Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004

Onderzoek
G.A. de Jonge
J. Hoogenboezem
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:1273-8
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Nagaan in hoeverre in ons land de preventie van wiegendood samenging met de incidentie van wiegendood.

Opzet

Descriptief landelijk onderzoek.

Methode

De incidentie van wiegendood/‘sudden infant death syndrome’ bij kinderen in de leeftijd van 7-365 dagen in de jaren 1980-2004 werd ontleend aan de statistiek van doodsoorzaken van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De prevalenties van risicofactoren bij wiegendoodkinderen (0-23 maanden) en in de algemene bevolking bij zuigelingen (0-9 maanden) werden ontleend aan onderzoeken onder wiegendoodkinderen (1984-1991 en 1996/’04) en aan periodieke peilingen op consultatiebureaus voor zuigelingen (1985-2004).

Resultaten

De frequentie van de volgende risicofactoren voor wiegendood nam in de bevolking af: primaire buikligging van 60 naar 8; dekbedgebruik van 85 naar 18; maternaal roken van 34 naar 20; paternaal roken van 48 naar 32; er was een toename van gewoonlijk samen in één bed slapen met een of twee ouders (van circa nihil naar 5). De geregistreerde incidentie van wiegendood per 100.000 levendgeborenen nam af van 103 in 1986 naar < 15 in 2003 en 2004. Er was een toename van wiegendood in secundaire buikligging, in een box zonder toezicht, in een groot bed (met en zonder ouder) en in een kinderdagverblijf of oppasverblijf.

Conclusie

Er was een afname van de incidentie van wiegendood en van de prevalentie van de bekende risicofactoren. In de laatste jaren kwamen nieuwe risicofactoren naar voren. In een maatschappij met voor baby’s veranderende omstandigheden is voortdurende zorgvuldige studie van wiegendoodsterfte en van zuigelingenverzorging dringend geboden als basis van voortgaande, aangepaste preventie.

Ned Tijdschr Geneeskd 2005;149:1273-8

Inleiding

Zie ook de artikelen op bl. 1254 en 1279.

Wiegendood wordt in Nederland, en steeds meer ook elders, gedefinieerd als het plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 2 jaar, bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die op zichzelf het overlijden voldoende verklaart. Tot wiegendood worden ook sterfgevallen gerekend waarbij de baby onverwacht in kritieke toestand wordt aangetroffen, waarna hij of zij ondanks reanimatiepogingen na enige tijd alsnog overlijdt zonder dat een andere doodsoorzaak aan het licht komt. Het ‘sudden infant death syndrome’ (SIDS) omvat de gevallen van wiegendood waarbij het postmortale onderzoek heeft bestaan uit een volledige anamnese, een medisch onderzoek ter plaatse van het overlijden, een pediatrisch onderzoek en een volledige obductie.1-3

Risicofactoren

In patiënt-controleonderzoek van wiegendood bleken bij multivariate analyse meerdere kenmerken van de kinderen en hun verzorging een statistisch significant causale betekenis te hebben.2-4 De eerste vermijdbare risicofactor was het slapen in buikligging, vervolgens waren er het passief roken via rokende ouder(s) en het gebruik van een dekbed. De klassieke criteria van Hill zijn op deze factoren overtuigend van toepassing,4 5 zodat de hiervan afgeleide preventie als evidence-based geneeskunde beschouwd mag worden.6 Daarna zijn, ook in Nederland, als statistisch significante risicofactoren naar voren gekomen het minder dan 3 maanden krijgen van borstvoeding en het in de eerste 3 levensmaanden als routine in één bed samen slapen met een of twee ouders.3

Als ‘niet-vermijdbare’ risicofactoren zijn reeds langer bekend: mannelijk geslacht; geboortegewicht  1; en lagere sociaal-economische status van de ouders.3

De incidentie van wiegendood in ons land is vanaf oktober 1987 sterk afgenomen, parallel met de bestrijding van de gewoonte om zuigelingen op hun buik te slapen te leggen.1 In de jaren negentig werden meer oorzakelijke factoren aangetoond en in de preventie verwerkt.2 3

In dit artikel presenteren wij gegevens over de veranderingen die zich in ons land in de prevalenties van risicofactoren en in de incidentie van wiegendood hebben voorgedaan, sinds in 1979 de 9e uitgave van de ‘International classification of diseases’ (ICD) de officiële registratie mogelijk maakte.

