De methode-Montignac: wetenschappelijke onderbouwing aanvechtbaar
Open

Richtlijnen
04-02-1998
K.A.M.I. van der Pant, F. Holleman en J.B.L. Hoekstra

Overgewicht is een groot gezondheidsprobleem in de westerse welvaartsmaatschappij: 1 op de 5 Nederlanders heeft overgewicht en 1 op de 3 Nederlanders volgt een afslankdieet.

De methode-Montignac, door de bedenker gepropageerd als een voedingsleer, is een populair afslankdieet.

De methode stoelt op een aantal hypothesen aangaande het metabolisme van koolhydraten en vetten: aan koolhydraten met een lage glykemische index wordt de voorkeur gegeven, koolhydraten dienen niet samen met vetten te worden genuttigd, fruit wordt gepropageerd, maar mag niet met ander voedsel worden gecombineerd.

De theorieën van Montignac aangaande de metabole effecten van koolhydraten en vetten worden door wetenschappelijke feiten weersproken.

Indien er een indicatie tot afvallen bestaat, verdient een verminderde inname van energie en verzadigd vet en een gelijktijdige toename van de lichaamsbeweging de voorkeur boven het Montignac-dieet.

Overgewicht, gedefinieerd als een Quetelet-index (‘body mass index’ (BMI)) van meer dan 27 kg/m2 is een omvangrijke bron van morbiditeit en mortaliteit in de westerse welvaartsmaatschappij. Het risico op hart- en vaatziekten is 1,5 tot 3 maal zo hoog voor mensen met overgewicht;1 diabetes en hypertensie komen 2,9 keer zo vaak voor bij personen met een BMI ? 27,8 kg/m2.2 Het syndroom X, een combinatie van overgewicht, insulineresistentie, hyperinsulinemie, glucose-intolerantie, hypertensie en dislipidemie, geldt als een zeer bedreigend cluster van cardiovasculaire risicofactoren.3 Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt de prevalentie van ernstig overgewicht (BMI ? 30 kg/m2) in Nederland bij mannen boven de 18 jaar 5,5 en bij vrouwen 7,4 te zijn. Matig overgewicht (27 kg/m2 < BMI < 30 kg/m2) komt voor bij respectievelijk 14,8 en 11,3.4 Veel mensen ervaren hun gewicht als een probleem. Van de mannen en vrouwen die vinden dat zij te veel wegen, probeert respectievelijk 55 en 65 op een of andere manier af te vallen.5

In 1986 beschreef de Fransman Michel Montignac in zijn boek Slank worden met zakendiners een als ‘voedingsleer’ gepropageerd dieet, dat sinds enkele jaren een grote populariteit geniet: de methode-Montignac. Inmiddels heeft deze methode zich een stevige positie op de Nederlandse afslankmarkt verworven.

Montignac wekt de suggestie dat zijn methode wetenschappelijk goed onderbouwd is. In dit artikel gaan wij na in hoeverre de theorieën die aan zijn methode ten grondslag liggen wetenschappelijk verdedigbaar zijn.

kernpunten van het dieet

Het belangrijkste facet van het Montignac-dieet is dat de samenstelling van de maaltijd bepalend is voor de uiteindelijke gewichtstoename.6 De glykemische index (zie verder) en de door insuline gemedieerde metabole effecten van de koolhydraten zouden hierbij een belangrijke rol spelen. Daarom wordt het gelijktijdig nuttigen van koolhydraten en vetten sterk ontraden.

In de tweede plaats besteedt Montignac veel aandacht aan wat hij de ‘mythe van de calorieën’ noemt. Volgens Montignac zou een reductie in energie-inname op de lange termijn niet resulteren in gewichtsafname.

In de derde plaats is Montignac van mening dat de combinatie van fruit met andere voedingsmiddelen ongewenst is.

Tenslotte geeft Montignac enkele algemeen erkende voedingsadviezen, zoals een ruim gebruik van vezels, vitaminen en mineralen en een matig gebruik van verzadigde vetten en cholesterol.

de metabole effecten van koolhydraten

Montignac keert zich, zoals gezegd, tegen het gelijktijdig gebruik van vetten en koolhydraten. Met name het gebruik van koolhydraten met een hoge glykemische index zou uit den boze zijn.6

Glykemische index.

