Virologische evaluatie van behandeling van HIV-geïnfecteerden met (combinaties van) antiretrovirale middelen in het Academisch Medisch Centrum Amsterdam, 1996/'97

Onderzoek
F. de Wolf
J.J. de Jong
K. Hertogs
S.A. Danner
J.M.A. Lange
J. Goudsmit
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:573-8
Abstract

Samenvatting

Doel

Eerste klinisch-virologische evaluatie van de behandeling van de HIV-infectie met HIV-‘reverse’-transcriptase(RT)- en -proteaseremmers.

Opzet

Descriptief.

Plaats

Academisch Medisch Centrum bij de Universiteit van Amsterdam.

Methode

HIV-RNA-spiegels in serum of plasma van 384 patiënten die in de periode 1 januari 1996-30 april 1997 werden gevolgd, werden retrospectief over een periode van gemiddeld 3,1 jaar (uitersten: 0,5-10) geëvalueerd. Van deze patiënten werden er 318 gedurende een periode van tenminste 6 maanden ononderbroken behandeld met HIV-replicatieremmers; 94 (29,6) patiënten waren daarvoor ‘niet-voorbehandeld’ met anti-HIV-middelen en 224 (70,4) wel.

Resultaten

Van de niet-voorbehandelde patiënten werd 8,5 met een duplo-, 89,4 met een tripel- en 2,1 met een quadrupelregime behandeld. Voor hun laatste regime werden in de groep voorbehandelde patiënten gemiddeld meer dan 2 andere anti-HIV regimes ingezet en in de periode 1987-30 april 1997 werden in totaal 834 behandelingen geregistreerd: 202 mono-, 223 duplo-, 340 tripel-, 60 quadrupel- en 9 andere behandelingen. Tripelbehandeling in de niet-voorbehandelde groep was het effectiefst. Na 6 maanden werden in 84 van de niet-voorbehandelde patiënten HIV-RNA-spiegels ≤ 103 kopieën/ml gevonden tegenover 61 van de wel voorbehandelde patiënten (p = 0,008). Eerste resultaten van onderzoek naar resistentie bij 68 patiënten bij wie de behandeling onvoldoende virologisch resultaat had, toonden bij 36 (52,9) patiënten resistentiemutaties in het HIV-RT-gen aan. Resistentiemutaties in het HIV-proteasegen werden bij 6/43 van deze patiënten (14) aangetoond. Genotypische resistentie voor proteaseremmers kon fenotypisch niet altijd worden bevestigd.

Conclusie

Tripelcombinatiebehandeling, waarin tenminste één HIV-proteaseremmer was opgenomen, leidde in de eerste 6 maanden tot een aanzienlijke daling van de HIV-RNA-spiegels. Bij 16 van de niet-voorbehandelde en bij 39 van de voorbehandelde patiënten werd onvoldoende antiviraal effect bereikt.

Auteursinformatie

Academisch Medisch Centrum, Meibergdreef 15, 1105 AZ Amsterdam.

Afd. Humane Retrovirologie, Anti-Viral Treatment Laboratory: dr.F. de Wolf en prof.dr.J.Goudsmit, medisch microbiologen; dr.J.J.de Jong, medisch bioloog.

Afd. Algemene Inwendige Geneeskunde: prof.dr.S.A.Danner en prof. dr.J.M.A.Lange, internisten.

VIRCO, Central Virological Laboratory, Edegem, België.

Dr.K.Hertogs, senior scientist.

Contact dr.F.de Wolf

Verantwoording

Mede namens mw.dr.S.Jurriaans, medisch bioloog, L.Wang, biostatisticus, en dr.V.Lukashov, biofysicus (Academisch Medisch Centrum, afd. Humane Retrovirologie, Amsterdam).

