Etnische afkomst en voor wiegendood relevante verzorgingsfactoren

Onderzoek
M.F. van der Wal
G.A. de Jonge
H. Pauw-Plomp
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1999;143:2141-6
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Bepalen van het verband tussen etnische afkomst en voor wiegendood relevante verzorgingsfactoren.

Opzet

Prospectief/retrospectief, descriptief.

Methode

Op 6 consultatiebureaus in Amsterdam werd in februari 1997-september 1998 mondeling informatie ingewonnen bij de moeders over de slaaphouding, de wijze van toedekken en het passief roken van hun zuigeling van 1-5 maanden.

Resultaten

Er kwamen 1815 zuigelingen in aanmerking voor het onderzoek, 919 jongens en 896 meisjes, met een gemiddelde leeftijd van 2 maanden. De respons per vraag was 78-84. In totaal werd 12,5 van de zuigelingen soms of altijd op de buik te slapen gelegd, 31,0 soms of altijd op een zij (maar niet op de buik) en 56,5 als regel op de rug. Buikligging kwam bij Surinaamse zuigelingen vaker en bij Marokkaanse zuigelingen minder vaak voor dan bij Nederlandse zuigelingen. In totaal lag 22,7 van de zuigelingen onder een dekbed. Dekbedgebruik was hoger bij allochtone zuigelingen, al was dit verschil na correctie voor de andere sociaaldemografische kenmerken niet significant. Van de zuigelingen sliep 6,3 in de nacht voor het interview met een hoofdkussen. Dit kwam vaker voor bij allochtone dan autochtone zuigelingen: 13 versus 1,2. Dagelijks roken door moeders tijdens de zwangerschap en door moeders en anderen in huis ten tijde van het interview werd gemeld bij respectievelijk 15,1 en 25,8 van de zuigelingen. Marokkaanse moeders rookten vrijwel niet tijdens de zwangerschap (0,4), terwijl Turkse moeders niet veel verschilden van de Nederlandse (respectievelijk 18,5 en 21,6). In Surinaamse en Marokkaanse gezinnen werd even vaak in huis gerookt als in Nederlandse (ongeveer 26), terwijl in Turkse gezinnen veel vaker dagelijks in huis werd gerookt (43,8).

Conclusie

Voorlichting over een veilige slaaphouding, over veilig toedekken en over de gevaren van passief roken is nog steeds nodig. Bij de preventie van wiegendood dient met etnische verschillen in verzorgingsgewoonten rekening gehouden te worden. Speciale aandacht verdient het gebruik van een hoofdkussen bij allochtone zuigelingen.

Inleiding

De wijze waarop zuigelingen worden verzorgd, beïnvloedt de incidentie van wiegendood. Zo hebben zuigelingen die op hun buik of zij te slapen worden gelegd een grotere kans om aan wiegendood te overlijden dan kinderen die op hun rug te slapen worden gelegd.1-3 Ook het gebruik van een dekbed en een hoofdkussen verhoogt deze kans.3 Postnatale (en waarschijnlijk ook prenatale) blootstelling aan tabaksrook gaat eveneens samen met een hoger risico op wiegendood.45

Analyse van sterftecijfers over de periode 1979-1993 laat zien dat in Nederland wiegendood bij Turkse zuigelingen bijna 2 keer zo vaak voorkomt als bij Nederlandse; Marokkaanse zuigelingen hebben ten opzichte van de Nederlandse een 2 maal zo kleine kans op wiegendood.6 Over het voorkomen van wiegendood bij Surinaamse zuigelingen zijn in Nederland geen gegevens voorhanden. Het is onbekend in hoeverre Surinaamse, Turkse en Marokkaanse zuigelingen verschillen van Nederlandse wat betreft een aantal voor wiegendood bekende en relevante verzorgingsfactoren.

