een diagnostische valkuil

Complex regionaal pijnsyndroom type 1

Klinische praktijk
Hendrik van de Meent
Robert T.M. van Dongen
Frank P.A.J. Klomp
Adelmar W.A. Bruggeman
Jan Paul M. Frölke
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:B165
Abstract
Download PDF

Dames en Heren,

De diagnostiek van het complex regionaal pijnsyndroom type 1 (CRPS-1), ook wel posttraumatische dystrofie genoemd, is moeilijk. Een gouden standaard voor de diagnostiek ontbreekt, de definitie van het ziektebeeld is weinig specifiek en de etiologie is onduidelijk. Volgens de huidige inzichten in de pathofysiologie kunnen perifeer afferente, efferente en centrale mechanismen een rol spelen bij het tot stand komen dan wel onderhouden van het ziektebeeld. Tot nu toe is er geen eenduidige verklaring voor de wijze waarop deze mechanismen met elkaar zijn verbonden.1

In Nederland heeft een werkgroep van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO zich over het probleem van de diagnostiek gebogen. Deze werkgroep is van mening dat de klinische diagnose ‘CRPS-1’ kan worden gesteld aan de hand van de criteria van Veldman et al. en die van de International Association for the Study of Pain (IASP),2,3 zolang er geen afdoende bewijs gepubliceerd is voor een betere vorm van diagnostiek.

De voorkeur van de werkgroep gaat uit naar de criteria van Veldman et al. vanwege de hoge sensitiviteit.2 Zij adviseren de patiëntengroepen voor wetenschappelijk onderzoek te beschrijven met de criteria volgens Bruehl et al., omdat die een hogere specificiteit hebben.4 In deze klinische les willen wij illustreren waarom bij sommige patiënten die volgens de criteria van Bruehl et al. CRPS-1 hebben, deze diagnose toch verworpen moet worden.

Patiënt A, een 58-jarige man, werd door de huisarts naar de afdeling Spoedeisende Hulp verwezen wegens een pijnlijke linker voet na een val van de keukentrap. Hij bleek een distale schachtfractuur te hebben van os metatarsale V met comminutie (verbrijzeling) en dislocatie.

In eerste instantie was de behandeling conservatief met gips. Gezien de minimale callusvorming op de röntgenfoto werd de gipsbehandeling verlengd. Na verwijderen van het gips kreeg patiënt pijnklachten bij belasten en lokale drukpijn ter hoogte van de fractuur. Omdat men dacht aan een ‘non-union’ werd besloten om een plaatosteosynthese te verrichten. Dit gebeurde 3 maanden na het ongeval. Met een plaatje werd de fractuur geconsolideerd bij een adequate stand. De pijn hield echter aan.

In verband met de pijnklachten werd de plaat verwijderd. Ook daarna bleef patiënt veel pijn houden aan de laterale zijde van de voet met een hyperalgesie van de huid van voet en enkel. Hij kon de voet niet belasten en verdroeg geen schoen. Op basis van de criteria van Veldman et al. werd de diagnose ‘CRPS-1’ gesteld en werd hij behandeld met intraveneus mannitol. Omdat flebitis ontstond en de behandeling een onvoldoende gunstig effect had, werd deze na 4 dagen gestaakt. Ook de pijnmedicatie en de zogenoemde pijncontingente fysiotherapie (dit is therapie binnen de pijngrenzen) hadden geen effect op de klachten.

Ongeveer 10 maanden na het ongeval bezocht patiënt ons multidisciplinaire CRPS-spreekuur. Zijn pijnscore overdag en ’s nachts was 6-7. De voet was pijnlijk bij aanraken en kleurde in de loop van de dag. Bij onderzoek liep de man met een antalgisch patroon waarbij hij de laterale zijde van de voet niet belastte. Er waren hyperalgesie en hyperesthesie van de laterale voet en enkel.

Tevens was er temperatuurverschil; de linker voet was 2,2°C kouder dan de rechter. De linker voet was oedemateus en blauwer van kleur dan de rechter. Er was geen verschil tussen links en rechts in haar- of nagelgroei en transpiratie. Bij palpatie was er een forse pijn bij druk op metatarsale V. De röntgenfoto toonde een volledige consolidatie van de fractuur met een haakvormige exostose aan de plantaire zijde van het os metatarsale V (figuur).

Figuur 1

Wij concludeerden in de multidisciplinaire beschouwing dat de klachten disproportioneel waren in verhouding tot de uitlokkende gebeurtenis. De anamnestische gegevens en de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek voldeden aan de criteria van Bruehl et al. voor CRPS-1. De vraag bleef echter of de klachten veroorzaakt zouden kunnen worden door de plantaire exostose. In verband met dit vermoeden besloten wij de diagnose ‘CRPS-1’ te verwerpen. Het 4e IASP-criterium voor CRPS-1 vermeldt namelijk dat ‘bij aanwezigheid van condities die een verklaring kunnen bieden voor de mate van pijn en disfunctie de diagnose moet worden verworpen’.3 Een maand later werd de exostose van het os metatarsale V operatief verwijderd. Direct na de operatie was patiënt pijnvrij; na 3 weken kon hij de voet weer volledig belasten en verdween de vegetatieve ontregeling.

