Freud en de psychiatrie rond 1900

Perspectief
G. Verwey
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:2187-90
Download PDF

artikel

Inleiding

Het feit dat het Freud en zijn discipelen waren die de geschiedschrijving van de psychoanalytische beweging begonnen, is er debet aan dat de receptie van de psychoanalyse in de academische wereld tot dusverre in hoofdzaak beschreven is als geschiedenis van de ‘weerstand’ tegen de Waarheid van de psychoanalyse (Freud, Jones, Gay),1-3 of omgekeerd, als reactie op die historiografische mythevorming, als ontmaskering van de ‘psychoanalytic legend’ (Sulloway).4 Het gaat er niet om de persoonlijke en (of) collectieve (machts)conflicten in deze relatie van Freud en de psychiatrie van zijn dagen te ontkennen – die conflicten waren maar al te reëel –, maar het gaat erom dat er ook een inhoudelijk, zakelijk aspect aan deze verhouding is dat in dergelijke psychologiserende benaderingen al gauw uit het zicht raakt.

De analyse van dat inhoudelijke aspect gaat in principe naar twee zijden: de analyse van de conflicterende oriëntaties (levens- en wereldbeschouwing; waarden) en de analyse van de (theoretische en praktische) uitgangspunten van beide disciplines die met die oriëntaties harmoniëren, zonder daar direct uit afgeleid te kunnen worden. Het eerste punt zal in dit artikel niet verder ter sprake kunnen komen. Ik volsta met een korte aanduiding van beide oriëntaties: tegenover Freuds levens- en wereldbeschouwelijk naturalisme en zijn verklaarde wil academische outsider te zijn (waardoor hij naar de geest verwant was aan de antiburgerlijke bohémiens op literair en artistiek gebied rond 1900) stonden het rationeelpositivistische waardensysteem en de dito burgerlijk-liberale levens- en wereldbeschouwing van de academische elite waartoe de vertegenwoordigers van de universitaire psychiatrie doorgaans behoorden.5 Het tweede punt daarentegen bepaalt de aard en opzet van dit artikel; het is de bedoeling een summiere schets te geven van de geschiedenis van de relatie tussen Freud en de psychiatrie rond 1900, niet in termen van persoonlijke of collectieve conflicten, maar in termen van de divergerende theoretische en praktische opties waartoe elk van beide partijen zich verplicht had.

Het thema ‘Freud en de psychiatrie’ omvat enerzijds Freuds verhouding tot de neuropathologische traditie en anderzijds zijn relatie tot de klinische psychiatrie van Bleuler en Kraepelin.

Freud en de neuropathologische traditie

De neuropathologische traditie kende een Oostenrijks-Duitse richting, met de voor Freud belangrijke Meynert en Wernicke als vertegenwoordigers (zij meenden dat alle ‘neurologische’ stoornissen, inclusief de psychiatrische, in fysiologische termen verklaard dienden te worden), en een Franse richting, waarvan Charcot de onbetwiste meester was (hij bepleitte klinische descriptie van de neuropathologische symptomen). Beide richtingen verschilden methodologisch, maar kwamen overeen in de onderschrijving van het lokalisatiedogma: het is in principe mogelijk psychiatrische aandoeningen in omschreven neuro-anatomische gebieden te lokaliseren. Meynert uitte deze opvatting in zijn ‘corticocentrische’ theorie; Charcot gaf blijk van dezelfde mening toen hij (sprekend over hysterische verlammingen) de notie van een ‘lésion état dynamique’ (in tegenstelling tot een ‘lésion état statique’, dat is een anatomische, structurele laesie) introduceerde voor een soort fysiologische laesie die, hoewel onzichtbaar, naar zijn verwachting met nog onbekende methoden geïdentificeerd en gelokaliseerd zou kunnen worden (bl. 408).6

Freud zelf was opgeleid in de school van Meynert, maar tijdens een vier maanden durend studieverblijf in 1885-1886 in Parijs raakte hij onder de bekoring van Charcot. Hij steunde aanvankelijk diens inzichten; in 1887-1889 echter begon hij de lokalisatieleer van Meynert en Charcot te kritiseren. Deze kritiek culmineerde in zijn monografie Zur Auffassung der Aphasien van 1891. Hij koos daarin partij voor het werk van de Engelse neuroloog John Hughlings Jackson. In openlijke kritiek op Meynert en Wernicke verwierp hij het (statische) lokalisationisme; hij verdedigde een relatieve ontkoppeling van – parallel gedachte – psychologische en fysiologische processen.7 Dit laatste maakte het mogelijk voortaan over psychologische processen onafhankelijk van hun organische substraat te theoretiseren.

