Wel prostaatkanker, maar niet actief behandelen

Zorg
14-06-2019
Marco H. Blanker en Chris H. Bangma

Reacties (3)

Inloggen om een reactie te plaatsen
Siep Thomas
14-06-2019 13:07

'Polderen' kan leiden tot fraaie oplossingen

Dit consensusstuk bewijst dat niet alleen bij pensioenkwesties maar ook bij screeningsproblemen -soms langdurig- 'polderen' tot fraaie praktische voorstellen voor praktische oplossingen kan leiden.

prof.dr. Siep Thomas, em. hoogleraar Huisartsgeneeskunde Erasmus MC Rotterdam

Kees Rovers
04-07-2019 14:18

Onderscheid mannen met prostaatkanker naar familiair voorkomen

Het lijkt mij van belang een onderscheid aan te aanbrengen in de populatie mannen met prostaatkanker. Ik miste een leeftijdscriterium. Als een (jonger)  iemand uit een familie komt waarin al op jongere leeftijd (< 50 jaar) prostaatkanker symptomatisch is voorgekomen, dan denk ik dat actieve behandeling van ook asymptomatische carcinomen  bij zo'n persoon gewenst is. Of is er ooit vastgesteld dat ook in deze groep de 10-jaarsoverleving goed is bij 'watchful waiting' ?

Kees Rovers, SCEN-arts

Raimond Giard
07-07-2019 12:17

Wanneer is prostaatkanker werkelijk onschuldig?

In 1985 wezen Feinstein et al. op het probleem dat wanneer met nieuwe - veelal gevoeligere - diagnostica kanker wordt ontdekt, de kennis over het natuurlijke beloop van die tumor opnieuw moet worden onderzocht en vastgesteld. [1] Met name al dan niet opportunistische screening op kanker brengt ziekte aan het licht die anders nooit klinisch manifest zou zijn geworden. Dat geldt zeker voor prostaatkanker. Kunnen we betrouwbaar onderscheid maken tussen tumoren die wél behandeld moeten worden en tumoren waar rustig observeren en afwachten gerechtvaardigd is?

De tabel in het artikel van Blanker & Bangma somt een aantal criteria op, maar de vraag is hoe die werden gevalideerd: is dat op grond van correlaties met het natuurlijke beloop, vastgesteld op nieuwe populaties prostaatkankerpatiënten zoals die zijn ontstaan na verandering van de diagnostiek? En hoe valide zijn die criteria vanuit methodologisch oogpunt?

De palpatoire tumoruitbreiding bij rectaal onderzoek is uitermate subjectief. Is de voelbare nodus wel een tumorhaard? Is de tumoruitbreiding, vasgesteld met MRI-onderzoek niet relevanter? Datzelfde probleem geldt ook voor de geschatte tumorload in de biopten: is die wel representatief voor de aard en de uitbreiding van het tumorproces?

Het laatste punt betreft de Gleasonscore. Die is steeds de optelsom van het dominante tumorpatroon met de aanwezigheid van andere, mogelijk meer maligne componenten. Bij een Gleason score van 7 (= 3 + 4) betekent dat  de aanwezigheid van minder goed gevormde tumorbuizen. Juist die gradering 4 blijkt echter slecht reproduceerbaar. [2] Dat vraagt nader onderzoek naar betere standaardisering.

De problematiek van overdiagnostiek en dus van overbehandeling is bij prostaatcarcinoom imposant. [3] Het is goed dat Blanker & Bangma dit probleem onder de aandacht hebben gebracht in dit fraaie themanummer over kanker. De indicaties tot wel of niet afwachten in de tabel lijken - in de woorden van Siep Thomas - eerder op basis van polderen dan dat deze voldoende evidence-based zijn. We hebben nog een lange weg te gaan.

Prof.dr. Raimond Giard, klinisch patholoog n.p. en klinisch epidemioloog

1. Feinstein AR, Sosin DM, Wells CK. Stage migration and new diagnostic techniques as a source of misleading statistics for survival in cancer. N Engl J Med. 1985;312:1604–8.

2. Shah RB, Zhou M. Recent advances in prostate cancer pathology: Gleason grading and beyond. Pathol Int. 2016;66(5):260–72.

3. Loeb S,  et al. Overdiagnosis and overtreatment of prostate cancer. Eur Urol 2014;65(6):1046–55.