Von Willebrand en zijn factor
Open

Geschiedenis
17-01-2011
Jan van Gijn en Joost P. Gijselhart

 

Erik Adolf von Willebrand (1870-1949) was geen Duitser of Oostenrijker, zoals zijn naam doet vermoeden, maar een Fin. Hij groeide op in de kustplaats Vaasa, waar zijn vader ingenieur was, en studeerde geneeskunde in Helsinki aan de keizerlijke Alexander Universiteit (Finland was van 1809 tot 1917 een groothertogdom onder de Russische kroon). In 1899 promoveerde hij op het proefschrift Zur Kenntnis der Blutveränderungen nach Aderlässen. Vervolgens werd hij assistent-geneeskundige in het Diaconessenhuis te Helsinki. Van 1922 tot 1931 fungeerde hij daar als hoogleraar en afdelingshoofd.

Het was een meisje van 5 jaar dat hem in 1924 op het spoor bracht van een tot dan toe vrijwel onbekende bloederziekte, die bij beide geslachten kon voorkomen. Zij heette Hjördis S. en was het 9e van 11 kinderen in een gezin op Föglö, een van de Åland-eilanden, in de Botnische golf tussen Finland en Zweden.1 6 andere kinderen hadden net als zij herhaalde bloedingen uit neus, lippen, tandvlees en huid, al dan niet na kleine verwondingen. Drie zusjes waren aan een bloeding overleden; 8 jaar later zou Hjördis bezwijken aan een menstruatiebloeding. Gewrichts­bloedingen zoals die bij hemofilie voorkomen, waren betrekkelijk zeldzaam bij deze kinderen.

Von Willebrand bracht de familie in kaart en vond dat de bloedingsneiging al in 3 eerdere generaties voorkwam, van de kant van beide ouders. Van de 35 vrouwen in de stamboom hadden 16 de ziekte (licht of ernstig), van de 31 mannen waren er 7 aangedaan (allen in lichte mate). Mede daarom veronderstelde Von Willebrand dat de overerving via het X-chromosoom verliep en dominant was (in tegenstelling tot hemofilie, waarvan bekend was dat het recessief overerft). Hij noemde de ziekte ‘erfelijke pseudohemofilie’ en schreef er een artikel over in het Zweeds, met een samenvatting in het Duits.2 Hij begon met een verwijzing naar 6 voorgaande publicaties over tezamen 19 families, uit de jaren 1876-1922. De eerdere auteurs hadden de bloedingsneiging toegeschreven aan hemofilie (zelfs bij vrouwelijke patiënten) of aan trombopathie, kort voordien ontdekt als oorzaak van wat tot dan toe ‘purpura haemorrhagica’ of ‘morbus maculosus Werlhofi’ was genoemd.

Von Willebrand deed ook hematologisch onderzoek bij Hjördis en enkele van haar familieleden; hij vond een ongestoord of iets verlaagd aantal trombocyten, een sterk verlengde bloedingstijd, een niet-afwijkende stollingstijd en een ongestoorde retractie van het stolsel. Zijn conclusie was dat het misschien ging om een nieuwe vorm van trombopathie of een aandoening van het capillair endotheel.

De eerste Nederlandse publicatie over een vergelijkbare familie dateert uit 1941.3 In 1957 werd gevonden dat de ziekte berust op een tekort aan een eiwit in bloedplasma dat nodig is voor het stollingsproces;4 in 1971 werd het eiwit gekarakteriseerd.5 Intussen is ook gebleken dat het gen voor de vonwillebrandfactor (vWF) op chromosoom 12 ligt.

Er bestaan, naast de ernstige, autosomaal recessieve vorm van de ziekte van von Willebrand (type 3), ook 2 minder ernstige, autosomaal dominant overerfelijke vormen. Bij type 1 is de hoeveelheid vWF verminderd, bij type 2 heeft het eiwit een afwijkende structuur. Type 2 blijkt de meest voorkomende oorzaak van een versterkte bloedingsneiging en wordt verder onderscheiden in diverse subtypen. Ook zijn er verworven vormen.

De functie van vWF is tweeledig. Ten eerste is het het dragermolecuul voor factor VIII, de antihemofiliefactor. Ten tweede bevordert het de aanhechting aan de vaatwand en de onderlinge aggregatie van trombocyten.5 Erik von Willebrand zat er met zijn benaming ‘erfelijke pseudohemofilie’ dus niet ver naast.

Literatuur

  1. Berntorp E. Erik von Willebrand. Thromb Res. 2007;120:s3-s4 Medline.

  2. Von Willebrand EA. Hereditär pseudohemofili. Fin Lakaresallsk Handl. 1926;68:87-112. Engelse vertaling in Haemophilia. 1999;5:223-31 Medline.

  3. Drukker W. Over constitutioneel thrombopathie (ziekte van Von Willebrand). Ned Tijdschr Geneeskd. 1941;85:4594-603.

  4. Nilsson IM, Blombäck M, von Francken I. On an inherited autosomal hemorrhagic diathesis with antihemophilic globulin (AHG) deficiency and prolonged bleeding time. Acta Med Scand. 1957;159:35-57 Medline.

  5. Federici AB, Berntorp E, Lee CA. The 80th anniversary of Von Willebrandt’s disease: history, management and research. Haemophilia. 2006;12:563-72 Medline. doi:10.1111/j.1365-2516.2006.01393.x