Geen spectaculaire ontwikkeling van medische schadeclaims in Nederland: 1993/'01 in vergelijking met 1980/'90

Perspectief
J.H. Hubben
I. Christiaans
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:1250-5
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Inzicht krijgen in het aantal en de aard van de schadeclaims die zich in de periode 1993/’01 hebben voorgedaan in bij MediRisk verzekerde ziekenhuizen, en deze vergelijken met die in de periode 1980/'90.

Opzet

Descriptief.

Methode

Gegevens werden verzameld uit het registratiesysteem voor schadeclaims van MediRisk, een verzekeraar tegen medische aansprakelijkheidsrisico's. De gegevens waren bijgewerkt tot en met 31 oktober 2002. Er waren 4058 claims in 3316 gesloten en 742 open dossiers. De uitkomsten werden vergeleken met die van een vergelijkbaar onderzoek over de periode 1980/’90 (3970 claims; 1550 onderzochte dossiers). Aantallen operaties in de periode 1990-2001 werden opgevraagd bij Prismant te Utrecht. Door dossieronderzoek werd informatie verkregen over het gebruik van juridische procedures.

Resultaten

Vergeleken met 1980/'90 was er in 1993/’01 een toename (34) van het aantal ingediende schadeclaims over medisch handelen. Die toename was kleiner dan de groei van het aantal risicovolle ingrepen (47). Het percentage afgewezen schadeclaims was 60 in de periode 1980/'90 en 68 in 1993/’01. In beide perioden betroffen de meeste schadeclaims snijdende specialismen, in het bijzonder algemene chirurgie. In 370 van de 3316 gesloten dossiers (11) was een juridische procedure vermeld: klachtencommissie (5; in 1980/'90 waren ziekenhuizen niet verplicht een klachtencommissie te hebben), civiele rechter (3; was 4 in 1980/’90) en Tuchtcolleges Gezondheidszorg (3; was 6 in 1980/'90).

Conclusie

De toename van het aantal schadeclaims tegen bij MediRisk verzekerde ziekenhuisorganisaties was beperkt in vergelijking met het aantal verrichte medische ingrepen. Het aantal juridische procedures over deze claims was in absolute zin toegenomen, maar in verhouding met het aantal schadeclaims afgenomen.

Medische schadeclaims vormen een veelbesproken onderwerp. De discussie daarover wordt echter bemoeilijkt doordat er weinig recent onderzoeksmateriaal beschikbaar is. Na 1992 is in Nederland geen grootschalig dossieronderzoek meer uitgevoerd. Het vóór 1992 uitgevoerde onderzoek omvatte de verzekeringsmaatschappijen die destijds samenwerkten in de herverzekeringspool MAR en Centraal Beheer.1 2 De daarbij betrokken maatschappijen verzekerden samen 80 van de Nederlandse ziekenhuizen. Het onderzoek strekte zich uit over de in de periode 1980/'90 ingediende schadeclaims wegens door medisch handelen veroorzaakt letsel in een ziekenhuis. In die periode waren bij deze verzekeraars 3970 schadeclaims ingediend. Hiervan waren, op basis van een representatieve steekproef, 1550 schadedossiers onderzocht. Er bleek geen alarmerende ontwikkeling van schadeclaims in Nederland, hoewel al- lang ‘Amerikaanse toestanden’ waren aangekondigd.

Sinds 1992 is de situatie op het terrein van de verzekering van medische aansprakelijkheid ingrijpend gewijzigd. De herverzekeringspool MAR functioneert feitelijk niet meer en de opvattingen over de rol van het aansprakelijkheidsrecht bij de verwerking van persoonlijk leed zijn gewijzigd.3 In 1993 is de Onderlinge Waarborgmaatschappij MediRisk van start gegaan. Dit bedrijf verzekerde medio 2002 bijna 70 ziekenhuisorganisaties tegen medische aansprakelijkheidsrisico's.

Deze ontwikkeling was de aanleiding om, op basis van de schadeafwikkeling door MediRisk, te onderzoeken welke veranderingen zich sedert 1992 hadden voorgedaan in vergelijking met de eerder onderzochte periode. Het ging daarbij in het bijzonder om de financiële en de medische aspecten van schadeclaims. Daarnaast onderzochten wij of de veelgehoorde veronderstelling juist is dat in toenemende mate wordt geprocedeerd over medische schadeclaims.

methode

Wij maakten gebruik van het registratiesysteem voor schadeclaims dat door MediRisk is ontwikkeld. Dit is grotendeels gebaseerd op de indeling die is gehanteerd in het onderzoek van schadeclaims over de periode 1980/’90. MediRisk verschafte ons toegang tot de uitkomsten van die registratie en tot de daaraan ten grondslag liggende niet-medische gegevens.

