënt als suboptimaal beschouwd.4 De onmacht van de reguliere dokters om deze patiënten goed te helpen kan ervoor zorgen dat zij hun heil zoeken bij alternatieve zorgverleners. Door het breed en ongenuanceerd uitmeten van anekdotische succesverhalen op het internet en in andere media krijgen patiënten al gauw hoge verwachtingen van de alternatieve geneeskunde.

Alternatieve geneeskunde door reguliere artsen

De eerdere beschrijvingen illustreren dat ook academisch geschoolde artsen alternatieve behandelwijzen aanbieden, waarmee zij wetenschappelijk bewijs als basis van hun praktijk niet meer van belang lijken te vinden. De overtuigingskracht van deze alternatieve artsen met een reguliere medische opleiding en het gezag dat zij hebben door hun dokterstitel leiden ertoe dat patiënten dit soort behandelwijzen zeer overtuigend vinden. Het kan vervolgens erg lastig zijn om patiënten in de reguliere geneeskunde te overtuigen dat voor alternatieve behandelwijzen geen wetenschappelijk bewijs bestaat.

Schade door alternatieve en onbewezen behandelwijzen

Wie een bepaalde behandeling toepast, moet met voldoende zekerheid weten of de behandeling effectief en veilig is. Zeker voor de patiënt is het toetsen van de veiligheid nog belangrijker dan het toetsen van de effectiviteit.

Een van onze belangrijkste bezwaren tegen alternatieve behandelwijzen is het bijna volledig ontbreken van goede, open toetsing van de toegepaste behandelmethoden door de alternatieve behandelaars zelf. De meeste onderzoeken die door hen gepubliceerd worden op een eigen website of in een eigen boek bevatten methodologische fouten, zoals het verwarren van correlatie met causaliteit. Een poging van ZonMw om alternatieve artsen te scholen in gedegen wetenschappelijk onderzoek, mislukte enkele jaren geleden. Dit heeft veel overheidsgeld gekost (http://www.kwakzalverij.nl/1137/De_lekkende_geldkraan_van_ZonMw).

Wij hebben onze bedenkingen bij een nieuw initiatief van ZonMw om meer aandacht te vragen aan beleidmakers voor onderzoek naar alternatieve behandelwijzen, ook al is het doel om onnodig gebruik van niet-effectieve of schadelijke zorginterventies aan banden te leggen (http://www.zonmw.nl/uploads/media/Signalement_Effectiviteit_compl_zorginterventies.pdf).

Bij gebrek aan goede toetsing is het onmogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid van de behandeling en de betrouwbaarheid van een diagnosticum of een behandeling. Ondanks het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing zeggen veel alternatieve behandelaren dat hun behandeling veilig is. Vaak wordt daar het argument voor gebruikt dat de behandeling ‘natuurlijk’ of ‘lichaamseigen’ is. Tabak is echter ook een natuurlijk product en cortison en schildklierhormoon zijn lichaamseigen stoffen, waarvan het gebruik niet zonder meer veilig is.3

Niet-geïndiceerde medicatie

Nog zorgelijker dan onduidelijke en ongetoetste behandelingen en onderzoeken is het voorschrijven van medicatie zonder indicatie, zoals bij patiënt B en patiënt C. Hoewel de meeste componenten van de ingestelde behandeling waarschijnlijk niet veel kwaad kunnen in de gegeven dosering, is de toediening van schildklierhormoon en hydrocortison gevaarlijk wanneer deze niet geïndiceerd is.5,6 Dit geldt ook voor de langdurige toediening van azithromycine en artemether zoals gebeurde bij patiënt C.

Tegen het voorschrijven van niet-geïndiceerde medicatie door alternatieve artsen zou de IGZ naar onze mening harder moeten optreden. Tot een van de taken behoort immers het controleren van de naleving van de Wet BIG, artikel 40. Daarin staat onder andere dat een individuele medische beroepsbeoefenaar verantwoorde zorg moet leveren en aan kwaliteitsbewaking moet doen (http://wetten.overheid.nl/BWBR0006251). Het voorschrijven van bijvoorbeeld schildklierhormoon aan mensen zonder bewezen tekort aan deze hormonen valt niet onder verantwoorde zorg.

Nog bedenkelijker is het als de alternatieve behandelaar empirische, controleerbare claims uit de reguliere geneeskunde verwerpt. In dit geval kan men spreken van moedwillige schade. De IGZ treedt tegen dit soort zaken niet preventief op; de IGZ komt pas in actie als een patiënt zelf een klacht indient of als het om een zeer ernstige zaak gaat.

