Veranderingen in het serumcholesterolgehalte bij de Nederlandse bevolking in de periode 1974-1986

Onderzoek
W.M.M. Verschuren
M. Al
A. Blokstra
G.J.M. Boerma
D. Kromhout
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1992;136:579-83
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Met gegevens van 2 screeningprojecten voor risicofactoren voor hart- en vaatziekten werd nagegaan welke veranderingen in het totaal-cholesterolgehalte in serum zijn opgetreden in de Nederlandse bevolking in de periode 1974-1986. Gedurende de gehele periode was het serum-cholesterolgehalte op gestandaardiseerde wijze bepaald.

Tussen 1974 en 1980 werden ongeveer 30.000 mannen en vrouwen in de leeftijd van 37-43 jaar onderzocht. Tussen 1974 en eind 1977 trad een daling in het gemiddelde totaal-cholesterolgehalte op, die echter werd gevolgd door een stijging. De ‘netto’ daling over de periode 1974-1980 bedroeg 0,07 mmoll voor mannen en 0,03 mmoll voor vrouwen.

Tussen 1981 en 1986 werden ruim 80.000 mannen in de leeftijd van 33-37 jaar onderzocht. Over deze periode werd een totale daling van 0,20 mmoll waargenomen. Ondanks deze daling was de prevalentie van hypercholesterolemie (totaalcholesterolgehalte ≥ 6,5 mmoll) in 1986 nog steeds hoog (16). Een verdere daling van het totaal-cholesterolgehalte in de Nederlandse bevolking is dan ook van belang in het kader van de preventie van coronaire hartziekten.

Inleiding

In 1972 bereikte de sterfte aan coronaire hartziekten haar hoogtepunt in Nederland. Vervoigens daalde het voor leeftijd gestandaardiseerde sterftecijfer voor coronaire hartziekten voor mannen van 2537106 in 1972 tot 1810106 in 1986 en voor vrouwen van 1697106 in 1972 tot 1146106 in 1986.1 In hoeverre deze daling kan worden toegeschreven aan primaire preventie of verbetering van de gezondheidszorg is niet bekend. Daarom is het interessant om na te gaan wat er gebeurd is met het niveau van de belangrijkste risicofactoren voor coronaire hartziekten. Het totaal-cholesterolgehalte in het serum is één van de belangrijkste risicofactoren voor het ontstaan van coronaire hartziekten.2 Van 1974 tot en met 1986 zijn in Nederland achtereenvolgens twee screeningprojecten uitgevoerd met betrekking tot risicofactoren voor harten vaatziekten. Gedurende de gehele onderzoeksperiode is op gestandaardiseerde wijze het totaal-cholesterolgehalte in serum bepaald bij in totaal 110.000 jonge volwassenen. Met deze unieke gegevens was het mogelijk na te gaan welke veranderingen er zijn opgetreden in het totaal-cholesterolgehalte in het serum in de Nederlandse bevolking gedurende een periode van 13 jaar.

Methoden

De screeningprojecten werden uitgevoerd volgens een gestandaardiseerd protocol.

Consultatiebureau-project (1974-1980)

Van oktober 1974-december 1980 werd het Consultatiebureau Project Hart- en Vaatziekten uitgevoerd (CB-project). Het onderzoek vond plaats op consultatiebureaus voor tuberculosebestrijding. In 1974 werd begonnen op de consultatiebureaus in Doetinchem en Tilburg, in 1976 werd het project uitgebreid met de consultatiebureaus in Amsterdam, Leiden en Maastricht. In elke plaats werd een steekproef uit het bevolkingsregister getrokken van mannen en vrouwen in een vooraf gedefinieerde leeftijdsklasse. Deze leeftijdsklasse was niet in alle plaatsen hetzelfde. De geselecteerde personen werden schriftelijk uitgenodigd deel te nemen aan het onderzoek. Na het terugsturen van een bijgevoegd antwoordkaartje ontving men een uitnodiging met datum en tijd waarop men verwacht werd. Vier weken na de eerste uitnodiging werd een herinneringsbrief gestuurd aan personen die nog niet gereageerd hadden.

