Hyperventilatie: geen oorzaak van paniekaanvallen

Opinie
R. van Dyck
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1993;137:2295-6
Download PDF

Zie ook de artikelen op bl. 2289 en 2315.

Bij patiënten die aanvallen van angst of paniek vertonen is vanaf de jaren zeventig in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk de diagnose ‘hyperventilatiesyndroom’ (HVS) erg in zwang geraakt. Op grond van de veronderstelling dat de angst een gevolg was van overmatige ventilatie zijn diverse behandelingen ontwikkeld, zoals ademhalingstraining, biofeedback, relaxatie, herhaalde vrijwillige hyperventilatie en het gebruik van een plastic zak.

Uit een recent literatuuroverzicht blijkt dat deze behandelingen, die gebaseerd waren op het hyperventilatiemodel, bij patiënten bij wie een HVS was gediagnostiseerd een zeker positief effect opleverden.1 Wel valt op dat naarmate de onderzoeken ter behandeling van patiënten beter waren opgezet, de resultaten minder indrukwekkend waren. Bovendien leek weinig sprake van specificiteit: uiteenlopende behandelingen hadden een vergelijkbaar effect.2 Het hyperventilatiemodel is ook toegepast bij de behandeling van patiënten die volgens criteria van de Diagnostic en Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-III-R) aan agorafobie met paniek lijden. Hieruit volgde niet dat door de toevoeging van op de ademhaling gerichte behandelingen de gebruikelijke gedragstherapeutische resultaten verbeterd werden.34 Zelfs bleek dat het reguleren van de ademhaling even veel positief effect had bij patiënten die hun klachten herkenden na een hyperventilatie-provocatietest (HVPT) als bij degenen die geen herkenning rapporteerden.56 Gesuggereerd is dat de training van het adempatroon bij patiënten met angstaanvallen als een placebobehandeling moet worden opgevat.1 De resultaten van de onderzoeken leveren dus uiteindelijk geen sterke ondersteuning op voor het hyperventilatiemodel van angstaanvallen.

Pas vrij recentelijk is onderzoek op gang gekomen waarbij het diagnostische criterium van het HVS centraal staat: als men patiënten met angstaanvallen vrijwillig laat hyperventileren en zij krijgen vervolgens klachten die lijken op de klachten die zij hebben tijdens een spontane angstaanval, mag men dan aannemen dat ook de spontane angstaanval toe te schrijven is aan hyperventilatie? De bevindingen uit dit onderzoek zijn overwegend negatief voor het hyperventilatiemodel:1 de voor hyperventilatie typisch geachte symptomen worden ook herkend door patiënten als zij een mentaal belastende taak uitvoeren, zonder dat daarbij hypocapnie wordt vastgesteld.

De resultaten van Spinhoven et al. passen in de recente serie van negatieve bevindingen omtrent het HVS:7 de fysiologische reacties die werden gevonden tijdens een vrijwillige hyperventilatie bij patiënten met of zonder paniekaanvallen verschilden niet; deze patiënten bleken echter wel te verschillen voor de ernst van hun psychische klachten. Dit pleit tegen de opvatting dat paniekaanvallen eenvoudig te verklaren zijn uit de fysiologische veranderingen die optreden bij hyperventilatie. De stelling van de auteurs dat de etiologisch neutrale term ‘paniekaanvallen’ te verkiezen is boven het in Nederland sterk ingeburgerde begrip HVS is daarom terecht.

Misschien zal niet iedereen verheugd zijn over deze recentelijk verworven inzichten: het HVS is als begrip inmiddels ook onder de bevolking op ruime schaal bekend geworden. Het model biedt een eenvoudige en betrekkelijk onschuldige lichamelijke verklaring voor een bedreigende psychische ervaring; daaraan kunnen bovendien duidelijke therapeutische maatregelen gekoppeld worden, al is de effectiviteit daarvan niet zo groot. Helaas dwingt het onderzoek van de laatste jaren ons om beroep te doen op meer complexe modellen. De winst lijkt te zijn dat ook de behandelresultaten zich in gunstige zin ontwikkelen.

Literatuur
  1. Garssen B, Ruiter C de, Dyck R van. Breathing retraining:a rational placebo? Clin Psychol Rev 1992; 12: 141-53.

  2. Vlaander-van der Giessen CJM. Hyperventilatie. Eenonderzoek rondom diagnostiek en behandeling van het hyperventilatiesyndroom.Lisse: Swets & Zeitlinger, 1986.

  3. Ruiter C de, Rijken H, Garssen B, Kraaimaat F. Breathingretraining, exposure and a combination of both, in the treatment of panicdisorder with agoraphobia. Behav Res Ther 1989; 27: 647-55.

  4. Beurs E de. The assessment and treatment of panic disorderand agoraphobia. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam, 1993.

  5. Hibbert GA, Chan M. Respiratory control: its contributionto the treatment of panic attacks. A controlled study. Br J Psychiatry 1989;154: 232-6.

  6. Valck CD, Bergh O van den, Woestijne KP van de. Deprognostische waarde van de provocatietest en evaluatie vanademhalingstherapie bij patiënten met hyperventilatieklachten.Gedragsther 1992; 25: 3-15.

  7. Spinhoven Ph, Onstein EJ, Sterk PJ. Hyperventilatie: geenoorzaak van paniekaanvallen. NedTijdschr Geneeskd 1993; 137: 2315-8.

Auteursinformatie

Valeriuskliniek, Valeriusplein 9, 1075 BG Amsterdam.

Prof.dr.R.van Dyck, psychiater.

Gerelateerde artikelen

Reacties