Vergoeding door zorgverzekeraars

Sommige patiënten zijn veel geld kwijt aan alternatieve behandelwijzen. Zoals de beschrijving van patiënt B laat zien, kunnen de kosten hoog oplopen. Deze kosten worden bij patiënten met een aanvullende zorgverzekering geregeld vergoed; afhankelijk van de polisvoorwaarden is er een maximumbedrag per kalenderjaar. Wij vinden dat de zorgverzekeraars met twee maten meten door alternatieve behandelwijzen te vergoeden. De vergoeding is dan namelijk niet gebaseerd op criteria van bewezen effectiviteit en veiligheid, die men wél toepast op reguliere behandelingen.

Overigens vergoeden sommige zorgverzekeraars ook laagdrempelig reguliere behandelingen en onderzoeken, die nog onvoldoende op effectiviteit en veiligheid zijn onderzocht. Een voorbeeld hiervan is het vergoeden van de zogeheten ‘mammaprint’. Deze genexpressieprofieltest beoogt een meer individueel toegesneden behandeling voor borstkanker, specifiek afgestemd op de kenmerken van de tumor van de individuele patiënt. De waarde van deze specifieke test wordt in het algemeen echter betwijfeld, en bij sommige patiëntengroepen in het bijzonder.7,8

Een ander voorbeeld is het vergoeden van preventieve testen, zoals meting van de PSA-concentratie.9 De kosten die met al deze vergoedingen gemoeid zijn, kunnen naar onze mening beter besteed worden; bijvoorbeeld aan effectieve en veilige zelfzorgmedicijnen die chronisch zieke patiënten momenteel voor een groot deel niet of niet volledig vergoed krijgen. Tot slot draagt het vergoeden van de kosten van alternatieve behandelwijzen impliciet bij aan het in stand houden van deze behandelwijzen en aan de suggestie dat het om gelegitimeerde geneeskunde zou gaan.

Conclusie

In een tijd waarin niet alleen artsen, maar ook de IGZ en de zorgverzekeraars steeds meer letten op de kwaliteit van het medisch handelen, is het opmerkelijk dat er in ons land nog veel niet wetenschappelijk onderbouwde alternatieve behandelwijzen worden geaccepteerd. Niet alleen gaat dit ten koste van de individuele patiënt, maar ook de samenleving als geheel is hier niet bij gebaat. Verandering hierin is mogelijk, maar vereist een gezamenlijke inspanning van beleidsmakers, reguliere artsen, IGZ en de zorgverzekeraars.

Literatuur
  1. El-Safadi S, Tinneberg HR. von GR, Munstedt K, Bruck F. Does dark field microscopy according to Enderlein allow for cancer diagnosis? A prospective study. Forsch Komplementarmed Klass Naturheilkd. 2005;12:148-51 Medline. doi:10.1159/000085212

  2. Teut M, Ludtke R, Warning A. Reliability of Enderlein’s darkfield analysis of live blood. Altern Ther Health Med. 2006;12:36-41 Medline.

  3. Beyerstein BL. Alternative medicine and common errors of reasoning. Acad Med. 2001;76:230-7 Medline. doi:10.1097/00001888-200103000-00009

  4. Sharpe M, Carson A. ‘Unexplained’ somatic symptoms, functional syndromes, and somatization: do we need a paradigm shift? Ann Intern Med. 2001;134:926-30 Medline.

  5. Fairfield KM, Fletcher RH. Vitamins for chronic disease prevention in adults: scientific review. JAMA. 2002;287:3116-26 Medline. doi:10.1001/jama.287.23.3116

  6. Bays HE. Safety considerations with omega-3 fatty acid therapy. Am J Cardiol. 2007;99:S35-S43 Medline. doi:10.1016/j.amjcard.2006.11.020

  7. Smit VTHBM, Nortier JWR, van de Velde CJH. Het feilen van een borstkankertest. Med Contact. 2008;63:1470-2.

  8. Wittner BS, Sgroi DC, Ryan PD, et al. Analysis of the MammaPrint breast cancer assay in a predominantly postmenopausal cohort. Clin Cancer Res. 2008;14:2988-93 Medline. doi:10.1158/1078-0432.CCR-07-4723

  9. Hoffman RM. Screening for Prostate Cancer. N Engl J Med. 2011; epub ahead of print Medline. doi:10.1056/NEJMcp1103642

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum St Radboud, afd. Interne Geneeskunde, Nijmegen.