Om de voorlichting beter af te kunnen stemmen op de verzorgingsgewoonten in de verschillende etnische groepen hebben wij de samenhang onderzocht tussen enerzijds slaaphouding, toedekken en passief roken en anderzijds etnische afkomst en andere sociaaldemografische kenmerken bij zuigelingen van 1-5 maanden.

methode

Van de 20 consultatiebureaus in Amsterdam werden er 6 uitgenodigd om aan het onderzoek mee te werken. Deze 6 liggen verspreid over de stad en hun gezamenlijke zorgpopulatie is representatief voor de gehele Amsterdamse jeugd wat betreft geslacht en etnische samenstelling en wat betreft opleidingsniveau van de moeder.

In de periode 1 februari 1997-30 september 1998 werd bij de moeders van zuigelingen van 1-5 maanden door de arts of de verpleegkundige retrospectief informatie ingewonnen over de slaaphouding, de wijze van toedekken en het rookgedrag. Zuigelingen van wie de moeder tijdens het consult afwezig was, werden uitgesloten van het onderzoek. Aan de moeders werd gevraagd in welke houding zij het kind in de week voor het interview te slapen hadden gelegd, zowel overdag als 's nachts (tabel 1). Tevens werden vragen gesteld over de wijze van toedekken in de nacht voor het interview (wel of geen dekbed; wel of geen hoofdkussen) en over het dagelijks roken in huis en tijdens de zwangerschap. Het rookgedrag tijdens de zwangerschap werd op indirecte wijze vastgesteld door te vragen of de moeder rookte, en indien dit het geval was of zij wel eens een periode was gestopt. Indien de moeder niet rookte, werd gevraagd of zij vroeger had gerookt, en indien dit het geval was, wanneer zij was gestopt met roken. Ook werd een aantal sociaaldemografische kenmerken nagevraagd: geslacht, leeftijd en rangnummer van het kind en leeftijd, geboorteland en opleiding van de moeder. Bij het opleidingsniveau van de moeder werd een indeling aangehouden in laag (lagere school, lbo en mavo) en hoog (havo, vwo, mbo, hbo en universiteit).

Ten behoeve van Marokkaanse en Turkse ouders die geen Nederlands spreken, zijn in Amsterdam voor de 0-4-jarigen tolkenspreekuren georganiseerd. Tijdens het consult is een vrouwelijke tolk aanwezig. Indien ouders geen Nederlands spreken en niet het tolkenspreekuur bezoeken, kan het consultatiebureau hulp inroepen van de tolkentelefoon. De vragen voor het onderzoek werden zo nodig met hulp van een tolk gesteld.

Verschillen in frequenties van ter preventie van wiegendood ongewenste verzorgingsmethoden tussen sociaaldemografisch verschillende groepen werden getoetst met een ?2-toets. Door middel van logistische regressieanalyse werd het relatieve belang van elk demografisch kenmerk voor de frequentie van ongewenste verzorgingsmethoden vastgesteld. Regressieanalysen werden uitgevoerd voor elke verzorgingsgewoonte afzonderlijk. De resultaten van deze analysen zijn gegeven als gecorrigeerde oddsratio's (OR). Hoe meer de OR afwijkt van 1, des te sterker is het verband. Verschillen met een p-waarde

resultaten

In totaal kwamen 1815 zuigelingen in aanmerking voor het onderzoek: 919 jongens en 896 meisjes, met een gemiddelde leeftijd van 2 maanden. Informatie over slaaphouding was beschikbaar van 1529 kinderen (84), over dekbedgebruik van 1413 kinderen (78), over hoofdkussengebruik van 1420 kinderen (78), over roken van de moeder tijdens de zwangerschap van 1448 kinderen (80) en over roken in huis van 1486 kinderen (82). Van de moeders van de zuigelingen in de responsgroep was, afhankelijk van het onderwerp, 50-51 in Nederland geboren, 9-12 in Suriname, 7-9 in Turkije, 15-17 in Marokko en 13-15 in een ander land.

