Wangedrag in medisch-wetenschappelijk publiceren

Perspectief
A.J.P.M. Overbeke
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1994;138:1822-6
Download PDF

Inleiding

Wangedrag bij wetenschappelijk onderzoek en bij het publiceren van de resultaten daarvan heeft de belangstelling van velen: van wetenschappers zelf, van redacties van wetenschappelijke tijdschriften, maar ook van (wetenschaps)journalisten en van het grote publiek. Afgezien van spectaculaire gevallen van fraude, die zich in de geschiedenis altijd hebben voorgedaan, lijken het aantal misdragingen en de verschillende soorten toe te nemen. Leek dat op grond van publikaties vooral het geval te zijn in de V.S., inmiddels is duidelijk geworden dat ook in Nederland allerlei vormen van wetenschappelijk wangedrag voorkomen.1 In een van de inleidingen tijdens de conferentie werd dit nog eens toegelicht en door de meeste deelnemers met voorbeelden bevestigd.

Als men om het bestaan van een dergelijk verschijnsel niet meer heen kan, is het van belang het probleem te bespreken, niet alleen om er alert op te zijn en te trachten de oorzaken te vinden, maar vooral om te proberen het te voorkomen.

De redactie van dit tijdschrift vond het probleem van wetenschappelijke fraude van zodanig algemeen belang, dat ze een tijdschriftconferentie eraan wijdde om de Nederlandse situatie in kaart te brengen en te discussiëren over preventie en eventuele sancties.

Definitie

In de – voornamelijk Angelsaksische – literatuur bestaan verscheidene algemene termen voor activiteiten in de wetenschap die niet in overeenstemming zijn met geschreven of ongeschreven, al dan niet ethische normen: wetenschappelijke fraude (‘scientific fraud’), wetenschappelijk wangedrag (‘scientific misconduct’), wetenschappelijke oneerlijkheid (‘scientific dishonesty’), wetenschappelijke misleiding (‘scientific deceit’). Voor onwettige activiteiten wordt meestal de juridische benaming gebruikt: falsificatie, plagiaat, bedrog, diefstal. Omdat in de term ‘wetenschappelijke oneerlijkheid’ (scientific dishonesty) alle vormen van bewust en onbewust laakbaar gedrag zijn vervat, gebruikt de Danish Medical Research Council deze als algemene aanduiding,2 een voorbeeld dat navolging verdient om spraakverwarring te voorkomen.

Vormen van wetenschappelijk oneerlijkheid

In de tabel staan de meest voorkomende vormen van wetenschappelijke oneerlijkheid vermeld, onderverdeeld naar de fase van het wetenschappelijk proces. Het zal uit deze opsomming duidelijk zijn dat niet iedere vorm als een even groot vergrijp wordt gezien, althans niet door de beroepsgroep. Er zijn gradaties aan te brengen. Zo wordt het verzinnen van gegevens (hetgeen op zeer uiteenlopende wijzen kan geschieden), evenals het ‘gebruiken’ van andermans ideeën en plagiaat in het algemeen als een ernstig vergrijp beschouwd; maar er wordt zelden zwaar getild aan selectieve weglating van gegevens om resultaten te verbeteren, aan het op onjuiste gronden auteurschap geven of juist niet geven, aan mis-, onder- of zelfcitering of aan dubbel-, ‘salami’-, ‘stapel’- of voortijdige publikatie. Het is als met het invullen van het belastingformulier: echte fraude mag natuurlijk niet, maar ‘te veel’ betalen moet met zoveel mogelijk foefjes worden voorkomen. Er zijn dus vele vormen van wetenschappelijke oneerlijkheid variërend van ernstig, vaak ook strafbaar, tot algemeen ‘gedoogd’ wangedrag. Dit laatste wordt wel aangeduid als ‘sloppy science’.