methode

Gegevens over de incidentie van wiegendood werden verzameld in publicaties van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); het CBS publiceert deze sinds 1979 jaarlijks, maar gebruikt een definitie die enigszins afwijkt van de bovengenoemde (www.cbs.nl).1 7 Conform een internationale afspraak betreft wiegendood of SIDS in deze statistiek alleen de leeftijdsperiode 7-365 dagen, waardoor jaarlijks gemiddeld 4 wiegendoodgevallen buiten de telling blijven.3 Bovendien wordt daarbij de regel gehanteerd dat wiegendood als geregistreerde doodsoorzaak moet wijken voor elke aandoening die bij het postmortale onderzoek aan het licht is gekomen, zelfs als het onwaarschijnlijk is dat deze aandoening de dood heeft veroorzaakt. Aan de andere kant zijn deze officiële incidenties iets te hoog, doordat in circa 50 van de gevallen het postmortale onderzoek onvolledig is, terwijl thans bij circa 15 van plotseling en onverwacht overleden kleine kinderen een volledig postmortaal onderzoek een geheel andere doodsoorzaak oplevert.3 8 Ook de verdeling van wiegendood naar geboorteland van de ouders werd gebaseerd op CBS-gegevens, die hieromtrent sedert 1996 worden ingewonnen (www.cbs.nl).

Inzicht in de achtergronden van wiegendood werd verkregen uit landelijke onderzoeken van wiegendoodkinderen van wie gegevens werden vergaard over voorgeschie-denis, verzorgingsfactoren en medische bevindingen.3 4 9-12 Sedert 1 september 1996 worden deze gegevens verzameld en geanalyseerd door de Landelijke Werkgroep Wiegendood (LWW), een werkgroep van de sectie Intensive Care Kinderen van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde. Deze gegevens betreffen over de periode tot en met augustus 2004 (8 jaar) 190 gevallen van wiegendood, ruim 80 van het aantal dat door het CBS als wiegendood werd geregistreerd. Prevalenties van risicofactoren bij zuigelingen in de algemene bevolking zijn afkomstig uit een reeks landelijke peilingen op consultatiebureaus en uit 2 patiënt-controleonderzoeken, die alle plaatsvonden tussen 1985 en 2004.3 4 10 13-17

resultaten

Incidentie

De geregistreerde wiegendoodsterfte in de leeftijd 7-365 dagen per 100.000 levendgeborenen nam af van 107 in 1985 en 103 in 1986 naar 14 in 2003 en (voorlopige waarde) 8 in 2004. Van de ‘aangrenzende diagnosen’, waaronder zich gevallen van wiegendood kunnen bevinden, namen tegelijkertijd de incidenties van fatale acute luchtweginfectie, pneumonie, bronchitis, stikken door voedsel en accidentele mechanische verstikking in bed of wieg eveneens opmerkelijk af (tabel 1). De figuur geeft een beeld van de afname naar leeftijd en geslacht. Over de hele periode 1980-2004 kwam wiegendood ongeveer 1,5 maal zo vaak voor bij jongens als bij meisjes. De verdeling naar geboorteland van de ouders staat in tabel 2. Veranderingen in de plaats van overlijden zijn af te lezen uit tabel 3.

Risicofactoren

In het patroon van risicofactoren bij wiegendood hebben zich de laatste 20 jaar verschuivingen voorgedaan; de meeste zijn in betekenis afgenomen, andere toegenomen (tabel 4). De relatie tussen enerzijds de primaire buikligging en anderzijds de kenmerken mannelijk geslacht, laag geboortegewicht, geboorterangnummer > 1 en dag-nachtverdeling, zijn af te lezen uit tabel 5. Het rookgedrag van ouders van wiegendoodkinderen wordt vergeleken met het rookgedrag van ouders van zuigelingen in de bevolking in tabel 4. Het rookgedrag van de laatstgenoemde groep onderscheidt zich gunstig van het rookgedrag van volwassenen van 20-34 jaar in het algemeen (tabel 6).

beschouwing

Preventieprogramma

In Nederland werden sinds 1987 achtereenvolgens de volgende maatregelen aanbevolen om het risico voor wiegendood zo klein mogelijk te maken: een zuigeling niet op de buik te slapen leggen, en na 14 dagen ook niet meer op een zij; de eerste twee jaar geen dekbed, geen hoofdkussen, geen stootkussen en geen slap matras of waterbed toepassen; passief roken vermijden; geen sederende hoestmiddelen gebruiken; in de eerste 3 maanden niet samen slapen met ouder(s) in één bed; langer dan 3 maanden borstvoeding geven en zoveel mogelijk een zuigeling in het oog houden.2 3