Non-respons werd veroorzaakt doordat ouders het consultatiebureau niet bezochten (4-6) en doordat de vragenlijst onvolledig was ingevuld (12-16).

Slaaphouding

Uit tabel 1 blijkt dat 12,5 (191/1529) tabel 1 van de zuigelingen van 1-5 maanden soms of altijd op de buik te slapen werd gelegd, 31 (n = 474) soms of altijd op een zij, maar niet op de buik, en 56,5 (n = 864) als regel op de rug. In tabel 2. is te zien dat het percentage buikligging toenam met de leeftijd en het rangnummer van het kind. Buik- en zijligging kwamen vaker voor bij Surinaamse zuigelingen dan bij Nederlandse zuigelingen (buikligging: OR: 3,61; zijligging: OR: 1,47). Ook Marokkaanse zuigelingen werden vaker op hun zij gelegd (OR: 2,17), maar minder vaak op hun buik (OR: 0,58; net niet significant). Turkse en Nederlandse zuigelingen verschilden niet wat betreft de buik- en zijligging.

Dekbed en hoofdkussen

In totaal lag 22,7 (251/1105) van de zuigelingen onder een dekbed. Dekbedden werden meer gebruikt bij later geborenen, jongere moeders en laagopgeleide moeders in vergelijking met respectievelijk eerstgeborenen, oudere moeders en hoogopgeleide moeders. Dekbedden werden ook meer gebruikt bij allochtone kinderen, al was dit verschil met autochtone kinderen na correctie niet significant (tabel 3).

Van de zuigelingen sliep 6,3 (70/1117) de nacht voor het interview met een hoofdkussen. Het gebruik van een hoofdkussen was vooral een gewoonte van allochtonen. Zo sliep 1,2 van de Nederlandse zuigelingen met een hoofdkussen, terwijl dit percentage bij de Surinaamse, Turkse en Marokkaanse zuigelingen ongeveer 13 was. Ook na correctie bleven deze verschillen met de Nederlandse zuigelingen bestaan (OR: 6,30-9,98).

Meeroken

Dagelijks roken door de moeder tijdens de zwangerschap en door de moeder en anderen in huis ten tijde van het interview werd gemeld bij respectievelijk 15,1 (219/1448) en 25,8 (383/1486) van de zuigelingen. Marokkaanse moeders rookten vrijwel niet tijdens de zwangerschap (0,4), terwijl Turkse moeders niet veel verschilden van de Nederlandse moeders (18,5 versus 21,6). Na correctie voor de leeftijd en de opleiding van de moeder rookten Turkse moeders wel minder vaak tijdens de zwangerschap dan Nederlandse (OR: 0,37). In huis werd in Surinaamse en Marokkaanse gezinnen even vaak gerookt als in Nederlandse (ongeveer 26), terwijl in Turkse gezinnen veel vaker dagelijks in huis werd gerookt (43,8). Na correctie voor leeftijd en opleiding van de moeder verdween het verschil tussen Turkse en Nederlandse gezinnen, terwijl een verschil ontstond tussen Marokkaanse en Nederlandse gezinnen (OR: 0,50 voor Marokkaanse ten opzichte van Nederlandse gezinnen). Verder kwam pre- en postnatale blootstelling aan tabaksrook vaker voor bij zuigelingen van laag- in vergelijking met hoogopgeleide moeders, ook na correctie (tabel 4).

beschouwing

Ongewenste verzorgingsgewoonten vanuit het oogpunt van preventie van wiegendood komen bij Amsterdamse zuigelingen veelvuldig voor. Wij vonden etnische verschillen voor slaaphouding, gebruik van dekbed en van hoofdkussen en passief roken. Het is mogelijk dat verschillen in resultaten tussen etnische groepen vertekend zijn door verschillen in sociaal wenselijke antwoorden. Zo is het denkbaar dat Nederlandse moeders beter op de hoogte zijn van het feit dat buikligging de kans op wiegendood verhoogt en om die reden eerder geneigd zijn een sociaal wenselijk antwoord te geven.

