Frequentie en kenmerken van gebruik van morfine in de stervensfase

Een dwarsdoorsnede-onderzoek
Onderzoek
15-01-2014
Agnes van der Heide, Johannes J.M. van Delden, Eric Geijteman, Lia van Zuylen, Paul M. van der Maas en Bregje D. Onwuteaka-Philipsen

Doel

Intensief morfinegebruik in de stervensfase valt soms in het grijze gebied tussen levensbeëindigend handelen en reguliere symptoomverlichting. Wij gingen na wat de belangrijkste kenmerken van morfinegebruik in de stervensfase zijn.

Opzet

Dwarsdoorsnede-onderzoek met vragenlijst.

Methode

Er werd een gestratificeerde steekproef getrokken van sterfgevallen uit 2010. Artsen kregen een vragenlijst over medische beslissingen en zorg voorafgaand aan het overlijden van de desbetreffende patiënt. De respons was 74% (n = 6598).

Resultaten

Van alle overledenen kreeg 60% op de laatste dag voor overlijden morfine. Bij 64% van de patiënten hield de arts daarbij rekening met de mogelijkheid dat hierdoor het levenseinde zou worden bespoedigd. Bij 82% werd de dosering van morfine gedurende de laatste 3 dagen niet of alleen geleidelijk verhoogd. Bespoediging van het levenseinde was mede het doel van de toediening van morfine bij 2,9% van de patiënten en het uitdrukkelijke doel bij 1,2%. Bij 2,1% van de patiënten gaf de arts aan dat de dosering hoger was dan nodig om symptomen te verlichten. Over mogelijke levensbekorting als gevolg van de toediening van morfine werd niet altijd overlegd met de patiënt, diens familie, of andere zorgverleners; in 20% van de gevallen werd hierover met niemand overlegd.

Conclusie

Morfine is een veelgebruikt middel in de stervensfase. Artsen houden daarbij vaker rekening met mogelijke bespoediging van het levenseinde dan nodig lijkt. Soms wordt met een overdosering morfine doelbewust gestreefd naar bespoediging van het levenseinde. Daarbij kan de met wet- en regelgeving beoogde transparantie en zorgvuldigheid rond medisch handelen in de laatste levensfase in het geding zijn.