Het bij MediRisk uitgevoerde onderzoek over de periode 1993/'01 omvatte alle gesloten dossiers en was niet gebaseerd op een steekproef, zoals het onderzoek over de periode 1980/’90. De gegevens van die gesloten dossiers waren bijgewerkt tot en met 31 oktober 2002. Bij een aantal onderdelen betrokken wij alle dossiers, dus ook de openstaande, dat wil zeggen lopende schadeclaims. Er waren in totaal 4058 dossiers: 3316 gesloten en 742 open.

Vergelijking tussen 2 perioden

Een vergelijking met de uitkomsten van het eerste onderzoek, over 1980/'90, kon niet zonder meer worden gemaakt. Het eerste onderzoek bestreek een periode van 10 jaar, betrof 75 van de algemene ziekenhuizen en omvatte ook academische ziekenhuizen. Het tweede onderzoek bestreek een periode van 8 jaar (1993/’01), omvatte 70 van de algemene en geen academische ziekenhuizen.

Om een vergelijking van de ontwikkeling van het aantal schadeclaims mogelijk te maken, werden enkele correcties toegepast. De onderzochte periode in beide onderzoeken werd gelijkgemaakt door de eerste 2 jaar van de onderzoeksperiode 1980/'90 buiten beschouwing te laten. Vervolgens werden de claims tegen academische ziekenhuizen in de periode 1982/’90 in mindering gebracht op het totale aantal claims in die periode. Omdat het percentage algemene ziekenhuizen in beide onderzoeken nauwelijks verschilde (75 in de eerste onderzoeksperiode en 70 in de tweede), werd daarvoor geen afzonderlijke correctie toegepast. Behoudens de ontwikkeling van het aantal schadeclaims, werd de gehele periode 1980/'90 in de vergelijking betrokken.

Om het aantal claims te kunnen vergelijken met het aantal operaties, werden gegevens hierover opgevraagd bij Prismant te Utrecht.

Juridische procedures

Aan het gebruik van juridische procedures werd afzonderlijk aandacht besteed. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen de civiele rechter, het Tuchtcollege Gezondheidszorg en de klachtencommissie van het ziekenhuis. Hiertoe werd een dossieronderzoek uitgevoerd waarbij alle dossiers werden geselecteerd waarin één of meer procedures waren gevoerd. Vervolgens werd de helft van deze dossiers onderzocht, met dien verstande dat een steekproef werd genomen waarin elk tweede dossier werd betrokken.

resultaten

Aantallen claims

Van de 3970 schadeclaims die in 1980/-’90 waren ingediend, waren 3890 uit de jaren 1982/'90. Hiervan betroffen 862 (22,2) een academisch ziekenhuis; na aftrek daarvan resteerden 3028 schadeclaims voor 1982/’90. In 1993/'01 waren 4058 claims ingediend (+34). Het aantal operaties was met 47 toegenomen: van 910.000 in 1990 tot 1.340.083 in 2001.

Het gemiddelde aantal gemelde schadeclaims per ziekenhuisorganisatie per jaar vertoonde in de loop van de onderzoeksperiode weinig fluctuatie. In 1994 ging het om 10,7 claims per ziekenhuis en in 2000 om 13. Over de gehele onderzoeksperiode waren per ziekenhuis gemiddeld 12,4 schadeclaims per jaar ingediend.

In 1980/’90 was bij 60 (924/1550) van de ingediende en gesloten schadeclaims aansprakelijkheid afgewezen. In 1993/'01 was dit 68 (2254/3316).

Betalingen

In 1980/’90 was ruim de helft van alle uitkeringen in gesloten dossiers lager dan ƒ 5.000,– (tabel 1). 15 betrof een bedrag tussen ƒ 5000,– en ƒ 10.000,–. Dit betekent dat 68 van de uitkeringen minder dan ƒ 10.000,– bedroeg. Meer dan 10 lag boven ƒ 50.000,–, terwijl het in 3 van de gevallen ging om een uitkering hoger dan ƒ 100.000,–. Ook in 1993/'01 was ongeveer 70 van de uitkeringen lager dan € 5.000,– (zie tabel 1).

