Incidentie en beloop van het complex regionaal pijnsyndroom type 1*

Onderzoek
Annemerle Beerthuizen
Frank J.P.M. Huygen
Adriaan Van ’t Spijker
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2012;156:A5180
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Het beschrijven van de incidentie en het beloop van symptomen van het complex regionaal pijnsyndroom type 1 (CRPS1) bij patiënten met een enkelvoudige fractuur van de pols, hand, voet of enkel.

Opzet

Multicentrisch, prospectief cohortonderzoek.

Methode

We includeerden 596 patiënten met een enkelvoudige fractuur van de pols, hand, voet of enkel uit 3 Rotterdamse ziekenhuizen. Aan patiënten werd gevraagd vragenlijsten in te vullen met betrekking tot demografische en medische parameters op 4 tijdstippen gedurende 1 jaar.

Resultaten en conclusie

Van de deelnemers aan dit cohort ontwikkelde 48,5% CRPS1 volgens de criteria van de International Association for the Study of Pain (IASP), 21,3% volgens de criteria van Veldman en 7,0% wanneer de criteria van Harden en Bruehl werden gehanteerd. Patiënten met CRPS1 hadden significant vaker een intra-articulaire fractuur, een dislocatie van de fractuur, reumatoïde artritis of musculoskeletale aandoeningen zoals rugpijn en artrose dan patiënten met een fractuur die geen CRPS1 ontwikkelden. Verder was 12 maanden na het initiële trauma geen enkele patiënt met CRPS1 klachtenvrij. Risicofactoren voor het ontwikkelen van CRPS1 waren een enkelfractuur, een gedisloceerde fractuur en een intra-articulaire fractuur.

Inleiding

Het complex regionaal pijnsyndroom type 1 (CRPS1) ontstaat na een trauma, zoals bij een fractuur, of na een chirurgische ingreep. Symptomen van CRPS1 zijn continue pijn en sensorische, vasomotorische, sudomotorische (toegenomen zweetsecretie), motorische en trofische stoornissen. CRPS1 is een invaliderende ziekte. Er is geen gouden standaard om de aandoening vast te stellen; er bestaan verschillende sets van diagnostische criteria die slechts gedeeltelijke overlap vertonen. Hierdoor laten de studies naar CRPS1 soms zeer verschillende resultaten zien en deze zijn daardoor lastig te interpreteren. Prospectieve studies naar de incidentie van CRPS1 zijn schaars. Vaak hebben deze studies weinig deelnemers,1-6 zijn patiënten slechts in 1 centrum geworven, is slechts een aantal specifieke fracturen onderzocht,1-13 wordt in het artikel niet duidelijk aangegeven welke diagnostische criteria zijn toegepast of hanteert men zelf opgestelde diagnostische criteria,4,6,14 of worden patiënten niet gevolgd in de tijd.3-5,13,14 Dit heeft tot gevolg dat de incidentiecijfers van CRPS1 met 0,9-51% sterk uiteenlopen.

Demografische en medische parameters spelen mogelijk een rol bij het ontstaan van CRPS1. Het blijkt dat patiënten met een fractuur in een bovenste extremiteit een grotere kans hebben om CRPS1 te ontwikkelen en dat CRPS1 vaker bij vrouwen dan bij mannen voorkomt.15-19 Er is in de literatuur geen consensus over de relatie tussen het type fractuur en de kans op het ontwikkelen van CRPS1. Ook de leeftijd waarop CRPS1 wordt vastgesteld, verschilt met 37-65 jaar sterk in de studiepopulaties.18-22

Het doel van dit onderzoek was (a) het bepalen van de incidentie van CRPS1, waarbij verschillende sets van diagnostische criteria met elkaar werden vergeleken, en (b) het beschrijven van het beloop van CRPS1 bij patiënten met een enkelvoudige fractuur van de pols, hand, voet of enkel. Ook onderzochten we het verband tussen zowel demografische als medische parameters en het ontstaan van CRPS1.

Patiënten en methode

Het onderzoek werd goedgekeurd door de medisch-ethische toetsingscommissie van het Erasmus MC in Rotterdam (MEC 223.922/2003/18).

