Oorspronkelijke stukken in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde in de tweede helft van de 20e eeuw: aard van de beschreven onderzoeken en aantal en achtergrond van de auteurs

Onderzoek
J.J. van Ieperen
A.J.P.M. Overbeke
W. Hart
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145:30-3
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen van de kwantitatieve verschuiving in methode en het aantal auteurs van oorspronkelijke stukken (OS) in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) gedurende 6 jaargangen, verspreid over de tweede helft van de 20e eeuw.

Opzet

Retrospectief bibliometrisch.

Methode

Van alle OS die waren gepubliceerd in de jaargangen 1949, 1959, 1969, 1979, 1989 en 1999 werden gegevens verzameld met betrekking tot het beschrijven van onderzoek, de gehanteerde onderzoeksmethode, het aantal auteurs, het feit of een (medisch) student, co-assistent of semi-arts als co-auteur bij het totstandkomen van het manuscript was betrokken, het aantal disciplines dat de auteurs vertegenwoordigden en de instellingen waaruit zij afkomstig waren.

Resultaten

In de genoemde jaargangen waren 888 OS gepubliceerd. Het percentage OS waarin de onderzoeksmethode was beschreven nam toe van 47 in 1949 tot 98 in 1999. Van deze OS betrof het in 52 van de gevallen retrospectief onderzoek. Het percentage prospectieve onderzoeken nam in de loop der jaren toe, maar oversteeg nooit de 25. Het mediane aantal auteurs per artikel steeg van 1 (uitersten: 1-5) in 1949 tot 5 (1-16) in 1999. Het mediane aantal disciplines dat door de auteurs was vertegenwoordigd nam toe van 1 (1-2) in 1949 tot 3 (1-6) in 1999. Het percentage (medisch) studenten/co-assistenten/semi-artsen varieerde van 1 in 1949 tot 13 in 1999. In 1969-1999 was de meerderheid van de OS afkomstig van auteurs uit een universiteit of academisch ziekenhuis. Het percentage OS van auteurs uit zowel een academisch als een algemeen ziekenhuis steeg van 0 in 1949 tot 15 in 1999. Gerandomiseerd klinisch en prospectief beschrijvend onderzoek was voornamelijk afkomstig van auteurs uit een universiteit of academisch ziekenhuis. Het aandeel retrospectief onderzoek was bij OS van auteurs uit algemene ziekenhuizen met 58 het grootst.

Conclusie

In de tweede helft van de 20e eeuw steeg het aantal auteurs van OS gepubliceerd in het NTvG. De laatste jaren waren deze auteurs voornamelijk afkomstig uit een universiteit of een academisch ziekenhuis, hoewel er ook een stijging was in de samenwerking met auteurs uit algemene ziekenhuizen. Het merendeel van de OS betrof retrospectief onderzoek, het aandeel hiervan was bij auteurs uit een niet-academisch ziekenhuis het grootst. Het aandeel OS waarin een prospectief onderzoek was beschreven nam toe.

Inleiding

De verschillende rubrieken in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) bieden de lezers een groot aantal mogelijkheden om hun vakkennis bij te houden. De klinische lessen (KL) en casuïstische mededelingen (CM), bijvoorbeeld, hebben vooral een didactische boodschap, terwijl de oorspronkelijke stukken (OS) de lezer de mogelijkheid geven zich op de hoogte te stellen van het Nederlands (medisch-)wetenschappelijk onderzoek. Eerder werd in een kwalitatieve beschouwing beschreven dat de inhoud van de OS in de loop der jaren is verschoven van het beschrijven van ziektegeschiedenissen naar het rapporteren over methodologisch verantwoord kwantitatief onderzoek.1

Een ‘peer-reviewed’ tijdschrift als het NTvG biedt auteurs naast het vergaren van kennis ook de mogelijkheid eigen onderzoek of ervaringen in de vorm van een OS, KL, CM of anderszins te publiceren, waarbij de laatste decennia wordt beoogd wetenschappelijk onderzoek onder te brengen in de rubriek OS.