Dit radicale anti-lokalisationisme deed Freud ook later (1915) iedere gedachte van de hand wijzen dat er een anatomische lokalisatie zou zijn van het Es, Ich en Über-Ich, de drie psychische systemen van het ‘psychisch apparaat’.8 Het bepaalde zijn uiteindelijke verhouding tot de neuropathologische traditie en opende de weg naar een dynamische psychologie en psychopathologie zoals die van de psychoanalyse (bl. 407).6 Het schiep daarmee voorts de voorwaarde voor een creatieve herinterpretatie van de categorie van ‘neuropathologische’ stoornissen die tot die tijd in de traditionele neuropathologische benadering vanwege het ontbreken van een duidelijke verankering in laesies van het organische substraat een restkarakter hadden: neurosen zoals hysterie, hypochondrie, epilepsie en neurasthenie, en meer specifiek de ‘cerebrale neurosen’ (R.von Krafft-Ebing) zoals sadisme, masochisme, fetisjisme en homoseksualiteit.

Freud en Von Krafft-Ebing

Freuds houding ten opzichte van de neuropathologisch georiënteerde psychiatrie kreeg gestalte in talrijke klinische studies, met als thematische zwaartepunten hysterie en de perversies. Hij kruiste daarin de degens met J-M.Charcot en zijn Weense collega Von Krafft-Ebing, die zich een grote naam verwierf met zijn Psychopathia sexualis (1886), maar in zijn opvattingen nog te zeer door de Franse degeneratieleer en de daarmee verbonden erfelijkheidsideeën beïnvloed was om veel instemming bij Freud te kunnen vinden.

Freuds relatie tot de ‘Hirnmythologie’ van Meynert en Wernicke eindigde formeel met zijn afrekening met het lokalisationisme in zijn eerder genoemde afasiestudie (1891). De verhouding tot Von Krafft-Ebing – op het persoonlijke vlak hoffelijk-gedistantieerd – zou in zijn werk gestalte krijgen in de jaren negentig van de 19e eeuw. Freuds ontwikkeling moest hem daarbij allengs van zijn oudere Weense collega verwijderen: de veronderstelling dat de neurosen een psychogene oorsprong hadden, impliceerde immers het terugdringen van de rol van de degeneratieve neuropathische constitutie waar Von Krafft-Ebing (met de Franse neuropathologen) aan vasthield. In een gestage exploratie van de mogelijkheden van het psychodynamische gezichtspunt ontwikkelde Freud de neurosenleer en in dat proces vond zijn creatieve toeëigening respectievelijk zijn herinterpretatie van de klinisch-psychiatrische traditie plaats.

In het perspectief van de geschiedenis van de toenmalige psychiatrie laat zich Freuds bijdrage als volgt verhelderen. De psychiatrie van de jaren tachtig van de vorige eeuw onderscheidde (teruggaand op Griesingers tweedeling van emotionelegeneeslijke versus intellectueleongeneeslijke zielsziekten) de organische en de functionele psychosen. In die optiek vormden de functionele psychosen (melancholie en manie, paranoia, hallucinatoire psychose, wanen, angstsymptomen) een restcategorie van de organische psychosen (dementie, idiotie, intoxicatiepsychosen), precies zoals de neurosen een restcategorie in de neuropathologische systematiek vormden. Welnu, het originele van Freud en dat wat zijn verhouding tot de psychiatrie (de beide hier onderscheiden tradities samen genomen) bepaalde, is dat hij deze dubbele verlegenheid tot zijn sterke punt heeft weten te maken: de ontwikkeling van de psychopathologische systematiek van de psychoanalytische neurosenleer sedert de jaren negentig van de 19e eeuw werd gerealiseerd in een synthese van de respectievelijke restcategorieën van de rond 1890 gangbare neuropathologische en psychiatrische systematiek – dus van de neurosen en de functionele psychosen.9

In dit proces speelde de ontdekking van de betekenis van de seksualiteit in die jaren een belangrijke rol. Deze ontdekking stimuleerde niet alleen tot opdeling van de vroegere hoofdklassen van neurosen (hysterie, hypochondrie, epilepsie, neurasthenie) in ‘Aktualneurosen’ (neurasthenie, angstneurose, hypochondrie) en ‘overdrachtsneurosen’ (dwangneurose, conversiehysterie, angsthysterie), maar voerde in 1905 tot een belangrijke herbepaling van het begrip ‘seksualiteit’ (bl. 33),10 die een nieuw licht wierp op de door Freud van Von KrafftEbing overgenomen categorie van de cerebrale neurosen als categorie van de perversies en deze binnen de cirkel van de psychodynamische beschouwing bracht; ik doel op de interpretatie van perversie als uitdrukking van libidineuze fixatie in het stadium van de vroeg-kinderlijke driftanarchie en op het begrip van de infantiele seksualiteit (bl. 91-2).10