Studiepopulatie

In totaal werden 596 patiënten geïncludeerd in 3 Rotterdamse ziekenhuizen (Erasmus MC, St. Clara Ziekenhuis en het Zuiderziekenhuis; deze laatste 2 vormen tegenwoordig het Maasstad Ziekenhuis) in de periode februari 2002 tot en met april 2006. Patiënten van 18 jaar of ouder met een enkelvoudige fractuur van de pols, hand, voet of enkel konden deelnemen aan dit onderzoek. Patiënten die de Nederlandse taal niet voldoende machtig waren, meer dan 50 km van het ziekenhuis vandaan woonden, of een zenuwbeschadiging hadden die kon leiden tot CRPS type 2 of een fractuur in meer dan 1 extremiteit, werden geëxcludeerd.

Onderzoeksvariabelen

De deelnemers vulden op 3 tijdstippen een vragenlijst in over CRPS1-gerelateerde symptomen: direct na gipsafname (T1), 3 maanden na het trauma (T2) en 12 maanden na het trauma (T3). Binnen 2 weken na het trauma (T0) en op tijdstip T2 vulden patiënten ook vragenlijsten in met betrekking tot demografische (leeftijd, geslacht) en medische (type fractuur, eerder gediagnosticeerd met CRPS1, mate van pijn en comorbiditeit) parameters. Wanneer een deelnemer op een van de meetmomenten voldeed aan de criteria van de International Association for the Study of Pain (IASP),23 dan werd hij of zij doorverwezen naar een anesthesioloog van het Erasmus MC die gespecialiseerd is in de behandeling van patiënten met CRPS1. Indien een patiënt gediagnosticeerd werd met CRPS1 volgens de criteria van Harden en Bruehl,24 dan werd deze primair behandeld volgens de CBO-richtlijn ‘Complex regionaal pijnsyndroom type 1’ (te vinden op: www.cbo.nl). Dit betekent een lokale behandeling met dimethylsulfoxide in crème (DMSO) en fysiotherapie gericht op activatie en mobilisatie.25 Tijdens de meetmomenten pasten we ook de criteria van Veldman toe en vergeleken de incidentiecijfers van de 3 sets van diagnostische criteria.19

Statistische analyse

Om de frequenties vast te stellen gebruikten we beschrijvende statistiek. We analyseerden de verschillen in continue, niet normaal verdeelde variabelen tussen patiënten met en patiënten zonder CRPS1 met de Mann-Whitney-U-toets. Verschillen in nominale variabelen tussen patiënten met en patiënten zonder CRPS1 werden geanalyseerd met de Pearson-χ2-toets. We analyseerden de 2-bij-2-tabellen met behulp van de exacte toets van Fisher, die tweezijdig werd uitgevoerd. We voerden een binaire logistische regressieanalyse volgens de backward-Wald-methode uit om de waarde van de medische variabelen voor het voorspellen van de ontwikkeling van CRPS1 te bepalen.

Resultaten

In totaal voldeden 748 patiënten aan de inclusiecriteria, waarvan 596 wilden deelnemen aan de studie: 217 (36,4%) mannen en 379 (63,6%) vrouwen. De mediane leeftijd was 52,8 jaar. Bij 311 deelnemers (52,2%) was de fractuur gelokaliseerd in de bovenste extremiteit en bij 285 (47,8%) deelnemers was er een fractuur van de onderste extremiteit. Op tijdstip T2 vulden 550 (95,3%) patiënten de vragenlijsten in en op tijdstip T3 was dit aantal 205 (83,3%) (figuur). Van de 596 deelnemers ontwikkelde 48,5% CRPS1 tot en met 12 maanden na de fractuur volgens de IASP-criteria, 21,3% volgens de criteria van Veldman en 7,0% wanneer de criteria van Harden en Bruehl werden gehanteerd.

Figuur 1

In de tabel worden de verschillen in demografische en medische parameters weergegeven tussen deelnemers die wel en deelnemers die geen CRPS1 ontwikkelden tot en met 12 maanden na de fractuur, geclassificeerd volgens de criteria van Harden en Bruehl. Patiënten met CRPS1 hadden significant vaker last van een intra-articulaire fractuur, een dislocatie van de fractuur, reumatoïde artritis of een andere musculoskeletale aandoening zoals rugpijn en artrose dan patiënten met een fractuur die geen CRPS1 ontwikkelden. Verder was 12 maanden na het initiële trauma geen enkele patiënt met CRPS1 klachtenvrij.