Slaaphouding

In totaal legde 11 van de ouders hun zuigeling van 1 maand soms of altijd op de buik te slapen, 35 soms of altijd op een zij (maar niet op de buik) en 54 als regel op de rug (zie tabel 1). In 1996 waren deze cijfers voor geheel Nederland respectievelijk 6, 41 en 55 (R.J.F.Burgmeijer, schriftelijke mededeling, 1999). Buikligging tijdens de slaap wordt in Nederland sinds 1987 ontraden en zijligging sinds 1992. Het relatief hoge percentage buikligging in Amsterdam is opvallend. Door buikligging bestaat het gevaar van adembelemmering als het kind het gelaat recht omlaag draait. Daarnaast bevordert buikligging de warmtestuwing doordat het behaarde hoofdgedeelte minder warmte uitstraalt dan het onbedekte gelaat. Het bezwaar van zijligging is vooral dat kinderen vanaf 2 weken oud in toenemende mate in staat zijn zich om te rollen, meestal naar rugligging, maar soms ook naar buikligging.13

Dekbed en hoofdkussen

De landelijke advisering sinds oktober 1994 om bij zuigelingen geen dekbed te gebruiken lijkt zijn vruchten af te werpen. In ons onderzoek was 22,7 van de zuigelingen in de nacht voor het interview toegedekt met een dekbed (in de maand november 23,4). In november 1996 was dit in een landelijk onderzoek nog 44 (R.J.F.Burgmeijer, schriftelijke mededeling, 1999). Bij een dekbed dreigt het gevaar van uitwendige adembelemmering indien een baby er met zijn gelaat tegenaan komt te liggen, hetzij eronder, hetzij er bovenop. Bovendien doet overmatige warmte-isolatie zich vooral voor bij gebruik van een dekbed. Warm toedekken verhoogt de kans op wiegendood, vooral in combinatie met een virale infectie.78

Opmerkelijk was dat 6,3 van de zuigelingen een hoofdkussen gebruikte. Eerder onderzoek liet zien dat in Nederland vrijwel alle zuigelingen zonder hoofdkussen slapen.9 Mogelijk wordt hierdoor in de voorlichting door de kraamzorg en op de consultatiebureaus in de grote steden aan het gebruik van een hoofdkussen te weinig aandacht besteed. Zuigelingen die met hun gelaat omlaag op een kussen liggen, ademen voor een belangrijk deel hun uitademinglucht opnieuw in, waardoor zij in levensgevaar komen. Bovendien belemmert een hoofdkussen de bewegingen van het hoofd in sterke mate.1011

Passief roken

Van alle moeders gaf 15,1 aan dagelijks tijdens de zwangerschap te hebben gerookt en 7,8 van de moeders meldde dat er dagelijks in huis in het bijzijn van de baby door iemand werd gerookt. Het werkelijke percentage zuigelingen dat passief rookt, ligt waarschijnlijk hoger. Ten eerste is denkbaar dat moeders niet altijd zeggen dat zij tijdens de zwangerschap of in de nabijheid van het kind roken. Ten tweede leidt het verblijf in een ruimte waar tevoren is gerookt en die onvoldoende is gelucht, eveneens tot passief roken. Het percentage zuigelingen bij wie dagelijks in huis wordt gerookt, is waarschijnlijk een betere maat voor het aantal aan tabaksrook blootgestelde zuigelingen. In ons onderzoek gaf 25,8 van de moeders aan dat er dagelijks in huis werd gerookt.