Het concept van de glykemische index werd in 1981 voor het eerst beschreven door Jenkins et al.7 De glykemische index is de verhouding tussen de oppervlakte onder de bloedglucoseresponscurve na inname van 50 g koolhydraatbevattend voed-sel en de oppervlakte onder de bloedglucoseresponscurve na inname van 50 g glucose (figuur 1).7-9 Volgens Montignac leiden ‘goede’ koolhydraatbronnen met een glykemische index < 50, zoals bruine bonen, tot een geringere toename van de bloedglucoseconcentratie dan ‘slechte’ koolhydraatbronnen met een glykemische index > 50, zoals aardappelen (tabel). Een hoge glykemische index gaat volgens hem gepaard met een onfysiologisch grote insulinerespons. Wanneer koolhydraten en vetten tegelijkertijd genuttigd worden, zou deze hyperinsulinemie resulteren in een overmatige adipogenese en uiteindelijk in overgewicht. Bovendien stelt Montignac dat er bij een groot deel van de ogenschijnlijk gezonde mensen ten gevolge van de slechte voedingsgewoonten sowieso sprake is van een hyperactief pancreas, hyperinsulinemie en een voortdurende neiging tot hypoglykemie. Deze neiging tot hypoglykemie wordt gecompenseerd door de inname van koolhydraten met als gevolg een hernieuwde stimulatie van het pancreas. Hierdoor zou een vicieuze cirkel ontstaan van hyperinsulinemie gevolgd door adipogenese, hypoglykemie en koolhydraatinname.

Kanttekeningen.

Bij deze koolhydraattheorie van Montignac valt een aantal kanttekeningen te plaatsen. Allereerst blijkt het concept van de glykemische index alleen toepasbaar, indien de koolhydraatbron in zuivere vorm genuttigd wordt. Na het nuttigen van maaltijden die ook andere voedingsbestanddelen bevatten, zoals vetten en (of) eiwitten, verschillen de bloedglucoseconcentraties nauwelijks, ondanks verschillen in glykemische index (figuur 2 en 3).9 Kennelijk zijn er andere interacties die een invloed op de bloedglucoserespons uitoefenen. Zo is bekend dat niet alleen koolhydraten, maar ook eiwitten de insulinerespons kunnen stimuleren.1011 Daarentegen kunnen vetten de maagontlediging remmen en daardoor de glucoserespons verlagen.11 Vezels hebben eveneens een vertragende werking op de glucoseopname.12 Ook bij de zogenaamd zuivere koolhydraatbronnen zijn verschillen in glykemische index waarschijnlijk toe te schrijven aan verschillen in vezel- en vetgehalte.13 Daarnaast kunnen de rijpheid, de bereidingswijze (koken) en de vorm (vloeibaar of vast) waarin de koolhydraatbron genuttigd wordt de glykemische index sterk beïnvloeden.1314 Door dergelijke bezwaren blijkt de glykemische index voor de praktijk een nutteloos instrument.1516 Ook Montignac zelf heeft moeite met het onderscheiden van goede en slechte koolhydraten: volkorenbrood (glykemische index: 72) en zilvervliesrijst (66) zijn toegestaan, maar witbrood (69) en aardappelen (70) niet.

In de tweede plaats is het de vraag of de hogere insulinerespons na maaltijden met een hogere glykemische index onfysiologisch genoemd kan worden. De ?-celfunctie is bij gezonde personen zonder overgewicht zo goed gereguleerd dat de glucoseconcentratie na de maaltijd snel weer nuchtere waarden aanneemt; hoewel de insulinerespons na het nuttigen van verschillende voedingsmiddelen kan variëren, kan niet gesproken worden van een overmatige insulinerespons.17 Bij gezonden mét overgewicht kan weliswaar een hyperinsulinemie optreden, maar deze vormt een fysiologische compensatie voor de eveneens aanwezige insulineresistentie. Episoden van spontane hypoglykemie komen bij gezonde personen, met of zonder overgewicht, dan ook niet voor.1819 Ook de veronderstelling van Montignac dat bij gezonde personen op langere termijn een permanente hyperinsulinemie en een neiging tot hypoglykemie kan ontstaan (door verkeerde voeding) is onjuist. Zelfs bij langdurig gebruik van maaltijden met een hoge glykemische index blijft de insulinemie in nuchtere toestand gelijk.20

