Redenen van afwijzing van artikelen voor publikatie bij het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde in 1990

Onderzoek
C.C. Kan
J.H.M. Lockefeer
A.J.P.M. Overbeke
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 1991;135:840-5
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Om auteurs adviezen te kunnen geven ter verkleining van de kans op afwijzing van hun artikelen werd een retrospectief onderzoek verricht naar de redenen van afwijzing door de hoofdredactie van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde van in 1990 ter publikatie aangeboden oorspronkelijke stukken (OS), capita selecta (CS), klinische lessen (KL) en casuïstische mededelingen (CM) en naar de invloed van lengte van het artikel, professionele status van de eerste auteur, relevantste vakgebied en herkomst van het artikel op de afwijzingskans.

Van 547 artikelen werd 38 (208) afgewezen; van de CM de meeste (49) en van de CS de minste (33). De adviesprocedure was bij de OS het uitgebreidst, bij de CM het beperktst. ‘Inhoudelijke tekortkomingen’ was de meest voorkomende reden van afwijzing in iedere rubriek, met name bij de OS (80). KL en CM werden relatief vaak afgewezen vanwege gebreken in de ‘klinische boodschap’. De gemiddelde lengte van afgewezen èn aanvaarde artikelen overschreed de limiet. Bij professionele status en vakgebied was er verschil in afwijzingskans (χ2, p < 0,05). Specialisten hadden de kleinste kans op afwijzing (31). Niet-specialisten hadden voordeel van supervisie van een specialist. Artikelen uit niet-academische instellingen werden vaker afgewezen dan artikelen uit academische centra, maar per rubriek was dit verschil niet significant.

Auteurs wordt geadviseerd hun artikelen te toetsen aan de beschreven criteria. Raadplegen van (methodologische) deskundigen, literatuurbestanden of de hoofdredactie kan de kans op aanvaarding vergroten. Niet-specialisten kunnen profiteren van supervisie. Wetenschappelijke instelling en bereidheid tot verwerken van redactionele adviezen vergroten de aanvaardingskans van een artikel.

Inleiding

Het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) biedt artsen al bijna 135 jaar de gelegenheid om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen op het gebied van de geneeskunde in algemene zin, vooral die in Nederland. Van de hoofdredactie wordt verlangd dat zij borg staat voor de kwaliteit van het tijdschrift door kritische beoordeling van de aangeboden artikelen. Hierbij wordt tevens een beroep gedaan op deskundige adviseurs, die in de meeste gevallen als redacteur zijn verbonden aan het tijdschrift of in het verleden redacteur zijn geweest. Deze adviesprocedure komt in grote lijnen overeen met het ‘peer review’ bij de meeste andere wetenschappelijke tijdschriften.12

Met het doel om auteurs, naast de uniforme (zgn. Vancouver-)regels voor het inzenden van kopij,3-5 aanvullende adviezen te geven waarmee de kans op aanvaarding van hun artikelen bij het NTvG wordt vergroot, hebben wij een retrospectief onderzoek verricht naar de redenen voor afwijzing van artikelen die van 1 januari 1990 tot 1 januari 1991 voor publikatie werden beoordeeld.

Materiaal en methode

Van alle artikelen waarover in 1990 een beslissing werd genomen inzake publikatie (afwijzing of aanvaarding), betrokken wij in dit onderzoek de oorspronkelijke stukken (OS), de capita selecta (CS), de klinische lessen (KL) en de casuïstische mededelingen (CM).

De gegevens verkregen wij uit de geautomatiseerde artikelenregistratie van het NTvG en uit de dossiers van de afgewezen artikelen, die van ieder artikel alle verschillende versies en het schriftelijke commentaar van de door de hoofdredactie geraadpleegde adviseur(s) bevatten, alsmede de brief van de hoofdredactie aan de auteur(s) waarin de redenen van de afwijzing werden vermeld.