De gemiddelde betaling per gesloten claim bedroeg in 1993/’01 € 3.303,–. Dit gemiddelde werd berekend over alle dossiers, terwijl in het merendeel van de dossiers geen betaling was gevolgd wegens afwijzing van aansprakelijkheid of sluiting van het dossier zonder oordeel daarover. MediRisk had in 1993/'01 in de gesloten dossiers die tot een uitkering leidden, in totaal 13,4 miljoen euro aan betalingen gedaan. Van dit bedrag betrof 80 vergoedingen die aan de getroffene of diens nabestaanden waren gedaan en 20 was besteed aan de met de afhandeling van de claims gemoeide kosten: (pre)proceskosten (13), kosten van medische advisering (3), kosten in verband met het opvragen van medische informatie (1) en kosten van de schaderegelaar (3). De genoemde 20 is exclusief de kosten, met name wegens rechtsbijstand, die de getroffene of diens nabestaanden in het kader van de schadeclaim hadden gemaakt.

Uitgaande van de schadelast – dat wil zeggen betalingen in gesloten dossiers én gereserveerde en betaalde bedragen in open (nog lopende) dossiers – was in 1993/’01 een totaal bedrag gemoeid van 23,4 miljoen euro, ofwel gemiddeld € 5781,– per schadedossier. Er was in de onderzoeksperiode nauwelijks een stijging van de gemiddeld met medische schadeclaims gemoeide uitkering en de daarmee gemoeide gemiddelde schadelast. De gemiddelde betaling bedroeg in 1993 € 3734,– en in 1997 € 3785,–. De gemiddelde schadelast was in 1993 € 6751,– en in 1997 € 6941,–. Dat neemt overigens niet weg dat soms hoge schadeclaims waren gehonoreerd. In de onderzoeksperiode waren 5 uitkeringen groter dan 100.000 euro gedaan, terwijl 14 uitkeringen 50.000-100.000 euro bedroegen.

Afwikkelduur

De tijdsduur die gemiddeld gemoeid was met de afwikkeling van een schadeclaim, was 20 maanden in 1980/'90 en 33 maanden in 1993/’01.

Disciplines

In 1980/'90 betrof 62 van de gemelde schadeclaims snijdend specialisten. In 1993/’01 was dat 65. Binnen deze groep was in beide onderzoeksperioden de algemene chirurg koploper. Het aandeel niet-snijdend specialisten in het aantal gemelde claims was in 1993/'01 lager dan in 1980/’90, terwijl het aantal schadeclaims naar aanleiding van handelen van verpleegkundigen en paramedisch personeel ongeveer gelijk was (data niet getoond).

In tabel 2 staan de absolute aantallen schadeclaims per medisch specialisme op volgorde van grootte, met daarbij ook de volgorde naar de hoogte van de gedane betalingen, in 1993/'01. Onder de snijdend specialisten staan chirurgen en orthopedisch chirurgen bovenaan in beide rangorden. Wat betreft de totale schadelast werd de algemeen chirurg gevolgd door de orthopedisch chirurg, de gynaecoloog en de anesthesioloog.

Het merendeel van de gesloten schadeclaims naar aanleiding van behandeling door specialisten betrof het bewegingsapparaat. In afnemende volgorde ging het om rug- en wervelkolom, heupgewricht, vinger, onderbeen, knie, hand, voet, pols en arm. Ook qua betalingen stond het bewegingsapparaat voorop. Vooral rug- en wervelkolom, heupgewricht, knie en arm stonden hoog genoteerd in dit opzicht. Op het terrein van de gynaecologie lag begrijpelijkerwijs het accent op schadeclaims in verband met gevolgen voor het vrouwelijk geslachtsorgaan, inclusief uterus. Bij anesthesiologie stond gebitsbeschadiging voorop. Die werd op afstand gevolgd door beschadiging van rug en arm, waarbij nogal eens zenuwletsel of functiebeperking bestond.

In 1993/’01 was er bij 176 van de gesloten schadedossiers geen hulpverlener direct betrokken (tabel 3). Deze claims betroffen vooral valpartijen, waarvan de gevolgen doorgaans fracturen waren. Verder kwamen in deze categorie organisatorische tekortkomingen, materiaalfouten en links-rechtsverwisselingen voor. Met deze 176 schadeclaims was een totaalbedrag aan betalingen van ruim € 200.000,– gemoeid.