Slaaphouding, toedekken en passief roken naar geboorteland moeder

Turkse, Marokkaanse en Surinaamse zuigelingen verschillen van Nederlandse wat betreft een aantal voor wiegendood relevante verzorgingsfactoren. De slaaphouding is vooral een probleem bij de Surinaamse zuigelingen. Verkeerd bedmateriaal (in het bijzonder het gebruik van een hoofdkussen) is bij Surinaamse, Turkse en Marokkaanse zuigelingen een groter probleem dan bij Nederlandse. Meeroken komt vooral bij Turkse zuigelingen voor. Tot slot verschillen de Turkse zuigelingen van de Marokkaanse vooral wat betreft het vaker voorkomen van buikligging en meeroken, hetgeen de hogere incidentie van wiegendood kan verklaren. Verder laten eerdere onderzoeken zien dat Turkse en Marokkaanse zuigelingen niet veel van elkaar verschillen wat betreft het gebruik van een fopspeen en het krijgen van borstvoeding, 1213 die mogelijk het risico van wiegendood verminderen.3 1415

Ook in buitenlandse onderzoeken zijn aanwijzingen gevonden dat etnische verschillen in wiegendood (deels) verklaard worden door etnische verschillen in de verzorging van zuigelingen.16-18 Zo wordt de hoge incidentie van wiegendood bij inheemse inwoners van Alaska en Noord-Amerikaanse indianen mogelijk voor een deel verklaard doordat relatief veel vrouwen roken.17 De lage wiegendoodincidentie onder Aziatische kinderen in Groot-Brittannië is mogelijk deels te wijten aan het verminderd voorkomen van buikligging tijdens het slapen.16

Slaaphouding, toedekken en passief roken naar andere achtergrondkenmerken

In Nederland (maar ook daarbuiten) hebben jongens en volgende kinderen alsook zuigelingen van jonge en laagopgeleide moeders een verhoogd risico voor wiegendood.915 19 Verschillen in verzorgingsfactoren spelen vermoedelijk ook hierbij een rol. Zo hebben zuigelingen van jonge moeders vaker een hoofdkussen in het bed en zij worden vaker blootgesteld aan tabaksrook. Zuigelingen van laagopgeleide moeders liggen vaker onder een dekbed en worden eveneens vaker blootgesteld aan tabaksrook. Dat blootstelling aan tabaksrook vaker voorkomt bij zuigelingen van jonge en laagopgeleide moeders is in overeenstemming met de resultaten van ander Nederlands onderzoek.2021

Voorlichting

Voorlichting over een veilige slaaphouding, over veilig toedekken en over de gevaren van passief roken is nog steeds nodig. Bij de preventie van wiegendood dient met etnische verschillen in verzorgingsgewoonten rekening gehouden te worden. Speciale aandacht verdient het gebruik van een hoofdkussen bij allochtone zuigelingen. Verder onderzoek zal moeten aantonen in hoeverre etnische verschillen in vóórkomen van wiegendood verdwijnen na controle voor verschillen in verzorgingsfactoren.

Literatuur
  1. Engelberts AC, Jonge GA de. Choice of sleeping positionfor infants: possible association with cot death. Arch Dis Child1990;65:462-7.

  2. Mitchell EA, Engelberts AC. Sleeping position and cotdeaths letter. Lancet 1991;338:192.

  3. Fleming PJ, Blair PS, Bacon C, Bensley D, Smith I, TaylorE, et al. Environment of infants during sleep and risk of the sudden infantdeath syndrome: results of 1993-5 case-control study for confidential inquiryinto stillbirths and deaths in infancy. Confidential Enquiry into Stillbirthsand Deaths Regional Coordinators and Researchers. BMJ1996;313:191-5.

  4. Schoendorf KC, Kiely JL. Relationship of sudden infantdeath syndrome to maternal smoking during and after pregnancy. Pediatrics1992;90:905-8.

  5. MacDorman MF, Cnattingius S, Hoffman HJ, Kramer MS,Haglund B. Sudden infant death syndrome and smoking in the United States andSweden. Am J Epidemiol 1997;146:249-57.

