Het influenzaseizoen 2007/'08 in Nederland: antigene variatie, resistentie tegen oseltamivir en de vaccinsamenstelling voor het seizoen 2008/'09

Onderzoek
G.F. Rimmelzwaan
J.C. de Jong
G.A. Donker
A. Meijer
R.A.M. Fouchier
A.D.M.E. Osterhaus
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:2138-44
Abstract
Download PDF

Samenvatting

De eerste tekenen van influenza-activiteit van het seizoen 2007/’08 in Nederland waren de sporadische isolaties van influenzavirussen tussen week 40 en 52 van 2007. Vanaf week 1 van 2008 nam zowel de frequentie van deze isolaties als de klinische influenza-activiteit toe; deze laatste bereikte een piek in week 9 van 2008. Er werden in die week 7,2 influenza-achtige ziektebeelden per 10.000 inwoners geregistreerd. De griepepidemie werd vooral veroorzaakt door influenza A(H1N1)- en influenza B-virussen. Binnen de A(H1N1)-virussen konden twee varianten worden onderscheiden die gelijken op de vaccinreferentiestam voor 2007/’08 A/Solomon Islands/3/06, respectievelijk de vaccinreferentiestam voor 2008/’09 A/Brisbane/59/07. Het opmerkelijkste van deze virussen was dat 27 van de in Nederland geïsoleerde stammen resistent bleek tegen de neuraminidaseremmer oseltamivir. De influenza B-virussen bleken afkomstig van de B/Yamagata/16/88-lijn, terwijl de vaccinstam tot een antigenetisch verschillende fylogenetische lijn behoorde: de B/Victoria/2/87-lijn. Influenzavirussen van het A(H3N2)-subtype werden slechts sporadisch geïsoleerd en waren verwant aan de gebruikte A(H3N2)-vaccinreferentiestam A/Wisconsin/67/05. In tegenstelling tot voorgaande influenzaseizoenen hebben A(H3N2)-virussen dus in dit seizoen geen rol van betekenis gespeeld. Voor het seizoen 2008/’09 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie de volgende vaccinsamenstelling aanbevolen: A/Brisbane/59/07 (H1N1), A/Brisbane/10/07 (H3N2) en B/Florida/4/06.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:2138-44

Inleiding

Zie ook de artikelen op bl. 2108, 2111, 2113 en 2116.

influenzasurveillance in nederland

In Nederland wordt de influenzasurveillance uitgevoerd door het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (NIVEL) te Utrecht en het Nationaal Influenza Centrum (NIC), dat een samenwerkingsverband is van het Erasmus MC te Rotterdam en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) te Bilthoven. Voor de ‘Continue morbiditeitsregistratie’ (CMR) registreren 44 huisartspraktijken wekelijks het aantal patiënten dat zich meldt met een influenza-achtig ziektebeeld (IAZ). Deze peilstations vormen een landelijk netwerk van huisartspraktijken dat qua geografische spreiding en urbanisatiegraad representatief is voor de Nederlandse bevolking. Het NIVEL berekent op grond van de geregistreerde aantallen de IAZ-incidentie, die de klinische influenza-activiteit weerspiegelt.

Wekelijks neemt de huisarts in elke peilstationspraktijk van één of enkele patiënten met een IAZ of met een andere acute respiratoire aandoening neus-keelwatten af waarin het NIC influenzavirussen tracht te detecteren en te isoleren voor verdere karakterisering. Tevens ontvangt het NIC influenzavirusisolaten van Nederlandse diagnostische virologische laboratoria. Alle virussen worden antigenetisch gekarakteriseerd en vergeleken met de influenzavirusstammen die in het vaccin zijn gebruikt.

Op grond van de gegevens en de virusisolaten die het mondiale netwerk van NIC’s verstrekt, brengt de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) jaarlijks in februari advies uit voor de vaccinsamenstelling voor het volgende influenzaseizoen op het noordelijk halfrond.