Freud en de klinische psychiatrie van bleuler en kraepelin

De verovering van de categorie van de functionele psychosen – eindterm van de Napoleontische ambities die Freud als ‘conquistador’ voor ogen moet hebben gestaan – voerde (na 1900) noodzakelijk tot een confrontatie met de klinische psychiatrie van Bleuler en Kraepelin. Veel meer dan in zijn vroegere verhouding tot de neuropathologische traditie (inclusief Von Krafft-Ebing) komt hier zijn ambivalentie ten opzichte van de gangbare psychiatrie naar voren.

Kon Freud, zelf opgeleid in de neuropathologische traditie, nog menen door het uitoefenen van kritiek binnen het eigen – neuropathologische – kamp een nieuwe grondslag voor zijn psychodynamische inzichten te hebben veroverd, in de relatie met de klinische psychiatrie van Bleuler en vooral van Kraepelin lagen die zaken anders. De uitgangspunten van die psychiatrie (theoretisch en praktisch) waren op de keper beschouwd incompatibel met die van Freuds onderneming. Het bestaan van een op die uitgangspunten gebaseerde, invloedrijke en succesvolle, academisch-geïnstitutionaliseerde psychiatrie zoals die welke Kraepelin in de jaren 1891-1903 in Heidelberg gegrondvest had, moet wat dat betreft een regelrechte bedreiging van Freuds geesteskind, de psychoanalyse, zijn geweest. Vermoedelijk was er vóór circa 1910 eerder sprake van ‘weerstand’ bij Freud dan bij de – aanvankelijk vrij onverschillige – tegenpartij (bl. 249-63).11

Toen de confrontatie ten slotte wèl werd aangegaan, was daartoe een voorzet gegeven door E.Bleuler, die sinds circa 1906 zich voorzichtig positief over de psychoanalyse had uitgelaten (1996, 1908 (met Jung), 1911) en dan nog alleen indirect, namelijk door bemiddeling van jongeren die, begonnen als medewerkersleerlingen in Bleulers ‘Burghölzli’ (bij Zürich), ook leerlingen van Freud waren: C.G.Jung, K.Abraham, en wat later L.Binswanger.12-14 Zij waren het die als Freuds geniesoldaten de brug van de klinische psychiatrie naar de psychoanalyse sloegen en de psychiatrische restcategorie van de functionele psychosen in het gezichtsveld van de psychoanalyse brachten.1315

Anders was de relatie tussen Freud en de Heidelberger school van Kraepelin, hèt bolwerk van de officiële academische psychiatrie, en tot de machtsovername door de nazi's in 1933 toonaangevend in Europa (en daarbuiten). De incompatibiliteit van uitgangspunten maakte het hier op voorhand bijzonder moeilijk tot wederzijdse appreciatie te komen. Hoewel Kraepelin in zijn oratie te Dorpat (in Letland; 1887) de eenzijdig neuropathologische benadering in de psychiatrie had afgewezen en gepleit had voor de invoering van de (experimentele) psychologie à la Wundt,16 handhaafde hij in feite het degenerationistische vooroordeel. Zijn opvatting moest dan ook botsen met de claim van Freud – fundamenteel voor de psychoanalyse – dat hij wat de neurosen betreft nieuw land had veroverd op de neuropsychiatrie. De claim had ook een praktische zijde: deze impliceerde dat wat volgens de Kraepeliniaanse benadering ongeneeslijk was (omdat het berustte op een degeneratieve neuropathische constitutie) wel te genezen was (omdat het psychogeen was) – vooropgesteld dat men zich in de behandeling ook de moeite wilde getroosten om zich in de individuele persoonlijkheid van de patiënt te verdiepen in plaats van stil te blijven staan bij typerende diagnostische classificatie (bl. 258).11 Maar wat de relatie tussen de Kraepeliniaanse psychiatrie en de psychoanalyse uiteindelijk misschien wel het meest belastte, was een implicatie van de psychoanalytische psychologie, die – indien serieus genomen – de zin van het Kraepeliniaanse project van een nosologische psychiatrie ter discussie stelde. Ik bedoel daarmee het volgende. Niet alleen in de verschillende versies van zijn zogenaamde metapsychologie (tussen 1895 en 1915), maar ook in al zijn klinische studies is Freuds theoretische horizon die van een (interdisciplinair geconcipieerde) psychologie van het normale.17 Psychopathologie is bij Freud in feite pathopsychologie op de grondslag van wat G.Canguilhem (in navolging van A.Comte) het ‘Broussais-principe’ noemde: tussen gezond en ziek, normaal en abnormaal is geen kwalitatief verschil, maar alleen een gradueel, kwantitatief verschil.18 Hoewel Kraepelin in het Compendium van 1883,19 tot en met de 8e druk van zijn Lehrbuch in 9099 (bl. 533 e.v.),20 dit standpunt lijkt te onderschrijven, kon de feitelijke uitvoering van zijn steeds verder uitdijende nosologische systematiek moeilijk anders gezien worden dan als gebaseerd op een algemene psychopathologie (Jaspers‘ Allgemeine Psychopathologie van 1913 is in zekere zin de logische consequentie daarvan).2122 Vanuit de optiek van de psychoanalyse echter was de gedachte van een autonome algemene psychopathologie een ongerijmdheid: ze impliceerde namelijk dat het abnormale niet kwantitatief, maar kwalitatief van het normale verschilde – wat al in het uitgangspunt van Freuds onderneming (het Broussais-principe) was uitgesloten.23

