Dekbed vormt risicofactor voor wiegedood

Klinische praktijk
G.A. de Jonge
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138:2138-41
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 2133.

‘Gewatteerde dekentjes gebruike

men niet.‘1

In november 1991 werd door het Britse ministerie van Volksgezondheid een drievoudig advies uitgebracht ter preventie van wiegedood:

– Leg een baby niet meer op zijn buik te slapen.

– Zorg voor een rookvrije omgeving.

– Vermijd overmatige warmte, gebruik geen dekbed.2

Het eerste advies was in Nederland reeds 4 jaar eerder in de openbaarheid gebracht en door de Nationale Kruisvereniging overgenomen en gepropageerd,3 en het advies om in de omgeving van baby's niet te roken geldt hier mede om andere redenen reeds langer. Maar hoe is het gesteld met baby-dekbedden?

Dekbedden

Een dekbed is volgens de vakkundige omschrijving een beddezak gevuld met licht materiaal, bedoeld om onder te slapen.45

Vulling

Te onderscheiden zijn dekbedden vooral naar hun vulling: dons en veren (de toegestane donspercentages variëren daarbij van 15 tot 90), kapok (‘gewatteerde deken’), wol en (het meest gangbaar) een synthetische vezel.

Tijk

Om de vulling bevindt zich een omhulsel, de tijk, meestal van 100 katoen. Wanneer het om dons gaat, moet deze tijk zeer dicht zijn, omdat anders de scherpe dons- en verenpinnetjes zich naar buiten werken. Bij gebruik van een synthetische vulling hoeft de tijk niet zo dicht te zijn.

Overtrek

Om de tijk bevindt zich een overtrek (dekbedhoes), meestal van katoen (dikwijls versterkt met viscosevezels, maar met het oog op het vochtopnemend vermogen ten minste 30 katoen), soms van flanel. Een overtrek is doorgaans bedrukt en daardoor minder doorgankelijk dan de grondstof zou doen vermoeden. Een overtrek kan meestal gesloten worden met knoopjes, klittenband of een rits.

Gebruik

In Duitsland en Oostenrijk zijn dekbedden voor alle leeftijdsgroepen al vele jaren in zwang. In Nederland begonnen ze pas in het begin van de jaren zeventig in de mode te komen, eerst voor volwassenen, later ook voor kinderen en voor baby's. Geschat wordt dat in 1988 het dekbedgebruik tot boven de 60 was gestegen, waarvan ongeveer een kwart met een donzen en driekwart met een synthetische vulling. Voor zuigelingen van 0 tot 8 maanden bleek het gebruik in november 1992 opgelopen tot 85.6

Wiegedood

Onder wiegedood wordt hier verstaan het tijdens een slaapperiode onverwacht overleden zijn van een kind jonger dan 2 jaar. Wordt bij postmortaal onderzoek, dat bij voorkeur deskundig en volledig wordt uitgevoerd, een evidente doodsoorzaak gevonden, dan spreekt men niet langer van wiegedood.

Als uitwendige potentieel causale factoren zijn thans bekend: slapen in buikligging, passief roken, luchtweginfectie, warmtestuwing, ‘rebreathing’, uitwendige adembelemmering, vermoeienis en sederende medicatie. Als inwendige factoren worden vooral beschouwd het mannelijk geslacht en een licht geboortegewicht.

De incidentie van wiegedood in Nederland is na het verminderen van buikligging weliswaar sterk afgenomen (van 1,3 per 1000 levendgeborenen in 198586 naar 0,4 in 1992), maar is toch nog tweemaal zo hoog als in Japan, Portugal, Hong Kong, Maleisië en vele andere niet-westerse landen. Ook als de gewoonte van op de buik te slapen leggen helemaal verdwijnt (eind 1992 werd in Nederland nog 10 à 12 van de zuigelingen in de leeftijd van 0 tot 8 maanden soms of altijd op de buik te slapen gelegd),7 dan nog zullen er naar verwachting jaarlijks 50 zuigelingen onverwacht tijdens een slaapperiode sterven.