Figuur 2

Uit de binaire logistische regressieanalyse bleek dat een enkelfractuur (p = 0,004), een gedisloceerde fractuur (p = 0,004) en een intra-articulaire fractuur (p = 0,009) risicofactoren waren voor het ontwikkelen van CRPS1.

Beschouwing

Dit is een van de eerste grote prospectieve studies naar de incidentie van het complex regionaal pijnsyndroom type 1 na een fractuur. In dit onderzoek was de incidentie 7,0%, gebaseerd op de criteria van Harden en Bruehl. In de literatuur varieert de incidentie van CRPS1 sterk van 0,9-51%.1-14,21,26 De lagere incidentie in de huidige onderzoekspopulatie kan mogelijk worden verklaard door de toepassing van diagnostische criteria met een hoge specificiteit (0,94).27 Het gebrek aan een gouden standaard om CRPS1 te diagnosticeren leidt tot grote verschillen in resultaten tussen de studies. Na de start van ons onderzoek zijn de Budapest-criteria gepubliceerd.24 Deze criteria zijn conform de criteria van Harden en Bruehl, maar met als toevoeging allodynie (stoornis in de pijngewaarwording) bij diepe somatische druk en bij beweging van de gewrichten. Wij adviseren de toepassing van de Budapest-criteria voor het diagnosticeren van patiënten met CRPS1, vanwege de hoge specificiteit en de indeling in klinische criteria en onderzoekscriteria.

Een andere mogelijke verklaring voor het feit dat in dit onderzoek minder mensen CRPS1 ontwikkelden is de exclusie van comminutieve (gefragmenteerde) fracturen. In andere studies is namelijk aangetoond dat patiënten met een comminutieve fractuur een grotere kans hebben om CRPS1 te ontwikkelen.21,28

De meerderheid van de mensen die CRPS1 ontwikkelden in dit onderzoek waren vrouw (73,8%). Dit is vergelijkbaar met de resultaten van andere studies.16,17

In de literatuur suggereren de resultaten van verschillende studies een relatie tussen specifieke fracturen en het ontstaan van CRPS1. Een Britse studie uit 1993 laat zien dat 30% van de deelnemers die een tibiafractuur hadden CRPS1 ontwikkelden.6 In ons onderzoek vonden we een vergelijkbaar resultaat, namelijk 27,3%. Het percentage patiënten dat na een distale radiusfractuur CRPS1 ontwikkelt, varieert in de literatuur van 0,9-18%.1,4,5,9,12,14 Het feit dat er verschillende definities voor een distale radiusfractuur bestaan – bijvoorbeeld met of zonder inclusie van een Colles-fractuur – maakt een vergelijking tussen deze incidentiecijfers lastig. In ons onderzoek ontwikkelde 8,3% van de patiënten met een distale radiusfractuur (inclusief Colles-fractuur) CRPS1. Het percentage patiënten dat CRPS1 krijgt na een Colles-fractuur ligt volgens de literatuur tussen de 1 en 37%.2,3,7,8,10,11,13 In het huidige onderzoek ontwikkelde 14% van de patiënten met een Colles-fractuur CRPS1; dit aantal ligt binnen de in de literatuur gevonden spreiding. Verder bleek uit het huidige onderzoek dat er een significant verschil is in de lokalisatie van de fractuur tussen mensen die later wel of geen CRPS1 ontwikkelden. Patiënten met een enkelfractuur hadden een grotere kans om CRPS1 te krijgen dan patiënten met een hand-, voet- of polsfractuur. Desondanks was er geen verschil tussen fracturen in de bovenste ten opzichte van fracturen in de onderste extremiteit. Dit resultaat wijkt af van de resultaten van eerdere onderzoeken, waarbij de fractuur vaker in de bovenste extremiteit was gelokaliseerd bij patiënten die later CRPS1 ontwikkelden dan patiënten die geen CRPS1 kregen.16-19

Er is geen consensus in de literatuur over de associatie tussen het type fractuur en het ontstaan van CRPS1. Hoewel meerdere studies geen verband vonden,3,6,10 concludeerden andere onderzoekers dat CRPS1 vaker voorkomt na ernstigere fracturen.8,21 Daarnaast is er ook geen consensus over de invloed van een gedisloceerde fractuur. Binnen ons onderzoek hadden patiënten met een gedisloceerde fractuur significant vaker CRPS1 dan patiënten zonder een gedisloceerde fractuur. Ook hadden deelnemers aan ons prospectieve onderzoek die CRPS1 ontwikkelden significant vaker een intra-articulaire fractuur. Dit resultaat is in overeenstemming met een Nederlands onderzoek gepubliceerd in 1999,21 maar niet met de resultaten van andere studies.3,13