De respons varieerde van 70-80 en in totaal werden gedurende de onderzoeksperiode ruim 50.000 mannen en vrouwen onderzocht.3 Omdat het voor het analyseren van veranderingen in het cholesterolgehalte van belang was dat de leeftijd van de onderzochte groep min of meer constant was, werd een subgroep geselecteerd met een stabiele gemiddelde leeftijd over de gehele onderzoeksperiode. Besloten werd alle respondenten in de leeftijd van 37-43 jaar (gemiddeld 40) te gebruiken voor de trendanalyses. Omdat in Leiden slechts zeer weinig personen in deze leeftijd onderzocht waren, werd deze plaats buiten beschouwing gelaten. In totaal bleven ongeveer 30.000 personen over voor analyse.

Het onderzoek bestond uit het meten van bloeddruk, lengte en gewicht en het afnemen van een buisje bloed voor de bepaling van het totaal-cholesterolgehalte in serum. Tevens werd een vragenlijst ingevuld met vragen over rookgewoonten, cardiovasculaire klachten, familie-anamnese aangaande vroegtijdige cardiovasculaire sterfte, voorgeschiedenis van hypertensie of diabetes mellitus en 2 vragen over lichamelijke activiteit.

Project Risicofactoren Opsporing Hart- en vaatziekten (RIFOH)-project (1981-1986)

Van 1981-1986 werd het RIFOH-project uitgevoerd. Omdat mannen een grotere kans op coronaire hartziekten hebben dan vrouwen, beperkte dit project zich tot mannen. Het onderzoek werd uitgevoerd in dezelfde plaatsen als het CB-project en de selectie en de werving van de deelnemers gebeurde ook op dezelfde manier. De leeftijdsklasse van de deelnemers was in het RIFOH-project in alle plaatsen gelijk: in 1981-1982 werden alle mannen geboren in 1946 en 1947 uitgenodigd, in 1983-1984 alle mannen geboren in 1948 en 1949 en in 1985-1986 alle mannen geboren in 1950 en 1951. Van juli 1981 tot oktober 1986 werden ruim 80.000 mannen onderzocht met een gemiddelde leeftijd van 35 jaar (33-37). De respons was gemiddeld 65. Ook in het RIFOH-project werden bij iedere deelnemer bloeddruk, lengte en gewicht gemeten en werd het totaal-cholesterolgehalte in serum bepaald. De vragenlijst werd ingekort, en beperkte zich tot vragen over rookgewoonten, cardiovasculaire klachten en voorgeschiedenis van hypertensie of diabetes mellitus.

Gedurende de gehele onderzoeksperiode werd het cholesterolgehalte bepaald in het Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt. Dit laboratorium is het referentielaboratorium voor gestandaardiseerde cholesterolbepalingen in Nederland.4 In het CB-project werd het cholesterolgehalte bepaald volgens de Huang-methode,5 en in het RIFOH-project volgens een enzymatische methode.6 Aan de hand van de resultaten van een vergelijkend onderzoek met beide methoden bij meer dan 5000 personen werden alle waarden omgerekend naar de enzymatische methode. Dit is gedaan om de resultaten van de 2 projecten te kunnen vergelijken en omdat de classificatie van cholesterolwaarden volgens de Nederlandse cholesterolconsensus is gebaseerd op enzymatisch bepaalde waarden.7 Voor het beschrijven van de prevalentie van hypercholesterolemie werd deze classificatie aangehouden.

Met regressieanalyse werd nagegaan welke veranderingen er plaatsgevonden hadden in het totaal-cholesterolgehalte in serum in de onderzochte groep. Daarbij werd gecorrigeerd voor kleine veranderingen in het bepalingsniveau van het laboratorium, veranderingen in de gemiddelde leeftijd van de onderzochte groep en voor niveauverschillen tussen de 5 onderzoeksplaatsen, waarbij Amsterdam als referentie werd gekozen. In dit artikel worden alleen de uitkomsten van de analyses met de gecorrigeerde cholesterolwaarden gepresenteerd. In het CB-project werd een U-vormig verband gevonden voor de veranderingen van het totaal-cholesterolgehalte met de tijd. Voor mannen en vrouwen werd het ‘omslagpunt’ bepaald, en werd de verandering vóór en na het omslagpunt berekend. Vervolgens werd de ‘netto’ verandering over de totale periode berekend. De manier van correctie, de gebruikte analysemethoden en de resultaten van de ongecorrigeerde analyses zijn elders uitgebreid beschreven.8

Resultaten

Consultatiebureau-project (1974-1980)