Dekbedden en wiegedood

Van de genoemde uitwendige factoren zijn er vooral drie die te maken hebben met de toepassing van dekbedden bij baby's, namelijk warmtestuwing, rebreathing en uitwendige adembelemmering.

– Warmtestuwing

Voor het handhaven van een optimale lichaamstemperatuur van een zuigeling zijn de volgende invloeden van belang: de kleding, het dek, de matras en de bekleding daarvan, de mogelijkheid om zweet en urine te verdampen (beperkt door het gebruik van plastic, hospitaallinnen en kunstvezels), de omgevingstemperatuur, de instroom van stralingswarmte, en de mate waarin met name het hoofd in staat is warmte uit te stralen. Die uitstraling van warmte door het hoofd vermindert bij gebruik van hoofdbedekking (in Duitsland zijn slaapmutsen voor baby's populair), in buikligging (het behaarde hoofdgedeelte straalt minder uit dan het onbedekte gelaat) en vooral wanneer het hoofd onder een laken, deken en (of) dekbed terechtkomt.89

Tot in het begin van de jaren zestig gebeurde het nog wel eens dat een baby accidenteel ernstig afkoelde. Daarna is dit zeker na de eerste week een zeer hoge uitzondering geworden en werd de sterfte hieraan vrijwel nihil.10 Thans echter worden zuigelingen vaak te warm ingepakt en niet zelden worden ze bezweet wakker. Het overmatig inpakken gebeurt vooral als het buitenshuis koud is en ook als een kind een infectie doormaakt (en dan toch al snel koorts heeft). Dit levert vooral voor zuigelingen gevaar op, omdat zij nog niet in staat zijn zich bloot te trappen. Bovendien slapen verreweg de meeste zuigelingen thans zowel overdag als 's nachts op een eigen kamertje, zodat men het ook niet zo gauw opmerkt als zij het te warm hebben.

De relatie tussen warmtestuwing en wiegedood werd het eerst gelegd door Stanton et al., die in 1980 33 gevallen van wiegedood beschreven bij kinderen van wie er op het tijdstip van overlijden 15 overmatig warm waren aangekleed of toegedekt (van wie 2 in een bijzonder warm vertrek), dikwijls in combinatie met een of andere infectie.11-13 Pas 10 jaar later kon in een zorgvuldig case-control-onderzoek van 88 wiegedoodkinderen overtuigend worden aangetoond dat de combinatie van een virale infectie met warm kleden en toedekken samenging met een sterk vergroot risico van wiegedood: bij een warmteweerstand met een tog-waarde groter dan 10 was het relatieve risico hiervan 51,6 (95-betrouwbaarheidsinterval (BI): 5,6-471) in vergelijking met kinderen bij wie de tog-waarde minder was dan 6 (tog is de gebruikelijke maat voor de warmteweerstand van een textielprodukt; 1 tog is 10 maal het temperatuurverschil in graden Celsius tussen de oppervlakten van het materiaal wanneer de warmtestroom erdoorheen 1 Watt per m² bedraagt).14

Overmatige warmte-isolatie doet zich vooral voor bij gebruik van een dekbed. Afhankelijk van de dikte varieert het warmte-isolerend vermogen van de tot dusver gebruikelijke dekbedden van 4,5 tot 13,5 of meer togs. De warmte-isolatie van een zomerklassedekbed komt overeen met die van 3 of 4 wollen dekens (tabel 1). Dit is in de regel aanmerkelijk meer dan een zuigeling in Nederland nodig heeft. Ook als het buiten vriest, blijft het kwik in verreweg de meeste Nederlandse huizen thans royaal boven nul, terwijl ook de warmte-isolerende waarde van veel gebruikelijke nachtkleding is toegenomen.89

– Rebreathing

In 1991 toonden Kemp en Thach in de V.S. aan dat zuigelingen die met hun gelaat omlaag op een kussen liggen, voor een belangrijk deel hun uitademingslucht opnieuw inademen, waardoor zij in levensgevaar komen.1516 Zij onderzochten dit fenomeen (rebreathing) naar aanleiding van 25 zuigelingen die in buikligging op een kussen waren overleden; 22 van hen waren met het gelaat omlaag aangetroffen. Verder bleek hun dat de hoofdbewegingen van een zuigeling door een kussen zeer worden belemmerd.