de influenza-epidemie van 2007/’08

De influenza-epidemie van 2007/’08 begon laat, net zoals in de 3 voorgaande seizoenen het geval was.1-3 In week 9 van 2008 werd de maximale klinische influenza-activiteit van 7,2 IAZ’s per 10.000 inwoners per week geregistreerd (figuur 1). Voor een betekenisvolle verhoging van de klinische influenza-activiteit boven de basisactiviteit wordt in Nederland een grenswaarde van 5 IAZ’s/10.000 inwoners per week gehanteerd. Die grens werd voor het eerst bereikt in week 5 van 2008. Gebaseerd op de klinische influenza-activiteit, kan de epidemie van 2007/’08 licht genoemd worden. Vanaf week 31 tot en met week 51 van 2007 werden sporadisch influenzavirusisolaten naar het NIC opgestuurd. Een aantal van de vroege influenzavirusisolaten was afkomstig van patiënten die kort daarvoor in het buitenland verbleven. Vanaf week 52 van 2007 nam het aantal naar het NIC opgestuurde influenzavirussen gestaag toe, wat goed overeenkomt met de verheffing van de klinische influenza-activiteit (figuur 2).

karakterisering van de geïsoleerde influenzavirussen en de beschermende werking van het toegepaste vaccin

Gedurende het seizoen 2007/’08 ontving het NIC in totaal 393 influenzavirusisolaten vanuit de ziekenhuislaboratoria en de 44 CMR-peilstations, dat wil zeggen de huisartspraktijken. Daarvan bleken er 194 (49) van het type A te zijn en 199 (51) van het type B.

Van de influenza A-virusisolaten uit de laboratoria werden er 22 (11) gesubtypeerd als A/H3 en 140 (72) als A/H1. De overige 32 (17) als type A ingestuurde influenzavirusisolaten konden niet worden gekweekt en dientengevolge niet gesubtypeerd. Van de 129 virusisolaten die afkomstig waren van de CMR-peilstations bleken er 48 (37) van het type A te zijn (10 van het A/H3-subtype en 38 van het A/H1-subtype) en 81 (63) van het type B. Alle kweekbare virussen werden getypeerd/gesubtypeerd met de hemagglutinatie-remmingstest (HART). Met deze test en met antisera bereid bij proefdieren (fretten) kan worden vastgesteld in welke mate de antigene eigenschappen van de huidige epidemische stammen overeenkomen met eerdere epidemische stammen en met de gebruikte vaccinstammen. Door aminozuursubstituties in het membraaneiwit hemagglutinine dat door neutraliserende antilichamen wordt herkend, kunnen influenzavirussen bijna jaarlijks in zekere mate ontsnappen aan de neutraliserende werking van deze antilichamen. Dit fenomeen wordt wel ‘antigene drift’ genoemd. Omdat resultaten verkregen met de HART een goed surrogaat zijn voor virusneutralisatie, kan met de HART-resultaten een uitspraak worden gedaan over de beschermende werking van het vaccin. In het navolgende geven wij een beschrijving van de in het seizoen 2007/’08 geïsoleerde influenzavirussen.

Influenza A(H1N1)-virussen

Zoals reeds aangegeven, behoren de meeste influenza A-virussen die in het seizoen 2007/’08 werden geïsoleerd tot het A/H1-subtype. Van bijna al deze virussen werd ook het subtype van het neuraminidase bepaald, dat in alle gevallen van het N1-subtype bleek te zijn. Over het neuraminidase volgt later meer.

Verreweg de meeste influenza A/H1-virussen vertoonden een goede reactiviteit met antisera opgewekt tegen de vaccinstam IVR-145 en de vaccinreferentiestam A/Solomon Islands/3/06, zoals is te zien in tabel 1, waarin de seizoensvirussen worden vertegenwoordigd door het influenzavirus A/Nederland/165/08. Uit deze reactiviteit concluderen wij dat het vaccin in het afgelopen seizoen optimale bescherming tegen bijna alle epidemische stammen van het A/H1N1-subtype heeft geboden.

Ook in andere landen was de meerderheid van de A/H1-virussen A/Solomon Islands/3/06-achtig.4 Echter, de WHO rapporteerde dat wereldwijd in toenemende mate virussen werden geïsoleerd die behoorden tot een nieuwe antigene variant, waarvan influenzavirus A/Brisbane/59/07 de referentiestam is.

Ook in Nederland werden dergelijke virussen aangetroffen en daarvan is de stam A/Nederland/246/08 een voorbeeld (zie tabel 1). Duidelijk is dat antiserum opgewekt tegen de vaccinstam IVR-145 deze stam in mindere mate herkent (titer 1:160) dan de meerderheid van de Nederlandse A/H1-virussen (in tabel 1 vertegenwoordigd door A/Nederland/165/08; titer 1:1280) en dat antisera opgewekt tegen A/Brisbane/59/07 en de bijbehorende vaccinstam IVR-148 een hogere reactiviteit vertonen met dit soort virussen, met respectieve titers van 1:2560 en 1:1280.