In de derde plaats is het onwaarschijnlijk dat de mate van insulinemie bepaalt hoe de netto-energie- en -vetbalans uitvalt. Bij gezonde personen is er slechts een zeer geringe uitscheiding van vet in de feces.21 Van het vet uit de voeding wordt onder normale omstandigheden 96 opgeslagen.22 De invloed van de door Montignac gesuggereerde hyperinsulinemie als gevolg van een gelijktijdige inname van koolhydraten zou zich dus sowieso beperken tot niet meer dan 4 van de vetinname. In de praktijk blijkt echter het volgende te gebeuren: bij een verhoogd aanbod van vetten neemt de vetoxidatie nauwelijks toe, maar de vetopslag wel.23 Een hoog koolhydraataanbod daarentegen resulteert in een toegenomen glucose-oxidatie zonder effect op de vetbalans.23 Bovendien bevatten vetten per gram meer calorieën (38 kJ) dan koolhydraten (17 kJ). Hierdoor blijkt er bij een vrije voedselkeuze meer energie (lees: vet) opgeslagen te worden naarmate de vet-koolhydraatratio in de voeding toeneemt.2425 Het is dus niet de koolhydraatinname en de eventuele hyperinsulinemie, maar de verhoogde vetinname en de daarmee gepaard gaande verhoogde energie-inname die in anabool opzicht gevreesd moeten worden.

de mythe van de calorieën

De theorie dat de energiebalans de gewichtstoe- of -afname bepaalt, is volgens Montignac de ‘grootste wetenschappelijke vergissing van de eeuw’.6 Een verminderde energie-inname zou op lange termijn niet tot gewichtsafname leiden. Volgens Montignac zou het lichaam zijn basaalmetabolisme verlagen wanneer de toevoer van calorieën wordt verminderd. Het basaalmetabolisme zou zelfs sterker afnemen dan op grond van de verminderde energietoevoer noodzakelijk is, opdat het lichaam reserves kan aanleggen voor het geval de energietoevoer nog verder vermindert. Hoewel een reductie in energie-inname aanvankelijk tot gewichtsverlies leidt, zou het lichaamsgewicht daardoor uiteindelijk dus zelfs toenemen.

In tegenstelling tot wat Montignac beweert, is er een overvloed aan wetenschappelijk bewijs voor de effecten van energie-inname op het lichaamsgewicht.26-28 Bij een overmatige energie-inname blijkt al na enkele dagen een positieve energiebalans en een daarmee samenhangende gewichtstoename waarneembaar.29 Met laagcalorische diëten (5000 kJ (1200 kcal)/dag) en goede begeleiding kan een gewichtsverlies van ongeveer 8,5 kg in 5 maanden bereikt worden;2628 30 zeer laagcalorische diëten (3500 kJ (800 kcal)/dag) resulteren in een gewichtsverlies van ongeveer 20 kg in 4 maanden.30 Het blijkt wel moeilijk om het bereikte, lagere gewicht te handhaven. Patiënten die niet langdurig begeleid worden, komen binnen 1 jaar na het afvallen al weer de helft van het eerder verloren gewicht aan.30 Dit zogenaamde jojo-effect is echter niet een gevolg van een veranderd basaalmetabolisme; het basaalmetabolisme past zich zowel aan verminderde als aan toegenomen energietoevoer snel aan door respectievelijk een verlaging of een verhoging.2529 Waarschijnlijk speelt het psychologisch onvermogen om de beperkte energie-inname vol te houden de grootste rol.

fruit

Montignac moedigt het nuttigen van fruit aan vanwege belangrijke bestanddelen als vezels en vitaminen. Volgens Montignac mag fruit echter niet gecombineerd worden met andere voedingsmiddelen. Fruit zou dan namelijk te lang in de maag verblijven en gaan gisten. Hierbij zou alcohol gevormd worden. De vitaminen uit het fruit zouden bij dit proces verloren gaan. Bovendien zou de vertering van andere voedingsmiddelen door de gelijktijdige aanwezigheid van fruit verstoord raken.

Het is zeer onwaarschijnlijk dat er in de maag van gezonde personen een gistingsproces optreedt. Het sterk zure milieu in de maag werkt bactericide, waardoor eventueel aanwezige micro-organismen niet de kans krijgen om een dergelijk gistingsproces tot stand te brengen. Hoewel de verblijftijd in de maag inderdaad enigszins verlengd kan worden door het gelijktijdig nuttigen van andere (vette) voedingsmiddelen, zal deze zelden langer dan 5 uur zijn. Zelfs indien de pH van de maag groei van micro-organismen zou toelaten, is deze periode te kort om gisting van betekenis te bewerkstelligen.

beschouwing

Anders dan de grote populariteit doet vermoeden, is het dieet van Montignac geen rationele aanpak van overgewicht. Wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt en het is de vraag of het dieet aan gewichtsreductie op lange termijn kan bijdragen.