In Nederland worden voor zuigelingen reeds sedert het begin van de jaren zestig vrijwel geen hoofdkussens meer gebruikt, maar een dekbed verschilt er naar consistentie en samenstelling niet wezenlijk van. Ook bij een dekbed dreigt het gevaar van rebreathing indien een baby er met zijn gelaat tegenaan komt te liggen, hetzij eronder hetzij er bovenop. Ligt hij er met zijn gelaat omlaag bovenop, dan is de verminderde beweeglijkheid van het hoofd een extra storende omstandigheid.

– Uitwendige adembelemmering

Reeds in 1968 onderzochten Emery en Thornton bij zuigelingen in buikligging met het gelaat omlaag het effect van de adembelemmering die wordt veroorzaakt door matrassen, kussens en hun omhulsels. Het bleek hun dat er grote verschillen waren tussen kussens van uiteenlopende makelij; in sommige gevallen nam de ademweerstand 30 tot 40-voudig toe. Hun conclusie was dat adembelemmering door bedmaterialen kan bijdragen aan het optreden van wiegedood, en dit in het algemeen meer door zachte dan door vaste materialen. Vochtig worden door zweet of braaksel maakte deze adembelemmering nog groter.17 Wat hier voor kussens werd vastgesteld geldt evenzeer voor dekbedden, die in 1968 nog niet aan de orde waren.

– Bijkomende gevaren

Dekbedden onderscheiden zich van dekens nog in enige andere opzichten, die voor de veiligheid van betekenis kunnen zijn:

Een synthetische vulling van een dekbed is minder in staat om vocht te absorberen en vervolgens te laten verdampen dan materialen zoals wol en katoen. Ook het vochtopnemend vermogen van een dekbedovertrek is beperkt doordat het materiaal voor 65 uit kunstvezel mag bestaan.5 Voor de warmteafgifte telt dit zeker mee.

Een overtrek heeft niet altijd een sluiting, een wel aanwezige sluiting wordt niet altijd gebruikt en is, indien wel gebruikt, niet altijd afdoende. Voor de verlening van het keurmerk van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen (NVvH) is slechts vereist dat de sluiting zo ontworpen is dat het dekbed gemakkelijk in en uit de overtrek kan worden gehaald.5 Het komt dan ook voor dat een baby met zijn hoofd en soms met zijn gehele lichaam in de overtrek belandt, zelfs als de opening zich aan het voeteneind bevindt.

Dekbedden worden doorgaans niet zo stevig ingestopt als dekens of zelfs in het geheel niet ingestopt. Dikwijls is er alleen een instopstrook voor het voeteneind, zodat de zijkanten min of meer los blijven liggen, soms is er in het geheel geen instopstrook. Reeds na enkele maanden kunnen zuigelingen zo'n dekbed gemakkelijk over zich heen trekken.

Dekbedden zijn dikwijls te groot voor de wieg of het kinderledikant. De officiële maten, als eis gesteld voor het NVvH-keurmerk, zijn voor een wieg 80 x 80 cm en voor een kinderbed 100 x 135 cm, wat dus aanmerkelijk meer is dan voor een wieg of kinderbed nodig is.4 Daarom wordt een dekbed dikwijls geheel of ten dele dubbel gevouwen of min of meer geplooid, hetgeen de toch al grote warmte-isolatie verder doet toenemen.

