Veranderingen in Quetelet-index in Nederland in de periode 1974-1986

Onderzoek
A. Blokstra
D. Kromhout
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:575-9
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Gegevens van twee screeningsprojecten voor risicofactoren voor hart- en vaatziekten werden gebruikt om de trend in Quetelet-index (QI; gewicht(kg)lengte(m)2) en in de prevalentie van obesitas in Nederland tussen 1974 en 1986 te onderzoeken. In de periode 1974-1980 werden circa 30.000 mannen en vrouwen van 37-43 jaar (gemiddeld 40 jaar) onderzocht. In de periode 1981-1986 werden circa 80.000 mannen van 33-37 jaar (gemiddeld 35 jaar) onderzocht. Bij mannen werd een stijging in gemiddelde QI van ongeveer 0,5 kgm² waargenomen tussen 1974 en 1980. In de periode 1981-1986 werd geen verandering in gemiddelde QI waargenomen bij mannen. Bij vrouwen werd geen verandering waargenomen in gemiddelde QI en in de prevalentie van de verschillende niveaus van obesitas in de periode 1974-1980. De prevalentie van matig overgewicht (QI 25-29,9 kgm²) was 40-45 bij 40-jarige mannen en 25-30 bij 40-jarige vrouwen in de periode 1974-1980. De prevalentie van ernstig overgewicht (QI ≥ 30 kgm²) gedurende die periode was 5-6 bij mannen en 7-8 bij vrouwen. De prevalentie van matig en ernstig overgewicht bij 35-jarige mannen was 35-40 respectievelijk 5-6 in de periode 1981-1986. De prevalentie van ernstig overgewicht in Nederland is vergelijkbaar met die in een aantal andere Westeuropese landen, maar lager dan in de Verenigde Staten en Canada.

Inleiding

Sinds 1972 daalt de sterfte aan hart- en vaatziekten in Nederland, zowel bij mannen als bij vrouwen.1 Uit een aantal onderzoeken blijkt dat, naast de drie belangrijkste risicofactoren voor hart- en vaatziekten: hypertensie, hypercholesterolemie en roken, ook obesitas een risicofactor is, Vooral bij jonge volwassenen.23 Daarnaast heeft obesitas invloed op andere risicofactoren, zoals bloeddruk, totaal- en HDL-cholesterolgehalte.4-8 Het is daarom van belang na te gaan of er trends zijn waar te nemen in Quetelet-index (QI; gewicht(kg)lengte(m)2) en in de prevalentie van obesitas. in Nederland is hier weinig over bekend. Meer informatie kan verkregen worden uit twee screeningsprojecten voor risicofactoren voor hart- en vaatziekten, die zijn uitgevoerd tussen 1974 en 1986. Met gegevens van deze twee projecten zijn de trends in QI en in prevalentie van obesitas bij gemiddeld 40-jarige mannen en vrouwen in de periode 1974-1980 en bij gemiddeld 35-jarige mannen in de periode 1981-1986 onderzocht.

Methode

Consultatiebureau-Project Hart- en vaatziekten (1974-1980)

Van oktober 1974 tot en met december 1980 werd het Consultatiebureau-Project Hart- en vaatziekten (CB-project) uitgevoerd door consultatiebureaus voor tuberculosebestrijding in Amsterdam, Doetinchem, Maastricht, Tilburg en Leiden. Het CB-project startte in 1974 in Tilburg en Doetinchem. In 1976 werden Amsterdam, Maastricht en Leiden aan het onderzoek toegevoegd. Namen en adressen van de deelnemers werden verkregen uit het bevolkingsregister van de betreffende steden. De respons varieerde van 70-80 in de verschillende steden en jaren. In de periode 1974-1980 werden in totaal ongeveer 50.000 mannen en vrouwen van 30-54 jaar onderzocht. Voor het trendonderzoek werd een subgroep van circa 30.000 mannen en vrouwen geselecteerd met een gemiddelde leeftijd van 40 jaar (37-43). Omdat in Leiden in de periode 1974-1980 slechts zeer weinig personen in deze leeftijdsgroep waren onderzocht, werd deze plaats uitgesloten van de trendanalyses.

