Schizofrenie in beeld gebracht; afwijkingen in hersenanatomie en -metabolisme

Klinische praktijk
H.E. Hulshoff Pol
W.F.C. Baaré
W.P.Th.M. Mali
J.M. van Ree
R.S. Kahn
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:494-7
Download PDF

Zie ook de artikelen op bl. 498 en 502.

Inleiding

Rond de laatste eeuwwisseling werd door Kraepelin reeds het vermoeden geuit dat schizofrenie een stoornis is van de frontale en temporale kwabben van de hersenen.1 Hij stelde dat de plannings- en beoordelingsproblemen die bij deze aandoening veelvuldig vóórkomen een reflectie zouden zijn van frontale betrokkenheid, terwijl eigenaardigheden in de spraak en auditieve hallucinaties te maken zouden hebben met temporale beschadiging. Substantiëring van deze hypothese met anatomische gegevens was in die tijd alleen goed mogelijk door post mortem-onderzoek en de resultaten hiervan waren overwegend negatief.2 Dit resulteerde in een periode van windstilte op het gebied van het neuro-anatomisch onderzoek bij schizofrene patiënten, tot in de jaren tachtig van deze eeuw hernieuwde belangstelling ontstond, mede gebaseerd op bevindingen uit het beeldvormend onderzoek. Hoewel eerder gerapporteerd in pneumo-encefalografische onderzoeken,3 werd in 1976 voor het eerst met behulp van computertomografie (CT) door Johnstone et al. bij een aantal schizofrene patiënten vergrote ventrikels gevonden,4 een bevinding die sindsdien vele malen gerepliceerd is.5 De morfologische in vivoafwijkingen veroorzaakten hernieuwde belangstelling voor het post mortem-onderzoek bij schizofrene patiënten. In deze post mortem-onderzoeken worden, in tegenstelling tot de eerdere negatieve resultaten, afwijkingen van de limbische structuren, met name van de hippocampus en limbische cortices, aangetoond.6 Dat nu wèl afwijkingen worden gevonden, is waarschijnlijk het gevolg van de huidige beschikbaarheid van computergestuurde kwantitatieve methoden voor celtellingen en volumebepalingen, die subtiele afwijkingen in hersenanatomie kunnen detecteren.

Sinds de komst van de CT en, meer recentelijk, de magnetische-resonantie-‘imaging’ (MRI), die het mogelijk maakt betrouwbaar grijze en witte stof in de hersenen te onderscheiden, kan de hersenanatomie van schizofrene patiënten in vivo worden bestudeerd. Met behulp van ‘single photon’-emissie-computertomografie (SPECT) en positron-emissietomografie (PET) kan daarnaast de hersenfunctie in rust of tijdens het uitvoeren van een cognitieve taak worden beoordeeld. Deze vooruitgang in beeldvormende technieken heeft naast het post mortem-onderzoek geleid tot een aantal relevante nieuwe bevindingen op het gebied van de schizofrenie.

Morfologische bevindingen: ct en mri

De vergrote ventrikels bij patiënten met chronische schizofrenie zijn ook aangetoond bij patiënten die voor het eerst met schizofreniesymptomen waren opgenomen (eerste-episode-patiënten) in vergelijking met gezonde controlepersonen en patiënten met een neurologische aandoening.78 Daarnaast zijn met zowel CT als MRI verwijde sulci gevonden bij chronische patiënten.910 Deze relatief verwijde sulci worden, evenals de verwijde ventrikels, beschouwd als evidentie voor structurele afwijkingen in hersenweefsel,11 hetgeen in overeenstemming is met de post mortem-bevindingen. Ze kunnen echter geen directe aanwijzing verschaffen welke hersengebieden betrokken zijn bij schizofrenie. Met behulp van MRI-technieken is het echter wel mogelijk gebleken specifieke hersendelen te onderzoeken. Zo is met behulp van MRI gevonden dat, hoewel betrokkenheid van de dieper gelegen basale ganglia ook waarschijnlijk is,1213 de temporaalkwabben, inclusief de hippocampus,1214-16 en in sommige gevallen ook de frontaalkwabben,1217 verkleind zijn bij patiënten met schizofrenie ten opzichte van gezonde leeftijdgenoten. Opmerkelijk is dat bij monozygote tweelingen discordant voor schizofrenie, uitsluitend bij de schizofrene tweelingpartner een verkleinde hippocampus en ventrikelvergroting werden gevonden.18

Relatie tussen morfologische afwijkingen en symptomen

De morfologische bevindingen bij schizofrene patiënten zijn met name interessant omdat een relatie is waargenomen tussen de omvang van de afwijkingen in de hersenen en de ernst van de stoornissen in het gedrag. Symptomen bij schizofrene patiënten worden onderverdeeld in positieve symptomen zoals hallucinaties, wanen en denkstoornissen; negatieve symptomen zoals affectvervlakking en verminderd initiatief; en cognitieve verschijnselen zoals stoornissen in de planning en organisatie van gedrag. Sommige van deze symptoomcomplexen lijken samen te hangen met specifieke afwijkingen in verschillende gebieden in de hersenen.

Zo zijn de positieve symptomen in verband gebracht met een afwijking in de linker temporaalkwab. De omvang van de atrofie van de grijze stof van de linker bovenste winding van de temporaalkwab bij patiënten met schizofrenie lijkt gecorreleerd te zijn aan de ernst van de denkstoornis.16 Daarnaast werd een relatie tussen de ernst van de auditieve hallucinaties en de omvang van de atrofie van het totale volume van de linker bovenste winding van de temporaalkwab gevonden.19

Aangezien beschadiging van de frontaalkwab kan leiden tot initiatiefverlies, emotionele vervlakking en stoornissen in aandacht, planning, flexibiliteit in het denken en actief opdiepen van informatie uit het geheugen,20-22 zouden de daarop gelijkende negatieve symptomen bij schizofrene patiënten23 eveneens kunnen samenhangen met morfologische afwijkingen in de frontale delen van de hersenen. Dit is echter niet consistent aangetoond. De negatieve symptomen bij patiënten met schizofrenie hangen soms wel,2425 soms niet,26 samen met morfologische afwijkingen zoals een verminderd frontaal volume.