Opsporing van wetenschappelijke oneerlijkheid

Door het grote aantal mogelijkheden om oneerlijke wetenschap te bedrijven is het vaststellen ervan niet gemakkelijk. Echte gevallen van fraude, zoals die van Summerlin, Darsee en in ons land Buck, komen meestal toevallig aan het licht, maar de indruk bestaat dat dat vroeg of laat bijna altijd gebeurt.1 Uit een eerder in dit tijdschrift gepubliceerd overzicht zou men dat ook wel mogen afleiden.3 Of de minder ernstige vormen, als men die zo mag noemen, meestal worden ontdekt, is maar de vraag. Zeker is dat beoordeling door redacties en hun externe adviseurs (‘reviewers’) zelden tot ontdekking leidt. Vaak is betere signalering van fraude om praktische redenen onmogelijk. Het zou bijvoorbeeld ondoenlijk zijn alle aangeboden artikelen te onderzoeken op eerdere publikatie of op plagiaat. Doet men dat bij een beperkt gedeelte voor een beperkte periode wel, dan kunnen de resultaten verrassend en zorgelijk zijn.45

Van referenten mag niet verwacht worden dat zij vormen van manipulatie met gegevens ontdekken, tenzij resultaten en conclusies opvallend anders zijn dan van eerdere soortgelijke onderzoekingen; dan nog blijft de vraag: hoe is eventuele fraude te bewijzen? Het doen van herhaalbaarheidsonderzoekingen is in het algemeen geen goede manier om fraude te ontdekken,3 al is de fraude in het geval van de kernfusie bij kamertemperatuur uiteindelijk wel vastgesteld met behulp van ruim 200 onderzoekingen. Degenen die wetenschappelijke oneerlijkheid het gemakkelijkst zouden kunnen ontdekken, leden van onderzoeksgroepen en hun superieuren, blijken dat ook niet al te vaak te doen.6

Oorzaken en gevolgen van wetenschappelijke oneerlijkheid

Een van de belangrijkste oorzaken van wetenschappelijke oneerlijkheid is de ontwikkeling van kleinschalig onderzoek met directe contacten tussen onderzoekers en onderzoeksleiders onderling naar grote onderzoeksgroepen met indirecte lijnen, waarbij de druk om positieve resultaten te behalen en veel te publiceren groot is.7 De mede hierdoor ontstane sloppy science en de onervarenheid van jonge onderzoekers kunnen gemakkelijk leiden tot een vorm van wetenschappelijke oneerlijkheid. Winstbejag (vaak wordt voor iedere patiënt die in een gerandomiseerde klinische trial wordt opgenomen een flink bedrag betaald) en ijdelheid van de wetenschapper (gepubliceerd belangrijk onderzoek geeft status en carrièremogelijkheden) zijn andere oorzaken,8 vaak van ernstige vormen van fraude. Ook de financiering van wetenschappelijk onderzoek kan reden zijn voor oneerlijk gedrag, omdat aanstellingen daarvan afhankelijk zijn en aan de eis van geldschieters om direct en aanhoudend met resultaten te komen vaak niet kan worden voldaan.3 Klinische trials op zich kunnen aanleiding zijn tot wangedrag omdat opzet, randomisatie, protocol en de grote aantallen te onderzoeken patiënten oneerlijkheid in de hand kunnen werken.9 Een recent voorbeeld daarvan is de affaire rondom dr.R.Poisson, de hoofdonderzoeker van een van de 489 instituten die deelnamen aan een klinische trial over borstkanker, die meer dan 15 van de patiënten inbracht!10

Toch weten wij niet hoe vaak wetenschappelijke oneerlijkheid voorkomt en of de genoemde oorzaken daadwerkelijk tot een toename van wangedrag hebben geleid. Onlangs meldde Stephen Lock, de emeritus hoofdredacteur van British Medical Journal, wereldwijd 57 definitieve gevallen te kennen, waarvan het merendeel in de V.S., met de aantekening dat een vertrouwelijk overzicht 5 jaar tevoren toonde dat er meer dan dat aantal alleen al in het Verenigd Koninkrijk bekend was.8 Ook in andere landen zijn voorbeelden bekend, onder andere in Denemarken.2 De stelling van een van de deelnemers aan de conferentie dat niet is bewezen dat wangedrag in medisch-wetenschappelijk publiceren is toegenomen met de toegenomen publikatiedruk, lijkt vooralsnog en zeker voor Nederland waar te zijn, maar het groeiend aantal gegevens hierover doet vermoeden dat dit bewijs mettertijd wel zal worden geleverd.