Voor de in de media gemelde, niet-objectiveerbare successen zijn een aantal verklaringen mogelijk. Zoals bij alle diëten zal het bewuster omgaan met voeding een belangrijke oorzaak van gewichtsafname zijn. Bovendien blijkt de receptuur van Montignac, ondanks zijn afkeer van de ‘mythe van de calorieën’, eveneens een vorm van energiereductie op te leveren. Uit een analyse van de Consumentenbond blijkt dat de gesuggereerde menu's resulteren in een inname van ongeveer 7500 kJ (1800 kcal) per dag, terwijl de gemiddelde dagelijkse behoefte voor vrouwen 8950 kJ (2140 kcal) en voor mannen 11.400 kJ (2720 kcal) bedraagt.31 In de derde plaats zorgt het relatief grote volume aan vezels uit groente en fruit voor een gevoel van verzadiging.23

Overigens dient men zich te realiseren dat het dieet van Montignac een onaangenaam neveneffect heeft. Uit het dieet vloeit voort dat het percentage vet in de voeding verhoogd wordt, terwijl het percentage koolhydraten verlaagd wordt. Volgens de analyse van de Consumentenbond resulteert dit in een inname van 48 vet, waarvan de helft als verzadigd vet.31 Dit is aanzienlijk meer dan de 30 vet (waarvan maximaal eenderde verzadigd) die in de ‘Richtlijnen voor goede voeding’ wordt aanbevolen. Hoewel Montignac zelf een verminderde inname van verzadigd vet en cholesterol bepleit, is er bij het volgen van zijn dieetadviezen een ongunstig effect op het lipideprofiel te verwachten. Uit het oogpunt van cardiovasculair risico lijkt het dieet dus het ene kwaad door het andere te vervangen.

Voor een verantwoorde gewichtsreductie lijkt vermindering van de energie-inname nog steeds de aangewezen weg. Hierbij dient men zich te realiseren dat het streefgewicht, wanneer bereikt, alleen gehandhaafd kan worden indien men blijvend minder calorieën eet dan voorheen, aangezien het basaalmetabolisme tegelijk met het gewicht vermindert. De nadruk zal bij de energiereductie moeten liggen op een minimalisering van de hoeveelheid verzadigde vetzuren, in ieder geval tot minder dan 10 van de totale energie-inname, aangezien hierdoor het lipideprofiel in gunstige zin beïnvloed wordt. Maximaal 30 van de totale energie-inname mag uit vetten bestaan. Koolhydraten en eiwitten zouden in respectievelijk 55 en 15 van de energie-inname moeten voorzien. Een ruim gebruik van vezels maakt het volhouden van een dieet gemakkelijker en heeft bovendien een gunstig effect op het lipideprofiel.32

Wanneer de aanpassingen in het voedingspatroon gekoppeld worden aan toegenomen lichaamsbeweging, wordt het handhaven van de bereikte gewichtsreductie gemakkelijker.33 Bovendien heeft lichaamsbeweging eveneens gunstige effecten op het lipideprofiel.3034

Al met al lijkt het Montignac-dieet zeker niet de voorkeur te genieten boven de klassieke adviezen van energiereductie, verminderde inname van verzadigd vet en toegenomen lichaamsbeweging.

Literatuur

  1. Lamon-Fava S, Wilson PWF, Schaefer EJ. Impact of body massindex on coronary heart disease risk factors in men and women. The FraminghamOffspring Study. Arterioscler Thromb Vasc Biol 1996;16:1509-15.

  2. Van Itallie TB. Health implications of overweight andobesity in the United States. Ann Intern Med 1985;103(6 (Pt2)):983-8.

  3. DeFronzo RA, Ferrannini E. Insulin resistance. Amultifaceted syndrome responsible for NIDDM, obesity, hypertension,dyslipidemia, and atherosclerotic cardiovascular disease. Diabetes Care1991;14:173-94.

  4. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Statistischjaarboek 1997. Voorburg: CBS, 1997.

  5. Verweij GCG. Overgewicht en vermageren in Nederland, 1992.Maandber Gezondheid (CBS) 1994;13:4-13.

  6. Montignac M. Ik ben slank want ik eet! Valkenswaard:Artulen, 1996.

  7. Jenkins DJA, Wolever TMS, Taylor RH, Barker H, Fielden H,Baldwin JH, et al. Glycemic index of foods: a physiological basis forcarbohydrate exchange. Am J Clin Nutr 1981;34:362-6.

  8. Ritz P, Krempf M, Cloarec D, Champ M, Charbonnel B.Comparative continuous-indirect-calorimetry study of two carbohydrates withdifferent glycemic indices. Am J Clin Nutr 1991;54:855-9.