In 169 gesloten schadedossiers stond het handelen van een verpleegkundige centraal. Deze betroffen met name schadeclaims wegens de nazorg, val van een patiënt, medicatie of infuus, en verwisselingen.

Onderwerpen van de claims

De belangrijkste categorieën medische verrichtingen waarop gesloten schadeclaims in 1993/'01 betrekking hadden, zijn weergegeven in tabel 4. Het grootste deel van de gesloten claims had betrekking op operatieve verrichtingen (1). Op afstand volgden schadeclaims wegens een verkeerde diagnose of een gemiste aandoening (2), tekortkomingen in (na)zorg, begeleiding en controle (3) en niet-tijdige diagnostiek (4). Daarna volgden claims in verband met fractuurbehandeling (5) en het aansnijden, aanprikken of afbinden (6). Tekortkomingen in informatie en toestemming namen qua frequentie én qua betalingen de 7e positie in.

Schadeclaims wegens in- of extubatie kwamen relatief frequent voor (132 maal), maar leidden tot een betrekkelijk gering bedrag aan betalingen (bijna € 49.000,–). Het achterblijven van materiaal leidde ongeveer even vaak (115 maal) tot een schadeclaim, maar per saldo tot een veel groter bedrag aan uitkeringen (bijna € 500.000,–). Tekortkomingen in de dossiervoering stonden qua aantal meldingen op positie 21, maar qua hoogte van betalingen op positie 13.

In 1993/’01 was 3 van de gesloten schadeclaims ingediend en gehonoreerd wegens achtergebleven (operatie)materiaal. In 1980/'90 gold dat voor 3 van de ingediende schadeclaims en 2 van de gehonoreerde schadeclaims. Een andere overeenkomst tussen de perioden betrof de schadeclaims wegens tekorten aan informatie en toestemming. In 1980/’90 had 6 van de schadeclaims hierop betrekking. In de gesloten dossiers over 1993/'01 was dit 7. Bij het achterblijven van (operatie)materiaal en bij tekorten in informatie en toestemming ging het in laatstgenoemde periode om een schadelast van ongeveer 2 miljoen euro.

Juridische procedures

In 1993/’01 waren volgens de 3316 gesloten dossiers 370 procedures gevoerd (tabel 5). Procedures konden uiteraard alleen in kaart worden gebracht voorzover van de afloop daarvan melding was gemaakt in het schadedossier. Bij civiele procedures en tuchtklachten was dat vrijwel altijd het geval. Anders lag dit voor procedures bij de klachtencommissie van de ziekenhuizen; daarvan werd de uitkomst niet altijd gemeld aan de verzekeraar. In ongeveer 20 van de dossiers waarin melding was gemaakt van een klachtenprocedure, bevond de beslissing van de klachtencommissie zich niet in het dossier. Hieraan lagen mogelijk privacyoverwegingen ten grondslag.

In 1993/'01 was er verhoudingsgewijs minder over schadeclaims geprocedeerd bij de civiele rechter en de Tuchtcolleges Gezondheidszorg dan in 1980/’90 (zie tabel 5). Er leek een verschuiving te zijn opgetreden naar de klachtencommissies, die voor lichte klachten een geschikter forum waren.

De klachtencommissie van het ziekenhuis was in 1993/'01 ingeschakeld bij 174/3316 schadeclaims (5; zie tabel 5). In 61 van deze claims werd de klacht gegrond verklaard (tabel 6). In 21 van de gegrond verklaarde klachten volgde erkenning van aansprakelijkheid.

In 32 van de 53 gegrond verklaarde klachten (60) vond uiteindelijk een betaling plaats (zie tabel 6). In veel van die gevallen had het gegrond verklaren van de klacht de totstandkoming van een schikking of het doen van een betaling uit coulance bevorderd. Als de klacht was afgewezen door de klachtencommissie, was de kans op het honoreren van de betreffende schadeclaim 2.

Een civiele procedure was in 1980/’90 gevolgd in ongeveer 4 van de schadeclaims. In 1993/'01 was dat het geval bij 98 van de 3316 (3) schadeclaims. In de onderzochte gevallen waarin een civiele procedure was gestart, spitste het debat zich in 37 (76) schadeclaims toe op de aansprakelijkheidsvraag en in 12 (24) stond de bepaling van de omvang van de schade centraal. Verder eindigden 9 (18) civiele procedures in een vonnis van de rechter en 40 (82) eindigden na het uitbrengen van een deskundigenbericht. De helft van deze laatste categorie eindigde in een schikking en in de andere helft was het oordeel van de deskundige voor de eisende partij aanleiding om de civiele procedure te beëindigen.