Wiegendoodincidentie

Dat de introductie van het advies om zuigelingen niet op hun buik, maar op hun rug te slapen te leggen (oktober 1987) direct werd gevolgd door een sterke afname van de wiegendoodincidentie, is niet alleen in Nederland geconstateerd, maar ook in andere westerse landen waar deze preventiemaatregel onder het parool ‘back to sleep’ enige jaren later werd aanbevolen.1 3 6 8 13 In tweede instantie, vooral sinds 1993, werd de preventie op goede gronden aangevuld met adviezen betreffende rookgedrag van de ouders, beddengoed, samen slapen in één bed, toezicht en voedingswijze.1-3 19-22 De bevinding dat wiegendood vaker bij jongens voorkomt dan bij meisjes, komt overeen met gegevens uit het buitenland.8 19-21 23 Terwijl er in de periode 1980-1993 nog een statistisch significant hogere wiegendoodsterfte per etmaal was naarmate de gemiddelde buitentemperatuur lager was,1 bleek daar in de periode 1994-2003 (data niet weergegeven) niets meer van (www.cbs.nl).

Aangrenzende doodsoorzaken

In dezelfde jaren namen tegelijkertijd de incidenties van de meeste aan wiegendood grenzende rubrieken af, waarin waarschijnlijk vele gevallen van wiegendood waren opgenomen (zie tabel 1). Als doodsoorzaak werden op grond van een internationale afspraak veelal luchtweginfectie, longontsteking of accidentele mechanische verstikking geregistreerd. De rubriek ‘accidentele mechanische verstikking in bed of wieg’, aanvankelijk ook toegepast bij vermoedelijke adembelemmering, beperkt zich nu voornamelijk tot verstikking door strangulatie van de hals of door plastic folie tegen het gelaat, terwijl (mogelijke) adembelemmering door een hoofdkussen of een dekbed de diagnose ‘wiegendood’ niet uitsluit. Ook de risicofactor ‘warmtestuwing’ sluit de diagnose wiegendood niet uit, mede omdat meestal meerdere risicofactoren tegelijk in het geding zijn, zoals buikligging en dekbedgebruik in combinatie met een luchtweginfectie.3 Dat de rubriek ‘stikken door voedsel’ duidelijk is teruggelopen, wijst erop dat de toegenomen rugligging eerder tot minder dan tot meer dodelijke aspiratie van voedsel heeft geleid.

Wiegendood naar geboorteland van de ouders

Kinderen van wie beide ouders buiten Nederland waren geboren, hadden in de jaren 1996-2003 een statistisch significant grotere kans op wiegendood dan andere kinderen. Dit gold met name voor Antilliaanse, Surinaamse en Turkse gezinnen (zie tabel 2). Een dergelijk verschil was ook in de jaren 1980-1993 vastgesteld,1 maar met een andere dan de huidige definitie van ‘niet-westers’, zodat de recente gegevens niet goed te vergelijken zijn met de vroegere. De verhoogde incidentie bij kinderen met twee niet-westerse ouders hangt vermoedelijk samen met een mindere kennis van de risicofactoren van wiegendood en een hogere prevalentie van passief roken.24 25

Afgenomen risicofactoren

De afname van enkele belangrijke risicofactoren is gepaard gegaan met een circa 10-voudige daling van wiegendood en aangrenzende diagnosen (zie tabel 1). Dit komt vooral door afname van primaire buikligging, dekbedgebruik en ouderlijk roken.6 Ouders van zuigelingen zijn in deze tijd, volgens eigen zeggen, minder vaak rokers dan hun leeftijdsgenoten in het algemeen (zie tabel 6) en er zijn aanwijzingen dat de nog rokende ouders gemiddeld minder dan vroeger in het bijzijn van hun baby roken.3 4 6 26 27 Dat wiegendood in een auto zich sedert 1995 niet meer voordeed is vermoedelijk vooral toe te schrijven aan de vervanging van de reiswieg door een autozitje. Tegenover deze afnemende risicofactoren staan de volgende bevindingen.