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

Leiden, april 1998,

Wij verrichtten in ons centrum een met die van De Wolf et al. (1998:573-8) vergelijkbare, maar beperkte analyse die zich uitstrekte over de periode van januari 1996 tot december 1997. Op 1 december 1997 konden 63 patiënten worden geëvalueerd die gedurende tenminste 6 maanden met tripeltherapie (inclusiefeen proteaseremmer) werden behandeld. Deze kwantitatieve bepaling werd uitgevoerd met een ‘reverse transcriptase’(RT)-polymerasekettingreactie (Amplicor Monitor, Roche Molecular Systems, Almere) met een ondergrens voor detectie die varieert van 400-800 HIV-RNA-kopieën per ml plasma. Van een succesvolle behandeling wordt gesproken als de hoeveelheid HIV-RNA minder dan 800 kopieën in het plasma bedraagt. Bij de niet-voorbehandelde patiënten (n = 30) werd dit resultaat na 6 maanden therapie bij 97% van de patiënten bereikt. Bij de reeds voorbehandelde patiënten (n = 33) was behandeling in 56% van de gevallen succesvol. De gemiddelde stijging van het aantal CD4+-T-lymfocyten na 6 maanden was in deze groepen respectievelijk 116 × 106/l en 85 × 106/l.

De resultaten in ons centrum zijn een bevestiging van de conclusies van De Wolf et al. Gemeten over een periode van 6 maanden leidt tripeltherapie bij de meeste patiënten tot een vermindering van de hoeveelheid virus in het plasma tot onder de detectiegrens en ook tot een aanzienlijke stijging van het aantal CD4+-T-lymfocyten. Het percentage patiënten dat jaarlijks overleed ten gevolge van aids is in ons centrum door deze effectieve behandeling gedaald van 14,5 (1995) naar 3,2% (1997); in de literatuur vindt men vergelijkbare percentages.1 Het percentage niet-voorbehandelde patiënten bij wie de therapie succesvol is, blijkt in Leiden echter significant hoger te zijn (97%) dan in het Academisch Medisch Centrum (AMC; 84%). Men kan zich afvragen welke factoren een dergelijk verschil bepalen.

In de eerste plaats bestaat er een grote verscheidenheid in de behandelingsregimes zowel tussen als binnen de centra. De Nederlandse Vereniging van AIDS Behandelaren probeert door middel van het opstellen van richtlijnen hier meer eenheid in te krijgen. Het is tevens mogelijk dat er verschillen zijn in de samenstelling van de patiëntenpopulaties van de centra en mogelijk hiermee samenhangend een verschil in therapietrouw. Zorgvuldig innemen van de medicatie wordt gezien als de belangrijkste factor bij het voorkómen van resistentie van HIV en is daarmee bepalend voor het succes van de behandeling.2 Een nadere analyse van deze factoren is derhalve noodzakelijk en zal een belangrijk onderdeel vormen van het landelijke therapiemonitoringsprotocol, dat gesubsidieerd wordt door de Ziekenfondsraad en binnenkort van start gaat.

M. Monteny
A.C.M. Kroes
P.H.P. Groeneveld
F.P. Kroon
Literatuur
  1. Palella jr FJ, Delaney KM, Moorman AC, Loveless MO, Fuhrer J, Satten GA, et al. Declining morbidity and mortality among patients with advanced human immunodeficiency virus infection. N Engl J Med 1998;338:853-60.

  2. Williams A, Friedland G. Adherence, compliance and HAART. AIDS Clin Care 1997;9:52-4.

Amsterdam, april 1998,

De resultaten van het onderzoek van collega's Monteny et al. bij de behandeling van HIV-geïnfecteerden in Leiden komen nagenoeg overeen met die van ons. Mogelijke oorzaken voor het geconstateerde verschil in virologisch effect tussen niet eerder behandelde patiënten in Amsterdam en Leiden zijn, naast de verscheidenheid in behandelregimes en de veronderstelde lagere therapietrouw van Amsterdamse HIV-geïnfecteerden:

‐ de groepsgrootte (30 niet-voorbehandelde patiënten versus 94);

‐ een grotere populatie die met een (non-B-)subtype HIV is geïnfecteerd, waarop anti-HIV-behandeling mogelijk een beperkter effect heeft;

‐ de introductie van HIV-proteaseremmers, die in het AMC anders is verlopen dan in Leiden. Ongeveer eenderde van de niet-voorbehandelde HIV-geïnfecteerden werd behandeld met een regime waarin naast 2 RT-remmers de eerst beschikbare proteaseremmer, saquinavir, was opgenomen. De voorgeschreven dosering van 1800 en later 3600 mg per dag bleek tot onvoldoende plasmaspiegels te leiden, hetgeen het virologisch succes zeker negatief heeft beïnvloed.

F. de Wolf