De gevolgen van wetenschappelijke oneerlijkheid zijn verstrekkend. Voor de daders loopt het vaak niet goed af en misschien terecht, voor de aanbrengers soms evenmin, wat opsporing en melding niet zal doen toenemen.3 Onderzoeksinstituten kunnen hun goede naam verliezen door een enkele fraudeur, met alle financiële en persoonlijke gevolgen van dien. De wetenschappelijke literatuur wordt ‘vervuild’ door publikatie van oneerlijke gegevens en indien niet op een of andere wijze retractatie of correctie van deze gegevens plaatsvindt, komt de betrouwbaarheid van de literatuur op de tocht te staan: wat is nog waar en wat niet? Maar het ernstigste gevolg is dat het (onvoorwaardelijke?) vertrouwen van de samenleving in het collectief van wetenschappers niet alleen wordt beschaamd, maar ook geschaad. Al vele jaren geleden is beschreven hoe verzonnen gegevens een bedreiging vormen voor het menselijk welzijn.11

Preventie en sancties

In het buitenland

Over het voorkómen van wetenschappelijke oneerlijkheid is inmiddels veel gepubliceerd. Het dient aan de basis te beginnen: een goede opleiding en juiste begeleiding van jonge onderzoekers en wetenschappers zullen de grondslag moeten zijn van het (zo mogelijk, want ook wetenschappers zijn mensen) uitbannen van sloppy science.8 Normen en waarden dienen te worden bijgebracht of gehandhaafd. Universiteiten en faculteiten gaan steeds vaker over tot het zorgvuldig vastleggen van gedragslijnen en protocollen, waarvan vooral vele Amerikaanse voorbeelden bekend zijn. Langzamerhand worden afspraken gemaakt over de toegankelijkheid van onderzoeksprotocollen voor derden, het vastleggen van gegevens en de toegankelijkheid ervan, het gebruik van menselijk materiaal voor wetenschappelijk onderzoek, het vastleggen van financiële belangen of het ontbreken ervan. De voorwaarden bij inzending van wetenschappelijke artikelen voor publikatie, toch een belangrijk doel van wetenschappelijk onderzoek, worden meer en meer toegespitst als gevolg van de in redacties van wetenschappelijke tijdschriften opgedane ervaring met oneerlijkheid,12 ook bij dit tijdschrift.13 De verklaringen van het International Committee of Medical Journal Editors, in verschillende grote internationale tijdschriften gepubliceerd, zijn een logische aanvulling daarop. Zorgvuldig onderzoek naar de betrouwbaarheid van alle publikaties van degenen van wie is bewezen dat zij zich aan wetenschappelijke fraude hebben schuldig gemaakt en de eventuele retractatie van die frauduleuze gegevens zijn noodzakelijk en nemen ook toe.