In dit onderzoek rapporteerden patiënten die later CRPS1 ontwikkelden vaker een musculoskeletale aandoening of reumatoïde artritis dan patiënten die later geen CRPS1 ontwikkelden. Met andere woorden, patiënten met deze aandoeningen lijken meer vatbaar om CRPS1 te ontwikkelen. Er zijn aanwijzingen voor een genetische vatbaarheid,29 en er is toenemend bewijs in de literatuur dat immunologische factoren een rol spelen,30 maar hier dient nog verder onderzoek naar gedaan te worden.

Spontaan herstel van CRPS1 is in verschillende studies beschreven.8,18 In het huidige onderzoek nam het gemiddeld aantal symptomen af tussen 3 en 12 maanden na de fractuur, maar geen enkele patiënt met CRPS1 was 12 maanden na de fractuur klachtenvrij. Dit is tegengesteld aan de bevindingen van de Britse studie uit 1993,6 waarin geconcludeerd werd dat 22% van de patiënten met CRPS1 nog steeds symptomen rapporteerde 1 jaar na het trauma.

Patiënten die later CRPS1 ontwikkelden, rapporteerden bij aanvang van de studie significant hogere pijnscores dan patiënten die later geen CRPS1 ontwikkelden. Ook omdat de pijnscores van patiënten met CRPS1 hoger bleven gedurende de duur van de studie, zou pijn een belangrijke voorspeller voor het ontwikkelen van CRPS1 kunnen zijn.

Conclusie

In totaal ontwikkelden 42 patiënten (7,0%) van de deelnemers het complex regionaal pijnsyndroom type 1 volgens de criteria van Harden en Bruehl. Risicofactoren voor het ontwikkelen van CRPS1 zijn een enkelfractuur, een gedisloceerde fractuur en een intra-articulaire fractuur. Verder was 12 maanden na de fractuur geen enkele patiënt met CRPS1 klachtenvrij.

Leerpunten

  • Het complex regionaal pijnsyndroom type 1 (CRPS1) kan ontstaan na een trauma of een chirurgische ingreep.

  • Risicofactoren voor het ontwikkelen van CRPS1 zijn een enkelfractuur, een gedisloceerde fractuur en een intra-articulaire fractuur.

  • De incidentie van CRPS1 is sterk afhankelijk van de diagnostische criteria die zijn toegepast.

  • Bij toepassing van de criteria van Harden en Bruehl, de stringentste van de beschikbare criteria, ontwikkelt 7% van de patiënten met een enkelvoudige fractuur CRPS1.

  • Geen van de patiënten die gediagnosticeerd werden met CRPS1 is 12 maanden na het trauma klachtenvrij.

Literatuur
  1. Schürmann M, Gradl G, Zaspel J, Kayser M, Lohr P, Andress HJ. Peripheral sympathetic function as a predictor of complex regional pain syndrome type I (CRPS I) in patients with radial fracture. Auton Neurosci. 2000;86:127-34 Medline. doi:10.1016/S1566-0702(00)00250-2

  2. Field J, Protheroe DL, Atkins RM. Algodystrophy after Colles fractures is associated with secondary tightness of casts. J Bone Joint Surg Br. 1994;76:901-5 Medline.

  3. Atkins RM, Duckworth T, Kanis JA. Features of algodystrophy after Colles’ fracture. J Bone Joint Surg Br. 1990;72:105-10 Medline.

  4. Dresing K, Peterson T, Schmit-Neuerburg KP. Compartment pressure in the carpal tunnel in distal fractures of the radius. A prospective study. Arch Orthop Trauma Surg. 1994;113:285-9 Medline. doi:10.1007/BF00443819

  5. Puchalski P, Zyluk A. Complex regional pain syndrome type 1 after fractures of the distal radius: a prospective study of the role of psychological factors. J Hand Surg Br. 2005;30:574-80 Medline. doi:10.1016/j.jhsb.2005.06.023

  6. Sarangi PP, Ward AJ, Smith EJ, Staddon GE, Atkins RM. Algodystrophy and osteoporosis after tibial fractures. J Bone Joint Surg Br. 1993;75:450-2 Medline.