De druk om te publiceren is groot, het succes van de wetenschappelijke carrière wordt vaak afgemeten aan het aantal gepubliceerde artikelen,2 en vandaar ook de wenselijkheid om als auteur bij een artikel vermeld te worden. Aangezien dit tot wetenschappelijk wangedrag zou kunnen leiden, heeft het International Committee of Medical Journal Editors (de zogenaamde Vancouver-groep) reeds in 1979 richtlijnen voor het schrijven van medisch-wetenschappelijke artikelen en auteurschap opgesteld, waarvan in 1997 de vijfde editie is uitgegeven.3 Deze Vancouver-regels zijn ook door de redactie van dit tijdschrift overgenomen. Sinds enkele tientallen jaren is in dit tijdschrift een stijging van het aantal auteurs per artikel waar te nemen (J.H.H.Hoogeveen, schriftelijke mededeling, 1998). De redactie van dit tijdschrift heeft halverwege de jaren tachtig een maximum van 6 auteurs per artikel vastgesteld.4

Om de kwantitatieve verschuiving in methoden en het aantal auteurs van OS waarin onderzoek beschreven werd vast te stellen, onderzochten wij 6 jaargangen van het NTvG, verspreid over de tweede helft van de 20e eeuw. Daarnaast werd gekeken naar het aantal disciplines dat door de auteurs werd vertegenwoordigd, evenals de instelling waaruit de auteurs afkomstig waren.

methode

Van alle OS die waren gepubliceerd in de jaargangen 1949, 1959, 1969, 1979, 1989 en 1999 van het NTvG werden gegevens verzameld met behulp van de NTvG-databank en de gebonden jaaruitgaven. Nagegaan werd of een vorm van onderzoek in het OS werd beschreven, welke methode werd gehanteerd, hoeveel auteurs stonden vermeld, of een (medisch) student/co-assistent/ semi-arts als co-auteur bij het totstandkomen van het manuscript betrokken was, hoeveel verschillende disciplines de auteurs vertegenwoordigden en uit welke instellingen zij afkomstig waren.

De onderzoeken werden verdeeld naar onderzoeksopzet: gerandomiseerd klinisch (‘randomized clinical trial’ (RCT)); prospectief; retrospectief; dwarsdoorsnedeonderzoek; patiënt-controleonderzoek; descriptief onderzoek, kosten-batenanalyse (KBA) of kosteneffectiviteitsanalyse (KEA); dierexperimenteel onderzoek; onderzoek naar medische apparatuur of meetinstrumenten. Hierbij werd, indien mogelijk, gebruikgemaakt van de (gestructureerde) samenvattingen die bij het artikel werden gepubliceerd.5 Tevens werd een verdeling gemaakt in instellingen waaruit de auteurs afkomstig waren (universiteit of academisch ziekenhuis; algemeen ziekenhuis; combinatie academisch en algemeen ziekenhuis; overige instellingen).

Bij de analyse werd gebruikgemaakt van het Statistical Package for Social Sciences (SPSS, Chicago, versie 9.0.0).

resultaten

In totaal waren in de genoemde jaargangen 888 OS verschenen, waarvan 581 die de onderzoeksmethode beschreven (tabel 1). Het percentage OS waarin de methode was beschreven nam in de loop der jaren toe van 47 in 1949 tot 98 in 1999. De 307 OS waarin geen methode was beschreven, betroffen voornamelijk OS die tegenwoordig in de rubriek Casuïstische mededelingen zouden zijn gepubliceerd. Deze werden van verdere analyse uitgesloten.

In alle jaargangen betroffen 301 van de 581 OS retrospectief onderzoek (52; zie tabel 1). In de loop der jaren nam het percentage prospectief onderzoek toe, maar oversteeg nooit de 25. De percentages dwarsdoorsnedeonderzoek, patiënt-controleonderzoek en KBA/ KEA namen eveneens toe. De percentages dierexperimenteel onderzoek en onderzoek naar medische apparatuur of meetinstrumenten namen af.

In de loop der jaren nam het mediane aantal auteurs per artikel toe van 1 (uitersten: 1-5) in 1949 tot 5 (1-16) in 1999. Een artikel met 16 auteurs verscheen in 1999 en betrof een dubbelpublicatie, waardoor bij hoge uitzondering dit aantal auteursnamen was afgedrukt bij publicatie in het NTvG. In de jaren 1949-1979 was de meerderheid van de OS geschreven door 1 of 2 auteurs, in 1989 steeg dit aantal tot 3-4 en in 1999 tot 5 of meer (tabel 2).

Het mediane aantal disciplines dat door de auteurs was vertegenwoordigd toonde eveneens een stijging van 1 (1-2) in 1949 tot 3 (1-6) in 1999. In alle onderzochte jaargangen, met uitzondering van 1959, stond bij tenminste 1 OS een (medisch) student, co-assistent of semi-arts als co-auteur vermeld. In de onderzochte jaargangen betrof dit percentage respectievelijk 1, 0, 4, 3, 16 en 13.