Onderzoek in nederland

In ons land werd in een retrospectief onderzoek van de Vereniging van Ouders van Wiegedoodkinderen in 222 gevallen van wiegedood (1984-1991) nagegaan waarmee het kind was toegedekt toen het voor het laatst te slapen was gelegd en ook hoe het kind werd aangetroffen ten opzichte van het gebruikte dek (dekbed en (of) deken).1819 Daaruit bleek dat 36 van de 161 wiegedoodkinderen met een dekbed volgens de ouders bezweet was aangetroffen, tegenover slechts 13 van de 61 kinderen zonder dekbed; dat 57 van de 161 kinderen met een dekbed in een ‘verdachte situatie’ was aangetroffen tegenover slechts 12 van de 38 gevallen waarbij alleen maar dekens waren gebruikt, en dat 55 van de kinderen die met hun hoofd onder een dekbed werden gevonden nooit eerder zo was aangetroffen, wat een extra aanwijzing vormt dat deze situatie potentieel gevaarlijk is.

Als verdachte situatie (tabel 2) golden de volgende bevindingen:

– Het kind had een dekbed over zijn hoofd heen getrokken (16 x).

– Het kind was met zijn hoofd onder een dekbed geraakt (65 x, waarbij het zich 5 x geheel in het dekbed had gewikkeld).

– Het hoofd van het kind bevond zich in de hoes van het dekbed (3 x).

– Het kind lag op het dekbed met zijn gelaat omlaag (7 x).

– Het kind was met zijn hoofd onder de deken(s) geraakt (5 x).

Meer dan een illustratie kunnen deze Nederlandse waarnemingen echter niet zijn, omdat het geen patiëntcontrole-onderzoek was en omdat er over het percentage zuigelingen in de bevolking dat in die jaren onder een dekbed sliep (vermoedelijk minder dan in 1992), geen informatie beschikbaar is.

Aanbeveling

Het officiële Engelse advies om voor zuigelingen geen dekbedden meer te gebruiken, is vooral gebaseerd op het vermelde Engelse case-control-onderzoek, waaruit het enorme risico van te warm toedekken overtuigend is gebleken.13 Dat de tot dusver gebruikelijke te dikke en te grote dekbedden met een tog-waarde van 4 of meer, gevaarlijk warm zijn, is uit het voorgaande duidelijk. Het is voor baby's aanmerkelijk veiliger om in plaats daarvan één of twee dekens te gebruiken waarbij het bed ‘kort wordt opgemaakt’. Bij kort opmaken (deken tot de schouders, terwijl de voetjes tot het voeteneind van het bed reiken) is het voor een baby minder gemakkelijk om gevaarlijk onder zijn dek terecht te komen. Een uitstekend alternatief is de babyslaapzak, al of niet gevoerd, met het voordeel dat het kind er niet met zijn hoofd in terecht kan komen en er ook niet uit kan kruipen. Gelet op het leeftijdsbereik van wiegedood lijkt het verstandig deze veiligheidsmaatregel in acht te nemen tot de tweede verjaardag.

Literatuur
  1. Nederlandsche Bond tot Bescherming van Zuigelingen enNederlandsche Vereeniging voor Kindergeneeskunde. Handleiding bij deverzorging van den zuigeling. Een gids voor moeders. Bilthoven: Jonker,(vermoedelijk omstreeks 1920).

  2. Department of Health. Reducing the risk of cot death.Health Publications Unit, nr 2. Heywood, Lancashire (UK): Heywood Stores,1991.

  3. Jonge GA de, Engelberts AC, Koomen-Liefting AJM, KostensePJ. Cot death and prone sleeping position in the Netherlands. Br Med J 1989;298: 722.

  4. Keurmerkinstituut Konsumentenprodukten (KK). Eisenpakketdekbedden en slaapzakken. Voorburg: KK, 1991.

  5. Keurmerkinstituut Konsumentenprodukten (KK). Eisenpakketbedtextiel. Voorburg: KK, 1988.

  6. Burgmeijer RJF, Jonge GA de. Te warm toegedektezuigelingen; een onderzoek naar het toedekken van zuigelingen in november1992. T Jeugdgezondhz 1993; 25: 67-8.