  7. Atkins RM, Duckworth T, Kanis JA. Algodystrophy following Colles’ fracture. J Hand Surg Br. 1989;14:161-4 Medline. doi:10.1016/0266-7681(89)90118-6

  8. Bickerstaff DR, Kanis JA. Algodystrophy: an under-recognized complication of minor trauma. Br J Rheumatol. 1994;33:240-8 Medline. doi:10.1093/rheumatology/33.3.240

  9. Dijkstra PU, Groothoff JW, ten Duis HJ, Geertzen JH. Incidence of complex regional pain syndrome type I after fractures of the distal radius. Eur J Pain. 2003;7:457-62 Medline. doi:10.1016/S1090-3801(03)00015-6

  10. Field J, Atkins RM. Algodystrophy is an early complication of Colles’ fracture. What are the implications? J Hand Surg Br. 1997;22:178-82 Medline. doi:10.1016/S0266-7681(97)80057-5

  11. Field J, Gardner FV. Psychological distress associated with algodystrophy. J Hand Surg Br. 1997;22:100-1 Medline. doi:10.1016/S0266-7681(97)80030-7

  12. Hove LM. Nerve entrapment and reflex sympathetic dystrophy after fractures of the distal radius. Scand J Plast Reconstr Surg Hand Surg. 1995;29:53-8 Medline. doi:10.3109/02844319509048424

  13. Roumen RM, Hesp WL, Bruggink ED. Unstable Colles’ fractures in elderly patients. A randomised trial of external fixation for redisplacement. J Bone Joint Surg Br. 1991;73:307-11 Medline.

  14. Spaendonck van K. Heusden van HA, Kampen C, Goris RJ. Posttraumatische dystrofie en persoonlijkheidstype. In: Goris RJ, red. Posttraumatische dystrofie. Nijmegen: Post-Academisch onderwijs, Geneeskunde KUN; 1992. p.39-43.

  15. Goris RJ, Reynen JA, Veldman P. De klinische verschijnselen bij posttraumatische dystrofie. Ned Tijdschr Geneeskd. 1990;134:2138-41. Medline NTvG

  16. De Mos M, de Bruijn AG, Huygen FJ, Dieleman JP, Stricker BH, Sturkenboom MC. The incidence of complex regional pain syndrome: a population-based study. Pain. 2007;129:12-20 Medline.

  17. Perez RS, Keijzer C, Bezemer PD, Zuurmond WW, de Lange JJ. Predictive value of symptom level measurements for complex regional pain syndrome type I. Eur J Pain. 2005;9:49-56 Medline. doi:10.1016/j.ejpain.2004.04.003

  18. Sandroni P, Benrud-Larson LM, McClelland RL, Low PA. Complex regional pain syndrome type I: incidence and prevalence in Olmsted county, a population-based study. Pain. 2003;103:199-207 Medline. doi:10.1016/S0304-3959(03)00065-4

  19. Veldman PH, Reynen HM, Arntz IE, Goris RJ. Signs and symptoms of reflex sympathetic dystrophy: prospective study of 829 patients. Lancet. 1993;342:1012-6 Medline. doi:10.1016/0140-6736(93)92877-V

  20. Allen G, Galer BS, Schwartz L. Epidemiology of complex regional pain syndrome: a retrospective chart review of 134 patients. Pain. 1999;80:539-44 Medline. doi:10.1016/S0304-3959(98)00246-2

  21. Zollinger PE, Tuinebreijer WE, Kreis RW, Breederveld RS. Effect of vitamin C on frequency of reflex sympathetic dystrophy in wrist fractures: a randomised trial. Lancet. 1999;354:2025-8 Medline. doi:10.1016/S0140-6736(99)03059-7

  22. Maleki J, LeBel AA, Bennett GJ, Schwartzman RJ. Patterns of spread in complex regional pain syndrome, type I (reflex sympathetic dystrophy). Pain. 2000;88:259-66 Medline. doi:10.1016/S0304-3959(00)00332-8