  9. Coulston AM, Hollenbeck CB, Swislocki ALM, Reaven GM.Effect of source of dietary carbohydrate on plasma glucose and insulinresponses to mixed meals in subjects with NIDDM. Diabetes Care1987;10:395-400.

  10. Schmid R, Schusdziarra V, Schulte-Frohlinde E, Maier V,Classen M. Circulating amino acids and pancreatic endocrine function afteringestion of a protein-rich meal in obese subjects. J Clin Endocrinol Metab1989;68:1106-10.

  11. Nuttall FQ, Gannon MC, Wald JL, Ahmed M. Plasma glucoseand insulin profiles in normal subjects ingesting diets of varyingcarbohydrate, fat, and protein content. J Am Coll Nutr1985;4:437-50.

  12. Jenkins DJA, Leeds AR, Gassull MA, Cochet B, Alberti GMM.Decrease in postprandial insulin and glucose concentrations by guar andpectin. Ann Intern Med 1977;86:20-3.

  13. Truswell AS. Glycaemic index of foods. Eur J Clin Nutr1992;46 Suppl 2:S91-101.

  14. Wolever TMS. The glycemic index: flogging a dead horse?Diabetes Care 1997;20:452-6.

  15. Coulston AM, Reaven GM. Much ado about (almost) nothing.Diabetes Care 1997;20:241-3.

  16. Hollenbeck CB, Coulston AM. The clinical utility of theglycemic index and its application to mixed meals. Can J Physiol Pharmacol1991;69:100-7.

  17. Genuth SM. Plasma insulin and glucose profiles in normal,obese, and diabetic persons. Ann Intern Med 1973;79:812-22.

  18. Holleman F, Hoekstra JBL. ‘Spontaneous’hypoglycaemia: facing a hydra. Neth J Med 1996;48:167-8.

  19. Service FJ. Hypoglycemic disorders. N Engl J Med1995;332:1144-52.

  20. Kiens B, Richter EA. Types of carbohydrate in an ordinarydiet affect insulin action and muscle substrates in humans. Am J Clin Nutr1996;63:47-53.

  21. Ahnen DJ. Nutrient assimilation. In: Kelley WN, editor.Textbook of internal medicine. Philadelphia: Lippincott-Raven,1997.

  22. Blaxter K. Energy metabolism in animals and man.Cambridge: Cambridge University Press, 1989.

  23. Golay A, Bobbioni E. The role of dietary fat in obesity.Int J Obes Relat Metab Disord 1997;21 Suppl 3:S2-11.

  24. Hellerstein MK, Christiansen M, Kaempfer S, Kletke C, WuK, Reid JS, et al. Measurement of de novo hepatic lipogenesis in humans usingstable isotopes. J Clin Invest 1991;87:1841-52.

  25. Cottrell R, editor. Weight control. Londen: Chapman Hall,1995.

  26. Golay A, Eigenheer C, Morel Y, Kujawski P, Lehmann T, DeTonnac N. Weight-loss with low or high carbohydrate diet? Int J Obes RelatMetab Disord 1996;20:1067-72.

  27. Shah M, McGovern P, French S, Baxter J. Comparison of alow-fat, ad libitum complex-carbohydrate diet with a low-energy diet inmoderately obese women. Am J Clin Nutr 1994;59:980-4.

  28. Schlundt DG, Hill JO, Pope-Cordle J, Arnold D, Virts KL,Katahn M. Randomized evaluation of a low fat ad libitum carbohydrate diet forweight reduction. Int J Obes Relat Metab Disord 1993;17:623-9.

  29. Klein S, Goran M. Energy metabolism in response tooverfeeding in young adult men. Metabolism 1993;42:1201-5.

  30. Wadden TA. Treatment of obesity by moderate and severecaloric restriction. Results of clinical research trials. Ann Intern Med1993;119(7 Pt 2):688-93.

  31. Lim M. Afslankgoeroes knutselen graag met de wetenschap.Voeding en voorlichting 1997;4:12-3.

  32. Tillotson JL, Grandits GA, Bartsch GE, Stamler J.Relation of dietary fiber to blood lipids in the special intervention andusual care groups in the Multiple Risk Factor Intervention Trial. Am J ClinNutr 1997;65(1 Suppl):327S-37S.

  33. Pavlou KN, Krey S, Steffee WP. Exercise as an adjunct toweight loss and maintenance in moderately obese subjects. Am J Clin Nutr1989;49(5 Suppl):1115-23.

  34. Wood PD, Stefanick ML, Williams PT, Haskell WL. Theeffects on plasma lipoproteins of a prudent weight-reducing diet, with orwithout exercise, in overweight men and women. N Engl J Med1991;325:461-6.