In tabel 1 zijn het gemiddelde totaal-cholesterolgehalte en de procentuele verdeling van de onderzochte groep over de verschillende klassen van de Nederlandse cholesterolconsensus weergegeven per onderzoeksjaar. In de periode 1974-1980 varieerde het gemiddelde totaal-cholesterolgehalte van 5,51 mmoll tot 5,81 mmoll bij 40-jarige mannen en van 5,08 mmoll tot 5,36 mmoll bij 40-jarige vrouwen. De prevalentie van matige hypercholesterolemie (6,5-7,99 mmoll) varieerde bij mannen van 13,8 tot 22,7 en bij vrouwen van 6,1 tot 11,4. Voor ernstige hypercholesterolemie (? 8 mmoll) varieerden deze percentages van 1,5 tot 3,6 bij mannen en van 0,6 tot 1,3 bij vrouwen.

De totale verandering over de onderzoeksperiode werd gekwantificeerd met behulp van regressieanalyse, waarbij rekening werd gehouden met het feit dat er niveauverschillen waren tussen de onderzoeksplaatsen en dat per onderzoeksjaar niet steeds evenveel personen uit iedere plaats onderzocht waren. Het gemiddeld totaal-cholesterolgehalte per onderzoeksjaar en de regressielijn die de veranderingen hierin door de tijd beschrijft, zijn weergegeven in figuur 1. Uit deze regressieanalyse bleek dat het gemiddelde cholesterolgehalte tussen oktober 1974 en december 1980 daalde met 0,07 mmoll bij mannen en 0,03 mmoll bij vrouwen. Ook voor de prevalentie van matig en ernstig verhoogde cholesterolwaarden werd met behulp van regressieanalyse nagegaan wat er over de totale onderzoeksperiode veranderde. De daling van de prevalentie van matige hypercholesterolemie over de onderzoeksperiode was 2,7 procentpunt bij mannen en 1,9 procentpunt bij vrouwen. De daling van de prevalentie van ernstige hypercholesterolemie bedroeg 0,7 procentpunt bij mannen en 0,2 procentpunt bij vrouwen.

Project Risicofactoren Opsporing Hart- en vaatziekten

In tabel 2 zijn het gemiddelde totaal-cholesterolgehalte en de procentuele verdeling van de onderzochte groep over de verschillende klassen van de Nederlandse cholesterolconsensus weergegeven per onderzoeksjaar. In de periode 1981-1986 varieerde het gemiddelde totaal-cholesterolgehalte bij 35-jarige mannen van 5,50 mmoll tot 5,64 mmoll. De prevalentie van matige hypercholesterolemie (6,5-7,99 mmoll) varieerde van 14,1 tot 17,7 en de prevalentie van ernstige hypercholesterolemie (? 8 mmoll) van 2,1 tot 2,8.

Het gemiddelde totaal-cholesterolgehalte per onderzoeksjaar en de regressielijn die veranderingen hierin door de tijd beschrijft, zijn weergegeven in figuur 2. Uit deze regressieanalyse bleek dat het gemiddelde cholesterolgehalte tussen juli -1981 en september 1986 daalde met 0,20 mmoll. De prevalentie van matig en ernstig verhoogde cholesterolwaarden daalde over de totale onderzoeksperiode met respectievelijk 4,4 en 1,0 procentpunt.

Beschouwing

Over de periode 1974-1980 werd een daling gevolgd door een stijging van het totaal-cholesterolgehalte in het serum waargenomen bij mannen en vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 40 jaar. Dit resulteerde in een ‘netto’ daling over deze periode van 0,07 mmoll bij mannen en 0,03 mmoll bij vrouwen. Van 1981-1986 daalde het totaal-cholesterolgehalte in serum met 0,20 mmoll bij mannen met een gemiddelde leeftijd van 35 jaar. Helaas werden in deze periode geen vrouwen onderzocht, zodat niet bekend is of deze daling ook bij vrouwen is opgetreden. De resultaten van het CB-project suggereren dat de trend bij mannen en vrouwen in dezelfde richting gaat, hoewel de omvang van de veranderingen verschillend is.