Het is voor het tweede opeenvolgende jaar dat een nieuwe variant van influenza A/H1-virussen zich aandient. Ook afgelopen seizoen werd een nieuwe variant waargenomen, de reeds genoemde A/Solomon Islands/3/06, nadat gedurende 7 jaar de A/New Caledonia/20/99-variant de meest dominante was.3

Influenza A(H3N2)-virussen

De A(H3N2)-virussen die in het seizoen 2007/’08 in Nederland werden geïsoleerd, vormden een homogene groep, die in tabel 2 wordt vertegenwoordigd door A/Nederland/348/07. Deze virussen vertoonden overeenkomsten met de A/Wisconsin/67/05-achtige vaccinstam X-161B, al werden de homologe titers van het antiserum dat tegen deze vaccinstam was opgewekt niet gehaald.

De HART-gegevens van de A/H3N2-virussen werden ook geanalyseerd met antigene cartografie (figuur 3). Met deze methode kunnen complexe HART-gegevens uit verschillende tabellen gecombineerd en gevisualiseerd worden, hetgeen de interpretatie ervan aanzienlijk vereenvoudigt.5 Op deze wijze bleken de A/H3N2-virussen, die sinds 1968 uitbraken van influenza veroorzaken, te kunnen worden gegroepeerd in 11 clusters. Zoals uit figuur 3 blijkt, behoren de in het afgelopen seizoen geïsoleerde influenza A/H3N2-virussen alle tot het zogenaamde A/Fujian/411/02-cluster, waarbinnen wel sinds de eerste introductie in het seizoen 2002/’03 antigene drift is opgetreden. Deze antigene veranderingen maakten al meerdere malen aanpassing van het vaccin noodzakelijk, en dat geldt ook voor het komende seizoen 2008/’09. De kaart maakt duidelijk dat de Nederlandse A/H3N2-virussen van het afgelopen seizoen goede overeenkomsten vertonen met de gebruikte vaccinstam X-161B. Hoewel de Nederlandse A/H3N2-virussen van het afgelopen seizoen geen aanleiding vormen om de A/H3N2-component voor het 2008/’09 vaccin aan te passen, zal dit toch het geval zijn omdat elders weer een nieuwe antigene variant is waargenomen, met als referentiestam A/Brisbane/ 10/07; hierop komen wij terug bij de vaccinsamenstelling voor het seizoen 2008/’09.4 De in Nederland geïsoleerde virussen vertonen ook een goede reactiviteit met antisera die tegen deze nieuwe vaccinreferentiestam en het nieuwe vaccinvirus X-175C voor het seizoen 2008/’09 zijn opgewekt (zie tabel 2; antigene cartografie niet getoond).

Influenza B-virussen

De surveillance van influenza B-virussen en de selectie van vaccinstammen voor dit type worden gecompliceerd door het tegelijkertijd circuleren van virussen die behoren tot twee verschillende fylogenetische lijnen die ook antigenetisch sterk van elkaar verschillen, te weten de B/Victoria/2/87-lijn en de B/Yamagata/16/88-lijn. De verhouding tussen de aantallen isolaten van deze twee lijnen wisselt per jaar en per land. Wereldwijd werden ook in het afgelopen seizoen virussen van beide lijnen geïsoleerd. Voor de influenzaseizoenen 2006/’07 en 2007/’08 werd de vaccinstam A/Malaysia/2506/04 gebruikt, die behoort tot de B/Victoria/2/87-lijn. Echter, net als in het influenzaseizoen 2006/’07 werden in Nederland in het seizoen 2007/’08 uitsluitend influenza B-virussen van de B/Yamagata/16/88-lijn geïsoleerd.3 Zoals uit tabel 3 blijkt, reageren antilichamen opgewekt tegen de vaccinstam inderdaad niet met de epidemische stammen van dit jaar, in de tabel vertegenwoordigd door B/Nederland/346/07 en B/Nederland/150/08.