Patiënt B, een 67-jarige vrouw, werd voor diagnostiek en behandeling naar ons multidisciplinaire CRPS-spreekuur verwezen omdat bij haar een CRPS-1 vermoed werd na een distale radiusfractuur rechts 2 maanden eerder. De radiusfractuur was inmiddels in goede stand geconsolideerd, maar patiënte bleef pijnklachten houden in de pols en de hand. Zij gaf aan dat de rechter pols warmer aanvoelde dan links en dat de huid een roder en glazig aspect had. Volgens patiënte waren de vingers gezwollen en was de haargroei op de handrug toegenomen, evenals het zweten van de rechter handpalm. Verder kon zij de pols, hand en vingers niet goed bewegen.

Bij het onderzoek waren er geen aanwijzingen voor een hyperalgesie of allodynie. De temperatuur van de pols was rechts 1,5°C hoger dan links. Rechts was de handpalm vlekkerig rood en de handrug blauw in vergelijking met links. Er was duidelijk oedeem van de hele rechter hand inclusief de vingers. De zweetsecretie was toegenomen en de actieve en passieve bewegingsuitslag van rechter pols en vingers was afgenomen. Tevens was er een inspanningsgebonden tremor van de rechter hand en een forse beharing op de rechter handrug.

In de multidisciplinaire beschouwing concludeerden wij dat de symptomen gemeld in de anamnese en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek zouden kunnen passen bij CRPS-1 volgens de bruehl-criteria. Deze diagnose was eerder ook al gesteld; patiënte was toen behandeld met terughoudende, pijncontingente fysiotherapie. Toch besloten wij de diagnose ‘CRPS-1’ te verwerpen op basis van het eerste bruehl-criterium, dat luidt: ‘continue persisterende pijn die in geen verhouding staat tot de ernst van het doorgemaakte letsel’. In het tweede IASP-criterium voor CRPS-1 wordt dit omschreven als: ‘pijn en disfunctie die disproportioneel zijn ten aanzien van de uitlokkende gebeurtenis’.

Gezien het tijdstip na het trauma vonden wij de klacht niet disproportioneel ten aanzien van de uitlokkende gebeurtenis. Pijn, disfunctie en vegetatieve veranderingen kunnen immers 2 maanden na een radiusfractuur bij een 67-jarige vrouw nog passen bij een fysiologisch herstel. De disfunctie en de chroniciteit zouden een bijkomend gevolg kunnen zijn van een fysiotherapeutische behandeling die te voorzichtig was, doordat andere behandelaars in een eerder stadium de diagnose ‘CRPS-1’ hadden gesteld.

Wij bespraken deze analyse met patiënte en besloten de fysiotherapie, ondanks de pijn, te intensiveren. In de loop van deze behandeling nam de pijn, na een kortdurende toename, geleidelijk af. De vegetatieve verschijnselen, inclusief de bewegingsbeperking, waren na 7 weken restloos genezen en patiënte bereikte een normale functie van de pols.

CRPS-1 is, zoals gezegd, een moeilijk te diagnosticeren aandoening. Zelfs met de specifiekste diagnostische criterialijst, die van Bruehl et al., blijkt dat men ten onrechte de diagnose ‘CRPS-1’ kan stellen. Zo was bij patiënt A een exostose de oorzaak van pijn en vegetatieve ontregeling, maar dergelijke klachten kunnen ook het gevolg zijn van bijvoorbeeld een infectie, pseudoartrose, trombose, zenuwbeknelling, automutilatie en het niet of verkeerd gebruiken van een extremiteit.5

Tegenwoordig denken veel artsen en paramedici dat men patiënten met CRPS-1 voorzichtig moet behandelen in de veronderstelling dat de dystrofie of het CRPS zou kunnen ‘opvlammen’. Operaties worden niet of met grote terughoudendheid uitgevoerd en in de paramedische therapie is het devies om binnen de pijngrenzen te oefenen met voldoende rust en gebruik te maken van spalken en andere hulpmiddelen. De gevolgen kunnen schadelijk zijn, niet alleen voor patiënten met een onterechte diagnose ‘CRPS-1’, maar ook voor patiënten die daadwerkelijk CRPS-1 hebben. Een patiënt bij wie eenmaal deze diagnose is gesteld, belandt namelijk nog vaak in de negatieve spiraal van inactiviteit, invaliditeit en arbeidsongeschiktheid.1

Uitleg

  • Perifeer afferente mechanismen: inflammatie, neuro-inflammatie, weefselhypoxie, anatomische veranderingen van onder andere afferente zenuwvezels, genetische afwijkingen;

  • Perifeer efferente mechanismen: vasomotorische veranderingen, sudomotorische veranderingen, veranderingen op transmitterniveau; veranderingen op receptorniveau;

  • Centrale mechanismen: functionele veranderingen, motorische en sensibele veranderingen, psychologische factoren (ontleend aan de CBO-richtlijn ‘Complex regionaal pijnsyndroom type I').1

Leerpunten

  • De lijsten met criteria voor de diagnose ‘complex regionaal pijnsyndroom type 1’ (CRPS-1) zijn niet optimaal.