Van de afgewezen artikelen werden vastgelegd:

1. de rubriek en de datum van afwijzing;

2. het aantal versies, het aantal adviseurs en het aantal malen dat er advies werd gevraagd;

3. de reden(en) van afwijzing;

4. de geschatte lengte in kolommen (1 kolom is ca. 400 woorden), omdat deze mede bij de besluitvorming werd betrokken. Per rubriek hanteerde de hoofdredactie in principe een limiet, bij overschrijding waarvan een artikel als te lang werd beschouwd: 6 kolommen voor een OS, 6 voor een CS, 5 voor een KL en 4 voor een CM. Deze grenzen werden reeds eerder aangegeven;6

5. de professionele status van de eerste auteur;

6. het relevantste vakgebied, dat verder als ‘vakgebied’ aangeduid zal worden. Zo werden bijvoorbeeld traumatologie, orthopedie, urologie, vaatchirurgie en plastische, gastro-enterologische en cardiopulmonale chirurgie alle onder de noemer ‘chirurgie’ gerangschikt;

7. de ‘herkomst’ van het artikel, die ‘academisch’ werd genoemd als de eerste auteur verbonden was aan een academisch ziekenhuis, universitaire vakgroep of huisartseninstituut en ‘niet-academisch’ wanneer dit niet het geval was.

Van de aanvaarde artikelen werden naast de rubriek en de datum van aanvaarding de hiervoor genoemde punten 4 tot en met 7 genoteerd; door bestudering van de wijze waarop afgewezen en aanvaarde artikelen verdeeld waren op basis van deze punten, stelden wij vast of deze punten gepaard gingen met verschillen in de kans op afwijzing. Ten aanzien van de professionele status van de eerste auteur onderzochten wij tevens of de kans op afwijzing van artikelen uit de groep specialisten verschilde van de kans op afwijzing van artikelen uit de groep niet-specialisten, bestaande uit assistent-geneeskundigen, basisartsen, co-assistenten en medisch studenten; verder werd nagegaan of deze kans in de laatste groep verschilde afhankelijk van de kwestie of er al dan niet gebruik was gemaakt van de supervisie van een specialist (specialist als medeauteur) bij het schrijven van het artikel.

Op basis van de t-verdeling werden de 95-betrouwbaarheidsintervallen (95-BI) bepaald voor gemiddelden en percentages, alsmede voor de verschillen tussen 2 gemiddelden of 2 percentages.7 Enkele verdelingen werden vergeleken met behulp van de ?2-toets.

Resultaten

In 1990 nam de hoofdredactie van het NTvG een besluit over 547 artikelen in de rubrieken oorspronkelijke stukken, capita selecta, klinische lessen en casuïstische mededelingen. Tabel 1 toont het aantal afgewezen en aanvaarde artikelen per rubriek. In totaal werd 38 van de artikelen (208547) afgewezen. Tussen de afwijzingspercentages van de 4 onderzochte rubrieken (OS, CS, KL en CM) werd geen statistisch significant verschil gevonden.

Adviesprocedure

Beoordeling van artikelen door hoofdredactie en adviseurs leidde meestal niet direct tot afwijzing of aanvaarding. Aan auteurs kon worden gevraagd het artikel te herschrijven of te wijzigen en de nieuwe versie opnieuw ter beoordeling aan te bieden. Ook gewijzigde versies van eerder afgewezen artikelen werden soms wederom door adviseurs beoordeeld. Bij 85 van de in 1990 afgewezen artikelen betrof de afwijzing de eerste versie (176208); het aantal versies varieerde van 1 tot 4. Bij de beoordeling van OS werden gemiddeld 1,7 adviseurs betrokken, bij die van CM 0,8.

In totaal werd 8 (44547) van de beoordeelde artikelen zonder advies van deskundigen buiten de hoofdredactie afgewezen; van alle afgewezen artikelen was dat 21 (44208), van de afgewezen CM was dit 43 (2353).

Redenen van afwijzing

Tabel 2 geeft een overzicht van de redenen van afwijzing. Gemiddeld waren er bijna 2 redenen per artikel (OS: 1,8; CS: 1,9; KL: 2,0 en CM: 1,9). Hoewel per artikel vaak meer dan één reden werd aangevoerd, werden de redenen als onafhankelijk van elkaar beschouwd, omdat iedere reden op zichzelf voldoende aanleiding vormde tot afwijzing; uitzonderingen waren de redenen vermeld onder ‘diversen’ (zie tabel 2), die wel bij afwijzing vermeld werden, maar nooit de enige reden waren voor afwijzing.

