Paniekstoornis, agorafobie en endocrinologie
Open

Klinische les
25-11-1994
A. Bakker, J.S. Verwey en R. van Dyck

Dames en Heren,

Angststoornissen komen veelvuldig voor. Geschatte frequenties per geleefd mensenleven lopen op tot ongeveer 15. De in klinisch opzicht belangrijkste angststoornis is de paniekstoornis, een aandoening die gekenmerkt wordt door onverwachte aanvallen van intense angst, die gepaard kunnen gaan met een scala aan vegetatieve verschijnselen. Tijdens een aanval hebben patiënten vaak angst om dood te gaan, gek te worden of de controle over zichzelf te verliezen. Meestal komt paniekstoornis voor in combinatie met vermijdingsgedrag dat bekend staat als agorafobie (pleinvrees). Op grond van klinische bevindingen bestaat de indruk dat vermijding veelal secundair ontstaat: patiënten proberen de situaties waarin zij eerder een paniekaanval kregen naderhand zoveel mogelijk te vermijden.1

Volgens de DSM-III-R-criteria, aan de hand waarvan de diagnose ‘paniekstoornis’ in de psychiatrie wordt gesteld, dient er bij een paniekaanval sprake te zijn van minimaal 4 verschijnselen uit een vaste lijst van 14 aan paniek gerelateerde symptomen.