Project Risicofactoren Opsporing Hart- en vaatziekten (RIFOH) (1981-1986)

In de periode 1981-1986 werd het RIFOH-project uitgevoerd. In dit project werden circa 80.000 mannen onderzocht van 33-37 jaar (gemiddeld 35 jaar) door consultatiebureaus in de genoemde 5 steden. De respons was gemiddeld ongeveer 65. De reden om alleen mannen te onderzoeken was de sterk vergrote kans op hart- en vaatziekten voor jonge mannen ten opzichte van jonge vrouwen.

Zowel bij het CB-project als bij het RIFOH-project werd informatie verzameld over risicofactoren voor harten vaatziekten, met behulp van gestandaardiseerde methoden.9 Lengte, gewicht en bloeddruk werden gemeten, en er werd bloed afgenomen voor de bepaling van het totaal-cholesterolgehalte. Tevens werd een vragenlijst ingevuld met vragen over rookgewoonten, hypertensie, diabetes mellitus, hartklachten, en (alleen in het CB-project) het vóórkomen van hart- en vaatziekten in de familie.

Quetelet-index

De Quetelet-index (QI; gewicht (kg)lengte(m)2) werd gekozen als maat voor obesitas. Deze index is, onafhankelijk van de lengte, sterk gecorreleerd met de hoeveelheid lichaamsvet (kg).10 Om de prevalentie van obesitas te schatten, is een indeling gemaakt in vier QI-klassen: ? 25 kgm²; 25,01-26,99 kgm²; 27-29,99 kgm²; en ? 30 kgm². Door de middelste 2 klassen samen te voegen, kan een indeling verkregen worden zoals Garrow die heeft voorgesteld,10 waarbij een QI ? 25 kgm² als ideaal wordt beschouwd; een QI tussen 25 en 29,9 kgm² wordt ‘matig overgewicht’ genoemd; een QI tussen 30 en 40 kgm² wordt ‘ernstig overgewicht’ genoemd, en bij een QI ? 40 kgm² wordt gesproken van ‘morbide obesitas’. Omdat zeer weinig personen een QI ? 40 kgm² hadden, werd in onze analyse een QI ? 30 kgm² als ‘ernstig overgewicht’ beschouwd.

Voor de statistische analyses werd gebruik gemaakt van het SPSSPC-programma.11 Meervoudige lineaire regressie-analyse werd gebruikt voor de trendanalyse, met QI als afhankelijke variabele en tijd (in maanden) als onafhankelijke variabele. Hierbij werd gecorrigeerd voor verschillen in leeftijd en plaats, waarbij Amsterdam als referentie werd genomen. Een uitgebreide beschrijving van de statistische analyse is elders gepubliceerd.12 In dit artikel worden alleen de gecorrigeerde gegevens beschreven.

Resultaten

Gemiddeld gewicht en lengte van de 40-jarige deelnemers in het CB-project waren respectievelijk 76,8 kg en 175,3 cm bij mannen en 64,9 kg en 163,3 cm bij vrouwen. Hoewel het gemiddelde gewicht en lengte bij de 35-jarige mannen in het RIFOH-project (respectievelijk 78,3 kg en 177,9 cm) groter waren dan bij mannen in het CB-project, was hun gemiddelde QI lager (24,7 versus 25,0 kgm²). Dit kan gedeeltelijk toegeschreven worden aan het leeftijdsverschil van 5 jaar (de QI neemt met de leeftijd toe), gedeeltelijk mogelijk aan het feit dat de metingen in verschillende jaren plaatsvonden. De vrouwen in het CB-project hadden een lagere gemiddelde QI dan mannen (24,3 versus 25,0 kgm²).

CB-project (1974-1980)

De gemiddelde QI in de verschillende onderzoeksjaren varieerde van 24,8 tot 25,2 kgm² bij mannen en van 24,2 tot 24,7 kgm² bij vrouwen (tabel 1). Het percentage personen met matig overgewicht (QI 25-29,9 kgm² in de periode 1974-1980 bedroeg 40-45 bij mannen en 35-40 bij vrouwen (zie tabel 1). De prevalentie van ernstig overgewicht (QI ? 30 kgm²) was echter groter bij vrouwen dan bij mannen (7-8 versus 5-6).