In de meeste gevallen, namelijk bij 137 van 208 afgewezen artikelen (66), was er sprake van inhoudelijke tekortkomingen in de wetenschappelijke presentatie. Bij de OS betroffen deze meestal methodologische aspecten: de formulering van de vraagstelling, de definiëring van begrippen, de samenstelling van de onderzoeksgroep, de verzameling van de gegevens, de statistische analyse en de validiteit van de conclusies op grond van de gepresenteerde resultaten. Bij de CS betroffen ze vooral aspecten als overzichtelijkheid, volledigheid (ook verwerking van de recentste inzichten), een evenwichtige opbouw en een juiste interpretatie van de literatuur. Bij KL en CM betroffen de inhoudelijke tekortkomingen omissies ten aanzien van klinische gegevens – te verkrijgen door middel van anamnese, lichamelijk onderzoek, laboratorium- en ander aanvullend onderzoek- die bij de geldende stand van de medische wetenschap van essentieel belang werden geacht, en het feit dat essentiële gegevens werden gemaskeerd door een overvloed van overtollige gegevens.

Lengte

De gemiddelde lengte van de aangeboden artikelen in elke rubriek overschreed de gestelde limiet, behalve die in de rubriek KL. Wat dit betreft waren de verschillen tussen de afgewezen en de aanvaarde artikelen geen van alle significant (tabel 3 en figuur 1).

Professionele status van de eerste auteur

In tabel 4 is het aantal afgewezen en aanvaarde artikelen afgezet tegen de professionele status van de eerste auteur. De kans op afwijzing bleek samen te hangen met de professionele status (?2 = 22,66; df = 7; P

Het verschil tussen de afwijzingskansen van de artikelen van de groep eerste auteurs bestaande uit assistent-geneeskundigen, basisartsen, co-assistenten en medisch studenten – die allen gebruik konden maken van de supervisie van ten minste één specialist – en de afwijzingskansen van de artikelen van de groep specialisten was significant (95-BI: 14-33). Van de eerstgenoemde groep maakte 90 (161178), blijkens het medeauteurschap van een specialist, gebruik van diens supervisie, hetgeen in 45 van de gevallen (72161 ) gepaard ging met afwijzing. De groep zonder supervisie week daar met 88 afwijzing (1517) significant van af (95-BI: 26-61).

Vakgebied

In tabel 5 wordt aangegeven hoeveel artikelen er per vakgebied werden afgewezen en aanvaard. De afwijzingskansen verschilden significant per vakgebied (?2 = 24,59; df = 12; p

Herkomst

Figuur 2 geeft de aantallen weer van de afgewezen en aanvaarde artikelen van academische en niet-academische herkomst. In alle rubrieken bleken artikelen van niet-academische herkomst vaker te worden afgewezen. Wanneer het totaal werd bekeken bleek het verschil in afwijzingskans tussen academische en niet-academische artikelen, 33 versus 45, statistisch significant (95-BI: 4-21), maar per rubriek was dat niet het geval.

Wat de rubrieken betreft bleek er ook een verschil in herkomst: het academisch aandeel was bij de CS het grootst, 73 (87119), en bij de CM het kleinst, 39 (42109). Het academisch aandeel bij de KL en de OS lag tussen deze uitersten met 61 (4167) en 59 (139 235).

Beschouwing

In 1990 werden in de rubrieken OS, CS, KL en CM 547 artikelen beoordeeld door het NTvG, waarvan 38 (208 artikelen) werd afgewezen (zie tabel 1). Het NTvG beschikt voor deze rubrieken over een ‘plaatsruimte’ die ieder jaar vrijwel gelijk is. Engelstalige algemene medische tijdschriften, zoals British Medical Journal en New England Journal of Medicine, hebben bij een vergelijkbare plaatsruimte te maken met een 6 tot 8 maal groter aanbod van artikelen en zijn dan ook genoodzaakt om op andere dan wetenschappelijke gronden artikelen, zonder peer review, af te wijzen. Bij het NTvG is het echter nog wel mogelijk om ieder artikel te beoordelen op wetenschappelijke kwaliteit, waarbij vooral de wetenschappelijke presentatie van de inhoud van belang is. De hoofdredactie hanteert daarbij de afwijzingsgronden die werden aangegeven in tabel 2. De invloed van het aanbod is bij het NTvG dus beperkt, maar de artikelen voor de rubrieken KL en CM ontkomen er wat betreft de kans om te worden aanvaard niet geheel aan. Bij het publiceren op het gebied van de casuïstiek speelt de wetenschappelijke presentatie, in het bijzonder de methodologie, namelijk nauwelijks een rol; op basis van subjectievere criteria die betrekking hebben op de didactische waarde en het praktische belang van de klinische boodschap worden uit de KL en CM de beste gekozen. Deze drempel kan enigermate verschuiven afhankelijk van het aanbod. Een OS daarentegen met een methodologisch verantwoorde opzet, handelend over een algemeen medisch onderwerp, wordt vrijwel zeker aanvaard; een met kennis geschreven, overzichtelijk CS dat up to date is, ondervindt waardering als naslagartikel.