De respons in het CB-project bedroeg 70-80, in het RIFOH-project 65. Waneer selectief de ‘ongezonden’ of juist de ‘gezonden’ aan deze projecten hebben deelgenomen en wanneer deze 2 groepen zouden verschillen met betrekking tot het cholesterolgehalte, zou dit vertekening geven van het werkelijke (dat wil zeggen in de algemene populatie) cholesterolniveau. Omdat geen informatie beschikbaar is over de niet-respondenten, kan hierover slechts gespeculeerd worden. Het feit dat in beide projecten de respons gedurende de loop van het project min of meer constant bleef, is een aanwijzing dat de gevonden veranderingen door de tijd waarschijnlijk niet toe te schrijven zijn aan een veranderde samenstelling van de onderzochte groep.

Eén van de belangrijkste determinanten van het serum-cholesterolgehalte is de hoeveelheid verzadigd vet in de voeding. De bijdrage hiervan aan de geobserveerde veranderingen is echter moeilijk na te gaan, omdat er geen gedetailleerde informatie over veranderingen in de voeding beschikbaar is. Het lijkt er echter op dat voor wat betreft de inname van macronutriënten er niet erg veel veranderd is in de afgelopen decennia. De in 1988 uitgevoerde nationale voedselconsumptiepeiling toonde aan dat nog steeds bijna alle leeftijdsgroepen zo'n 40 energieprocent vet gebruikten, waarvan ongeveer 16-17 energieprocent verzadigd vet.9

De beschreven onderzoeken hadden betrekking op een grote groep relatief jonge volwassenen. Met betrekking tot de volksgezondheid in Nederland is het van groot belang te weten of deze daling zich ook bij oudere leeftijdsgroepen heeft voorgedaan. Om hiervan een indruk te krijgen, is met gegevens van de Zutphen Studie gekeken naar veranderingen die zijn opgetreden bij oudere mannen.10 De Zutphen Studie is een longitudinaal onderzoek naar risicofactoren voor hart- en vaatziekten dat in 1960 is gestart met 878 mannen in de leeftijd van 40 tot 59 jaar. In 1960 was het gemiddelde cholesterolgehalte van deze mannen 6,09 mmoll. In 1985 werd in Zutphen opnieuw een (kleinere) groep mannen onderzocht in de leeftijd van 40 tot 59 jaar. Het gemiddelde cholesterolgehalte in deze nieuwe groep was 6,29, dus 0,2 mmoll hoger dan de gemiddelde waarde in 1960. Ook was het mogelijk in het originele Zutphen-cohort in 1970, 1977‘78 en 1985 het gemiddelde totaal-cholesterolgehalte te bekijken van mannen in de leeftijd van 65-69 jaar.

Dit gemiddelde totaal-cholesterolgehalte was in 1970 6,05 mmoll, in 1977‘78 5,91 mmoll en in 1985 6,34 mmoll. Het U-vormige verband tussen het totaal-cholesterolgehalte in serum en de tijd dat in het CB-project werd gevonden met een ’dal‘ in 1977’78 werd dus ook gevonden in de Zutphen Studie.

De resultaten van het RIFOH-project suggereren een daling van het totaal-cholesterolgehalte bij 35-jarige mannen. De resultaten van de Zutphen Studie geven aan dat bij oudere mannen over deze periode geen sprake is van een daling, eerder van een stijging. Het lijkt er dus op dat de gevonden cholesteroldaling in het RIFOH-project zich beperkt heeft tot jong volwassenen.

Niet alleen in Nederland, maar ook in een groot aantal andere landen vindt momenteel een daling plaats in de sterfte aan coronaire hartziekten. Veranderingen in totaal-cholesterolgehalten in serum in de verschillende landen zijn echter zeer uiteenlopend. Aan het begin van de Zeven Landen Studie (eind jaren vijftig, begin jaren zestig) waren de cholesterolgehalten bij mannen in de leeftijd van 40-59 jaar in Nederland en in de VS vergelijkbaar (ongeveer 6,1 mmoll).11 Op dit moment liggen de gemiddelde cholesterolwaarden in Nederland echter ongeveer 0,5 mmoll hoger dan in de VS.1213 In de Verenigde Staten is in de afgelopen decennia een daling van het cholesterolgehalte opgetreden. Dit bleek uit een aantal nationale onderzoeken die zijn uitgevoerd in de VS in de periode 1960-1987.14-16 In Finland, een land waar het totaal-cholesterolgehalte en de sterfte aan coronaire hartziekten zeer hoog zijn, is tussen 1972 en 1982 een daling opgetreden in het totaal-cholesterolgehalte van 0,8 mmoll bij mannen en 0,6 mmoll bij vrouwen van 30-59 jaar.17 In Italië werd tussen 1978 en 1983 geen verandering waargenomen in het gemiddelde totaalcholesterolgehalte bij mannen en vrouwen van 20-59 jaar.18