De gemiddelde QI per jaar en de bijbehorende regressielijnen zijn weergegeven in figuur 1. De regressielijnen zijn gebaseerd op de resultaten van de regressie-analyse, waarbij gecorrigeerd is voor leeftijdsverschillen en niveauverschillen tussen de plaatsen en voor het feit dat niet in iedere plaats evenveel personen per maand waren onderzocht. Uit de regressielijn kan afgeleid worden dat bij mannen een significante stijging van de gemiddelde QI optrad van ongeveer 0,5 kgm² over de totale periode 1974-1980. Ook het percentage personen met een QI tussen 27 en 30 kgm² steeg significant met in totaal ongeveer 4 procentpunten. Het percentage mannen in de overige QI-klassen veranderde niet significant tussen 1974 en 1980. Bij vrouwen trad in de periode 1974-1980 geen significante verandering op van de gemiddelde QI en van het percentage personen in de verschillende QI-klassen.

RIFOH-project (1981-1986)

De gemiddelde QI van 35-jarige mannen varieerde van 24,6 tot 24,8 kgm² in de verschillende onderzoeksjaren (tabel 2). De prevalentie van matig overgewicht (QI 25-29,9 kgm²) en ernstig overgewicht (QI ? 30 kgm²) in de periode 1981-1986 was respectievelijk 35-40 en 5-6 (zie tabel 2). Dit betekent dat de prevalentie van ernstig overgewicht bij 35-jarige mannen in de periode 1981-1986 vergelijkbaar was met die bij 40-jarige mannen in de periode 1974-1980. De prevalentie van matig overgewicht was echter lager bij 35-jarige mannen in de periode 1981-1986 vergeleken met 40-jarige mannen in de periode 1974-1980 (35-40 versus 40-45).

Tussen 1981 en 1986 werd geen significante verandering van gemiddelde QI waargenomen bij 35-jarige mannen (figuur 2). Er was echter wel een significante daling van in totaal ongeveer 2 procentpunten van het percentage personen met een QI tussen 25 en 27 kgm². In de QI-klassen 27-30 kgm² en ? 30 kgm² trad geen verandering in de tijd op.

Beschouwing

In het huidige onderzoek werd een stijging van de gemiddelde QI van ongeveer 0,5 kgm² waargenomen bij 40-jarige mannen in de periode 1974-1980. In dezelfde periode werd geen verandering van de gemiddelde QI waargenomen bij 40-jarige vrouwen. Bij 35-jarige mannen werd in de periode 1981-1986 eveneens geen verandering van de gemiddelde QI waargenomen. In de Gezondheidsenquêtes van het CBS die tussen 1981 en 1988 werden uitgevoerd, werden lengte en gewicht nagevraagd.13 Bij mannen en vrouwen van 20 jaar en ouder werd geen verandering van de gemiddelde QI waargenomen, wat overeenkomt met de resultaten van het RIFOH-project voor 35-jarige mannen in de periode 1981-1986.

De respons bedroeg 70-80 in het CB-project en ongeveer 65 in het RIFOH-project. Wanneer personen met obesitas in toenemende mate zouden afzien van deelname aan het onderzoek, zou dit van invloed kunnen zijn op de trend van de QI. In hoeverre hiervan in het huidige onderzoek sprake was, is niet met zekerheid te zeggen, aangezien er geen informatie beschikbaar was over de non-respondenten. In beide projecten was de respons echter vrij constant over de onderzoeksperiode. Wanneer er selectie is opgetreden onder de deelnemers aan het project, dan zal dit vooral effect hebben op het niveau van de QI en niet zozeer op de veranderingen van QI waar het in het huidige onderzoek om ging. Verder werd er in de uitnodigingsbrief voor deelname aan het onderzoek vermeld dat het ging om een onderzoek over risicofactoren voor hart- en vaatziekten, waarbij niet speciaal de nadruk is gelegd op de risicofactor overgewicht. Het ligt dan ook niet voor de hand dat mensen met een hoog lichaamsgewicht om deze reden in toenemende mate hebben afgezien van deelname aan het onderzoek.

