Samenvatting
De opkomst van vrouwelijke artsen laat zich lezen als een postmoderne sociologische beeldroman. Pas vanaf het moment dat vrouwen het recht bevochten hadden om als arts in alle disciplines te mogen werken, komen vragen naar voren op welke wijze zij het beroep vormgeven en er plezier aan beleven en hoe zij het kunnen combineren met andere bezigheden. In diverse foto’s, tekeningen en spotprenten komt het veranderende beeld tot uiting dat de maatschappij heeft van de vrouwelijke arts. Het is nog onduidelijk wat dit debat, dat al decennia speelt, vrouwelijke artsen zal opleveren. De oproep tot verandering van het medisch beroep is er echter onverminderd groot door.
Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:2191-5
artikel
Er wordt wel gezegd dat vrouwen van de vroegste tijd af in het centrum van de geneeskunde stonden en dat zij pas vanaf de Moderne Tijd (vanaf circa 1500) geleidelijk van het toneel verdwenen.1 Lange tijd uit beeld dus, verbannen naar de periferie van de gezondheidszorg. De historische omstandigheden en condities, het waarom en waardoor dat gebeurde, zijn nog lang niet opgehelderd. Niettemin heeft het vrouwelijke artsen veel moeite gekost, veelal op eigen kracht, terug in de picture te komen. Het algemene publiek is dit zich anno 2008, nu vrouwelijke artsen bijna in de meerderheid zijn, wellicht niet meer zo scherp bewust.
feminisme en emancipatie
Aletta Henriëtte Jacobs (1854-1929) werd in 1878 als eerste vrouwelijke arts geregistreerd, waarna zij een jaar later promoveerde op een neurologisch onderwerp. De Verenigde Staten waren met Elizabeth Blackwell in 1847, twee jaar vóór oprichting van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (nu KNMG), Nederland circa 30 jaar voor. De opkomst van vrouwelijke artsen gaat hand in hand met de modernisering en professionalisering van het medisch beroep in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Voor de vrouwelijk artsen van het eerste uur gold dat velen zich daarnaast met maatschappelijk-politieke vraagstukken bezighielden als vrouwenkiesrecht en pacifisme (figuur 1). Men droeg echter de toelating van vrouwelijke artsen of de emancipatie van vrouwen in het algemeen geen warm hart toe. Nog in 1924 verzuchtte Aletta Jacobs in haar memoires dat het allemaal zo langzaam ging.2
In Nederland werden vrouwenemancipatie en arbeidsparticipatie door de overheid geblokkeerd en gefrustreerd. Tot 1957 werden vrouwen in overheidsdienst en leraressen als zij huwden, ontslagen. ‘Functioneel ontslag’ heette dat in die tijd en de wetswijziging om de juridische handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen op te heffen kwam pas op gang na de motie van het kamerlid Tendeloo van 13 september 1955. Dertig jaar na de Herinneringen verzuchtten velen opnieuw met Aletta Jacobs: het schiet maar niet op.2
beeldvorming
In dit artikel versta ik onder de beeldvorming rond artsen wat het algemene publiek van vrouwelijke artsen vindt, hoe vrouwelijke artsen naar zichzelf kijken en hoe mannelijke artsen hun vrouwelijke collega’s de maat nemen en vice versa. Beeldvorming neem ik hier dus breder dan een voorstelling van plaatjes. Veel artsen hebben hun levensgeschiedenis te boek gesteld, wat dikwijls een fraai tijdsbeeld oplevert met verrassende observaties over de positie van de vrouwelijke arts. Niet zelden waren mannelijke artsen tegen de intrede van vrouwen in het medisch beroep, zodat vrouwen zich terecht daartegen verweerden; dit kon dan ook weer het beeld van ‘kenau’ oproepen.
Het letterlijke beeld, de cartoon of spotprent, neemt overigens in de beeldvorming over artsen een bijzondere plaats in. Het hoeft ons niet te verbazen dat de meeste humor over de arts-patiëntrelatie de mannelijke dokter tot onderwerp heeft; immers, vrouwen waren lang buiten beeld. Als zich al een afbeelding van een vrouwelijke arts aandiende, was de toonzetting hiervan negatief (figuur 2). De emancipatie vorderde pas echt, toen vrouwen zelf humor, spot, satire en zelfrelativering als sociaal strijdmiddel gingen inzetten.