Wiegendood in een box

De opmerkelijke toename van wiegendood in een box of op een boxkleed buiten de box (zie tabel 3) wordt mogelijk ten dele verklaard uit een recente toename van boxgebruik op jongere leeftijd van de zuigeling, met de aantekening dat de 13 gevallen zich voordeden terwijl er op dat moment geen toezicht was.12

Wiegendood tijdens kinderopvang

In een kinderdagverblijf of op een oppasadres is de incidentie eveneens opmerkelijk toegenomen, deels door een toegenomen gebruik van deze voorzieningen en deels door een daaraan verbonden verhoogd risico voor kinderen van 2-7 maanden.11

Samen met ouder(s) in één bed

Omstreeks 1994 waaide uit de Verenigde Staten een nieuwe gewoonte van ouders over om hun jonge zuigeling bij zich in bed te laten slapen. Deze gewoonte kwam ongetwijfeld voort uit warme gevoelens van ouderschap en uit de behoefte het geven van borstvoeding te bevorderen. In verschillende onderzoeken is echter gebleken dat deze gewoonte in de eerste maanden de kans op wiegendood verhoogt, met name als een van de ouders roker is.19-21 Ook in Nederland heeft het samen slapen met een of twee ouders geleid tot een verontrustende toename van wiegendood in de eerste levensmaanden (tabel 3). Van 120 wiegendoodkinderen die in hun 1e levenshalfjaar zijn overleden, sliepen 21 kinderen routinematig samen met een of twee ouders in één bed. Daarbij zijn 10 zuigelingen die wegens onrust in de laatste nacht bij de ouder(s) in bed genomen waren, buiten beschouwing gelaten, omdat het niet is uitgesloten dat die onrust van betekenis is geweest voor het optreden van wiegendood in de daaropvolgende uren.3 23 24 28 Vermoedelijk wordt dit verhoogde risico deels veroorzaakt door het voor zuigelingen dikwijls onveilige grote bed (kussens; dekbed; spleet tussen twee matrassen; waterbed; geen opstaande zijkant), zoals blijkt uit het eveneens toegenomen aantal wiegendoodkinderen dat alleen (zonder ouder) in een groot bed te slapen was gelegd (zie tabel 3).3 22

Secundaire buikligging

Tegelijk met het afnemen van primaire buikligging is de kans op secundaire buikligging toegenomen, met daarbij een verhoogd risico voor wiegendood (zie tabel 4). Preventie hiervan is slechts beperkt mogelijk door het na de eerste 14 dagen vermijden van primaire zijligging, door veilig bedmateriaal en door meer toezicht.3

conclusie

Het resultaat van de beschreven veranderingen in de zuigelingenzorg is weliswaar gunstig, maar vereist voortgaande evaluatie, zowel van de prevalenties van bewezen en potentiële, oude en nieuwe risicofactoren, als van alle wiegendoodgevallen die zich voordoen. Dit te meer, omdat succesvolle preventie de neiging heeft verwaarloosd te worden.

De Landelijke Werkgroep Wiegendood bestond in deze fase uit de volgende leden: dr.A.C.Engelberts, secretaris; dr.M.H.Gons; prof.dr.G.A.de Jonge (coördinator); dr.F.J.Kuijper, prof.dr.R.H.Kuijten, B.M.Lankester-Knape, prof.dr.J.H.Ruys, dr.H.G.Scholten, dr.B.A.Semmekrot, A.G.W.M.Tielens en dr.H.Wierenga, kinderartsen; prof.J.Huber en A.Maes, pathologen; prof.dr.M.M.Y.Lammens, neuropatholoog; dr.M.P.L’Hoir, psychotherapeut; dr.R.Brand, biostatisticus; dr.G.W.’t Jong, co-assistent; I.M.van Langen, klinisch geneticus.

Dit onderzoek kon totstandkomen dankzij de hulp van betrokken huisartsen, kinderartsen, pathologen en ouders van de overleden kinderen.

Belangenconflicten: geen gemeld. Financiële ondersteuning: de Stichting Wiegedood voorzag in een onkostenvergoeding.

Literatuur
  1. Jonge GA de, Hoogenboezem J. Wiegedood in Nederland in de periode 1980-1993. Ned Tijdschr Geneeskd 1994;138:2133-6.

  2. Velzen-Mol HWM van, Burgmeijer RJF, Hofkamp M, Ouden AL den. Consensus preventie van wiegendood. Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:1779-83.

  3. Jonge GA de, L’Hoir MP, Ruys JH, Semmekrot BA, redacteuren. Wiegendood, ervaringen en inzichten. Noorden: Stichting Wiegedood; 2002.

  4. Engelberts AC. Cot death in the Netherlands. An epidemiological study. Amsterdam: VU University Press; 1991.

  5. Hill AB. The environment and disease: association or causation? Proc R Soc Med 1965;58:295-300.

  6. Moyer VA, Elliot EJ. Evidence based pediatrics and child health. 2nd ed. Londen: BMJ Books; 2004.

  7. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Overledenen naar doodsoorzaak, leeftijd en geslacht in het jaar 1980. Serie A1 (jaarlijkse publicatie). Voorburg: CBS; 1980-1995.

