De kwaliteitsborging van het Nederlandse gezondheidsonderzoek

Opinie
E. Borst-Eilers
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138:1844-5

De kwaliteit van het nederlandse gezondheidsonderzoek

Slecht wetenschappelijk onderzoek is weggegooid geld en geld weggooien kunnen wij ons in Nederland niet meer permitteren. Daarover bestaat geen verschil van mening, wel over de beste manier om de kwaliteit van onderzoek te garanderen. De bewindslieden van Onderwijs en Wetenschappen en Volksgezondheid vroegen daarover in 1988 een advies aan de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO). Een jaar later bracht de RGO dat advies uit, onder de titel ‘Kwaliteitsbewaking in het gezondheidsonderzoek’.1

De RGO pleitte voor één systeem van kwaliteitsbeoordeling voor het gehele onderzoeksveld. Dat systeem zou moeten bestaan uit periodieke visitaties (om de 5 à 7 jaar) van alle instellingen die zich met onderzoeksmanagement bezighouden: onderzoeksinstituten, financierende instanties, medische faculteiten en academische ziekenhuizen.

De Raad zag het visitatiesysteem vooral als een managementinstrument voor de leiding van de instelling. Medewerking aan visitaties zou voorwaarde moeten zijn voor het blijven ontvangen van onderzoeksgeld. Het oordeel…

Auteursinformatie

Gezondheidsraad, Postbus 90517, 2509 LM Den Haag.

Mw.prof.dr.E.Borst-Eilers, vice-voorzitter.

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

M.
Kiewiet de Jonge

's-Gravenhage, oktober 1994,

Naar aanleiding van het artikel van Borst-Eilers (1994;1844-5) over de kwaliteitsborging van het Nederlandse gezondheidsonderzoek zou ik, als secretaris van de plenaire visitatiecommissie voor urologie, enkele opmerkingen willen maken.

Er bestaat, voor zover ik na heb kunnen gaan, al sinds 1966 een visitatiesysteem voor opleidingsafdelingen voor medisch specialisten. Hoewel deze afdelingen verschillen van onderzoeksinstellingen in die zin dat het meestal onderafdelingen zijn van een instelling (het ziekenhuis) en dat er niet alleen onderzoek wordt verricht, maar ook patiënten worden behandeld, is het visitatiesysteem vergelijkbaar. Bij visitatie van urologische opleidingsafdelingen bijvoorbeeld wordt door de afdeling een intern evaluatierapport gemaakt (het visitatierapport). Hierna wordt door een commissie bestaande uit 2 urologen en 1 assistent-geneeskundige in opleiding een ‘site visit’ gemaakt, welke een halve dag duurt. Het visitatierapport en de bevindingen tijdens de site visit worden door de plenaire visitatiecommissie besproken. Er wordt advies uitgebracht aan de Specialisten Registratie Commissie, welke dan bepaalt of de opleiding verlengd wordt. Gemiddeld wordt een opleidingsafdeling eens in de 5 jaar gevisiteerd.

De gevisiteerde afdeling ontvangt geen enkele financiële vergoeding. De plenaire visitatiecommissie ontvangt ƒ 400,- per visitatie, daarnaast is er nog een geringe vergoeding voor administratieve kosten. Dit staat in geen verhouding tot de ƒ 55.000,- die een visitatie van een onderzoeksinstelling kost. De reden hiervoor is waarschijnlijk dat visitatie van opleidingsafdelingen ontstaan is in een periode waarin men het niet nodig of wenselijk vond om dergelijke activiteiten te honoreren. Naar blijkt zijn de tijden veranderd; ik zou er dan ook voor willen pleiten de vergoeding voor visitaties van opleidingsafdelingen aan te passen.

Interessant is ook dat Borst-Eilers ervoor pleit alle kwaliteitsbewakende systemen door een visitatie te vervangen, met als argument dat te veel verschillende gremia de onderzoekers te veel nevenarbeid bezorgen, waardoor zij het eigenlijke werk niet goed meer uit kunnen voeren. Deze redenering onderschrijf ik van harte; ze zou mijns inziens ook van toepassing moeten zijn op specialisten die assistenten opleiden. Op het ogenblik dreigt het omgekeerde te gebeuren. De Nederlandse Vereniging Ziekenhuisdirecties schrijft in haar brief van 14 september 1993 aan de toenmalige staaatssecretaris dat ze vooral wil dat de ziekenhuisorganisatie betrokken wordt bij de inhoud van de opleiding.

Uit Borst-Eilers‘ artikel trek ik de conclusie dat zij vindt dat veel tijd en geld verloren gaan wanneer niet-deskundigen zich met de controle op de kwaliteit van het gezondheidsonderzoek gaan bemoeien. Door een overzichtelijk controlesysteem, uitgevoerd door deskundigen, meent zij dit te kunnen veranderen. Naar mijn mening dient hetzelfde voor de opleiding van medisch specialisten te gelden en is dit op het ogenblik ook zo, maar dreigt dit systeem te veranderen doordat ziekenhuisorganisaties en verzekeraars zich met de opleiding willen bemoeien – niet uit het oogpunt van kwaliteitsbewaking, maar om financiële redenen. Naar ik hoop is zij het met mij eens en zal zij ook bij de opleidingsklinieken ernaar streven een overzichtelijk controlesysteem uitgevoerd door deskundigen te handhaven.

M. Kiewiet de Jonge