Het aantal schadeclaims waarbij tevens een procedure bij het Tuchtcollege Gezondheidszorg was begonnen, was 6 in 1980/’90 en 3 in 1993/'01 (zie tabel 5). In 14 was de tuchtklacht gegrond verklaard en de aansprakelijkheid erkend (tabel 7). Verder kwam het voor dat in gevallen van ongegrondverklaring van de klacht toch erkenning van aansprakelijkheid volgde (8). In 63 van de gevallen waarin naast de tuchtklacht ook een schadeclaim was ingediend, was de klacht door het tuchtcollege ongegrond verklaard. Die ongegrondverklaring door het tuchtcollege vormde in belangrijke mate de basis voor de afwijzing van de schadeclaim.

beschouwing en conclusie

Vergeleken met de periode 1980/’90 was er in het tijdvak 1993/'01 een toename (34) van het ingediende aantal schadeclaims over medisch handelen in de bij MediRisk verzekerde ziekenhuisorganisaties. Die toename was kleiner dan de groei van het aantal risicovolle ingrepen (47). In beide perioden was ongeveer even vaak aansprakelijkheid afgewezen. Wij richtten ons op de ingediende schadeclaims en kunnen dus geen uitspraak doen over de ontwikkeling van het aantal incidenten waarin de getroffene of diens nabestaanden niet overgingen tot het indienen van een schadeclaim.

Het percentage afgewezen schadeclaims dat met een uitkering eindigde, was 60 in de jaren 1993/’01 en 68 in de periode 1980/'90. Bij de als vergoeding toegekende bedragen kan niet worden gesproken van een duidelijke groei ten opzichte van de periode 1980/’90 (zie tabel 1).

Het onderzoeksmateriaal leverde geen bevestiging van de hardnekkige berichten omtrent een explosieve stijging van het aantal ingediende medische schadeclaims en van de daarmee gepaard gaande uitkeringen.4 Daarin valt dus geen goede grond te vinden voor een ingrijpende wijziging van het systeem van aansprakelijkheid in de gezondheidszorg.5 6 Ook blijkt het beeld onjuist dat in de media stelselmatig wordt opgeroepen als zou in Nederland met hoge frequentie worden geprocedeerd over schadeclaims in de gezondheidszorg.7 In vergelijking met de periode 1980/'90 was er eerder een relatieve afname van het aantal schadeclaims waarover ook een procedure bij de civiele rechter was gevoerd. Ook het percentage procedures bij de Tuchtcolleges Gezondheidszorg in verband met schadeclaims was afgenomen. Er leek enige verschuiving naar de klachtencommissies. Uit het onderzoek komt naar voren dat, voor zover procedures bij de Tuchtcolleges Gezondheidszorg waren gevoerd in verband met schadeclaims, de uitkomst daarvan eerder bijdroeg aan de afwijzing van die schadeclaims dan aan de toewijzing daarvan.

Het verschil tussen de percentages claims die gegrond werden verklaard en die waarbij aansprakelijkheid werd erkend (zie tabel 6), is verklaarbaar omdat het oordeel over aansprakelijkheid van heel andere aard is dan het oordeel over de gegrondheid van een klacht. Aspecten als causaliteit en toerekenbaarheid spelen bij aansprakelijkheid een belangrijke rol. Bovendien zijn klachten qua inhoud vaak van andere aard. Bij klagers bestaat nogal eens de misvatting dat gegrondverklaring van de klacht door de klachtencommissie min of meer automatisch leidt tot erkenning van aansprakelijkheid door de verzekeraar.

In de periode 1993/’01 betrof (opnieuw) een belangrijk percentage van de schadeclaims voorvallen die zich betrekkelijk eenvoudig lenen voor preventie. Het percentage gehonoreerde schadeclaims in verband met achtergebleven (operatie)materiaal was vrijwel onveranderd ten opzichte van de periode 1980/'90 (3). Het percentage schadeclaims dat in belangrijke mate was gebaseerd op een verwijt over problemen met informatie en toestemming was zelfs iets hoger (7 in 1993/’01 versus 6 in 1980/'90). Dit betekent dat in dit opzicht, ondanks alle tot nu toe ter preventie getroffen maatregelen, nog voldoende reden bestaat om een actief schadepreventiebeleid te voeren.