  • Mede daardoor wordt de diagnose vaak ten onrechte gesteld.

  • Men moet de diagnose niet te vroeg na een trauma stellen.

  • Bij patiënten met klachten die passen bij CRPS-1 dient men grondig te zoeken naar een onderliggende oorzaak.

Diagnose niet te vroeg stellen

Pijn en een vegetatieve ontregeling van een extremiteit na een trauma zijn niet altijd disproportioneel en dus niet specifiek voor CRPS-1. Men dient grondig onderzoek te doen naar een onderliggend lijden dat de klachten zou kunnen verklaren. Doet men dit niet, dan kan het gebeuren dat bij een grote groep patiënten ten onrechte de diagnose ‘CRPS-1’ wordt gesteld, met alle gevolgen van dien.

Bij 77% van de patiënten die naar onze polikliniek verwezen werden wegens een vermoeden van CRPS, moesten wij deze diagnose verwerpen. Bij de meeste patiënten vonden wij een onderliggende oorzaak voor de pijn en disfunctie.5 Onder hen was een relatief grote groep patiënten die pijn hadden in combinatie met een vegetatieve ontregeling van de extremiteit in de eerste maanden na een fractuur of een gewrichtsdistorsie, zoals patiënt B. Vaak ging het hierbij om een fysiologische herstelreactie van het lichaam met kleurveranderingen, toegenomen lokale huidtemperatuur, zwelling, toegenomen beharing, nagelgroei en transpiratie. Daarbij kunnen bewegingsbeperkingen optreden door oedeem in en rond de kapsels van de aangrenzende gewrichten, die weer gevolgd kunnen worden door contracturen als de patiënt onvoldoende oefent.

Het is raadzaam de diagnose ‘CRPS-1’ niet te vroeg te stellen, omdat de genoemde klachten in de eerste maanden na de uitlokkende gebeurtenis niet disproportioneel zijn. Als de pijn en de vegetatieve verschijnselen blijven bestaan, dient men nogmaals nauwkeurig te zoeken naar een mogelijke onderliggende oorzaak. Het CRPS-team van het Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen, heeft ervaren dat het voordelen biedt om de diagnose te stellen in een poliklinische setting waarbij de patiënt gelijktijdig door medisch specialisten van verschillende disciplines wordt geïnterviewd en onderzocht.

Dames en Heren, in Nederland wordt waarschijnlijk vaak ten onrechte de diagnose ‘CRPS-1’ gesteld. Wij willen benadrukken dat men terughoudend moet zijn met deze diagnose. Twee vragen zijn belangrijk: (a) is de klacht disproportioneel ten opzichte van de uitlokkende gebeurtenis? en (b) kunnen pijn en vegetatieve ontregeling van een extremiteit na een trauma een andere oorzaak hebben? Een multidisciplinair diagnostisch team biedt voordelen, gezien de diversiteit van de mogelijke onderliggende oorzaken; dat geldt ook voor het inschatten of de klachten disproportioneel zijn ten opzichte van de oorzaak.

Literatuur
  1. Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO. Richtlijn Complex regionaal pijn syndroom type I. Alphen aan den Rijn: Van Zuiden Communications; 2006.

  2. Veldman PH, Reynen HM, Arntz IE, Goris RJ. Signs and symptoms of reflex sympathetic dystrophy; prospective study of 829 patients. Lancet. 1993;342:1012-6.

  3. Merskey H, Bogduk K. Classification of chronic pain: definitions of chronic pain syndromes and definitions of pain terms. Seattle: IASP Press; 1994

  4. Bruehl S, Harden RN, Galer BS, Saltz S, Bertram M, Backonja M, et al. External validation of IASP diagnostic criteria for Complex Regional Pain Syndrome and proposed research diagnostic criteria. International Association for the Study of Pain. Pain. 1999;81:147-54.

  5. Frölke JPM, van Rumund A, de Waardt D, van Dongen RTM, Klomp FPAJ, Verbeek ALM, et al. Complex regionaal pijnsyndroom type 1? Bij 77% van de patiënten een andere diagnose gesteld. Ned Tijdschr Geneeskd. 2009;153:B174.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen.

Afd. Revalidatiegeneeskunde: dr. H. van de Meent, revalidatiearts; F.P.A.J. Klomp, fysiotherapeut.

Afd. Anesthesiologie: dr. R.T.M. van Dongen, anesthesioloog.

Afd. Heelkunde: drs. A.W.A. Bruggeman, arts; dr. J.P.M. Frölke, chirurg.

Contact dr. H. van de Meent (h.vandemeent@reval.umcn.nl)

Verantwoording

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
Aanvaard op 22 september 2008

Gerelateerde artikelen

Reacties