Geconfronteerd met gevallen van wetenschappelijke oneerlijkheid heeft ook de samenleving en in sommige gevallen de beroepsgroep maatregelen genomen. In de V.S. is de bezorgdheid zelfs tot het Congres doorgedrongen en heeft een aantal overheidsinstanties commissies in het leven geroepen ter voorkoming en behandeling van wetenschappelijke fraude.14 Dit heeft een felle discussie opgeroepen tussen de overheid en de redactie van The New England Journal of Medicine.1516 Een voorbeeld van de gevolgen indien de aanpak niet goed is, is de fraude in de borstkankertrial die eerder werd genoemd: de feiten werden door de publiekspers gepubliceerd, de betrokken tijdschriften werden niet geïnformeerd.1017 In het Verenigd Koninkrijk is de General Medical Council opgericht door de wetgever ten einde fraude te voorkómen, op te sporen en de daders te straffen.6 In Denemarken functioneert de Danish Medical Research Council,2 die volgens Lock de beste opzet heeft tot op heden.8 Bij preventie en correctie van wetenschappelijke oneerlijkheid gelden 3 principes: de verantwoordelijkheid ligt bij de universiteit, faculteit of ziekenhuisafdeling en niet bij organisaties daarbuiten; het onderzoek naar vermoede fraude gebeurt in stappen, zodat het onderzoek kan worden gestopt als de bevindingen negatief zijn; en het proces dient strikt vertrouwelijk te zijn met bescherming van de aanbrenger en van de ‘beklaagde’, met alleen openbaarmaking indien het vergrijp is bewezen (inclusief retractatie van artikelen in tijdschriften en databases).8

Zoals eerder vermeld zullen bij vaststelling van fraude de daders naar gelang van het belang van hun vergrijp worden gestraft. Meestal is de straf uiteindelijk ontslag, hoewel voorbeelden van betaald ziekteverlof bekend zijn. In de huidige praktijk variëren sancties van een simpele waarschuwing (soms door tijdschriftredacties) tot strafrechtelijke veroordeling.18 Zo'n veroordeling is zeldzaam. Ook gevallen van plagiaat leveren slechts zelden een veroordeling in een civiele procedure op en het auteursrecht is, zeker internationaal gezien, moeilijk hanteerbaar en gemakkelijk te ontduiken, zoals uit een der inleidingen van de conferentie bleek. Overigens zijn in het Verenigd Koninkrijk enkele huisartsen uit hun ambt ontzet wegens fraude bij klinische trials betreffende de effectiviteit van geneesmiddelen.6

In Nederland

In ons land bestaan slechts incidentele maatregelen om wetenschappelijke oneerlijkheid te voorkómen, te ontdekken en na bewijs te bestraffen. Tijdens de discussie van de deelnemers aan de conferentie werd in ieder geval duidelijk dat de eerste verantwoordelijkheid bij faculteiten en universiteiten ligt en dat naarmate de kwaliteit van de onderzoeksorganisatie toeneemt de kans op wangedrag afneemt. Tevens was men het erover eens dat de beschuldigde de bescherming verdient van de onderzoeksorganisatie waartoe hij of zij behoort gedurende het interne onderzoek, maar ook gedurende de volgende fase van onderzoek door externe en onafhankelijke deskundigen. Dat hoort natuurlijk geen afscherming te zijn, omdat belangenconflicten daarbij een rol kunnen spelen. Pas nadat oneerlijkheid zo objectief mogelijk vastgesteld is, mogen passende maatregelen worden genomen. Het ligt dus voor de hand dat in eerste instantie de onderzoeksgroepen zelf en hun faculteiten en universiteiten alle mogelijke maatregelen treffen om wetenschappelijke oneerlijkheid te voorkómen, met als voorbeeld de beschreven gang van zaken in het buitenland. De instelling van een nationale (overheids)-commissie werd niet opportuun geacht, ook niet de instelling van lokale of regionale ‘raden’. Wellicht zouden de ethische commissies een rol kunnen spelen. Wetenschappelijke instituten, zoals de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) of de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), zouden zich ervoor kunnen inspannen ‘oneerlijke’ wetenschap te bestrijden door regelgeving, waarvan al vele voorbeelden bestaan. Uiteraard moeten allen die zich met welke fase van het wetenschappelijk proces dan ook bezighouden, ook tijdschriftredacties, hun referenten en hun lezers, alert zijn om wetenschappelijke oneerlijkheid te voorkómen, te signaleren en waar nodig te bestraffen via de daartoe bevoegde instanties. Wat dat betreft hebben wij nog een lange weg te gaan.