Inmiddels is voor het volgende influenzaseizoen een nieuwe vaccinstam geselecteerd, ditmaal van de B/Yamagata/ 16/88-lijn. Hiertegen opgewekte antilichamen reageren wel met de huidige epidemische stammen uit Nederland. De relatief slechte reactiviteit met de stam B/Nederland/150/08 wordt mogelijk veroorzaakt door lage aviditeit van deze stam (een inherente eigenschap van sommige virussen om slecht te reageren met antisera). Dit blijkt uit de lage homologe titers van het antiserum dat tegen deze stam is opgewekt (1:80; zie tabel 3).

oseltamivir-resistente influenza a(h1n1)-virussen

Een bijzondere verrassing was dat er in het voorbije seizoen bij de routine-influenzasurveillance op grote schaal influenza A(H1N1)-virussen werden waargenomen die resistent waren tegen oseltamivir, een neuraminidaseremmer die op indicatie, als geneesmiddel tegen influenza wordt gebruikt.6 Dergelijke virussen werden voordien alleen sporadisch gevonden en ze leken zich niet verder te verspreiden. De resistentie wordt veroorzaakt door een mutatie in het neuraminidase-eiwit van het virus en wel op positie 274 (nummering van het neuraminidasesubtype 2). Op deze plaats werd een histidinemolecuul vervangen door een tyrosinemolecuul (code van de mutatie: H274Y) waardoor het neuraminidase ongevoelig wordt voor oseltamivir, maar nog wel gevoelig blijft voor de neuraminidaseremmer zanamivir.

Deze resistente virussen werden voor het eerst gesignaleerd in een aantal andere Europese landen waaronder Frankrijk, Denemarken, Groot-Brittannië en vooral Noorwegen, maar ook in Nederland. Vanaf week 52 van 2007 werden hier de eerste oseltamivirresistente stammen geïsoleerd: in week 52 van 2007 tot en met week 3 van 2008 bleek 16 van de influenza A(H1N1)-virussen resistent. Van week 4 tot en met week 11 van 2008 was ongeveer een derde van alle A(H1N1)-isolaten resistent. In de weken 12-15 werden nog 6 A(H1N1)-virussen geanalyseerd, waarvan er 1 resistent was. Na week 15 werden geen influenza A(H1N1)-virussen meer waargenomen en dus ook geen resistente.

Van de 171 influenza A(H1N1)-virussen uit het gehele seizoen die werden getest op aanwezigheid van de H274Y-substitutie in het neuraminidase en op gevoeligheid voor oseltamivir bleek 27 resistent. De WHO rapporteerde dat er geen verband kon worden gelegd tussen het gebruik van oseltamivir en het ontstaan van de resistentie (Influenza A(H1N1) virus resistance to oseltamivir. Last quarter 2007 to first quarter 2008. Preliminary summary and future plans. 13 June 2008: www.who.int/csr/disease/influenza/oseltamivir_summary/en/index.html).

Wel is duidelijk geworden dat de resistente stammen prima van mens op mens kunnen worden overgedragen. De tot nu toe geteste Nederlandse influenza A(H3N2)- en B-virussen bleken gevoelig voor oseltamivir. Het middel wordt in Nederland zelden gebruikt. Alleen bij uitbraken in verpleeghuizen wordt het ingezet om de epidemie te stoppen en op speciale indicatie, bijvoorbeeld bij immuungecompromitteerde grieppatiënten.

Uitbraken in verpleegtehuizen worden vrijwel nooit veroorzaakt door influenza A(H1N1)-virussen.

In specifieke gevallen zal het bestaan van resistente influenzavirussen wel consequenties kunnen hebben voor de behandeling van patiënten. Immuungecompromitteerde patiënten kunnen langdurig geïnfecteerd zijn met een influenzavirus en worden daarom behandeld met oseltamivir. In Nederland is dit seizoen tenminste één sterfgeval gemeld onder dergelijke patiënten met een infectie met een oseltamivirresistent influenza A(H1N1)-virus, die zonder resultaat werden behandeld met het geneesmiddel. Mogelijk dat behandeling met andere antivirale middelen, zoals zanamivir en amantadine, een zogenaamde M2-remmer, bij dergelijke patiënten uitkomst kan bieden. Echter, er moet rekening mee worden gehouden dat een groot deel van de huidige A(H3N2)-virussen en een substantieel deel van de A(H1N1)-virussen ook natuurlijke resistentie vertonen tegen het middel amantadine. Bovendien is amantadine alleen werkzaam tegen influenza A-virussen.