Afhankelijk van de aard van de rubriek worden ook verschillende eisen gesteld aan de adviesprocedure; deze bleek in ons onderzoek bij OS het uitgebreidst. De gecompliceerdere opzet van OS en het grotere wetenschappelijke gewicht dat eraan wordt toegekend, vereisen diepgaande bestudering door meer adviseurs.

De lengte van een aangeboden artikel lijkt op zichzelf geen rol van betekenis te spelen bij het besluit tot afwijzing of aanvaarding. Dat wil echter niet zeggen dat een (te) lang artikel ook in die vorm wordt gepubliceerd; dikwijls wordt zo'n artikel tijdens de redactionele beoordelings- en bewerkingsfase meerdere kolommen korter gemaakt. Het langste artikel dat aangeboden werd, was een OS van 28,4 kolommen (zie tabel 3); na bekorting resteerden er bij publikatie 11,6 kolommen. Streven naar bondigheid blijft aan te raden.

Er lijkt een verband aanwezig tussen de afwijzingskans en de professionele status van de eerste auteur ten gunste van artikelen van specialisten en ten nadele van die van niet-specialisten. Supervisie van een specialist, waarvan 90 van de niet-specialisten gebruik maakte, vergrootte duidelijk de kans op aanvaarding. Het verschil in afwijzingskans tussen artikelen van assistent-geneeskundigen en die van specialisten werd vooral gezien in de rubrieken CM en KL. Assistent-geneeskundigen boden ruim tweemaal zoveel CM aan als specialisten, maar deze werden veel vaker afgewezen (zie tabel 4). De invloed van professionele status lijkt het gevolg van de grotere ervaring en deskundigheid van specialisten (ten dele opgedaan tijdens hun eigen opleidingsperiode) in klinisch en in wetenschappelijk opzicht. Specialisten schreven dan ook bij uitstek CS. Assistent-geneeskundigen zijn eerder geneigd om een ziektegeschiedenis uit de praktijk te beschrijven, waarbij de opleidingseis tot publikatie van ten minste één artikel in een wetenschappelijk erkend tijdschrift ongetwijfeld een rol speelt; specialisten kiezen, mogelijk door beter inschatten van het klinische belang, nauwkeuriger hun onderwerp en zij zijn, zeker als zij betrokken zijn bij klinisch onderwijs, beter in staat in een KL of CM het didactische element te benadrukken.

Het gevonden verband tussen vakgebied en verschil in afwijzingskans heeft een aantal oorzaken. Het kleine aanbod van artikelen op het gebied van KNO en oogheelkunde, gevoegd bij een duidelijke behoefte om de algemene lezerskring van het NTvG op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in deze vakgebieden, maakte de kans op afwijzing in deze groep gering. Bij epidemiologie (inclusief statistiek) en farmacotherapie (inclusief toxicologie) is waarschijnlijk een grotere ervaring van de auteurs in het verrichten van gestructureerd en methodologisch verantwoord onderzoek oorzaak van de kleine kans op afwijzing. In het vakgebied epidemiologie (inclusief statistiek) schreef men verhoudingsgewijs vaker een OS dan in enig ander vakgebied. Tevens had in 1990 een groot aantal gepubliceerde artikelen over AIDS – een actueel onderwerp – een epidemiologisch karakter. Bij farmacotherapie (inclusief toxicologie) geldt dat geneesmiddelenonderzoek een tastbaar klinisch en maatschappelijk belang dient.