Conclusies

Ook in Nederland komen allerlei vormen van wetenschappelijke fraude voor, waarvan de meeste niet of moeilijk op te sporen en te bewijzen zijn. Het is noodzakelijk dat het onderwijs en de begeleiding van wetenschappelijk onderzoekers gericht zijn op voorkoming van sloppy science. Universiteiten, faculteiten en andere onderzoeksafdelingen dienen zorgvuldig goede en eenduidige regels op te stellen betreffende onderwijs, opzet en uitvoering van wetenschappelijk onderzoek ten einde fraude te voorkómen, en dienen maatregelen vast te stellen die genomen kunnen worden indien de regels niet worden gevolgd. In Nederland lijkt er op centraler niveau, behalve wellicht bij organisaties zoals de KNAW en NWO, op dit moment geen plaats (noodzaak?) te zijn voor een orgaan dat regelgeving en eventuele strafmaat bepaalt. Voor redacties van wetenschappelijke tijdschriften en hun referenten, maar ook voor de lezers, vaak medewetenschappers, is de belangrijke maar moeilijke taak weggelegd om fraude aan de kaak te stellen.

Aan de conferentie hebben deelgenomen: prof.dr.P.Borst, biochemicus, wetenschappelijk directeur Antoni van Leeuwenhoek Huis, Amsterdam; prof.dr.A.J.Dunning, emeritus hoogleraar cardiologie, Universiteit van Amsterdam, hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde; prof.dr.W.Everaerd, psycholoog, Universiteit van Amsterdam; prof.dr.J.James, emeritus hoogleraar histologie en celbiologie, oud-decaan, Universiteit van Amsterdam; W.G.M.Köhler, journalist, wetenschapsredacteur NRC Handelsblad; F.van Kolfschooten, journalist, redacteur Ad Valvas, Vrije Universiteit, Amsterdam; prof.dr.G.Kootstra, chirurg, Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht; prof.dr.J.S.Laméris, radioloog, Erasmus Universiteit, Rotterdam; prof.dr.W.Leene, vice-decaan (onderwijs en onderzoek), Universiteit van Amsterdam en Academisch Ziekenhuis bij de Universiteit van Amsterdam; prof.dr.P.W.de Leeuw, internist, Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht, hoofdredacteur The Netherlands Journal of Medicine; dr.J.H.M.Lockefeer, internist, uitvoerend hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde; prof.dr.H.Obertop, chirurg, Universiteit van Amsterdam; dr.L.Offerhaus, internist, WHO Denemarken; prof.dr.H.J.G.H.Oosterhuis, neuroloog, Rijksuniversiteit Groningen; dr.A.J.P.M.Overbeke, chirurg. uitvoerend hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde; prof.dr.H.M.van der Ploeg, medisch psycholoog, Vrije Universiteit, Amsterdam; prof.dr.P.Schnabel, hoogleraar sociale wetenschappen, Rijksuniversiteit Utrecht; prof.dr. G.B.A.Stoelinga, emeritus hoogleraar kindergeneeskunde, oud-decaan, Katholieke Universiteit Nijmegen, voorzitter Vereniging Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde; dr.B.H.Ch.Stricker, arts, Bureau Bijwerkingen Geneesmiddelen, Rijswijk; drs.F.Talsma, uitgever, Bohn Stafleu Van Loghum, Houten; dr.H.C.Walvoort, dierenarts-patholoog, wetenschappelijk eindredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Literatuur
  1. Kolfschooten F van. Valse vooruitgang. Bedrog in deNederlandse wetenschap. Amsterdam: Veen, 1993.

  2. Andersen D, Attrup L, Axelsen N, Rüs P. Scientificdishonesty and good scientific practice. Copenhagen: The Danish MedicalResearch Council, 1992.

  3. Jong JW de. Wangedrag in het biomedisch onderzoek.Ned Tijdschr Geneeskd1993;137:1408-13.

  4. Barnard H, Overbeke AJPM. Dubbelpublikatie vanOorspronkelijke stukken in en uit het Nederlands Tijdschrift voorGeneeskunde. Ned Tijdschr Geneeskd1993;137:593-7.