De opgetreden resistentie tegen oseltamivir betekent vooral een waarschuwing dat er zich binnen een influenzavirustype of -subtype plotseling en zelfs zonder selectiedruk door het geneesmiddel een resistente mutant kan ontwikkelen die gedurende één seizoen een groot deel van de gevoelige viruspopulatie kan vervangen. Dit kan mogelijk ook gebeuren bij het subtype A(H3N2) of bij een pandemisch aviair influenza A-virus als A(H5N1). Dat laatste zou de in diverse landen – waaronder Nederland – aangelegde voorraden oseltamivir onbruikbaar maken.

vaccinsamenstelling voor het seizoen 2008/’09

In februari vond te Genève de jaarlijkse vergadering van de WHO plaats over de samenstelling van het vaccin op het noordelijk halfrond voor het volgend seizoen (2008/’09). Op basis van virologische en epidemiologische informatie die de WHO via de NIC’s en de 4 WHO-referentielaboratoria verzamelde, werd een advies uitgebracht over de vaccinsamenstelling voor het volgende influenzaseizoen.4 De volledige aanbeveling van de WHO voor de samenstelling van het influenzavaccin voor het noordelijk halfrond in het seizoen 2008/’09 is weergegeven in tabel 4. Alle vaccincomponenten zijn vervangen ten opzichte van de samenstelling van het vaccin dat werd gebruikt in het seizoen 2007/’08. Hieronder volgt een toelichting bij het op deze vergadering uitgebrachte advies.

Toelichting

De meeste influenza A(H1N1)-virussen die wereldwijd werden waargenomen, bleken nauw verwant aan A/Solomon Islands/3/06, die in het afgelopen seizoen als vaccinreferentiestam is gebruikt. Een toenemend aandeel van de virussen van dit subtype bleek echter af te wijken van de vaccinstam en vertoonde grotere gelijkenis met de referentiestam A/Brisbane/59/07. Tegen deze nieuwe variant bleek het huidige vaccin aanzienlijk minder effectief en daarom is besloten om een A/Brisbane/59/07-achtig virus als A(H1N1)-component voor het nieuwe vaccin aan te bevelen.4 Sommige naar de WHO-referentielaboratoria opgestuurde A(H3N2)-virussen bleken in de HART grote gelijkenis te vertonen met de vaccinreferentiestam A/Wisconsin/ 67/05. Echter, de meeste virussen bleken meer te lijken op de stam A/Brisbane/10/07 die al als vaccinstam voor 2008 voor het zuidelijk halfrond gekozen was. Overigens behoort zowel A/Brisbane/10/07 als A/Wisconsin/67/05 tot het zogenaamde A/Fujian/02-cluster en deze twee virussen zijn dan ook nauw aan elkaar verwant. Omdat humane sera na vaccinatie met het A/Wisconsin/67/05-achtige vaccinvirus X-161B minder goed reageren met recente epidemische stammen dan met de vaccinstam zelf, is besloten om ook de A(H3N2)-component aan te passen. Aanbevolen werd om een A/Brisbane/10/07-achtige stam op te nemen in het influenza-vaccin voor 2008/’09.4

De keuze van een goede influenza B-vaccinstam blijft problematisch aangezien twee fylogenetische lijnen van dit type, de B/Victoria/2/87-lijn en de B/Yamagata/16/88-lijn, tegelijkertijd blijven circuleren, terwijl het productietechnisch en economisch niet haalbaar is om twee influenza B-stammen in het vaccin op te nemen. Virussen van deze twee lijnen verschillen aanzienlijk in genetisch en antigenetisch opzicht. In het afgelopen seizoen bleken de meeste virussen van de B/Victoria/2/87-lijn nauw verwant te zijn aan de vaccinstam B/Malaysia/2506/04, maar er werden ook in toenemende mate driftvarianten waargenomen. Virussen van de B/Yamagata/16/88-lijn bleken voor het merendeel nauw verwant aan de referentiestam B/Florida/4/2006. Zoals kon worden verwacht, induceerde het vaccin slechts in beperkte mate beschermende antilichaamresponsen tegen recente epidemische virussen van de B/Yamagata/16/88-lijn. Omdat B/Yamagata/16/88-achtige virussen in het afgelopen jaar wereldwijd overheersten, heeft de WHO een B/Florida/4/06-achtig virus aanbevolen als vaccinstam voor het noordelijk halfrond in het seizoen 2008/’09.4