Pas geleidelijk aan zou de vergaande incompatibiliteit van psychoanalyse en Kraepeliniaanse nosologische psychiatrie zichtbaar worden. Een onverenigbaarheid die niet alleen op het niveau van het psychiatrischpsychopathologisch denken lag, maar wortelde in een incompatibiliteit van oriëntaties (dat wil zeggen: speelde op het niveau van de filosofische vooronderstellingen). De wereld- en levensbeschouwelijke implicaties van de psychoanalyse, Freuds filosofische bindingen, die overigens voor insiders nooit een geheim waren geweest, kwamen duidelijk aan het licht toen hij (het eerst in Totem und Tabu in 1913) de psychoanalytische inzichten toepaste in de verheldering van de ‘filosofische’ problematiek van de oorsprongen van godsdienst, moraal, kunst en cultuur.24

Niet toevallig bereikte toen ook het antagonisme met de klinische psychiatrie een hoogtepunt. Met de correlatie van de vier hoofdstadia van de psychoseksuele ontwikkeling (het auto-erotische, narcistisch-homoseksuele, anaal-sadistische en fallische stadium) en de vier vormen van psychoneurose (dementia praecox, paranoia, dwangneurose en hysterie) zoals die rond 1913 was uiteengezet, was de psychopathologische systematiek van de psychoanalyse voltooid; voor ieder moest toen duidelijk zijn geworden dat de psychoanalyse tot een volwaardige tegenhanger van de toenmalige academische psychiatrie was uitgegroeid die in het vervolg van de geschiedenis van de psychiatrie onmogelijk meer genegeerd kon worden.

Na enkele schoten voor de boeg door Kraepelin in 1909 (bl. 498-9, 611-3)20 trad – voorbereid door A.Kronfeld (1912)25 – de Heidelberger school van psychiatrie in 1913 naar buiten met een expliciete stellingname tegenover de psychoanalyse: Kraepelin in zijn artikel over hysterie,26 Gruhle in zijn oratie,27 en Jaspers in zijn Allgemeine Psychopathologie.21 De teneur is zeer kritisch tot afwijzend.

Als in het jaar daarop onze landgenoot G.Jelgersma in zijn rede bij de rectoraatsoverdracht in Leiden onder de titel Ongeweten geestesleven een lans breekt voor de droomuitleg van Freud, is dat een teken dat het tij gekeerd is: coëxistentie van academische psychiatrie en psychoanalyse behoort voortaan tot de mogelijkheden.28 Freud is verrukt over deze eerste academische erkenning en schrijft aan Ferenczi op 14 februari 1914: ‘Stel je voor. Een officiële psychiater, Rector van een Universiteit, die de psychoanalyse met huid en haar verslindt. Wat voor verrassingen staan ons nog te wachten!’29

Met dank aan drs.A.van Bakel, arts-filosoof (Nijmegen), die – geraadpleegd als Kraepelin-expert – snel en doeltreffend antwoord wist te geven op enkele vragen die rezen toen ik dit artikel schreef.

Subsidie werd verleend door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek in het kader van het prioriteitsprogramma ‘De Nederlandse cultuur in Europese context’.

Literatuur
  1. Freud S. ‘Selbstdarstellung’. Schriften zurGeschichte der Psychoanalyse. Einleitung von I.Grubrich-Simitis. Frankfurta.M.: Fischer, 1989.