Mw.drs.A.Hamersma, verbonden aan MediRisk te Utrecht, was behulpzaam bij het toegankelijk maken van het onderzoeksmateriaal.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: MediRisk.

Literatuur
  1. Angenent LG, Hubben JH. Medische schadeclaims in Nederland1980-1990. Nijmegen: Katholieke Universiteit; 1992.

  2. Hubben JH, Angenent LG. Medische schadeclaims inNederland. Een onderzoek over de periode 1980-1990. Med Contact1992;47:557-61.

  3. Manen G van, redacteur. De rol van hetaansprakelijkheidsrecht bij de verwerking van persoonlijk leed. Den Haag:Boom Juridische Uitgevers; 2003.

  4. Zuidema T. De wurggreep van de medische schadeclaims. Artsen Auto 2003;2:16-7.

  5. Dute JCJ, Fauré MG, Koziol H. Onderzoek no-faultcompensatiesysteem. Den Haag: ZorgOnderzoek; 2002.

  6. Hubben JH. Geschillencommissie Ziekenhuizen van start. Eenexperiment in dertig ziekenhuizen. Med Contact 1996;51:1238-9.

  7. Hubben JH. Vermeende ‘Amerikaanse toestanden’in de gezondheidszorg en de rol van de media. Nederlands Juristenblad 2003;nr 38:2020-1.

Auteursinformatie

Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, sectie Gezondheidsrecht, Amsterdam.

Hr.prof.mr.J.H.Hubben (tevens: Nysingh Advocaten & Notarissen, Postbus 9220, 6800 KA Arnhem) en mw.mr.I.Christiaans, gezondheidsjuristen.

Contact hr.prof.mr.J.H.Hubben

Gerelateerde artikelen

Reacties

G.J.
Houwert

Zeist, juni 2004,

Hubben en Christiaans (2004:1250-5) concluderen in de samenvatting van hun artikel het volgende: ‘De toename van het aantal schadeclaims tegen bij MediRisk verzekerde ziekenhuisorganisaties was beperkt in vergelijking met het aantal verrichte medische ingrepen. Het aantal juridische procedures over deze claims was in absolute zin toegenomen, maar in verhouding met het aantal schadeclaims afgenomen.’

De auteurs geven hier een relatie aan tussen het aantal schadeclaims en het aantal verrichte medische ingrepen (en daarmee bedoelen zij aantallen operaties). In de titel zijn de auteurs niet zo specifiek en extrapoleren zij de bevindingen die betrekking hebben op de operatieaantallen en de daarbijbehorende aantallen claims, ook naar die van de niet-snijdende en de ondersteunende specialisten. Mijns inziens is de algemene boodschap die verwoord wordt in de titel van dit artikel derhalve niet onderbouwd. Dat is ze pas indien aantallen patiëntencontacten in de beide vergeleken perioden voor de genoemde specialismen worden vermeld en daaruit dezelfde conclusie als voor de snijdende specialisten kan worden afgeleid.

Tenslotte zou het voor de lezer interessant zijn te weten hoe vaak er in de vergeleken perioden op grond van welke criteria door MediRisk wordt geschikt, waardoor er niet behoeft te worden geprocedeerd.

G.J. Houwert
I.
Christiaans

Arnhem, juli 2004,

Houwert zou een punt hebben indien medische schadeclaims gelijkelijk zouden zijn verdeeld over snijdende en niet-snijdende specialisten. De werkelijkheid is echter anders: de snijdende specialisten nemen, zowel qua aantal schadeclaims als qua hoogte van de daarmee gepaard gaande betalingen, het leeuwendeel voor hun rekening. Uit tabel 2 van het artikel blijkt ook dat in de periode 1993-2001 drie keer zoveel schadeclaims over de snijdende specialisten zijn afgehandeld als over niet-snijdende collega's. De ontwikkeling op het gebied van de medische schadeclaims wordt dus bepaald door de snijdende specialismen en niet door de andere specialismen. De bedrijfsarts bijvoorbeeld komt in dat kader vrijwel niet voor.

De vraag naar de criteria die aan een schikking ten grondslag liggen, is inderdaad interessant, maar vormde geen onderdeel van de vraagstelling van ons onderzoek. Overigens valt die vraag aan de hand van dossieronderzoek nauwelijks te onderzoeken doordat een schikking in de regel het resultaat is van een ingewikkeld en langdurig proces van onderhandeling dat zich moeilijk laat reconstrueren.

I. Christiaans
J.H. Hubben