  5. Dubbelpublikaties: een wonderbaarlijke vermenigvuldigingredac-tionele kanttekening.Ned Tijdschr Geneeskd1993;137:592-3.

  6. Wells FO. Management of research misconduct – inpractice. J Int Med 1994;235:115-21.

  7. Böttiger LE. Scientific misconduct – does itexist editorial. J Int Med 1994;235:103-5.

  8. Lock SP. Research misconduct: a brief history and acomparison. J Int Med 1994;235:123-7.

  9. Nowak R. Problems in clinical trials go far beyondmisconduct. Science 1994;264:1538-41.

  10. Angell M, Kassirer JP. Setting the record straight in thebreast-cancer trials. N Engl J Med 1994;330:1448-9.

  11. Broad W, Wade N. Betrayers of the truth: fraud and deceitin science. Oxford: Oxford University Press, 1982.

  12. International committee of medical journal editors.Uniform requirements for manuscripts submitted to biomedical journals. JAMA1993;269:2282-6.

  13. De voorschriften voor inzenders van kopij herzien;informatie voor auteurs, adviseurs en lezers redactionelekanttekening. Ned TijdschrGeneeskd 1994;138:657-8.

  14. Lafolette MC. The pathology of research fraud: thehistory and politics of the US experience. J Int Med1994;235:129-35.

  15. Dingell JD. Shattuck lecture – misconduct inmedical research. N Engl J Med 1993;328:1610-5.

  16. Kassirer JP. The frustrations of scientific misconduct. NEngl J Med 1993;328:1634-6.

  17. What is truth editorial. Lancet1994;343:1443-4.

  18. Riis P. Prevention and management of fraud – intheory. J Int Med 1994;235:107-13.

Auteursinformatie

Dr.A.J.P.M.Overbeke, uitvoerend hoofdredacteur, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Postbus 75971, 1070 AZ Amsterdam.

Gerelateerde artikelen

Reacties

O.
Driessen

Sippenaeken, België, september 1994,

Bij lezing van het verslag van de tijdschriftconferentie over dit onderwerp kwam de vraag bij mij op in hoeverre het gehanteerde beoordelingssysteem van wetenschappelijke publikaties het vermelde wangedrag oproept (1994;1822-6).

Onderzoekssubsidies stijgen naar rato van gepubliceerde wetenschappelijke resultaten, waardoor het beoordelingssysteem economisch interessanter wordt en fraude ook. De produktie van biomedische wetenschapsresultaten is in de loop van 1 generatie enorm toegenomen. Opvallend is dat in tegenstelling tot die van andere bulkprodukten de waarde van de resulterende wetenschappelijke publikatie onwetenschappelijk wordt gemeten. Zelfs een fotowedstrijd in Arts en auto scoort in dezen beter, hoewel de toegekende prijzen daar lager zijn.

Ter voorkoming van fraude gebeurt de beoordeling van de economische waarde van andere maatschappelijke goederen zoals foto's of wijn blind, dat wil zeggen zonder de herkomst van het produkt te kennen, door een panel van bekende deskundigen. Bij de beoordeling van een medisch-biologische publikatie gebeurt dit meestal andersom Een stringente reden daarvoor is onbekend. Slechts een enkel tijdschrift geeft aan wie het artikel heeft nagekeken.

Het nu vigerende systeem lijkt om twee redenen geen goed systeem. De eerste reden is dat indien men naar eer en geweten andermans werk beoordeelt, men erop moet staan dat de beoordeelde ook weet door wie hij is beoordeeld. Geheimzinnigheid werkt vervagend en kan wangedrag bevorderen. De tweede reden is dat de ‘proof of the pudding’ uitsluitend ligt in ‘the eating’, maar dat de fabrikant via tegenprestatie, etikettering, en andere handel de acceptatie gaarne positief beïnvloedt.