  2. Jones E. The life and works of Sigmund Freud. Edited andabridged by L.Trilling and S.Marcus. 5th ed. Harmondsworth: Penguin Books,1981.

  3. Gay P. Freud. A life for our time. New York: Norton,1988.

  4. Sulloway FJ. Freud, biologist of the mind. Beyond thepsychoanalytic legend. New York: Basic Books, 1979.

  5. Ringer FK. The decline of the German mandarines: theGerman academic community, 1890-1933. Cambridge, Mass.: Harvard UniversityPress, 1969.

  6. Solms M, Saling M. On psychoanalysis and neuroscience:Freud's attitude to the localizationist tradition. Int J Psychoanal1986;67:397-416.

  7. Freud S. Zur Auffassung der Aphasien. Eine kritischeStudie. Leipzig: Deuticke, 1891.

  8. Freud S. Gesammelte Werke. 6e Ed. Frankfurt a.M.: Fischer,1973;X:273.

  9. Olsen OA, Koppe S. Freud's theory of psychoanalysis.New York: New York University Press, 1988:217.

  10. Freud S. Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie. In:Gesammelte Werke. 6e Ed. Frankfurt a.M.: Fischer, 1981;V.

  11. Freud S. Psychoanalyse und Psychiatrie. In: GesammelteWerke. 8e Ed. Frankfurt a.M.: Fischer, 1986;XI.

  12. Bleuler E. Freud'sche Mechanismen in derSymptomatologie von Psychosen. Psychiatrisch-Neurologische Wochenschrift1906;35, 1906; 36.

  13. Bleuler E, Jung CG. Komplexe und Krankheitsursachen beiDementia praecox. Zentralblatt für Nervenheilkunde und Psychiatrie1908;31:220-7.

  14. Bleuler E. Die Psychoanalyse Freuds. Verteidigung undkritische Bemerkungen. In: Freud S, Bleuler E, editors. Jahrbuch fürpsychoanalytische und psychopathologische Forschungen. I. Band. Leipzig:Deuticke, 1911.

  15. Abraham K. The psychosexual differences between hysteriaand dementia praecox. In: Jones E, editor. Selected papers of Karl Abraham.4th ed. London: The Hogarth Press, 1949.

  16. Kraepelin E. Die Richtungen der psychiatrischenForschung. Vortrag gehalten bei Uebernahme des Lehramtes an der KaiserlichenUniversität Dorpat. Leipzig: Vogel, 1887.

  17. Kitcher P. Freud's dream. A completeinterdisciplinary science of mind. Cambridge, Mass: A Bradford BookTheMIT Press, 1992.

  18. Canguilhem G. On the normal and the pathological.Translated by C.R.Fawcett. Dordrecht: Reidel,1978:17-28.

  19. Kraepelin E. Compendium der Psychiatrie. Zum Gebrauchefür Studierende und Aerzte. Leipzig: Abel, 1883.

  20. Kraepelin E. Psychiatrie. Ein Lehrbuch fürStudierende und Ärtzte. 8e Ed. I. Band. Allgemeine Psychiatrie. Leipzig:Barth, 1909.

  21. Jaspers K. Allgemeine Psychopathologie. 7e Ed. Berlin:Springer, 1959.

  22. Jaspers K. Philosophische Autobiographie. München:Piper, 1977: 29.

  23. Glatzel J. Allgemeine Psychopathologie. Stuttgart: Enke,1978:1927.

  24. Freud S. Gesammelte Werke. 7e Ed. Frankfurt a.M.:Fischer, 1986:IX.

  25. Kronfeld A. Über die psychologischen Theorien Freudsund verwandte Anschauungen. Systematik und kritische Erörterung.Leipzig: Engelmann, 1912.

  26. Kraepelin E. Über Hysterie. Zeitschrift für diegesamte Neurologie und Psychiatrie. Originalien 1913;18:261-79.

  27. Gruhle HW. Die Bedeutung des Symptoms in der Psychiatrie.In: Verstehen und Einfühlen. Gesammelte Schriften. Berlin: Springer,1953:150-70.

  28. Jelgersma G. Ongeweten geestesleven. Rede gehouden bij deoverdracht van het rectoraat van de Rijksuniversiteit te Leiden. Leiden: VanDoesburgh, 1914.

  29. Bulhof IN. Freud in Nederland. De interpretatie eninvloed van zijn ideeën. Baarn: Ambo, 1983:139.

Auteursinformatie

Katholieke Universiteit, Faculteit der Wijsbegeerte, Nijmegen.

Dr.G.Verwey, filosoof-wetenschapshistoricus.

Contact Weezenhof 37-13, 6536 HH Nijmegen

Gerelateerde artikelen

Reacties