  7. Burgmeijer RJF, Jonge GA de. Slaaphouding van zuigelingennajaar 1992. T Jeugdgezondhz 1993; 25: 35-9.

  8. Wailoo MP, Petersen SA, Whittaker H, Goodenough P. Thethermal environment in which 3-4 month old infants sleep at home. Arch DisChild 1989; 44: 600-4.

  9. Bacon CJ. The thermal environment of sleeping babies andpossible dangers of overheating. Ch 8. In: David TJ, ed. Recent advances inpaediatrics – 10. Edinburgh: Churchill Livingstone, 1991.

  10. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Overledenennaar doodsoorzaak, leeftijd en geslacht in het jaar 1985 (serie A1).Voorburg: CBS, 1987.

  11. Stanton AN, Scott DJ, Downham MAPS. Is overheating afactor in some unexpected infant deaths? Lancet 1980; ii: 1054-7.

  12. Editorial. Prone, hot, and dead. Lancet 1990; i:1054.

  13. Hoekstra JH, Bergh JPW van den. Over hyperthermie enwiegedood. Ned Tijdschr Geneeskd1990; 134: 2513-5.

  14. Gilbert R, Rudd P, Berry PJ, Fleming PJ, Hall E, WhiteDG, et al. Combined effect of infection and heavy wrapping on the risk ofsudden unexpected infant death. Arch Dis Child 1992; 67: 171-7.

  15. Kemp JS, Thach BT. Sudden death in infants sleeping onpolystyrene-filled cushions. N Engl J Med 1991; 324: 1858-64.

  16. Kemp JS, Kowalski RM, Burch PM, Graham MA, Thach BT.Unintentional suffocation by rebreathing: a death scene and physiologicinvestigation of a possible cause of sudden infant death. J Pediatr 1993;122: 874-80.

  17. Emery JL, Thornton JA. Effects of obstruction torespiration in infants, with particular reference to mattresses, pillows, andtheir coverings. Br Med J 1968; iii: 209-13.

  18. Jonge GA de, Kostense PJ, Pieterson I. Achtergronden vanwiegedood. Verslag van een onderzoek. Wageningen: Vereniging van Ouders vanWiegedoodkinderen, 1992.

  19. Jonge GA de, Kostense PJ, Pieterson L Prävention desplötzlichen Kindstodes. In: Trowitzsch E, Schlüter B, Andler W,eds. Der plötzliche Kindstod; Prävention des SID. Berlin: AcronVerlag, 1993.

Auteursinformatie

Prof.dr.G.A.de Jonge, emeritus hoogleraar kindergeneeskunde, Prins Bernhardlaan 50, 2341 KL Oegstgeest.

Gerelateerde artikelen

Reacties

P.L.P.
Brand

Groningen, oktober 1994,

Vormt het gebruik van een dekbed een risicofactor voor wiegedood? De titel van het artikel van prof. De Jonge suggereert dit wel, maar uit de tekst blijkt mijns inziens dat de bewijsvoering voor deze stelling nogal mager is (1994;2138-41). Het zwaarste argument is dat dekbedden te warm zijn en dat warmtestuwing samenhangt met wiegedood. Hoewel deze beide zaken voldoende onderbouwd zijn met deugdelijk cijfermateriaal, is niet bewezen dat het gebruik van dekbedden leidt tot warmtestuwing en vervolgens tot wiegedood. Hetzelfde geldt voor de andere vermoede ‘gevaren’ van het dekbed, zoals ‘rebreathing’ en uitwendige adembelemmering.

Op zichzelf is er niets op tegen om zulke verbanden te legen als hypothesevorming, maar vervolgens dienen dergelijke hypothesen getoetst te worden in gericht onderzoek (bijvoorbeeld een patiënt-controle-onderzoek). Zolang dergelijk onderzoek niet is verricht, blijft een eventueel verband tussen het gebruik van dekbedden en wiegedood volledig speculatief. Vooralsnog zijn geen onderzoeksgegevens bekend over een relatie tussen het gebruik van dekbedden en wiegedood. Het is daarbij opmerkelijk te noemen dat de incidentie van wiegedood duidelijk afneemt in een periode waarin het gebruik van dekbedden juist toeneemt.