  23. Stanton-Hicks M, Janig W, Hassenbusch S, Haddox JD, Boas R, Wilson P. Reflex sympathetic dystrophy: changing concepts and taxonomy. Pain. 1995;63:127-33 Medline. doi:10.1016/0304-3959(95)00110-E

  24. Harden RN, Bruehl S, Stanton-Hicks M, Wilson PR. Proposed new diagnostic criteria for complex regional pain syndrome. Pain Med. 2007;8:326-31 Medline. doi:10.1111/j.1526-4637.2006.00169.x

  25. Zuurmond WW, Langendijk PN, Bezemer PD, Brink HE, de Lange JJ. van loenen AC. Treatment of acute reflex sympathetic dystrophy with DMSO 50% in a fatty cream. Acta Anaesthesiol Scand. 1996;40:364-7 Medline. doi:10.1111/j.1399-6576.1996.tb04446.x

  26. Demir SE, Ozaras N, Karamehmetoglu SS, Karacan I, Aytekin E. Risk factors for complex regional pain syndrome in patients with traumatic extremity injury. Ulus Travma Acil Cerrahi Derg. 2010;16:144-8 Medline.

  27. Bruehl S, Harden RN, Galer BS, et al. External validation of IASP diagnostic criteria for Complex Regional Pain Syndrome and proposed research diagnostic criteria. International Association for the Study of Pain. Pain. 1999;81:147-54 Medline. doi:10.1016/S0304-3959(99)00011-1

  28. Zyluk A. [Algodystrophy after distal radius fractures]. Chir Narzadow Ruchu Ortop Pol. 1996;61:349-55 Medline.

  29. Hühne K, Leis S, Schmelz M, Rautenstrauss B, Birklein F. A polymorphic locus in the intron 16 of the human angiotensin-converting enzyme (ACE) gene is not correlated with complex regional pain syndrome I (CRPS I). Eur J Pain. 2004;8:221-5 Medline. doi:10.1016/j.ejpain.2003.08.004

  30. Kaufmann I, Eisner C, Richter P, et al. Lymphocyte subsets and the role of TH1/TH2 balance in stressed chronic pain patients. Neuroimmunomodulation. 2007;14:272-80 Medline. doi:10.1159/000115041

Auteursinformatie

*Dit onderzoek werd eerder gepubliceerd in Pain (2012;153:1187-92) met als titel ‘Demographic and medical parameters in the development of complex regional pain syndrome type 1 (CRPS1): prospective study on 596 patients with a fracture’. Afgedrukt met toestemming.

Erasmus MC, Rotterdam.

Afd. Medische Psychologie & Psychotherapie: dr. A. Beerthuizen, senior onderzoeker; dr. A. Van ’t Spijker, senior onderzoeker.

Afd. Anesthesiologie, Centrum voor Pijngeneeskunde: prof.dr. F.J.P.M. Huygen, anesthesioloog.

Contact dr. A. Beerthuizen (a.beerthuizen@erasmusmc.nl)

Verantwoording

Belangenconflict: er zijn belangen gemeld (zie www.ntvg.nl, zoeken op A5180; klik op ‘Belangenverstrengeling’). Financiële ondersteuning voor dit artikel: geen gemeld.
Aanvaard op 21 juni 2012

Auteur Belangenverstrengeling
Annemerle Beerthuizen ICMJE-formulier
Frank J.P.M. Huygen ICMJE-formulier
Adriaan Van ’t Spijker ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties

Maarten
van Essen

Biij CRPS-1 staan op de voorgrond pijn, sensorische, vasomotorische, sudomotorische, motorische en trofische stoornissen. Deze verschijnselen worden door Prof dr C.C. Gunn, Vancouver, centraal gesteld in zijn duiding van de problematiek als primair het gevolg van een aangedaan perifeer zenuwstelsel. Gunn stelt dat dit zowel bij chronische pijn als bij CRPS-1 dysfunctioneert. Indien zowel skeletspieren als paraspinale spieren dysfunctioneren in de vorm van verhoogde gevoeligheid duidt hij dit als radiculopathie. Een term die bij de meesten van ons wenkbrauwen doet fronsen. Toch kunnen we bij benigne chronische pijn vrijwel steeds naast verhoogde gevoeligheid in spieren ook trofische stoornissen vaststellen zoals trofisch oedeem en ook vasomotore verschijnselen die een veelal goed herkenbaar segmentaal karakter dragen. We weten -onder andere uit het werk van Kleinrensink- dat zenuwweefsel niet goed tegen druk en rek kan in vergelijking met spierweefsel. Het lijkt om deze redenen nuttig bij het beoordelen van ontstaan en beloop bij CRPS-1 te bezien of: -de inwerkende kracht bij trauma of een operatieve ingreep mechanisch of anderszins specifiek kan inwerken op de perifere zenuw of de zenuwwortel die verantwoordelijk is voor het gebied -er aanleiding is te zoeken naar tekenen van (pre-)spondylose die verantwoordelijk zou kunnen worden gesteld voor een grotere mechanische kwetsbaarheid van de met de CRPS-1-regio corresponderende zenuwwortel(s). M.W. van Essen, arts Kleinrensink et al: Lowered motor conduction velocity of the peroneal nerve after inversion trauma Med Sci Sports Exerc.1994 Jul;26(7):877-83. C.C. Gunn: Radiculopathic pain: diagnosis and treatment of Segmental Irritation. Journal of musculoskeletal pain, Vol 5 (4); pp 119-134, 1997. C.C. Gunn: “Prespondylosis” and Some Pain Syndromes Following Denervation Supesensitivity; Spine Vol 5, number 2; pp 185-192, March/April 1980.

Jan Paul
Frölke

Volgens de definitie van de International Association for the Study of Pain (IASP) is CRPS-1 een verzameling van lokaal optredende, pijnlijke condities volgend op een trauma, die zich voornamelijk distaal uiten en in ernst en duur het verwachte klinische beloop van het oorspronkelijke trauma overtreffen[1].

In deze studie van Beerthuizen worden patiënten met een fractuur aan een extremiteit 12 maanden vervolgd om te zien of er een CRPS-1 ontstaat. Patiënten met een gefragmenteerde fractuur,  intra-articulaire fractuur en een gedisloceerde fractuur hebben een significant grotere kans om een CRPS-1 te ontwikkelen.

Deze categorie patiënten hebben per definitie een grotere kans op latere complicaties dan patiënten met een simpele fractuur met name pijn, functiebeperking en navenant minder gunstige lange termijn prognose.

Het belangrijkste criterium om een CRPS-1 vast te stellen is of er een andere oorzaak voor de pijn aantoonbaar is en of de locale pijnlijke conditie het verwachte klinische beloop overtreft. Daarom is het van belang om bij de diagnose een expert op gebied van fractuur en letsel behandeling te betrekken (traumachirurg/orthopeed) naast een expert op gebied van langere termijn prognose (revalidatiearts), anders blijven we zitten met een incidentie die varieert van 7-48% en dat is voor niemand geloofwaardig[2].

 

Jan Paul Frölke, chirurg

Henk van de Meent, revalidatiearts 

  1. Stanton-Hicks M, Jänig W, Hassenbusch S, Haddox JD, Boas R, Wilson P. Refl ex sympathetic dystrophy: changing concepts and taxonomy. Pain. 1995;63:127-33.
  2. Frölke JP, van Rumund A, de Waardt D, van Dongen RT, Klomp FP, Verbeek AL, van de Meent H. Complex regional pain syndrome type 1? In 77% of people had a different diagnosis. Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:550-3
Annemerle
Beerthuizen

De auteurs zijn het volledig eens met hetgeen wordt gesteld door Frölke en van de Meent. In het algemeen wordt niet alleen CRPS1 maar chronische pijn in bredere zin beter gediagnosticeerd en behandeld in een multidisciplinaire setting geleidt door een ervaren specialist in de Pijngeneeskunde. Meer specifiek voor CRPS1 geldt daarnaast dat het toepassen van diagnostische criteria met een hoge specificiteit en sensitiviteit de voorkeur heeft. De Budapest criteria zijn recent geaccepteerd als de nieuwe IASP criteria (Harden et al. 2010).

 

Annemerle Beerthuizen, Frank Huygen & Adriaan van 't Spijker

 

1. Harden RN, Bruehl S, Perez RS, Birklein F, Marinus J, Maihofner C, Lubenow T, Buvanendran A, Mackey S, Graciosa J, Mogilevski M, Ramsden C, Chont M, Vatine JJ. Validation of proposed diagnostic criteria (the "Budapest Criteria") for Complex Regional Pain Syndrome. Pain. 2010; 150(2): 268-74