In de medisch-historische bibliotheek van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde zijn ongeveer vijftig publicaties opgenomen die min of meer geestigheid tot onderwerp hebben, of althans dat pretenderen. Geheel volgens mijn eigen smaak en oordeel zijn sommige inderdaad nu nog erg grappig (figuur 3), al doen de meeste prentenboeken gedateerd, ja zelfs flauw en kinderachtig aan. Bekijken wij het brede veld van de kunsthistorische iconografie en verbeelding, dan bevat de bibliotheek meer dan 150 plaatwerken. Betrekken wij ook de bellettrie en de studies daarbij, dan biedt de bibliotheek een fantastische basis voor verder onderzoek over vrijwel alle facetten van beeldvorming rond artsen.
Ongeveer gelijktijdig met de komst van de eerste vrouwen die aan een universiteit wilden en mochten studeren, verschijnt daar ineens een nieuw woord: blauwkous, als ‘spotnaam voor een gestudeerde vrouw, of een die daarvoor door wil gaan en een zekere minachting voor huishoudelijke zaken toont’ (figuur 4).4 Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal geeft op dat het een vertaling van het Engelse ‘bluestocking’ zou zijn. De encyclopedie Encarta/Winkler Prins vermeldt: ‘De term is afkomstig uit Engeland, waar ca. 1750 door drie dames een club was opgericht waarvan de leden over literatuur praatten. Een mannelijk lid, Benjamin Stillingsleet, droeg op hun bijeenkomsten nooit zwartzijden, maar blauwe wollen kousen.’5 In dit 18e-eeuwse ‘dames-leesmuseum’ was de eerste blauwkous dus een man. De kleur blauw kan een negatieve betekenis hebben.
de laatste bastions
In het Tijdschrift en elders is al vele malen beschreven hoe moeizaam de toegang voor vrouwen tot de chirurgie is geweest.1 6 De gynaecoloog Hector Treub behoorde bij de eerste opleiders die vrouwelijke assistenten niet alleen toeliet, maar dit ook vanzelfsprekend vond.
Dat het toetreden van vrouwen tot het snijdend specialisme, ondanks allerlei verboden moeilijk was, maar niet onmogelijk, blijkt uit leven en werken van de Japanse O-Ine (1827-1903) en de Engelse James Barry (1795-1865). O-Ine was de dochter van de Nederlandse chirurgijn en botanist van Duitse afkomst Philipp von Siebold. Zij schijnt als vroedvrouw en chirurg in Japan bij leven al legendarisch te zijn geweest.7
Hoe anders, en misschien ook tragischer vanuit een modern standpunt, was het leven van de Engelse Inspector General James Barry, die meer dan 40 jaar als chirurg in het Britse leger werkte. Na diens overlijden werd ontdekt dat Barry van het vrouwelijk geslacht was en al die jaren als man door het leven was gegaan. De papieren hierover van het War Office bleven tot 1958 achter slot en grendel.8
Als bezwaar tegen vrouwen in de heelkunde werd dikwijls aangevoerd dat vrouwen niet tegen stress bestand zouden zijn, dat zij niet bereid zouden zijn om voltijds te werken of dat zij een afkeer zouden hebben van een typisch mannenbolwerk met eigen clanrituelen. Ook bij een niet-snijdend specialisme als interne geneeskunde was men bij de intrede van vrouwen niet steeds even welwillend.9
Nog moeilijker is de doorstroming van vrouwen in bijna alle specialismen naar hogere functies als hoogleraar en centrale opleider. Zo werken er in Nederland ongeveer 8 maal zo veel mannelijke hoogleraren Interne Geneeskunde als vrouwelijke.10
feminisering en gender
Hoe kijken vrouwelijke artsen naar zichzelf? In de tijd van Aletta Jacobs en haar opvolgsters stonden voornamelijk vragen van rechtspositionele aard centraal. Als een beroep voor één van beide seksen gesloten is, kunnen vragen over identiteit, seksualiteit en geslachtelijke rollen niet opkomen. Nu vrouwen ongeveer 40 van de artsenstand uitmaken, wordt het vraagstuk van feminisering en gender actueel. Het zijn niet noodzakelijkerwijs mannen die dit negatief en niet noodzakelijkerwijs vrouwen die dit positief waarderen. Vastgesteld kan worden dat de blikrichting vooral veranderd is door het onderzoek door en naar vrouwen in studie en in zelfrapportage. Het meeste sociologisch onderzoek heeft de seksespecifieke invulling en uitoefening van het medisch beroep als thema.11