  8. Byard RW. Sudden death in infancy, childhood and adolescence. 2nd ed. Cambridge: Cambridge University Press; 2004.

  9. Jonge GA de, Kostense PJ, Pieterson I. Prävention des plötzlichen Kindstodes. In: Trowitzsch E, Schlüter B, Andler W, Herausgeber. Der plötzliche Kindstod. Prävention des SID. Berlijn: Acron; 1993.

  10. L’Hoir MP. Cot death. Risk factors and prevention in the Netherlands in 1995-1996 proefschrift. Utrecht: Universiteit Utrecht; 1998.

  11. Jonge GA de, Lanting CI, Brand R, Ruys JH, Semmekrot BA, Wouwe JP van. Sudden infant death syndrome in child care settings in the Netherlands. Arch Dis Child 2004;89:427-30.

  12. Jonge GA de, Semmekrot BA. Wiegendood in een box. Ned Tijdschr Geneeskd 2005;149:1279-82.

  13. Jonge GA de, Burgmeijer RJF, Engelberts AC, Hoogenboezem J, Kostense PJ, Sprij AJ. Sleeping position for infants and cot death in the Netherlands 1985-1991. Arch Dis Child 1993;69:660-3.

  14. Sprij AJ, Jonge GA de. Slaaphouding zuigelingen 1988-1990. Tijdschr Jeugdgezondheidszorg 1991;23:38-40.

  15. Burgmeijer RJF, Jonge GA de. Slaaphouding en toedekken van zuigelingen in het najaar van 1994. Ned Tijdschr Geneeskd 1995;139:2568-71.

  16. Hagen EE van, Wouwe JP van, Buuren S van, Burgmeijer RJF, Hirasing RA, Jonge GA de. Peiling veilig slapen 1999. Leiden: TNO-PG; 2000.

  17. Enquête borstvoeding, roken, slapen 2002/2003. Leiden: TNO-Kwaliteit van Leven; 2004.

  18. Stichting Volksgezondheid en Roken (Stivoro). Jaarverslag 2003. Den Haag: Stivoro; 2004.

  19. McGarvey C, McDonell M, Chong A, O’Rega M, Matthews T. Factors relating to the infant’s sleep environment in sudden infant death syndrome in the Republic of Ireland. Arch Dis Child 2003;88:1058-64.

  20. Carpenter RG, Irgens LM, Blair PS, England PD, Fleming P, Huber J, et al. Sudden unexplained infant death in 20 regions in Europe; case control study. Lancet 2004;363:185-91.

  21. Wailoo M, Ball H, Fleming P, Platt MW. Infant bed-sharing with mothers. Arch Dis Child 2004;89:1081-2.

  22. Nakamura S, Wind M, Danello MA. Review of hazards associated with children placed in adult beds. Arch Pediatr Adolesc Med 1999;153:1019-23.

  23. Mitchell EA, Stewart AW. Gender and the sudden death syndrome. Acta Paed 1997;86:854-6.

  24. Wal MF van der, Jonge GA de, Pauw-Plomp H. Etnische afkomst en voor wiegendood relevante verzorgingsfactoren. Ned Tijdschr Geneeskd 1999;143:2141-5.

  25. Sleuwen BE van, L’Hoir MP, Engelberts AC, Westers P, Schulpen TWJ. Infant care practices related to cot death in Turkish and Moroccan families in the Netherlands. Arch Dis Child 2003;88:784-8.

  26. Haglund B, Cnattingius S. Cigarette smoking as a risk factor for SIDS: a population based study. Am J Publ Health 1990;80:29-32.

  27. Hofhuis W, Jongste JC de, Merkus PJFM. Adverse health effects of prenatal and postnatal tobacco smoke exposure on children. Arch Dis Child 2003;88:1086-90.

  28. Bajanowski T, Ott A, Jorck G, Brinkmann B. Frequency and type of aspiration in cases of sudden infant death in correlation of the body position at the time of discovery. J SIDS Infant Mortal 1996;1:271-9.

Auteursinformatie

Hr.em.prof.dr.G.A.de Jonge, kinderarts, Prins Bernhardlaan 50, 2341 KL Oegstgeest.

Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg.

Hr.J.Hoogenboezem, statistisch analist.

Contact hr.em.prof.dr.G.A.de Jonge

Gerelateerde artikelen

Reacties