Drs. M.W.F. van den Hoogen en drs C. Popa, internisten in opleiding; dr. L.D. Elving en prof.dr. J.W.M. van der Meer, internisten.

Contact drs. M.W.F. van den Hoogen (M.vandenHoogen@aig.umcn.nl)

Verantwoording

Prof. dr. R.A.P. Koene gaf waardevol commentaar op het artikel.
Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 4 december 2011

Gerelateerde artikelen

Reacties

Bram
Vrijsen

De casus beschreven door Van den Hoogen et al. zijn zeer illustratief. Ik onderschrijf van harte hun conclusie dat het voorschrijven van medicatie zonder indicatie door alternatieve artsen zorgelijk is. Ik heb hiervan zelf een voorbeeld meegemaakt, waarbij de betrokken patiënt ook schade ondervond.

Het betrof een 73-jarige, tevoren gezonde man. Hij was door de huisarts behandeld met doxycycline voor een erythema migrans na een tekenbeet. Enige tijd later ontwikkelde patiënt klachten van vermoeidheid. Via een kennis kwam hij bij een arts in Duitsland, die de diagnose chronische Lyme-borreliose stelde en behandeling instelde met minocycline, allopurinol en hydroxychloroquine, gecombineerd met een multivitamine en probiotica.

Op advies van zijn huisarts bezocht patiënt de polikliniek Infectieziekten voor een tweede mening. De behandeling had vooralsnog geen effect gesorteerd. Behalve vermoeidheid klaagde patiënt over een laaggradige koorts en spierzwakte in de armen en benen. Hierdoor was hij rolstoelgebonden. Bij laboratoriumonderzoek vielen verhoogde inflammatoire parameters en leverenzymstoornissen op. 

Ik adviseerde patiënt om de medicatie te staken. Hierna normaliseerden de leverproefstoornissen snel en de klachten namen beduidend af. Bij het derde polikliniekbezoek kwam patiënt lopend binnen.

Wel hield patiënt last van spierzwakte en bovenarmen en -benen en bleef de bezinking licht verhoogd. Onder verdenking van een polymyalgia rheumatica werd gestart met prednison, waarna deze klachten spectaculair verbeterden.

 

Bram Vrijsen, aios interne UMCU

hans
van Montfort

Het is jammer dat de redactie van het NtvG niet voor publicatie om mijn commentaar heeft gevraagd, gezien het feit dat ons Centrum hierin op ongepaste wijze wordt neergezet door de auteurs. Hoewel de manier van benaderen in casus C aanleiding is om deze te laten toetsen op oncollegiaal gedrag, wil ik me beperken tot het geven van wetenschappelijk gefundeerd commentaar.
Zeer terecht zijn de schrijvers kritisch over de kwaliteit van de zorg. In het artikel “ De rol van epidemiologisch bewijs in de zorg voor individuele patiënten” door Yvo M Smulders et al in het NtvG 2010;154:A1910 spreken de schrijvers dezelfde zorg uit. In dit, in mijn ogen moedige artikel, wordt gesteld dat van slechts 13% van de reguliere geneeskunde ondubbelzinnig de werkzaamheid is aangetoond. Dit toont ondubbelzinnig aan dat er in de discussie rond de wetenschappelijke onderbouwing gemeten wordt met twee maten. En juist dat is onwetenschappelijk.

Inhoudelijk willen wij alleen ingaan op casus C, omdat wij in deze worden aangesproken. De casus, duidelijk een Lymepatiënt, is na een klacht van prof. Van der Meer al eerder door mij besproken met de IGZ. Volgens de medische regels heb ik een diagnose gesteld en op basis daarvan een behandeling ingesteld. Het beschreven behandelplan is afkomstig uit het intercollegiaal overleg ( Deutsche Borreliose Geselschaft en de International Lyme and Associated Diseases Society ), waarin deze programma’s getoetst worden. Net als bij tuberculose en Lues zijn deze behandelingen meestal langdurig. Daardoor kan men na een half jaar niet de conclusie trekken dat de behandeling niet geholpen heeft.