De vakgebieden waarin 50 van de artikelen of meer werd afgewezen (zie tabel 5), behoorden alle tot de grote klinische vakken. Op dat terrein zijn de grootste aantallen assistent-geneeskundigen werkzaam, wier artikelen vaker bleken te worden afgewezen dan die van specialisten. Inwendige geneeskunde vormde met een afwijzingskans van 33 een uitzondering; mogelijk is de kans groter dat artikelen die chirurgie, met alle subspecialismen, en kindergeneeskunde, met genetica, betreffen, te specialistisch worden voor een algemeen tijdschrift. Vanuit de huisartsengeneeskunde werden relatief veel OS aangeboden; vooral methodologische aspecten en mogelijk ook minder bedrevenheid van de auteurs in het schrijven van wetenschappelijke artikelen zullen bij de grote kans op afwijzing van deze OS een rol gespeeld hebben.

Artikelen uit academische centra hadden een grotere kans op plaatsing dan artikelen afkomstig uit de niet-academische instellingen; enerzijds schreef men in niet-academische instellingen relatief vaak CM, de rubriek met de grootste afwijzingskans, anderzijds zijn de mogelijkheden en aandacht op wetenschappelijk gebied, alsmede de integratie van wetenschappelijk onderzoek in het onderwijs, in academische ziekenhuizen en medische faculteiten groter. Het verschil met de niet-academische instellingen was in de afzonderlijke rubrieken echter slechts als trend aanwezig. Als een artikel afkomstig was uit een niet-academische instelling, vormde dit dus geen ernstige handicap.

Concluderend adviseren wij auteurs om, alvorens hun artikelen aan te bieden, voldoende aandacht te besteden aan de criteria genoemd in tabel 2, die zou kunnen fungeren als checklist. Inhoudelijke tekortkomingen op wetenschappelijk gebied, die de voornaamste reden van afwijzing vormen, kunnen voorkomen worden door het artikel aan een aantal onafhankelijke deskundigen voor te leggen, een eigen vorm van peer review. Bij OS is het vaak verstandig om al in de beginfase van het onderzoek een methodologisch deskundige te raadplegen.

Keuze voor het NTvG impliceert dat gekozen wordt voor een algemene medische doelgroep; te specialistische artikelen komen beter tot hun recht bij een tijdschrift dat meer op het specifieke vakgebied gericht is. Bij twijfel aan de nieuwswaarde van het onderwerp kan onderzoek van de literatuur nuttig zijn; door raadpleging van de jaarregisters van het NTvG of door overleg met de hoofdredactie kunnen auteurs voorkomen dat hun artikel als doublure wordt afgewezen. Niet-specialisten kunnen hun kansen vergroten door zich actief te laten begeleiden door een specialist; zeker als het bij assistentgeneeskundigen in opleiding gaat om het vervullen van hun verplichting te publiceren, ligt hier voor de opleider een taak. Openstaan voor kritiek, goede oriëntering, wetenschappelijke instelling – dit geldt niet alleen voor auteurs, maar ook voor de instituten waar deze werkzaam zijn – en bereidheid tot juiste verwerking van de adviezen van de adviseurs in een nieuwe versie lijken over het algemeen een gunstig resultaat op te leveren.

Wij danken dr.H.C.Walvoort, wetenschappelijk eindredacteur, voor zijn waardevolle adviezen.

Literatuur

  1. Boer EJ. Peer review.Ned Tijdschr Geneeskd 1989; 133:2455-9.

  2. Morgan PP. Peer review in medical journals (editorial). BrMed J 1986; 292: 646.

  3. International Committee of Medical Journal Editors.Uniform requirements for manuscripts submitted to biomedical journals(‘The Vancouver group’). Br Med J 1988; 296: 401-5.

  4. Anonymus. De herziene uniforme voorschriften voorinzenders van manuscripten (Redactionele kanttekening).Ned Tijdschr Geneeskd 1988; 132:2001-2.

  5. Anonymus. Guidelines for writing papers. Br Med J 1990;300: 38-40.

  6. Dunning AJ. Kort is prachtig.Ned Tijdschr Geneeskd 1983; 127:1822-4.

  7. Gardner MJ, Altman DG. Statistics with confidence –Confidence intervals and statistical guidelines. London: British MedicalJournal, 1989.

Auteursinformatie

Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Jan Luykenstraat 5, 1071 CJ Amsterdam.

C.C.Kan, arts-stagiair; dr.J.H.M.Lockefeer en dr.A.J.P.M.Overbeke, hoofdredacteuren-secretarissen.

Contact C.C.Kan

Reacties