Het percentage OS waarbij de auteurs afkomstig waren uit een academisch en een algemeen ziekenhuis nam toe van 0 in 1949 tot 15 in 1999. In de jaren 1949-1959 waren de auteurs bij een meerderheid van de OS afkomstig uit een algemeen ziekenhuis, in de jaren 1969-1999 uit een academisch ziekenhuis of universiteit (tabel 3). Het percentage publicaties met auteurs uit overige instellingen varieerde van 13 (in 1959) tot 31 (in 1999).

RCT's, prospectief beschrijvende onderzoeken, dierexperimenteel onderzoek en onderzoek naar medische apparatuur of meetinstrumenten waren voornamelijk beschreven door auteurs afkomstig uit een universiteit of een academisch ziekenhuis. Dwarsdoorsnedeonderzoek en KBA/KEA kwamen vooral van auteurs uit overige instellingen, zoals een Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD) of onderzoeksinstituten. Van alle publicaties waarbij de auteurs afkomstig waren uit een niet-academisch ziekenhuis, betrof het in 58 (87/149) van de gevallen een retrospectief onderzoek. Bij publicaties met auteurs afkomstig uit een universiteit of academisch ziekenhuis was dit percentage 52 (140/268), in combinatie met een algemeen ziekenhuis 41 (24/58) en uit overige instellingen 47 (50/106).

beschouwing

Zoals eerder door Maas en Overbeke in dit tijdschrift werd beschreven,1 blijkt ook uit de resultaten van dit onderzoek dat de inhoud van OS in het NTvG is verschoven van onder meer het beschrijven van ziektegeschiedenissen naar methodologisch resultaatgericht onderzoek. Hierbij was het retrospectieve onderzoek in de onderzochte jaargangen de meest gebruikte onderzoeksvorm. In de laatste jaren was het aandeel van de prospectieve onderzoeken toegenomen, evenals dat van de KBA/KEA. Het eerste OS over een kostenbewuste benadering was door Lie en Durrer in 1976 gepubliceerd.6

Het aantal RCT's bleef nagenoeg constant over de onderzochte jaargangen. Van der Wijden en Overbeke toonden aan dat 69 artikelen over een periode van 45 jaar volledig aan de RCT-criteria voldeden (gemiddeld 1,5 per jaar).7 In het hier beschreven onderzoek vonden wij in de onderzochte 6 jaargangen 14 artikelen die aan deze criteria voldeden (gemiddeld 2,3 per jaar). Aangezien het onderzoek van Van der Wijden en Overbeke 45 jaren betreft en het onze slechts 6, lijkt dit verschil met name te berusten op toeval.

De afname van het aantal dierexperimentele onderzoeken en onderzoeken naar medische apparatuur of meetinstrumenten past bij de doelstelling van de hoofdredactie van dit tijdschrift om voornamelijk patiëntgebonden onderzoek te publiceren.

Het feit dat het percentage artikelen waarin geen onderzoeksmethode was beschreven in de loop der jaren afnam, wijst op een andere toekenning van rubriek bij publicatie. Dit brengt eveneens met zich mee dat de artikelen waarin wel de methode was beschreven, maar die niet in de rubriek OS waren gepubliceerd, bij dit onderzoek niet werden meegenomen; hierdoor ontstaat onderrapportage van het totale onderzoek zoals dat in het NTvG was gepubliceerd. Wij hebben met dit onderzoek echter niet beoogd al het onderzoek te analyseren, maar enkel het onderzoek zoals dat in de rubriek OS was gepubliceerd.

De toename in het aantal auteurs is ook door andere tijdschriftredacties waargenomen8 en heeft de redactie van dit tijdschrift ertoe doen besluiten een maximum van 6 auteurs per artikel in te stellen. Dit arbitrair gekozen maximum is afgeleid van een aantal elektronische databestanden, dat eenzelfde aantal auteurs per artikel aanhield.4 Daarnaast is het aantal disciplines dat door de auteurs was vertegenwoordigd toegenomen. Deze groei in aantal auteurs en disciplines valt onder meer te verklaren uit een grotere ambitie tot publiceren en de multidisciplinair en technisch hoogstaande complexiteit van hedendaags patiëntgebonden wetenschappelijk onderzoek, waardoor dit verricht wordt door meer medewerkers dan voorheen het geval was.2

Tevens waren de laatste jaren meer (medisch) studenten/co-assistenten (en voorheen semi-artsen) als co-auteur vermeld. Dit zou onder andere verklaard kunnen worden, doordat tijdens de opleiding aan medisch studenten op het belang van medisch-wetenschappelijk onderzoek wordt gewezen en eveneens door de ambitie tot publiceren, die ook onder deze aanstaande collega's groot is.