Het huidige onderzoek beperkte zich tot betrekkelijk jonge mannen en vrouwen. Met gegevens van de Zutphen Studie kan een indruk gekregen worden van de veranderingen van QI bij oudere mannen. De Zutphen Studie is een longitudinaal onderzoek naar risicofactoren voor hart- en vaatziekten en vormt het Nederlandse onderdeel van de Zeven Landen Studie.14 Het onderzoek startte in 1960 bij 878 mannen in de leeftijd van 40-59 jaar. Hun gemiddelde QI was toen 24,1 kgm². In 1985 is opnieuw een kleine groep van 54 mannen van 40-59 jaar onderzocht in Zutphen. De gemiddelde QI was toen 25,6 kgm², een stijging van 1,5 kgm² ten opzichte van 1960. Tevens was het mogelijk om bij mannen van de oorspronkelijke cohort de gemiddelde QI in 1970, 19771978 en 1985 met elkaar te vergelijken voor de leeftijdscategorie 65-69 jaar. De gemiddelde QI in deze jaren was respectievelijk 25,1 kgm², 25,2 kgm² en 25,8 kgm². Deze resultaten suggereren een stijging van de gemiddelde QI bij oudere mannen, in tegenstelling tot de resultaten bij 35-jarige mannen in het RIFOH-project.

In het buitenland is trendonderzoek uitgevoerd bij personen in verschillende leeftijdscategorieën. Wanneer gekeken wordt naar leeftijdscategorieën die redelijk vergelijkbaar zijn met die in het huidige onderzoek, valt op dat bij mannen in zowel Europa als Noord-Amerika geen verandering dan wel een stijging van de gemiddelde QI werd waargenomen. Voor vrouwen was er een verschil tussen Europa en Noord-Amerika. Bij Europese vrouwen bleef de gemiddelde QI gelijk of werd een daling waargenomen, terwijl er bij vrouwen in Noord-Amerika een stijging optrad.15-19 Bij de meeste van genoemde onderzoeken was er echter slechts informatie over de QI beschikbaar op 2 of 3 tijdstippen, waardoor een trend moeilijk is vast te stellen. Een voordeel van het huidige onderzoek was de beschikbaarheid van continue metingen van lengte en gewicht bij grote aantallen personen over een periode van 13 jaar bij mannen en een periode van 7 jaar bij vrouwen.

In tabel 3 is een overzicht gegeven van de prevalentie van matig en ernstig overgewicht in een aantal landen. Hierin is te zien dat de prevalentie van matig overgewicht in Nederland weliswaar hoog is, maar vergelijkbaar met die in andere landen. De prevalentie van ernstig overgewicht in Nederland is vergelijkbaar met die in het Verenigd Koninkrijk en Zweden, maar lager dan die in Duitsland, de Verenigde Staten en Canada.

Uit de resultaten van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat de gemiddelde QI bij jonge mannen, na een lichte stijging tussen 1974 en 1980, in het begin van de jaren tachtig ongeveer gelijk bleef. Bij jonge vrouwen werd geen verandering van de gemiddelde QI waargenomen in de periode 1974-1980. Er was in dit onderzoek geen informatie beschikbaar over veranderingen in QI in andere leeftijdscategorieën. Uit de gegevens van de Zutphen Studie kan geconcludeerd worden dat bij oudere mannen tussen 19771978 en 1985 een stijging van de QI heeft plaatsgevonden. In 1987 is het Peilstationsproject Hart- en vaatziekten van start gegaan.23 In dit project worden risicofactoren voor hart- en vaatziekten onderzocht bij mannen en vrouwen in de leeftijd van 20 tot 60 jaar. Met gegevens van dit project is het mogelijk in de toekomst trends over een breder leeftijdsgebied te onderzoeken.

Literatuur
  1. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Overledenen naardoodsoorzaak, leeftijd en geslacht (A1-serie). Voorburg: CBS, jrg1969-1988.

  2. Hubert HB, Feinleib M, McNamara PM, Castelli WP. Obesityas an independent risk factor for cardiovascular disease: a 26-year follow-upof participants in the Framingham Heart Study. Circulation 1983; 67:968-77.

  3. Hoffmans MDAF, Kromhout D, Lezenne Coulander C de. BodyMass Index at the age of 18 and its effects on 32-year-mortality fromcoronary heart disease and cancer. A nested case-control study among theentire 1932 Dutch male birth cohort. J Clin Epidemiol 1989; 42:513-20.