De daling die in het RIFOH-project optrad tussen 1981 en 1986 bedroeg 3-4. Voor de preventie van sterfte aan coronaire hartziekten is een daling van het totaal-cholesterolgehalte met enkele procenten van groot belang. Uit interventieonderzoeken is gebleken dat verlaging van het cholesterolgehalte leidt tot verlaging van de incidentie en sterfte door coronaire hartziekten. Geschat wordt, dat een verlaging van het totaal-cholesterolgehalte met 1 leidt tot een verlaging van de sterfte aan coronaire hartziekten met 2-3.1920 Ook uit observationeel onderzoek is gebleken dat over een breed gebied van cholesterolgehalten, tussen groepen personen met een verschil in totaal-cholesterolgehalte van 1 gedurende de follow-up een verschil in incidentie van coronaire hartziekten optrad van ongeveer 2.2

In een recente publikatie in dit tijdschrift vergeleek Hoogendoorn de sterfte aan coronaire hartziekten en het aantal ziekenhuisopnamen voor acute ischemische hartziekten in 1971-1973 met 1985-1987.21 Voor alle 10-jaars-leeftijdsstrata van 30 jaar en ouder was de sterfte aan coronaire hartziekten gedaald met 15-50, waarbij er verschillen waren tussen mannen en vrouwen. Het aantal ziekenhuisopnamen voor de leeftijdsstrata van 50 jaar en ouder was echter toegenomen, terwijl voor de 30-39- en 40-49-jarigen dit aantal was afgenomen. Deze observatie wijst erop dat bij de oudere leeftijdsgroepen de daling in de sterfte aan coronaire hartziekten te danken is aan verbetering van de medische zorg, terwijl er in de jongere leeftijdsgroepen (tevens) sprake lijkt van primaire preventie. Dit komt overeen met de door ons geobserveerde daling in het cholesterolgehalte bij 35-jarige mannen in het begin van de jaren tachtig, in combinatie met het feit dat er bij oudere mannen uit de Zutphen Studie eerder sprake leek te zijn van een stijging van het cholesterolgehalte.

Conclusie

Op grond van het huidige onderzoek kan geconcludeerd worden dat, met name in het begin van de jaren tachtig, een daling in het totaal-cholesterolgehalte in serum is opgetreden bij jonge volwassenen. Gedetailleerde informatie over veranderingen in het totaal-cholesterolgehalte bij andere leeftijdsgroepen is op dit moment niet beschikbaar. Aan de hand van gegevens van het Peilstations Project Hart- en Vaatziekten dat vanaf 1987 wordt uitgevoerd bij 20-59-jarige mannen en vrouwen, zal in de nabije toekomst hierover informatie beschikbaar komen.22 Resultaten van ander Nederlands onderzoek (de Zutphen Studie) suggereren echter dat de daling beperkt was tot de groep jonge volwassenen. Omdat het gemiddelde cholesterolgehalte en de prevalentie van hypercholesterolemie in Nederland nog steeds hoog zijn, is een verdere verlaging van het totaal-cholesterolgehalte in de totale Nederlandse populatie van groot belang in het kader van de preventie van coronaire hartziekten.

Dit onderzoek werd mogelijk gemaakt door subsidie van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

Literatuur
  1. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Overledenen naardoodsoorzaak, leeftijd en geslacht (A1-serie). Jrg. 1969-1988. Voorburg:CBS.

  2. Stamler J, Wentworth D, Neaton JD. Is the relationshipbetween serum cholesterol and risk of premature death from coronary heartdisease continuous and graded? Findings in 356.222 primary screenees of theMultiple Risk Factor Intervention Trial (MRFIT). JAMA 1986; 256:2823-8.

  3. Meijer J, Geuns HA van, Sluijter DP. CB Heart Project inthe Netherlands. Screening risk factors of coronary heart disease inconsultation bureaus for tuberculosis. Hart Bull 1976; 7: 42-6.

  4. Boerma GJM. Welke kwaliteitseisen moeten aan bepalingenvan totaal-cholesterol, HDL-cholesterol en triglyceriden worden gesteld? HartBull 1987; (suppl) 1: 35-40.