Al in 1999 verschenen in het Tijdschrift bij de 65e verjaardag van de Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen (VNVA) 3 artikelen over vrouwelijke artsen.12-14 Het eerste gaat in op de feminisering van de geneeskunde, het tweede is een historisch overzichtsartikel over de geschiedenis van de VNVA en het derde gaat over vrouwen en deeltijdarbeid in het medisch beroep. De strekking in deze artikelen is dat vrouwelijke artsen voor een balans zorgen in een overwegend door mannen gedomineerde medische wereld: zij zorgen onder andere dat seksespecifieke problemen aan de kaak worden gesteld, bijvoorbeeld de onderbehandeling van coronaire hartziekte bij vrouwen. Tenslotte wordt een pleidooi gehouden voor een evenwichtige verdeling in opleiding en doorstroming tussen vrouwen én mannen middels de figuur van deeltijdarbeid. Er wordt niet alleen een diagnose gesteld, er ligt ook een therapie klaar: ‘De belangrijkste aanbevelingen voor de aanstelling en het functioneren van hoogleraren betroffen de structuur en de flexibiliteit van de opleiding, zorgvuldigheid bij benoemingen en mogelijkheden om in deeltijd te werken en om een gezinsleven te hebben.’15
besluit
‘Het is zeer waarschijnlijk dat ook het 100-jarig bestaan nog gevierd zal (moeten) worden’, zo stelde Vroom 10 jaar geleden bij de 65e verjaardag van de VNVA.14 Maar in plaats van een ‘battle of the sexes’ moet mijns inziens het debat gaan over de vraag wat iemand tot een goede arts maakt. Dat debat kan heel goed gevoerd worden met inachtneming van verschillen tussen mannen en vrouwen, zolang wij deze verschillen maar niet reduceren tot louter biologische seksuele identiteiten. Die verschillen zijn er volop, in de arts-patiëntcommunicatie, het diagnostisch proces en de therapie, zoals nog onlangs in dit tijdschrift werd bericht.16
Er is in principe niets ‘mannelijks’ aan wetenschap of ‘vrouwelijks’ aan zorg. Het is wenselijk dat mannen meer gaan zorgen, bijvoorbeeld in de gezinssituatie, waardoor vrouwen meer tijd krijgen om zich te ontplooien in een professionele loopbaan. Dit moet ook institutioneel geregeld en misschien wel afgedwongen worden op het niveau van kinderopvang en deeltijdarbeid, wil resultaat geboekt worden. Dat daarbij ook mannelijke studenten weer meer interesse in het medisch beroep ontwikkelen, en dat vrouwelijke artsen gemakkelijker doorstromen naar topfuncties, maar vooral dat dokters langer en met meer plezier hun vak blijven uitoefenen (zie figuur 3) is niet alleen mooi meegenomen, maar met het oog op de toenemende zorgvraag door de vergrijzing van de bevolking ook een bittere noodzaak.
De feminisering is ook niet voorbijgegaan aan de redactie van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, getuige de opdracht voor het beeld ‘De vrouw in de geneeskunde’ bij het begin van het het nieuwe millennium (figuur 5). Deze ‘vamp’ (vrouwelijke arts met de ‘P-factor’: passie, power, pit, panache, prestige, publiciteit, pret, persoonlijkheid, pragmatisme, puurheid en professoraat) staat fier in de centrale hal van het redactiekantoor te Amsterdam. Met het simpele gegeven dat de hoofdredactie van het Tijdschrift zelf nog volledig uit mannen bestaat, ja, daarmee begint een ander verhaal . . .
Dr.J.O.M.Zaat, huisarts en adjunct-hoofdredacteur bij het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, gaf commentaar op een eerdere versie van dit artikel.
Dit artikel is een bewerking van een voordracht gehouden op vrijdag 3 oktober 2008 in het Koninklijk Instituut voor de Tropen te Amsterdam, bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen.
De bibliotheek van de Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde is te bezoeken op afspraak.
Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Literatuur
Mulder W, Jong E de. Vrouwen in de heelkunde. Een cultuurhistorische beschouwing. Overveen: Belvédère; 2002.
Jacobs AH. Herinneringen. Amsterdam: Van Holkema & Warendorf; 1924.
Boon T den, Geeraerts D, Sijs N van der. Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal. 14e herz dr. Utrecht: Van Dale Lexicografie; 2005.