Blinderen van onderzoek kan lastig zijn, maar is niet onoverkomelijk en in andere disciplines ook meer gebruikelijk. Daarbij zou het nodig kunnen zijn niet alleen de titelpagina en andere parafernalia weg te laten, maar desnoods de literatuurlijst eerst na het (voorlopig) oordeel uit te delen. Het juist aanhalen van literatuur is bij een verslag van experimenteel onderzoek meestal niet doorslaggevend.

Gezien de grote spreiding die bij de schatting van de waarde van biomedische onderzoeksresultaten aan de orde is,1 zou uitbreiding van ervaring met dat andere, maar gangbare ‘foto/ wijn’-systeem nuttig zijn. Een objectiever beoordelingssysteem van wetenschappelijke verslaglegging biedt zich momenteel niet aan. Men realisere zich tevens dat bij niet-eenduidige beoordeling door referenten, hetgeen gezien de spreiding veelvuldig voorkomt, de hand van de editor de publikatiekraan bedient en dat het aantal aangeboden artikelen meestal een veelvoud is van hetgeen de uitgever kan plaatsen.

Subsidies worden ter verhoging van de doelgerichtheid steeds meer bureaucratisch gekanaliseerd. Ook op Europees niveau worden grote sommen ter beschikking gesteld. De toekenning van die belastinggelden wordt vooral op wetenschappelijke argumenten gegrond. De quasi wetenschappelijke beoordelingsmethode van publikaties zoals die nu in zwang is met de daarvan afgeleide ‘science citation index’, kan bij die toekenning in ons vak weinig houvast bieden.

O. Driessen
Literatuur
  1. Ernst E, Saradeth T, Resch KL. Drawbacks of peer review. Nature 1993;363:296.

A.J.P.M.
Overbeke

Amsterdam, oktober 1994,

Collega Driessen stelt een aantal intrigerende vragen, die voornamelijk betrekking hebben op het systeem van beoordeling van wetenschappelijke verslaglegging vóór publikatie, het ‘peer review’-systeem. Tot op heden is niet aangetoond dat deze vorm van toetsing op zich ‘wangedrag’ veroorzaakt. Het zijn meer de financieringsvormen van wetenschappelijk onderzoek (‘grants’) en de mede daardoor veroorzaakte publikatiedruk (‘publish or perish’) die dergelijk gedrag kunnen uitlokken.

Niet alleen de biomedische maar bijvoorbeeld ook de psychologische en sociologische literatuur bevat vele honderden publikaties over peer review. Alle door collega Driessen vermelde aspecten komen daarin uitgebreid aan de orde, maar tot op heden met niet al te veel resultaat. Wij weten inmiddels veel over ‘blinderen’ van auteurs en instituten: indien toegepast, verbetert de kwaliteit van de beoordelingen, maar in de praktijk blijkt deze methode niet al te vaak goed toepasbaar. Zo heeft wegens het grote tijdbeslag de Canadian Medical Association Journal het blinderen gestaakt. Vele vaktijdschriften zenden beoordelingen door de adviseur getekend terug aan de auteurs, sommigen publiceren het oordeel of de namen van de adviseurs tezamen met het (gereviseerde) artikel;

De kracht zowel als de zwakte van het beoordelingssysteem ligt in het feit dat in principe ‘peers’, ervaren collega's dus, worden ingeschakeld. Daarvan zijn er veel nodig, waardoor objectiviteit niet is gewaarborgd. Dit wordt nog verergerd door het grote aantal tijdschriften met verschillende beoordelingssystemen en een minstens even grote verscheidenheid aan instructies voor beoordelaars. Zoals eerder gesteld, is het bij gebrek aan alternatieven de enige beoordelingsmethode van wetenschappelijk onderzoek.1

Gelukkig worden de gebreken van het systeem al enige tijd onderkend en door de niet aflatende activiteiten van S.Lock, voormalig hoofdredacteur van British Medical Journal, zijn opvolger R.Smith,2 D.Rennie, hoofdredacteur van JAMA, en anderen wordt thans op uitgebreide schaal, zowel in Europa als in de V.S., wetenschappelijk onderzoek verricht naar het peer review-proces, ook bij dit tijdschrift. De eerste resultaten zijn gepubliceerd in de aflevering van JAMA van 13 juli 1994. Over 2 of 3 jaar zal de derde internationale conferentie over peer review worden gehouden. Hopelijk is dan voldoende bekend om het beoordelingsproces te verbeteren.