  4. Itallie TB van. Health implications of overweight andobesity in the United States. Ann Intern Med 1985; 103: 983-8.

  5. Newman B, Selby JV, Quesenberry CP, King M, Friedman GD,Fabsitz RR. Nongenetic influences of obesity on other cardiovascular diseaserisk factors: an analysis of identical twins. Am J Public Health 1990; 80:675-8.

  6. Manson JE, Colditz GA, Stampfer MJ, et al. A prospectivestudy of obesity and risk of coronary heart disease in women. N Engl J Med1990; 322: 882-9.

  7. Borkan GA, Sparrow D, Wisniewski C, Vokonas PS. Bodyweight and coronary disease risk: patterns of risk factor change associatedwith long-term weight change. The Normative Aging Study. Am J Epidemiol 1986;124: 410-9.

  8. Ashley FW, Kannel WB. Relation of weight change to changesin atherogenic traits: the Framingham Study. J Chron Dis 1974; 27:103-14.

  9. Meijer J, Geuns HA van, Sluijter DP. CB Heart Project inThe Netherlands. Screening for risk factors of CHD in consultation bureausfor tuberculosis. Hart Bulletin 1976; 7: 42-6.

  10. Garrow JS, Webster J. Quetelet's index(WH2) as a measure of fatness. Int J Obes 1985; 9:147-53.

  11. Norusis MJ. SPSSPC V2.0 Base Manual for theIBM PCXTAT and PS2. Chicago: SPSS Inc, 1988.

  12. Blokstra A, Kromhout D. Trends in obesity in young adultsin The Netherlands from 1974 to 1986. Int J Obes 1991; 15: 513-21.

  13. Verweij GCG. Gezondheidsenquêtes. Ontwikkelingen inonder- en overgewicht, 1981-1988. Maandbericht Gezondheidsstatistiek 1989;11: 5-10.

  14. Bosschieter E, Kromhout D. Dertig jaarbevolkingsonderzoek in Zutphen. Voeding 1991; 52: 90-5.

  15. The Research Group ATS-RF2-OB43 of the Italian NationalResearch Council. Time trends of some cardiovascular risk factors in Italy.Results from the Nine Communities Study. Am J Epidemiol 1987; 126:95-103.

  16. Jalkanen L, Tuomilehto J, Nissinen A, Puska P. Changes inbody mass index in a Finnish population between 1972 and 1982. J Intern Med1989; 226: 163-70.

  17. Feinleib M. Epidemiology of obesity in relation to healthhazards. Ann Intern Med 1985; 103: 1019-24.

  18. Harlan WR, Landis JR, Flegal KM, Davis CS, Miller ME.Secular trends in body mass in the United States, 1960-1980. Am J Epidemiol1988; 128: 1065-74.

  19. Burke GL, Sprafka JM, Folsom AR, Luepker RV, Norsted SW,Blackburn H. Trends in CHD mortality, morbidity and risk factor levels from1960 to 1986: the Minnesota Heart Survey. Int J Epidemiol 1989: 18 (Suppl 1):S73-81.

  20. Millar WJ, Stephens T. The prevalence of overweight andobesity in Britain, Canada and United States. Am J Public Health 1987; 77:38-41.

  21. Kuskowska-Wolk A, Rössner S. Prevalence of obesityin Sweden: cross-sectional study of a representative adult population. JIntern Med 1990; 227: 241-6.

  22. Greiser E, Joeckel KH, Giersiepen K, Maschewsky-SchneiderUM, Zachcial M. Cardiovascular disease risk factors, CHD morbidity andmortality in the Federal Republic of Germany. Int J Epidemiol 1989; 18 (Suppll): S118-24.

  23. Kromhout D, Kampen-Donker M van, Obermann-de Boer GL,Verschuren WMM. Peilstationsproject Hart- en vaatziekten 1987. Rapportnummer528901001. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid enMilieuhygiëne, 1989.

Auteursinformatie

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en milieuhygiëne, Centrum voor Epidemiologie, Postbus I, 3720 BA Bilthoven.

Mw.ir.A.Blokstra en prof.dr.ir.D.Kromhout, voedingsepidemiologen.

Contact mw.ir.A.Blokstra

Gerelateerde artikelen

Reacties