Ten onrechte maken de auteurs zich zorgen dat dit ten koste zou gaan van het totale zorgbudget. Enerzijds omdat complementair werkende artsen slechts ten dele worden vergoed uit de aanvullende verzekering, anderzijds omdat het toepassen van complementaire zorg in de eerste lijns zorg een kostenbesparing oplevert en zorgt voor een levensduurverlenging (“ Patients whose GP knows complementary medicine tend to have lower costs and live longer: P. Kooreman, E Baars , Eur J. Health Econ. Published online 22 juni 2011) .
De door ons geciteerde artikelen vormen een uitdaging om in een open, wetenschappelijke houding de discussie aan te gaan met de patiënt als middelpunt.
De volledige tekst is na te lezen op : http://www.cigmtr.nl/artikelntvg.html  

J.C. van Montfort, arts
Y.G.C.M. Coolen, directeur
Centrum voor Integrale Gezondheidszorg
Maastricht
 

mw. dr. A.C. (Anca)
Ansink

In het artikel: ‘Vergoeding van alternatieve geneeswijzen in Nederland: onbegrijpelijk’ spreken de auteurs hun zorgen uit over de (patiënt)veiligheid van alternatieve behandelwijzen. Zij roepen de inspectie, beleidsmakers, artsen en zorgverzekeraars op om het beleid rond het vergoeden van niet - of onvoldoende - bewezen behandelingen te wijzigen. Bovendien zou de inspectie proactiever moeten optreden om de individuele patiënt - en de samenleving als geheel – te beschermen tegen alternatieve behandelwijzen. Uit deze oproep blijkt dat verheldering van de rol van de inspectie ten aanzien van alternatieven geneeswijzen op zijn plaats is.

Als toezichthouder heeft de inspectie geen invloed op het beleid rond het vergoeden van behandelingen. 

De inspectie treedt alleen op tegen onverantwoorde behandelwijzen, als er sprake is van een aantoonbare relatie tussen de schade en de (alternatieve) behandeling. Alternatieve beroepsbeoefenaren die niet BIG-geregistreerd zijn, staan niet onder actief toezicht van de inspectie. Patiënten die hier voor kiezen, hebben weinig waarborgen voor verantwoorde zorg, het gaat immers om niet-wetenschappelijk bewezen methoden. Als de behandeling leidt tot (een aanmerkelijke kans op) schade aan iemands gezondheid door ondeskundig te handelen, is dit een strafbaar feit waar de inspectie onderzoek naar kan doen. Bij dit onderzoek naar schade als gevolg van alternatieve behandelwijzen, heeft de inspectie de mogelijkheid om aangifte te doen bij de officier van justitie. Deze bepaalt of de zaak aan de strafrechter wordt voorgelegd. Het indienen van tuchtklachten is bij dergelijke zaken niet aan de orde omdat het tuchtrecht alleen van toepassing is op BIG geregistreerde zorgverleners.   

Anca Ansink, hoofdinspecteur Curatieve Zorg IGZ

Margje
Goede-Zwolsman

Wekelijks komen overgedoseerde patiënten op schildklierfora omdat ze zich slecht voelen op het alternatief schildklierhormoon en/of hydrocortison, voorgeschreven door orthomoleculair werkende artsen of door artsen die geloven in de anti-aging.Voorafgaand aan de behandeling zijn reguliere bloedwaarden meestal normaal, terwijl alternatief diagnostisch gereedschap en/of methoden dan toch wijzen op allerhande tekorten.
De reguliere huisarts weet vaak geen raad met dit soort suppletie.Op fora kunnen we deze patiënten bijstaan, zodat de huisarts weer aanknopingspunten heeft.

In uitzonderlijke gevallen hebben we de Inspectie gewaarschuwd.Het IGZ wil echter dat de patiënt zelf een klacht indient.Dit is een onredelijke eis, want er is sprake van medische mishandeling zonder dat het slachtoffer bij machte is daar iets tegen te ondernemen. In zo'n geval dient de patiënt in bescherming te worden genomen door de wet.

 

Margje Goede, vrijwilliger: voorlichting schildklierpatiënten fora

Hans
Schilder

 "Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen".  Mattheus citeert deze tekst van Jezus.  Zolang reguliere collega's tienduizenden recepten uitschrijven voor SSRI's  zonder klinisch relevante werkzaamheid, geheel vergoed, past het artsen zich  tot het eigen terrein te beperken, voor ze gemakkelijke stukjes over de 'alternatieven' plaatsen.

Hans Schilder, SEH-arts, arts voor Psychomedische hulp