Voorlopig zijn er mijns inziens onvoldoende wetenschappelijke argumenten dat een dekbed een risicofactor vormt voor wiegedood. De bedoelingen van prof.De Jonge om toch nu al de openbaarheid te zoeken met deze hypothese zijn ongetwijfeld goed. Het is echter een hachelijke zaak om uitspraken in de (leken)pers te doen zonder deugdelijk wetenschapelijk bewijs. Er is nu de nodige ongerustheid ontstaan bij ouders, verzorgers en medici, waarvan nog moet blijken of die gerechtvaardigd is.

P.L.P. Brand
G.A.
de Jonge

Oegstgeest, november 1994,

Het veelvuldig samengaan van wiegedood met het gebruik van een dekbed, waarbij de meeste overleden baby's in een ongewone ‘verdachte’ situatie werden aangetroffen (het hoofd onder het dekbed, of het gelaat omlaag op het dekbed, of het hoofd in de hoes), een situatie die zich volgens de ouders meestal voor de allereerste keer zo had voorgedaan, en het bezweet zijn van de baby, leidde reeds enige jaren geleden tot de hypothese dat dekbedden veel risico opleveren. In het geciteerde Engelse patiënt-controle-onderzoek is deze hypothese nu gericht en zorgvuldig getoetst en bevestigd. De relatie tussen dekbed en wiegedood is daarmee de fase van hypothese gepaseerd.

Collega Brand noemt het opmerkelijk dat de incidentie van wiegedood afnam in een periode waarin het gebruik van dekbedden (waarschijnlijk in lichte mate) toenam. Dit zegt op zich echter niets over het effect van dekbedden, omdat in diezelfde periode andere causale factoren in frequentie zijn veranderd, waaronder (in sterke mate) de slaaphouding. Het zou goed zijn als er nu bij alle onwetenden en twijfelaars ‘de nodige ongerustheid’ is ontstaan over het gebruik van dekbedden bij baby's; in het Groeiboek dat altijd aan jonge ouders wordt uitgereikt, wordt reeds langere tijd gewaarschuwd tegen gebruik van dekbedden en worden de zeer redelijke alternatieven genoemd.

G.A. de Jonge
P.L.P.
Brand

Groningen, december 1994,

In zijn antwoord op mijn ingezonden brief stelt professor De Jonge dat de hypothese ‘dekbed vormt risicofactor voor wiegedood’ inmiddels gericht en zorgvuldig getoetst en bevestigd is ( 1994;2459). In de betrokken Engelse onderzoeken wordt dit niet met zoveel woorden gezegd. Beide onderzoeken tonen aan dat te warm toedekken een risicofactor is voor wiegedood.12 Dit is ook de formulering die De Jonge kiest in zijn artikel in dit tijdschrift (1994;2138-41). In geen van beide onderzoeken wordt onderscheid gemaakt tussen (te warme) bedbedekking door dekens of (te warme) bedbedekking door een dekbed. De risicofactor voor wiegedood is dus het te warm toedekken en niet het dekbed als zodanig.

Hoewel De Jonge er terecht de aandacht op vestigt dat dekbedden vaak te warm zijn, is zijn hypothese nog steeds niet meer dan een interpretatie van de Engelse onderzoeksgegevens. Ook de andere door hem aangedragen argumenten vormen geen bewijs voor zijn hypothese.

In het genoemde Engelse onderzoek wordt dan ook een iets terughoudender conclusie getrokken: ‘Parents should be encouraged to check whether their babies feel hot or cold and to adjust the bedding accordingly. This may be easier if multiple thin layers of bedding are used (for example, blankets) rather than a single thick covering (for example, a duvet).’1 In het andere onderzoek wordt het dekbed helemaal niet genoemd, maar wordt gesteld dat meer onderzoek gedaan moet worden naar de relatie tussen soort bedbedekking en wiegedood.2

Nogmaals, ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van professor De Jonge om zijn advies geen dekbedden meer te gebruiken te publiceren. Misschien is het uitbannen van het gebruik van dekbedden wel de makkelijkste en effectiefste manier om warmtestuwing als risicofactor voor wiegedood te vermijden. Maar ook dat is een hypothese en geen wetenschappelijk bevestigd gegeven.