  5. Huang TC, Chen CP, Wefler V, et al. A stable reagent forthe Liebermann Burchard reaction. Anal Chem 1961; 33: 1405-7.

  6. Kattermann R, Jaworek D, Möller G, et al. Multicentrestudy of a new enzymatic method of cholesterol determination. J Clin ChemClin Biochem 1984; 22: 245-51.

  7. Erkelens DW. Cholesterol consensus in the Netherlands. EurJ Clin Nutr 1989; 43: 89-96.

  8. Verschuren WMM, Al M, Blokstra A, Boerma GJM, Kromhout D.Trend in serum total cholesterol level in 110,000 young adults in theNetherlands from 1974-1986. Am J Epidemiol 1991; 134: 1290-302.

  9. Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC).Wat eet Nederland? Rijswijk: Ministerie van WVC, 1988.

  10. Kromhout D, Lezenne Coulander C de, Obermann-de Boer GL,Kampen-Donker M van, Goddijn HE, Bloemberg BPM. Changes in food and nutrientintake in middle-aged men from 1960 to 1985 (the Zutphen Study). Am J ClinNutr 1990; 51: 123-9.

  11. Keys A. Coronary heart disease in seven countries.Circulation 1970; 41 (suppl I): 1-211.

  12. Knuiman JT, Katan MB. Cholesterolniveaus in serum inNederland in vergelijking met die in de Verenigde Staten.Ned Tijdschr Geneeskd 1985; 129:2500-5.

  13. Sempos C, Fulwood R, Haines C, et al. The prevalence ofhigh blood cholesterol levels among adults in the United States. JAMA 1989;262: 45-52.

  14. National Heart, Lung and Blood Institute CollaborativeLipid Group. Trends in serum cholesterol levels among US adults aged 20 to 74years. JAMA 1987; 257: 937-42.

  15. Burke GL, Sprafka JM, Folsom AR, Luepker RV, Norsted SW,Blackburn H. Trends in CHD mortality, morbidity and risk factor levels from1960 to 1986: the Minnesota Heart Survey. Int J Epidemiol 1989; 18 (suppl 1):S73-S81.

  16. Burke Gl, Sprafka JM, Folsom AR, Hahn LP, Luepker RV,Blackburn H. Trends in serum cholesterol levels from 1980 to 1987. N Engl JMed 1991; 324: 941-6.

  17. Tuomilehto J, Puska P, Korhonen H. Trends anddeterminants of ischaemic heart disease mortality in Finland: with specialreference to a possible levelling off in the early 1980s. Int J Epidemiol1989; 18 (suppl 1): S109-17.

  18. The Research Group ATS-RF2-OB43 of the Italian NationalResearch Council. Time trends of some cardiovascular risk factors in Italy.Results from the Nine Communities Study. Am J Epidemiol 1987; 126:95-103.

  19. Lipid Research Clinics program. The Lipid ResearchClinics coronary primary prevention trial results. II. The relationship ofreduction in incidence of coronary heart disease to cholesterol lowering.JAMA 1984; 251: 365-74.

  20. Manninen V, Elo MO, Frick HM, et al. Lipid alterationsand decline in the incidence of coronary heart disease in the Helsinki HeartStudy. JAMA 1988; 260: 641-51.

  21. Hoogendoorn D. Enkele opmerkingen over de stand van zakenbetreffende de epidemie van het acute hartinfarct.Ned Tijdschr Geneeskd 1990; 134:592-5.

  22. Kromhout D, Obermann-de Boer GL, Kampen-Donker M van,Verschuren WMM. Peilstationsproject Hart- en Vaatziekten 1987. Rapportnummer529001001. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid enMilieuhygiëne, Centrum voor Epidemiologie, 1989.

Auteursinformatie

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne, Centrum voor Epidemiologie, Postbus 1, 3720 BA Bilthoven.

Mw.ir.W.M.M.Verschuren, mw.ir.A.Blokstra en prof.dr.ir.D.Kromhout, voedingsepidemiologen.

Rijksuniversiteit Limburg, vakgroep Humane Biologie, Maastricht.

Ir.M.Al, voedingskundige.

Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt, Centraal Klinisch Chemisch Laboratorium, Rotterdam.

Dr.G.J.M.Boerma, klinisch chemicus.

Contact mw.ir.W.M.M.Verschuren

Gerelateerde artikelen

Reacties