Patiëntenmateriaal en influenzavirusisolaten werden gedurende het seizoen 2007/’08 naar het NIC verstuurd door: Ziekenhuis Eemland, locatie De Lichtenberg, Amersfoort (dr.H.Schreuder), Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid, Amsterdam (dr.S.M.Bruisten en dr.M.Damen); Slotervaartziekenhuis, afd. Bacteriologie, Amsterdam (dr.W.Pauw); VU Medisch Centrum, Laboratorium voor Klinische Microbiologie, Amsterdam (dr.A.M.Simoons-Smit); Diagnostisch Centrum SSDZ, afd. Medische Microbiologie, Delft (dr.R.W.Vreede); Streeklaboratorium voor Pathologie en Microbiologie, Enschede (dr.M.G.R.Hendrix), Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid, Groningen (dr.J.Schirm en dr.R.Benne); Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid, Leeuwarden (dr.A.M.W.van Elsacker-Niele); Leids Universitair Medisch Centrum, Centraal Klinisch Virologisch Laboratorium, Leiden (prof.dr.A.C.M.Kroes); Universitair Medisch Centrum St Radboud, Laboratorium voor Medische Microbiologie, Nijmegen (prof.dr.J.Galama); Medisch Centrum Rijnmond-Zuid (dr.J.Buitenwerf en dr.O.Pontesilli); Erasmus MC, afd. Virologie, Rotterdam (dr.G.J.J.van Doornum); Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid, Terneuzen (dr.B.Hendrickx); Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid, Tilburg (dr.M.F.Peeters); Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht (dr.A.M.van Loon); Diakonessenhuis, afd. Medische Microbiologie, Utrecht (dr.R.J.Diepersloot en dr.J.A.Kaan); Stichting PAMM, Laboratorium voor Medische Microbiologie, Veldhoven (dr.J.Tjhie); Streeklaboratorium voor de Volksgezondheid, Venlo (dr.T.Trienekens).

Dit onderzoek was niet mogelijk geweest zonder de peilstationhuisartsen van het NIVEL die aan de virologische influenzasurveillance deelnamen. De referentie-influenzavirussen en de antisera werden ter beschikking gesteld door dr.A.Hay van het World Influenza Centre in Londen. Technische ondersteuning werd verleend door R.van Beek (Erasmus MC), M.Jonges, W.Tilstra, S.Jenny, A.Glas en F.Dijkstra (RIVM) en M.Heshusius-van Valen en A.Arkema (NIVEL).

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Jong JC de, Rimmelzwaan GF, Bartelds AIM, Meijer A, Fouchier RAM, Osterhaus ADME. Het influenzaseizoen 2004/’05 in Nederland met de grootste epidemie van de laatste 5 jaar, door virusvariant A/California, en de vaccinsamenstelling voor het seizoen 2005/’06. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:2355-61.

  2. Rimmelzwaan GF, Jong JC de, Donker GA, Meijer A, Fouchier RAM, Osterhaus ADME. Het influenzaseizoen 2005/’06 in Nederland en de vaccinsamenstelling voor het seizoen 2006/’07. Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2209-14.

  3. Jong JC de, Rimmelzwaan GF, Donker GA, Meijer A, Fouchier RAM, Osterhaus ADME. Het influenzaseizoen 2006/’07 in Nederland en de vaccinsamenstelling voor het seizoen 2007/’08. Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:2158-65.

  4. Recommended composition of influenza virus vaccines for use in the 2008-2009 influenza season. Wkly Epidemiol Rec. 2008;83:81-7.

  5. Smith DJ, Lapedes AS, Jong JC de, Bestebroer TM, Rimmelzwaan GF, Osterhaus ADME, et al. Mapping the antigenic and genetic evolution of influenza virus. Science. 2004;305:371-6.

  6. Lackenby A, Hungnes O, Dudman SG, Meijer A, Paget WJ, Hay AJ, et al. Emergence of resistance to oseltamivir among influenza A(H1N1) viruses in Europe. Euro Surveill. 2008;13 pii:8026.

Auteursinformatie

Erasmus MC-Centrum, afd. Virologie, Postbus 2040, 3000 CA Rotterdam.

Hr.dr.G.F.Rimmelzwaan, hr.dr.J.C.de Jong, hr.prof.dr.R.A.M.Fouchier en hr.prof.dr.A.D.M.E.Osterhaus, virologen.

Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg, Utrecht.

Mw.dr.G.A.Donker, huisarts-epidemioloog en projectleider peilstations Nederland.

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Centrum Infectieziektebestrijding, Laboratorium voor Infectieziekten en Screening, Bilthoven.

Hr.dr.A.Meijer, viroloog.

(g.rimmelzwaan@erasmusmc.nl).

Contact hr.dr.G.F.Rimmelzwaan (g.rimmelzwaan@erasmusmc.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties