Ziekenhuizentop-100: wisselende ranglijsten, wisselende reputaties

Opinie
R.W.M. Giard
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:2355-8
Abstract
Download PDF

 

Maakt het voor de kansen op herstel uit of een patiënt met een bepaalde kwaal ziekenhuis A dan wel ziekenhuis B binnenstapt? En waar vindt die patiënt de informatie om tussen zorginstellingen te kunnen kiezen? Diverse instanties zetten zich ervoor in de kwaliteit van zorg transparant te maken door kwaliteitsindicatoren te publiceren. Zo verschenen er in de maand september in de publieksmedia maar liefst drie verschillende ranglijsten van ziekenhuizen: die van het Algemeen Dagblad (AD),2 van het bureau Roland Berger Strategy Consultants, gepresenteerd in het televisieprogramma NOVA,3 en van Elsevier.4 De minister van Volksgezondheid juicht het transparant maken van de zorg toe; hij ziet deze initiatieven als een vooruitgang. Het past immers goed in het nieuwe klimaat van marktwerking in de zorg.

Overzichten over uitkomsten van medische zorg worden al sinds de 19e eeuw gepubliceerd. Op aandringen van Florence Nightingale werden gegevens verzameld om de mortaliteit te kunnen beoordelen in relatie tot de aandoening en de daarvoor gegeven behandeling, zodat eventueel verbeteringen in de zorg konden worden aangebracht. In 1862 publiceerde de Royal Statistical Society of London voor het eerst dergelijke uitkomsten.5

Naar het voorbeeld van het onderzoek van scholen door het dagblad Trouw zijn diverse media begonnen met het jaarlijks publiceren van vergelijkend kwaliteitsonderzoek van Nederlandse ziekenhuizen. Wij zien hier dus intern onderzoek door het eigen ziekenhuis tegenover door buitenstaanders uitgevoerd breed kwaliteitsonderzoek.

Geven dergelijke onderzoeken een betrouwbaar beeld van de kwaliteit van de ziekenhuizen? Worden zorginstellingen met een minder goede score geprikkeld om zinvolle en vruchtbare verbeteracties te ondernemen? In hoeverre laten patiënten zich leiden door deze onderzoeken? Aan de hand van deze vragen zal ik deze ontwikkeling binnen de Nederlandse gezondheidszorg tegen het licht houden.6

motieven en methoden voor het meten van de kwaliteit van zorg

Een landelijk vergelijkend onderzoek van de kwaliteit van ziekenhuizen is gemakkelijker gezegd dan gedaan.7 8 Waarom zou een dergelijke grootschalige externe kwaliteitstoetsing nodig zijn, hoe moet die worden uitgevoerd en op welke wijze worden de uitkomsten gepresenteerd?

Goede kwaliteit is nooit vanzelfsprekend en daarom is voortdurende controle nodig. Een van de journalistieke taken is het dienen van een publiek belang door het signaleren van ongewenste situaties. Een landelijk onderzoek naar mogelijke verschillen in ziekenhuiskwaliteit legt deficiënties bloot. Voorts wordt het patiënten mogelijk gemaakt aan de hand van de resultaten bewust tussen ziekenhuizen te kiezen.9

Vervolgens kom ik op de uitvoering van een dergelijk onderzoek. Kwaliteit van zorg dient eerst gedefinieerd en vervolgens gemeten te worden.7 9 10 Kwaliteit zou voor dit type onderzoek kunnen worden omschreven als de mate waarin zorginstellingen in staat blijken de gewenste en volgens de stand van de medische wetenschap te bereiken uitkomsten bij patiënten te realiseren.7 9

Aangezien de media vanuit het perspectief van patiënten werken, worden tenminste twee dimensies onderzocht: de klanttevredenheid, hetgeen een combinatie van bejegening en patiëntenlogistiek is, en de medische prestaties. Wordt er bij de medische prestaties dan vooral gekeken naar hoe artsen handelen (procestoetsing), naar de resultaten daarvan (uitkomsttoetsing) of naar allebei?10 11 Bij extern onderzoek moet men kunnen beschikken over de juiste gegevens die een betrouwbaar oordeel over kwaliteit mogelijk maken.

Als wij ziekenhuizen qua prestaties met elkaar willen vergelijken, zijn ze dan ook werkelijk vergelijkbaar? Wanneer verschillen worden geconstateerd, is dat dan op basis van toeval, op basis van bias, indien door selectiemechanismen uiteenlopende soorten patiëntenpopulaties werden vergeleken, of gaat het toch om verschillen in prestatie? De constatering dat de kwaliteit van zorg in een ziekenhuis onder het bereikbare optimum ligt, is een diagnose per exclusionem: eerst dienen alle andere mogelijke verklaringen te zijn uitgesloten. Bij genoemde vergelijkende onderzoeken kreeg elke zorginstelling een puntenaantal. Het is echter de vraag of de kwaliteit van een ziekenhuis in één getal is te vangen.

de ranglijsten vergeleken

De drie studies rangschikken de Nederlandse ziekenhuizen in volgorde van kwaliteit, waarbij winnaars en verliezers worden aangeven. Alle drie hebben ze duidelijk één ding gemeen: men pretendeert onderscheid te kunnen maken tussen kwalitatief goede en minder goede zorginstellingen. Qua methode is bij alle drie gekozen voor een multifactoriële analyse met puntentellingen en een uiteindelijke optelscore als basis voor de rangschikking. Qua praktische uitvoering verschillen de onderzoeken onderling echter sterk. Het AD baseert de uitkomsten op 30 uiteenlopende medische en organisatorische toetsingscriteria (www.ad.nl/ziekenhuistop100). Elsevier gaat uit van antwoorden van geselecteerde informanten op vragenlijsten en men onderzoekt drie rubrieken: medische en verpleegkundige prestaties, specialistische zorg en tenslotte organisatie en service. Elke rubriek bevat verschillende onderwerpen met in totaal 54 scoreonderdelen. Roland Berger Strategy Consultants gebruikt door de Inspectie voor de Gezondheidszorg gepubliceerde prestatie-indicatoren, aangevuld met gegevens uit de jaarverslagen van ziekenhuizen.

AD en Elsevier publiceren een ranglijst van alle ziekenhuizen, Roland Berger Strategy Consultants presenteert een rangschikking van alle ziekenhuizen, exclusief de academische ziekenhuizen en een oncologisch centrum, in vier kwartielen van de 25 beste, de 25 slechtste en twee tussenliggende categorieën. Elsevier geeft daarnaast op grond van de totaalscore een groepering van de ziekenhuizen in de categorieën uitstekend-goed-gemiddeld-matig-slecht.

Bieden de drie verschillende ranglijsten de patiënt ondanks hun verschillende benaderingen een eenduidig beeld van de kwaliteit van de onderzochte ziekenhuizen? In figuur 1 is de correlatie tussen de scorelijsten van AD en Elsevier weergegeven. Uit de spreiding van de punten wordt duidelijk dat er vrijwel geen correlatie tussen beide beoordelingen bestaat. Soms zijn de tegenstellingen zelfs groot: een ziekenhuis kan bij het ene onderzoek tot de categorie beste ziekenhuizen behoren en bij het andere juist tot de slechtste.

Als in het onderzoek van Elsevier de classificaties ‘uitstekend’ en ‘goed’ worden samengevoegd en de vier rubrieken vervolgens worden vergeleken met de vier kwartielen van Roland Berger Strategy Consultants, blijkt eveneens dat er nauwelijks overeenstemming tussen beide bestaat (tabel). Wanneer alle drie onderzoeken onderling op het punt van waarnemerovereenstemming worden onderzocht, zijn er drie combinatieparen (figuur 2). Uitgedrukt in kappacoëfficiënten is de score hoogstens 0,14 en dat betekent in alle gevallen slechte overeenstemming ten aanzien van de oordelen.12

de voors en tegens van het publiceren van ranglijsten

Het publiek maken van uitkomsten van kwaliteitstoetsing, of dit nu gebeurt door toezichthouders of de media, is geen doel op zich. Het gaat immers om goede patiëntenzorg. De vraag dringt zich op of publiek maken een effectieve manier is om de zorg te verbeteren. Ranglijsten zouden heilzaam kunnen werken doordat ze slecht scorende ziekenhuizen prikkelen om tot betere prestaties te komen. Er is weinig experimenteel onderzoek uitgevoerd om hiervoor overtuigende argumenten te leveren.9 13 Maar hier gaat nog een kwestie aan vooraf: op welke objectieve en reproduceerbare wijze kan vergelijkenderwijs de kwaliteit van ziekenhuizen in kaart gebracht worden? Daarbij moet aan verschillende voorwaarden worden voldaan: de uitkomsten dienen overtuigend én – bij meerdere onafhankelijke onderzoeken – eenduidig te zijn. Dan pas krijgt men een geloofwaardig pedagogisch signaal.14

Het openbaar maken van de kwaliteit van een ziekenhuis vindt zijn grondslag in het recht op informatie binnen een democratische samenleving. De geïnformeerde burger kan kiezen. Maar wat doen patiënten met de vergelijkende studies? Vooralsnog weinig, zo blijkt uit onderzoek.9 13 14 In acute situaties of vanwege zorgpolissen zijn de keuzemogelijkheden voor de patiënt praktisch veelal beperkt.

Naast positieve effecten kan publicatie van kwaliteitsbeoordelingen ook averechtse effecten opleveren. Alleen al het definiëren van ‘voortreffelijkheid’, het meten daarvan en het verspreiden van de resultaten beïnvloeden het systeem: men richt de aandacht op de gemeten variabelen.15 Diverse auteurs wijzen op de volgende disfunctionele consequenties van het publiceren van gegevens over kwaliteit: de ontwikkeling van strategisch gedrag om de getallen te flatteren; het zich vooral richten op kortetermijndoelen; voorzichtigheid bij het doorvoeren van innovaties; de ontwikkeling van een tunnelvisie: alleen de gemeten onderwerpen veranderen, niet de niet-beoordeelde; het te veel nadruk leggen op de belangen van individuele organisaties, niet van de totale medische zorg; en het ‘creatief’ registreren van data of zelfs het vóórkomen van fraude.9 13-15

Als het gaat om de betekenis van onderzoeken die prestaties van ziekenhuizen vergelijken, wordt één ding duidelijk: er zijn meer verwachtingen dan feiten en er ligt dus een forse researchagenda te wachten.9 11 13

Vanwege de uiteenlopende methoden die zijn toegepast, zijn de drie ranglijsten niet goed te vergelijken, maar de onderzoekers pretenderen wel een kwaliteitsklassement te kunnen maken. Aangezien er over de meeste ziekenhuizen in de verschillende rapporten uiteenlopend wordt geoordeeld, gaat daarvan niet een eenduidig pedagogisch signaal uit. Evenmin krijgt de patiënt een helder beeld welk ziekenhuis hij nu het beste kan kiezen.

Is zo’n totaalscore per ziekenhuis, waarin medisch inhoudelijke, organisatorische, logistieke, economische en communicatieve aspecten zijn samengevoegd, wel bruikbaar? De ongeveer 100 Nederlandse ziekenhuizen zijn in vele opzichten onderling verschillend. Primair gaat het om de juiste aanpak van het medische probleem. Daarbij komt de door Donabedian geformuleerde trias structuren-processen-uitkomsten goed van pas.8 16 Steeds meer blijkt uit empirisch onderzoek dat het systematisch onderzoeken van alle elementen van de trias zowel voor meting als voor verbetering van kwaliteit het beste is; uitkomsten alleen vormen geen goede kwaliteitsmaat.7 11 Recente onderzoeken, toegespitst op veelvoorkomende medische problemen en geschoeid op Donabedians leest, waarbij zorgkwaliteit tussen ziekenhuizen kon worden vergeleken, laten zien dat deze benadering veel zinvoller is.17 18

Een hoogleraar Gezondheidswetenschappen verklaarde naar aanleiding van de AD-ranglijst dat hij zich liever niet zou laten behandelen in de slechtste 20 ziekenhuizen.2 Er zijn met dergelijke onderzoeken dus reputaties van ziekenhuizen in het geding. Als het inderdaad uitmaakt of een patiënt met een bepaalde kwaal ziekenhuis A dan wel ziekenhuis B binnenstapt, kunnen de medische professionals daarin niet berusten: er wordt een appel gedaan op de beroepseer als motivatiebron en niet op koopmanschap.

Financiële ondersteuning: geen gemeld. Belangenconflict: de auteur werkt in twee ziekenhuizen, waarvan in de drie beschreven ranglijsten het ene als ‘uitstekend’ of ‘middelmatig’ is geclassificeerd en het andere consequent als ‘slecht’.

Literatuur
  1. Roovers D. Bij de huisarts: ‘Je moet daadkrachtig én gelaten zijn’. Annemarie Mol: het gaat in de spreekkamer niet om autonomie. Filosofie Magazine. 2006;nr 5:22-5.

  2. Ziekenhuizen top-100. Algemeen Dagblad 19 september 2006.

  3. Collot d’Escury J, Alma R, Reenen M van, Remmen T van. Steering the right course. Dutch hospitals 2006 – key developments and trends. Amsterdam: Roland Berger Strategy Consultants; 2006.

  4. Leeuwen A van, Wansink W. Gezondheidszorg: de beste ziekenhuizen. Elsevier. 2006;62:83-111.

  5. Turner T. Statistics of the general hospitals of London, 1861. Journal of the Statistical Society. 1862;25:384-8.

  6. Everdingen JJE van. De ‘beste’ ziekenhuizen van Nederland; kanttekeningen bij de Elsevier-enquête. Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:2537-40.

  7. Lohr KN. How do we measure quality? Health Aff (Millwood). 1997;16:22-5.

  8. Shojania KG, Showstack J, Wachter RM. Assessing hospital quality: a review for clinicians. Eff Clin Pract. 2001;4:82-90.

  9. Mason A, Street A. Publishing outcome data: is it an effective approach? J Eval Clin Pract. 2006;12:37-48.

  10. Giard RWM. Prestatie-indicatoren als maat voor de kwaliteit van medische zorg: retoriek en realiteit. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:2715-9.

  11. Jha AK. Measuring hospital quality: what physicians do? How patients fare? Or both? JAMA. 2006;296:95-7.

  12. Fleiss JL. Statistical methods for rates and proportions. New York: Wiley; 1981. p. 218.

  13. Marshall MN, Romano PS. Impact of reporting hospital performance. Qual Saf Health Care. 2005;14:77-8.

  14. Werner RM, Asch DA. The unintended consequences of publicly reporting quality information. JAMA. 2005;293:1239-44.

  15. Wachter RM. Expected and unanticipated consequences of the quality and information technology revolutions. JAMA. 2006;295:2780-3.

  16. Donabedian A. The quality of care. How can it be assessed? JAMA. 1988;260:1743-8.

  17. Bradley EH, Herrin J, Elbel B, McNamara RL, Magid DJ, Nallamothu BK, et al. Hospital quality for acute myocardial infarction: correlation among process measures and relationship with short-term mortality. JAMA. 2006;296:72-8.

  18. Mohammed MA, Mant J, Bentham L, Raftery J. Comparing processes of stroke care in high- and low-mortality hospitals in the West Midlands, UK. Int J Qual Health Care. 2005;17:31-6.

Auteursinformatie

Medisch Centrum Rijnmond-Zuid, locatie Clara, afd. Klinische Pathologie, Postbus 9119, 3007 AC Rotterdam.

Contact Hr.dr.R.W.M.Giard, patholoog, klinisch epidemioloog en jurist (giardr@mcrz.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties

A.
Knol

Groningen, november 2006,

Collega Giard vergelijkt verschillende ranglijsten van ziekenhuizen (2006:2355-8). Ranglijsten moeten eerst beoordeeld worden op interne validiteit. Als minimale eis kan men stellen, dat de afzonderlijke ranglijsten volstrekt helder zijn.1 Dit kan worden omgezet in een operationeel criterium: als zorgaanbieder A beter is dan B en zorgaanbieder B beter dan C, dan is A beter dan C2 (www.syntheshis.nl/archief/jaargang5nummer2/paradoxale_prestatie.php). Bij toetsing van dit criterium is dit bij meer dan 2 prestatie-indicatoren niet altijd het geval.

Een fictief voorbeeld kan dit verduidelijken. In tabel 1 wordt de ranglijst van drie zorgaanbieders weergegeven voor de drie prestatie-indicatoren cholesterol, HbA1c en bloeddruk. Als wij nu A met B vergelijken, zijn het cholesterol en de HbA1c beter en de bloeddruk slechter bij A en wij beoordelen dit met + + –. Omdat er drie prestatie-indicatoren zijn, is de eerste zorgaanbieder winnaar als hij + + of + + + scoort. Hieruit volgt: A > B. De tweede zorgaanbieder in de vergelijking is winnaar als er – – of – – – wordt gescoord door de eerste zorgaanbieder. Wij kunnen dit bij paarsgewijze vergelijkingen van de zorgaanbieders doen en krijgen dan het resultaat dat in tabel 2 is weergegeven. Hieruit blijkt dat uit A > B en B > C niet automatisch volgt dat A > C. Dergelijke ranglijsten zetten de deur open naar manipulatie en strategisch gedrag. Bij vergelijking van de winnaar van twee zorgaanbieders met de laatste zorgaanbieder zal deze laatste altijd winnen. Van deze manipulatie kan gebruikgemaakt worden om de gewenste zorgaanbieder te laten winnen door een juiste keuze van de volgorde van paarsgewijze vergelijking van zorgaanbieders. De eerste twee zorgaanbieders kunnen dit tegengaan door strategisch gedrag. Zij kunnen een tegengestelde uitslag afspreken. De afgesproken winnaar zal dan altijd winnen van de laatste zorgaanbieder.

A. Knol
Literatuur
  1. Kwaliteit van zorg. Brief van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (kenmerk IBE/I-2340727). Den Haag: Ministerie van VWS; 4 december 2002.

  2. Knol A. Paradoxale prestatie-indicatoren. Synthesis. 2006;2:12-4.

A.M.
van Dishoeck

Rotterdam, december 2006,

Enige tijd geleden vermeldde een ziekenhuis in een personeelsadvertentie bij de top-10-ziekenhuizen van de top-100 te willen horen. Daarmee gaf het aan dat kwaliteit van zorg hoog op de agenda stond en een top-10-notering daar een uiting van zou zijn. Is dit streven zinnig? Collega Giard maakte recent overtuigend duidelijk dat er geen overeenkomst is tussen ranglijsten die alle pretenderen de kwaliteit van de zorgverlening in de Nederlandse ziekenhuizen te kunnen meten (2006:2355-8). In vervolg daarop onderzochten wij de stijgers en dalers tussen 2005 en 2006 van de Algemeen Dagblad(AD)- en de Elsevier-top-100. Wij gebruikten gegevens uit AD en Elsevier Weekblad van 2005 en 2006.1-3 Overeenkomst tussen de jaren werd gemeten met Cohens kappa, net als in het artikel van Giard.

In de vergelijking tussen de jaren vertoont Elsevier een matige overeenkomst (kappa: 0,27; 95%-BI: 0,13-0,40), terwijl dit voor het AD ronduit slecht is (kappa: 0,05; 95%-BI: –0,08-0,17) (figuur 1). Met name binnen de AD-top-100 zijn de verschuivingen erg groot. Bijna 40% van de ziekenhuizen stijgt of daalt meer dan 30 plaatsen, met een maximum van 90 plaatsen. Voor de Elsevier-top-100 is dit 25%, met een maximum van 74 plaatsen. Nu kan de kwaliteit van zorg in de ziekenhuizen werkelijk zijn veranderd tussen 2005 en 2006, hetgeen een deel van de verschillen in rangorde tussen de jaren zou kunnen verklaren. Echter, de verandering in rangorde bij het AD correspondeert niet met de verandering bij Elsevier (kappa: 0,02; figuur 2).

Uit deze analyse blijkt dat aan resultaten van de nu bekende ranglijsten van AD en Elsevier geen waarde gehecht moet worden. Methodologisch vertonen de lijsten verschillende zwakke plekken. Het AD maakt gebruik van per jaar wisselende prestatie-indicatoren van de Inspectie voor de Gezondheidszorg.4 Over de betrouwbaarheid en de validiteit van deze gegevens is veel te doen.5 Niet alle ziekenhuizen meten op dezelfde wijze en bij dezelfde populatie, en er vindt geen correctie voor verstorende variabelen plaats. De rol van toeval en gebrek aan ‘power’ is groot bij sommige van deze indicatoren.6

Elsevier beroept zich bij de beoordeling van de kwaliteit van zorg in de ziekenhuizen op de mening van bestuurders, managers, professionals en patiënten, maar ook deze ranglijst laat grote verschuivingen in twee opeenvolgende jaren zien. Deze methode kent geen wetenschappelijke onderbouwing. Zowel AD als Elsevier baseert zich ook op de mening van de patiënt (www.independer.nl), maar de precieze weging en interpretatie zijn onduidelijk.

Wij concluderen dat het op dit moment voor ziekenhuizen niet veel zin heeft te streven naar positieverbetering op deze ranglijsten. Veranderingen in positie worden vermoedelijk grotendeels door toeval bepaald.

A.M. van Dishoeck
E.W. Steyerberg
Literatuur
  1. Lagendijk P, Wansink W. Gezondheidszorg: de beste ziekenhuizen. Elsevier. 2006;62(39):83-111.

  2. Lagendijk P, Wansink W. De beste ziekenhuizen. Elsevier. 2005;61(39):81-110.

  3. Geenen R van, Wessels K, Akinci O. AD Ziekenhuizen top-100. Algemeen Dagblad september 19 2006.

  4. Basisset prestatie-indicatoren 2005. Den Haag: Inspectie voor de Gezondheidszorg; 2005.

  5. Mason A, Street A. Publishing outcome data: is it an effective approach? J Eval Clin Pract. 2006;12:37-48.

  6. Scott I, Youlden D, Coory M. Are diagnosis specific outcome indicators based on administrative data useful in assessing quality of hospital care? Qual Saf Health Care. 2004;13:32-9.

P.
Lagendijk

Almere, februari 2007,

Bij de beoordeling van een top 100 is het te gemakkelijk zich te beperken tot het totaal aantal behaalde punten om daarmee de ziekenhuizen op een rijtje te zetten. Dat is wat Van Dishoeck en Steyerberg in hun ingezonden brief doen (2007:265-6). Hun analyse is niet diepgaand en zij veroorloven zich snel een oordeel. Ook doen zij geen bronnenonderzoek.

Het puntentotaal per ziekenhuis is een tamelijk willekeurig gegeven. De peiling is, in geval van Elsevier-Lagendijk, gebaseerd op een 75-tal meetpunten. Specialisten, huisartsen en ziekenhuismanagers geven hun ervaringen met hun bekende ziekenhuizen. In 2007 gebeurde dat voor de 12e keer.

Als samensteller van de ziekenhuisranglijst heb ik veel te maken met afzonderlijke ziekenhuizen. Het valt mij daarbij op hoezeer de aanwijzingen van de landelijke meting overeenstemmen met de plaatselijke werkelijkheid.

Ik heb onderzocht hoe het met 7 willekeurige ziekenhuizen, verdeeld over het land, de afgelopen 3 jaar (2004-2006) is vergaan. Daarvoor koos ik 5 criteria, namelijk medische deskundigheid, verpleegkundige deskundigheid, patiënttevredenheid, samenwerking met de huisarts en een algemeen oordeel samengevat in een rapportcijfer. Alles is verifieerbaar in de betreffende Elsevier-nummers.1-3 Hieronder volgt een kort relaas per ziekenhuis.

Het Martini Ziekenhuis te Groningen geeft een zeer stabiel beeld. Hoog aangeslagen wordt de medische deskundigheid. Redelijk wordt geoordeeld over verpleging en omgang met de patiënt. Onveranderlijk goed is de samenwerking met verwijzers. Als rapportcijfer geeft men 7,1 à 7,2.

Het Wilhelmina Ziekenhuis Assen geeft een stabiel, doch zwak afkalvend beeld. Patiënten blijven tevreden. Medisch en verpleegkundig is het ziekenhuis enigszins op retour. Het rapportcijfer daalt mee, van 7,2 in 2004 via 7,1 in 2005 naar 6,9 in 2006.

Het Amphia Ziekenhuis te Breda wordt medisch constant geapprecieerd. Verpleegkundig is de appreciatie aanzienlijk minder; dat geldt ook voor de bekommernis om patiënt en verwijzer. Als rapportcijfer geeft men 6,8 à 6,7.

Het Maaslandziekenhuis te Sittard presteert medisch redelijk en verpleegkundig minder. Patiënten en verwijzers zijn ingenomen met het ziekenhuis. Het rapportcijfer is blijvend hoog, met 7,3 à 7,4.

Het Diakonessenhuis te Utrecht wordt medisch hoog aangeslagen. Verpleegkundig scoort het wat minder. De patiënten zijn opgetogen en de huisartsen zeker niet ontevreden. Het rapportcijfer schommelt tussen 7,2 en 7,4.

Het Sint Franciscus Gasthuis te Rotterdam kent een lichte opmars. Thans zijn er aardig wat complimenten voor medische deskundigheid. Verpleegkundig blijft het achter. Beter dan voorheen gaat het om met patiënten en verwijzers. Het rapportcijfer stijgt van 7,1 via 7,2 naar 7,4.

Het Waterlandziekenhuis te Purmerend is sterk in opmars. Het rapportcijfer stijgt van 6,8 in 2004 via 7,1 in 2005 naar 7,6 in 2006. Het manifesteert zich goed over een breed front, zowel medisch als verpleegkundig. Het gaat goed om met patiënt en huisarts.

P. Lagendijk
Literatuur
  1. Leeuwen A van, Wansink W. De beste ziekenhuizen. Elsevier. 2004;60:36-53.

  2. Leeuwen A van, Wansink W. De beste ziekenhuizen. Elsevier. 2005;61(39):81-110.

  3. Leeuwen A van, Wansink W. Gezondheidszorg: de beste ziekenhuizen. Elsevier. 2006;62(39):83-111.

A.M.
van Dishoeck

Rotterdam, maart 2007,

Lagendijk stelt dat wij ziekenhuizen op een rijtje zetten en vervolgens snel met een oordeel komen. Hierbij lijkt hij de essentie van onze ingezonden brief niet begrepen te hebben. Uit het artikel van Giard over de ziekenhuizentop 100-lijsten bleek dat, hoewel beide lijsten claimen een uitspraak te kunnen doen over de kwaliteit van de zorg in de Nederlandse ziekenhuizen, die daarin in het geheel niet overeenkomen. Aanvullend hierop hebben wij met dezelfde methoden als Giard gekeken naar de voorspellende waarde van dergelijke meetinstrumenten, waaruit bleek dat de plaats op de ranglijst in het ene jaar geen enkele relatie heeft met die in het daaropvolgende jaar. De kwaliteit van een ziekenhuis is met deze lijsten niet vast te stellen. Dat vraagt meer gedegen onderzoek, zoals Lagendijk terecht opmerkt.

Wij hebben de positie van de door Lagendijk genoemde ziekenhuizen vergeleken met hun plaats op de ranglijsten van het Algemeen Dagblad (AD) en Elsevier in 2005 en 2006. Daling, stijging of gelijk blijven zou overeen moeten komen (tabel).1-3

Het Martini Ziekenhuis laat volgens Lagendijk een stabiel beeld zien, maar dit is in strijd met het oordeel van de top 100-lijsten. Volgens het AD verbetert de kwaliteit van de zorgverlening in dit ziekenhuis, terwijl Elsevier een daling signaleert. De prestaties van het Wilhelmina Ziekenhuis zijn ruim voldoende, maar dalen licht volgens Lagendijk. Het AD plaatste dit ziekenhuis in 2005 en 2006 op een 75e en 81e plaats, wat niet wijst op een ruime voldoende. Uit de Elsevier-ranglijst blijkt geen daling. Veel groter is de discrepantie voor het Amphia Ziekenhuis, dat stabiel is volgens Lagendijk, terwijl dit ziekenhuis op de AD-top 100 fors daalt. Het Diakonessenhuis, dat volgens Lagendijk ‘hoog’ wordt aangeslagen met ‘opgetogen’ patiënten, komt in de Elsevier-lijst niet verder dan de 54e plaats in 2006 en was daarmee 35 plaatsen gezakt ten opzichte van 2005. Het AD plaatste dit ziekenhuis wel in de top 10, waarmee wederom de lijsten noch met elkaar, noch met het oordeel van de heer Lagendijk overeenstemmen.

Lagendijks voorbeelden onderbouwen onze conclusie verder dat de top 100-lijsten geen betrouwbaar beeld geven van de kwaliteit van de Nederlandse ziekenhuizen. De positie van een ziekenhuis in de top 100-lijsten wordt vooral door het toeval bepaald.

A.M. van Dishoeck
Literatuur
  1. Geenen R van, Wessels K, Akinci O. AD Ziekenhuizen top-100. Algemeen Dagblad september 19 2006.

  2. Leeuwen A van, Wansink W. De beste ziekenhuizen. Elsevier. 2005;61(39):81-110.

  3. Leeuwen A van, Wansink W. Gezondheidszorg: de beste ziekenhuizen. Elsevier. 2006;62(39):83-111.