A.J.P.M. Overbeke
Literatuur
  1. Jong B de, Overbeke AJPM. Peer review: is éénoog koning? [LITREF JAARGANG="1993" PAGINA="17-21"]Ned Tijdschr Geneeskd 1993;137:17-21.[/LITREF]

  2. Smith R. Promoting research into peer review. An invitation to join in [editorial]. BMJ 1994;309:143-4.

W.A.
Manschot

Den Haag, november 1994,

In zijn reactie op een ingezonden brief van collega Driessen naar aanleiding van het verslag over de tijdschriftconferentie over dit onderwerp (1994;1822-6) schrijft collega Overbeke (1994;2365-6): ‘Tot op heden is niet aangetoond dat deze vorm van toetsing ’‘[het peer review-systeem; W.A.M.] op zich wangedrag veroorzaakt’. Twee citaten uit hoofdredactionele artikelen suggereren mijns inziens echter het tegendeel:

Newell schreef in een ‘Editorial’:1 ‘The Journal respects requests that close competitors should not be invited to act as referees and the Editorial Board will do its best to find others who can substitute‘. Dit ’respect‘ toont mijns inziens toch wel aan dat wangedrag door ’close competitors‘ in peer reviews is geconstateerd.

Overbeke zelf schrijft in genoemde reactie: ‘... de zwakte van het beoordelingssysteem ligt in het feit dat in principe “peers”, ervaren collega's dus, worden ingeschakeld. Daarvan zijn er veel nodig, waardoor objectiviteit niet is gewaarborgd’. Men heeft dus ervaren dat objectiviteit niet altijd aanwezig was. Volgens mij is het ontbreken van objectiviteit in een beoordeling wangedrag.

Ten slotte vermeldt hij dat zowel in Europa als in de V.S. op uitgebreide schaal wetenschappelijk onderzoek naar het peer review-proces wordt verricht, ook bij het Tijdschrift. Indien gewenst, kan ondergetekende dit tijdschrift voor het eigen wetenschappelijk onderzoek Nederlandse casuïstiek over wangedrag door ‘close competitors’ bij peer review doen toekomen.

W.A. Manschot
Literatuur
  1. Newell FW. To publish in The Journal [editorial]. Am J Ophthalmol 1988;105:87-8.

A.J.P.M.
Overbeke

Amsterdam, november 1994,

Ik dank collega Manschot voor zijn reactie en aanbod. Inderdaad is oneerlijkheid door peer reviewers meermalen vastgesteld door auteurs en (niet altijd) redacties, maar er is slechts bij uitzondering naar gehandeld, laat staan erover gepubliceerd. Echte bewijzen zijn vaak moeilijk te leveren (het geciteerde redactionele commentaar doet dat ook niet), zodat redacties wel als voorzorg het kiezen van referenten die directe ‘concurrenten’ zijn van auteurs proberen te vermijden. Veel tijdschriften vragen, ook als preventie, reviewers met een ‘conflict of interest’ het ter beoordeling gezonden artikel te retourneren.

Alleen al op theoretische gronden valt te vermoeden dat beoordelaars, anoniem of niet, niet altijd even objectief zullen zijn. Hoe vaak wangedrag bij het beoordelingsproces werkelijk plaatsvindt, is niet bekend en dat dient daarom te worden onderzocht. Uiteindelijk blijft wederzijds vertrouwen tussen redacties, referenten en auteurs de basis waarop dit beoordelingssysteem is gestoeld. Zorgvuldige keuze en instructie van ‘peer reviewers’ zijn daarbij van groot belang.

A.J.P.M. Overbeke