Encarta/Winkler Prins Naslagbibliotheek dvd. Houten: Spectrum; 2006.
Jong E de, Mulder M, Gulik TM van. Hector Treub en zijn vrouwelijke leerlingen, de eerste vrouwelijke operateurs in Nederland. Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145:2492-7.
Pompe van Meerdervoort JLC. Vijf jaren in Japan. Bijdragen tot de kennis van het Japansche keizerrijk en zijne bevolking. Leiden: Van den Heuvel & Van Santen; 1980.
Rae I. The strange story of dr. James Barry. Army-surgeon, Inspector-General of hospitals, discovered in death to be a woman. Londen: Longmans, Green; 1958.
Sluman M. Vrouwen in de interne geneeskunde. Utrecht: Nederlandsche Internisten Vereeniging; 2006.
Kruisheer K. De dokter dat ben ik! 65 jaar Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen. Zutphen: Walburg; 1998.
Moulin MFM du, Heymans RJHM, Noordenbos G. Genderfactoren in de keus voor opleiding tot medisch specialist. Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:129-33.
Meyboom-de Jong B. Feminisering van de geneeskunde. Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:1134-6.
Griffioen FMM. ‘Het is noodzakelijk dat de vrouwelijke artsen zich aaneensluiten’: Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen, 1933-1998. Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:1161-6.
Vroom ThM. Vrouwen en deeltijdarbeid in het medische beroep. Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:1167-71.
Kaandorp CJE. Vrouwelijke hoogleraren in de geneeskunde anno 2003: aanstelling, taakvervulling en gezinsleven. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:815-20.
Lagro-Janssen ALM. De geneeskunde is niet genderneutraal: invloed van de sekse van de dokter op de medische zorg. Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:1141-5.
(Geen onderwerp)
De cartoon (figuur 2) die Gijselhart als voorbeeld van negatieve toonzetting afdrukte in zijn beschouwing over de ontvangst van de vrouw als collega in de medische wereld, heeft mij een tijdje beziggehouden (2008:2191-5). Welke implicaties zijn bedoeld in het dialoogje tussen de vrouwelijke chirurg en de gewonde guardsman? Mijns inziens camoufleert Gijselharts vertaling de meest vileine. Zijn interpretatie suggereert dat de feministische chirurge kennelijk eens door de patiënt in de boevenwagen van een demonstratie verwijderd is, maar in het origineel spreekt hij haar aan met ‘mum’. Is ‘mum’ een variant van het Engelse ‘madam’, zoals de auteur denkt? Collins English dictionary geeft voor ‘mum’ twee betekenissen: kindertaal voor ‘moeder’ (‘mam’) en: obscure biersoort. Implicatie dus: een vrouw die zover van haar lotsbestemming afgedwaald is, is ook als moeder zo ontaard dat ze haar eigen kind niet meer herkent. De guardsman lijkt het verzoenende gebaar te maken. Bedoelt hij te zeggen dat hij ook wel snapt dat een echte feministe haar zoon wel moet ontkennen als deze bij de politie gaat werken? Maar nu is hij in ieder geval gepromoveerd naar de elite van het leger, en wellicht zal dat haar hart doen smelten. Dit alles te lezen met besef van de ‘British stiff upper lip’.
(Geen onderwerp)
Groningen, oktober 2008,
Greg en Astrid Elliott gaven als native speakers commentaar op deze brief.
(Geen onderwerp)
Amsterdam, oktober 2008,
Wolters’ Engels woordenboek (18e druk, 1974) geeft als vertaling van het Engelse ‘mum’ (fam.) moeder, moes(je), maatje. Drenth heeft gelijk dat ‘mum’ geen variant is op het Engelse ‘madam’ (‘mevrouw’). Zo letterlijk heb ik het ook niet gelezen. Ik heb ‘mum’ als ‘moeder(tje)’ overdrachtelijk geïnterpreteerd. De minzame reactie van de guardsman komt mij overtuigender over in de afhankelijkheidsrelatie van de mannelijke patiënt van de vrouwelijke chirurg, terwijl deze ooit omgekeerd was. Ik vind Drenths argument dat het hier om een echte moeder-zoonrelatie zou gaan vergezocht en begrijp de meerwaarde van de grap niet. Wellicht had een vertaling als ‘moesje’ de dubbelzinnigheid, zo die er al zou zijn, intact gelaten.