Vanaf 1969 was de meerderheid van de OS afkomstig van auteurs uit een universiteit of academisch ziekenhuis. Naast een groter aanbod uit academische instellingen, wellicht ontstaan doordat deze meer mogelijkheden ter beschikking hadden tot het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, zou dit verklaard kunnen worden door een hoger afwijzingspercentage van artikelen uit niet-academische instellingen. In een eerder onderzoek bleken artikelen van niet-academische instellingen vaker te worden afgewezen, hoewel dit voor de OS statistisch niet significant was.9 In de jaren 1949 en 1959 was de meerderheid van de OS afkomstig van auteurs uit een algemeen ziekenhuis. Dit zou verklaard kunnen worden, doordat in die jaren meer OS op persoonlijke titel waren gepubliceerd, waardoor de instellingen waaruit de auteur afkomstig was bij publicatie niet waren afgedrukt en wij die ten behoeve van dit onderzoek als ‘algemeen’ bestempelden. De stijging in het percentage artikelen van auteurs afkomstig uit de combinatie van een academisch en algemeen ziekenhuis wijst op een toenemende samenwerking tussen deze instellingen bij onderzoek en publicatie.

RCT's en prospectief beschrijvende onderzoeken waren voornamelijk van auteurs uit universiteiten of academische ziekenhuizen. Ditzelfde gold voor dierexperimenteel onderzoek en onderzoek naar medische apparatuur of meetinstrumenten. Dwarsdoorsnedeonderzoek en KBA/KEA waren voornamelijk afkomstig van auteurs uit overige instellingen. Dit lijkt een logisch gevolg te zijn van de aard en functie van dergelijke instellingen: een GG&GD bijvoorbeeld leent zich bij uitstek voor dwarsdoorsnedeonderzoek. Hoewel de onderzoeksopzet van alle OS veelal retrospectief van aard was, was het aandeel hiervan bij OS van auteurs afkomstig uit algemene ziekenhuizen met 58 het grootst.

Concluderend kunnen wij vaststellen dat in de tweede helft van de 20e eeuw het aantal auteurs van OS en het aantal disciplines dat zij vertegenwoordigden, zijn toegenomen. Hoewel het aandeel van OS met daarin de beschrijving van een prospectief onderzoek toenam, betrof het merendeel van de OS de verslaglegging van retrospectief onderzoek.

Literatuur
  1. Maas KL, Overbeke AJPM. Oorspronkelijke artikelen in hetNederlands Tijdschrift voor Geneeskunde in de afgelopen 40 jaar.Ned Tijdschr Geneeskd1997;141:53-5.

  2. Overbeke AJPM. Wie wil blijven, moet schrijven.Medisch-wetenschappelijk publiceren: uitdaging of verplichtingoratie? Amsterdam: Vereniging Nederlands Tijdschrift voorGeneeskunde; 2000.

  3. International committee of medical journal editors.Uniform requirements for manuscripts submitted to biomedical journals. AnnIntern Med 1997;126:36-47.

  4. De voorschriften voor inzenders van kopij herzien;informatie voor auteurs, adviseurs en lezers redactionelekanttekening. Ned TijdschrGeneeskd 1994;138:657-8.

  5. Gestructureerde samenvattingen redactionelekanttekening. Ned TijdschrGeneeskd 1990;134:2337-8.

  6. Lie KI, Durrer D. Moderne hartbewaking, een kostenbewustebenadering. Ned Tijdschr Geneeskd1976;120:608-10.

  7. Wijden CL van der, Overbeke AJPM. Gerandomiseerdeklinische trials in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.Ned Tijdschr Geneeskd1993;137:1607-10.

  8. Drenth JP. Multiple authorship: the contribution of seniorauthors. JAMA 1998;280:219-21.

  9. Kan CC, Lockefeer JHM, Overbeke AJPM. Redenen vanafwijzing van artikelen voor publikatie bij het Nederlands Tijdschrift voorGeneeskunde in 1990. Ned TijdschrGeneeskd 1991;135:840-5.

Auteursinformatie

Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Johannes Vermeerstraat 2, 1071 DR Amsterdam.

J.J.van Ieperen, arts-stagiair (thans: research physician, Kendle International, Utrecht); prof.dr.A.J.P.M.Overbeke en dr.W.Hart, uitvoerend hoofdredacteuren.

Contact J.J.van Ieperen

Gerelateerde artikelen

Reacties