P.L.P. Brand
Literatuur
  1. Fleming PJ, Gilbert R, Azaz Y, Berry PJ, Rudd PT, Stewart A, et al. Interaction between bedding and sleeping position in the sudden infant death syndrome: a population based case-control study. BMJ 1990;301:85-9.

  2. Gilbert R, Rudd PT, Berry PJ, Fleming PJ, Hall E, White DG, et al. Combined effect of infection and heavy wrapping on the risk of sudden unexpected infant death. Arch Dis Child 1992;67:171-7.

G.A.
de Jonge

Oegstgeest, januari 1995,

Ten aanzien van het oorzakelijke mechanisme van het onverwacht overlijden van baby's die met hun hoofd onder een dekbed zijn geraakt, lopen de accenten uiteen: Fleming et al. en Gilbert et al. wezen vooral op warmtestuwing, Emery en Thornton op mechanische adembelemmering,1 en Kemp et al. op het weer inademen van de zojuist uitgeademde lucht wanneer zuigelingen met hun gezicht tegen kussenachtig materiaal aanliggen.2 Dit derde mechanisme betreft niet alleen kinderen die onder een dekbed terecht zijn gekomen, maar ook degenen die er met hun gelaat omlaag bovenop zijn geraakt. Deze drie mechanismen zijn meer dan hypothesen: zowel Emery et al. als Kemp et al. hebben hun conclusies mede gebaseerd op zorgvuldige modelproeven, terwijl uit Engelse en Nederlandse gegevens blijkt dat de warmte-isolatie van een dekbed voor een baby evident veel te hoog is (overeenkomend met 2,5 tot meer dan 5 dekens). Ten slotte werden nogal wat wiegedoodkinderen bezweet en met hyperthermie aangetroffen. Deze drie mechanismen kunnen vooral in combinatie gevaar opleveren; hyperthermie alléén moet daartoe wel zeer extreem zijn. De conclusie dat het te warm toedekken de enige risicofactor van een dekbed zou zijn, lijkt mij dan ook niet correct.

De door Brand geciteerde Engelse adviezen zijn daarna gecorrigeerd in een in 1993 uitgebracht overheidsadvies,3 dat onder meer vermeldt: ‘duvets should not be used for infants under one year’. Dat het advies van de Landelijke Vereniging voor Thuiszorg en de Stichting Consument en Veiligheid,4 en van het Groeiboek5 voor een dekbed de leeftijdsgrens van 2 jaar aanhoudt, is terecht, omdat in Nederland meerdere gevallen van wiegedood bekend zijn van baby's die in hun tweede levensjaar met het gelaat onder of op een dekbed waren komen te liggen.

G.A. de Jonge
Literatuur
  1. Emery JL, Thornton JA. Effects of obstruction to respiration in infants, with particular reference to mattresses, pillows, and their coverings. BMJ 1968;III:209-13.

  2. Kemp JS, Kowalski RM, Burch PM, Graham MA, Thach BT. Unintentional suffocation by rebreathing: a death scene and physiologic investigation of a possible cause of sudden infant death. J Pediatr 1993;122:874-80.

  3. Department of Health. Report of the Chief Medical Officer's Expert Group on The sleeping position of infants and cot death. London: HMSO, 1993.

  4. Landelijke Vereniging voor Thuiszorg/Stichting Consument en Veiligheid. Advies beddegoed baby's. Informatief, Mededelingenblad voor de Thuiszorg 1994;nr 21/22:10.

  5. Landelijke Redactieraad Groeiboek. Groeiboek. 's-Gravenhage, 1993.