In vitro-bevruchting: samenwerking tussen perifere ziekenhuizen en een centraal laboratorium

Onderzoek
Abstract
J.J. van Beek
A. Verhoeff
C.A.M. Jansen
A.Th. Alberda
G.H. Zeilmaker
Leestijd
12 minuten
Citeren

Artikel

Inleiding

Inleiding

Met de geboorte van Louise Brown in 1978 is de in vitro-bevruchting als behandeling van infertiliteit in een grote stroomversnelling geraakt. In 1983 werd in het Academisch Ziekenhuis Dijkzigt de eerste Nederlandse ‘reageerbuisbaby’ geboren. Inmiddels zijn daar na in vitro-bevruchting 24 kinderen geboren en ook elders in Nederland…

Auteursinformatie

Diakonessenhuis, Van Ketwich Verschuurlaan 82, 9721 SW Groningen.

J.J.van Beek, gynaecoloog.

Zuiderziekenhuis, Rotterdam.

A.Verhoeff, gynaecoloog.

Diaconessenhuis, Voorburg.

Dr.C.A.M.Jansen, gynaecoloog.

Academisch Ziekenhuis Dijkzigt, Rotterdam.

Dr.A.Th.Alberda, gynaecoloog.

Medische Faculteit der Erasmus Universiteit, Rotterdam.

Prof.dr.G.H.Zeilmaker, fysioloog.

Contact J.J.van Beek

Reacties

Nijmegen, april 1986,

J.J.van Beek et al. beschrijven een belangrijke mogelijkheid om aan het grote aantal aanvragen voor in vitro-fertilisatie te voldoen door een rayon-samenwerking tussen de Universiteit (het laboratorium) en omringende ziekenhuizen (1986; 638-41). Wij moeten echter aannemen dat het doel van de toch artificiële vorm van voortplanting uiteindelijk voor alle betrokkenen een verloskundig resultaat is dat wat betreft perinatale mortaliteit en morbiditeit niet sterk zal afwijken van een daarvoor tevoren geschikt geachte controlegroep. Het begrip perinatale morbiditeit zou in deze samenhang moeten worden verstaan als een langdurige follow-up onderzoek van de geborenen, verricht met gestandaardiseerde methoden. Graag zouden wij van de schrijvers vernemen welke onderzoeksgaranties er in dezen bestaan voor de kinderen die bij deze nieuwe werkwijze worden geboren en hun bijpassende ‘controles’.

T.K.A.B. Eskes

Rotterdam, april 1986,

Niet de zwangerschap, maar een gezonde baby is uiteraard het doel van de in vitro-fertilisatie (IVF). Collega Eskes brengt hier een belangrijk punt ter sprake, dat echter niet speciaal geldt voor zwangerschappen na transport van onbevruchte eicellen, maar voor elke zwangerschap na IVF. In een artikel over transport van onbevruchte eicellen zou een bespreking hiervan alleen thuishoren indien te verwachten was dat door het transport het zwangerschapsbeloop zou veranderen. Hiervoor zijn geen aanwijzingen. Uit dierexperimenteel onderzoek is gebleken dat, indien de embryo-ontwikkeling in een vroeg stadium, zoals bij IVF, nadelig wordt beïnvloed (celverlies e.d.), dit niet leidt tot nageslacht met aangeboren afwijkingen.12 Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat de kans op een kind met een aangeboren afwijking groter is na in vitro-bevruchting dan na in vivo-bevruchting. Het tot op heden grootste onderzoek naar het zwangerschapsverloop na IVF is onlangs gepubliceerd door de groep uit Melbourne.3 Wat betreft de geslachtsverdeling en aangeboren afwijkingen bestond geen verschil tussen ‘IVF-kinderen’ en de overige pasgeborenen. Wel was het gemiddelde geboortegewicht lager ten gevolge van premature geboorten en het grotere aantal meerlingzwangerschappen dan in de normale bevalling. Voorts is het abortuspercentage na IVF duidelijk verhoogd: 25-35%.45 De kans op abortus na transport, zoals door ons beschreven, was vergelijkbaar met die in de literatuur: 3/11. Hoewel de aantallen nog klein zijn, lijkt er voorlopig geen reden de zwangerschappen na IVF met transport zoals wij beschreven, anders te controleren dan de overige zwangerschappen na IVF.

Juist door de samenwerking met de universiteit zullen dezelfde eisen gesteld worden aan het vervolgonderzoek van alle via het centrum tot stand gekomen zwangerschappen. Over de exacte invulling van deze eisen is discussie mogelijk. Dit ging de doelstelling van het artikel te buiten. In elk geval is dergelijk onderzoek beter uit te voeren en te coördineren door een constructie waarin meerdere ziekenhuizen binnen een centrum samenwerken dan indien alle ziekenhuizen volledig afzonderlijk IVF zouden toepassen.

J.J. van Beek
A. Verhoeff
C.A.M. Jansen
A.Th. Alberda
G.H. Zeilmaker
Literatuur
  1. Austin CR. Embryo transfer and sensitivity to teratogenesis. Nature 1973; 244: 333-4.

  2. Zeilmaker GH. Eirijping, bevruchting en het vroege ontwikkelingsstadium van het menselijk embryo. In: Gerlings PG, et al., red. Het Medisch Jaar 1981. Utrecht: Bohn, Scheltema en Holkema, 1981: 166-78.

  3. Australian in vitro fertilization collaborative group. High incidence of preterm births and early losses in pregnancy after in vitro fertilization. Br Med J 1985; 291: 1160-3.

  4. Edwards RG, Steptoe PC. Current status of in-vitro fertilisation and implantation of human embryos. Lancet 1983; ii: 1265-8.

  5. Jones HW, Jones GS, Andrews MC, et al. The program for in vitro fertilization at Norfolk. Fertil Steril 1982; 38: 14-21.

Gratis Ask NTVG uitproberen?

Maak met 2 klikken een gratis account aan

Account aanmaken

Heb je al een account of een abonnement? Inloggen

Altijd toegang tot alle publicaties van het NTVG?

Abonneer vandaag nog!

Online toegang tot alle artikelen
Gepersonaliseerde alerts voor artikelen en dossiers
Artikelen voor opleiding en nascholing mét geaccrediteerde toetsen
Onbeperkt luisteren naar de NTVG-podcast
Antwoorden op al je vragen via de AI-toepassing 'Ask NTVG'

Neem het digitaal ntvg abonnement

€ 15,93 per maand!

Ik wil digitaal
NTVG nummer 5 2026
NTVG nummer 6 2026
NTVG nummer 7 2026