  6. Steenbergen JE van, Hoogenboezem J, Driel HF van, SchulpenTWJ, Bijlsma F. Analyse sterftecijfers CBS van 0-14-jarige kinderen,1979-1993. In: Schulpen TWJ, redacteur. Mortaliteitsverschillen tussenallochtone en autochtone kinderen in Nederland. Utrecht: Centre for Migrationand Child Health; 1996. p. 41-62.

  7. Hoekstra JH, Bergh JPW van den. Over hyperthermie enwiegedood. Ned Tijdschr Geneeskd 1990;134:2513-5.

  8. Gilbert R, Rudd P, Berry PJ, Fleming PJ, Hall E, White DG,et al. Combined effect of infection and heavy wrapping on the risk of suddenunexpected infant death. Arch Dis Child 1992;67:171-7.

  9. Engelberts AC. Cot death in the Netherlands: anepidemiological study proefschrift. Amsterdam: VU UniversityPress; 1991.

  10. Emery JL, Thornton JA. Effects of obstruction torespiration in infants, with particular reference to mattresses, pillows, andtheir coverings. Br Med J 1968;III:209-13.

  11. Kemp JS, Kowalski RM, Burch PM, Graham MA, Thach BT.Unintentional suffocation by rebreathing: a death scene and physiologicinvestigation of a possible cause of sudden infant death. J Pediatr1993;122:874-80.

  12. Wal MF van der. Borstvoeding onder autochtone enallochtone moeders in Amsterdam, 1992-1993. Ned Tijdschr Geneeskd1995;139:19-22.

  13. Wal MF van der, Wensel MP, Meulmeester JF, Pauw-Plomp H.Tandheelkundig preventief gedrag bij Nederlandse, Surinaamse, Marokkaanse enTurkse kinderen van 1 en 3-4 jaar. Tijdschrift voor de SocialeGezondheidszorg 1996;74:199-203.

  14. Mitchell EA, Stewart AW, Ford RPK. Bottle feeding and thesudden infant death syndrome letter. BMJ1995;311:122-3.

  15. Hoir MP l’. Cot death: risk factors and preventionin the Netherlands in 1995-1996 proefschrift. Utrecht:Rijksuniversiteit Utrecht; 1998.

  16. Farooqi S, Perry IJ, Beevers DG. Ethnic differences ininfant-rearing practices and their possible relationship to the incidence ofsudden infant death syndrome (SIDS). Paediatr Perinat Epidemiol1993;7:245-52.

  17. Bulterys M. High incidence of sudden infant deathsyndrome among northern Indians and Alaska natives compared with southwesternIndians: possible role of smoking. J Community Health1990;15:185-94.

  18. Mitchell EA, Scragg R. Observations on ethnic differencesin SIDS mortality in New Zealand. Early Hum Dev 1994;38:151-7.

  19. Jonge GA de, Hoogenboezem J. Wiegedood in Nederland in deperiode 1980-1993. Ned TijdschrGeneeskd 1994;138:2133-7.

  20. Verkerk PH van, Noord-Zaadstra BM van. Leefstijl,omgevingsfactoren, uitkomsten van zwangerschap en gezondheid. Leiden:NIPG-TNO; 1991.

  21. Hirasing RA, Gena SAD, Simon JG, Kossen-Boot H,Meulmeester JF, Oudenrijn C van den. Roken in aanwezigheid van zuigelingen;een enquête onder consultatiebureau-ouders.Ned Tijdschr Geneeskd1994;138:1422-6.

Auteursinformatie

GG&GD, Nieuwe Achtergracht 100, 1018 WT Amsterdam.

Afd. Epidemiologie, Documentatie en Gezondheidsbevordering: dr. M.F.van der Wal, epidemioloog.

Afd. Jeugdgezondheidszorg: mw.H.Pauw-Plomp, jeugdarts.

Dr.G.A.de Jonge, emeritus hoogleraar Kindergeneeskunde, Oegstgeest.

Contact dr.M.F.van der Wal

Gerelateerde artikelen

Reacties