Hoewel veel gerapporteerd is over cognitieve stoornissen bij schizofrenie, zijn relatief weinig onderzoeken verricht naar een direct verband tussen deze cognitieve stoornissen en de morfologische hersenafwijkingen.1526-29 De meest consistente bevinding is een relatie tussen een stoornis in bepaalde aspecten van het geheugen en een verminderd hippocampaal,3015 of parahippocampaal,27 volume bij schizofrene patiënten.

Invloed van het ziektebeloop

Eén van de belangrijke vragen in het neuro-imaging-onderzoek bij schizofrene patiënten is of de gevonden afwijkingen progressief zijn, dat wil zeggen toenemen met het beloop van de ziekte. Hiervoor zijn geen duidelijke aanwijzingen gevonden. In acht longitudinale CT-onderzoeken werden patiënten gevolgd over een periode van 1-4 jaar,31 terwijl in één onderzoek patiënten werden teruggezien na 7-9 jaar.31 In een MRI-onderzoek werden eerste-episode-patiënten na 2 jaar teruggezien.32 In geen van deze onderzoeken werden significante verschillen gevonden tussen de eerste en tweede meting. In een epidemiologisch dwarsdoorsnede-onderzoek waarin eerste-episode-patiënten werden vergeleken met chronische patiënten was sprake van een toename in het volume van de linker laterale ventrikel terwijl andere volumemetingen onveranderd bleven,27 maar in een ander onderzoek met vergelijkbare groepen waren er geen verschillen.7

Functionele bevindingen: pet en spect

Met functionele beeldvormende technieken zoals PET en SPECT kunnen verschillende aspecten van het hersenmetabolisme en de regionale bloeddoorstroming in beeld gebracht worden. Meting van regionale bloeddoorstroming geeft informatie over de activiteit van zenuwcellen ter plaatse. Met behulp van PET kan onder meer het glucosemetabolisme worden gemeten, hetgeen een vrij directe maat is van neuronale activiteit.

Wanneer hersenmetabolisme in rust wordt gemeten zijn de resultaten niet consistent: in een aantal PET- en SPECT-onderzoeken wordt een verminderde activiteit in de frontaalkwabben (hypofrontaliteit) bij schizofrene patiënten gevonden, soms is daarnaast hypometabolisme geconstateerd in de temporale en pariëtale kwabben alsmede in de basale ganglia, terwijl in een aantal andere onderzoeken geen afwijkingen of zelfs relatief verhoogde activiteit worden gevonden.3334

In tegenstelling tot de metingen in rust geven de resultaten uit de activatieonderzoeken bij schizofrene patiënten een veel consistenter beeld. Wanneer tijdens een SPECT- of PET-opname een cognitieve taak wordt verricht door een gezonde vrijwilliger en de uitslagen worden vergeleken met een opname in rust, dan is verhoogde neuronale activiteit waarneembaar in de hersengebieden die betrokken zijn bij de uitvoering van de taak. Tijdens de uitvoering van een taak die bij gezonde vrijwilligers leidt tot verhoogde activiteit in de frontaalkwabben, is bij schizofrene patiënten de verwachte verhoging in frontale activiveit veelal verminderd of afwezig. Deze bevinding werd in 1975 voor het eerst gerapporteerd,35 en is sindsdien meermalen gerepliceerd, hoewel soms geen afwijkingen werden gevonden.34 De hypofrontaliteit wordt vooral waargenomen bij patiënten met overwegend negatieve symptomen. Tevens is een relatie gelegd tussen de hypofrontaliteit gemeten met SPECT en morfologische afwijkingen gemeten met MRI. De mate van hypofrontaliteit tijdens cognitieve activatie, gemeten met SPECT, was bij schizofrene tweelingen positief gecorreleerd met de volumevermindering in de hippocampus, gemeten met MRI.36 Dit betekent dat er bij patiënten met schizofrenie een verband lijkt te bestaan tussen de morfologische en de functionele hersenafwijkingen.

Behalve tussen de negatieve symptomen bij schizofrene patiënten en lokaal afwijkende hersenfunctie is ook een verband gevonden tussen de aanwezigheid van sommige positieve symptomen en lokaal veranderde hersenfunctie. Met SPECT is een verhoging in de bloeddoorstroming in het motorisch taalgebied (het gebied van Broca: cytoarchitectonisch gebied 44 en gedeeltelijk 45 van Brodmann) gevonden bij schizofrene patiënten tijdens het ervaren van auditieve hallucinaties in vergelijking met een controleopname na het ‘opklaren’ van de hallucinaties enige weken later.37 Eerdere onderzoeken vergeleken patiënten met en zonder auditieve hallucinaties tijdens SPECT- en PET-opnamen en vonden tijdens auditieve hallucinaties verhoogde,38-40 maar soms ook verlaagde temporale activiteit links.41 De resultaten, hoewel niet eenduidig, wijzen op een verhoogde frontale en temporale activiteit, met name in de gebieden die betrokken zijn bij taalverwerking, tijdens auditieve hallucinaties bij schizofrene patiënten.

Beschouwing

Wij kunnen concluderen dat het in vivo beeldvormend onderzoek de laatste decennia, evenals het post mortemonderzoek, belangrijke aanwijzingen heeft geleverd, die erop wijzen dat schizofrenie primair een hersenziekte is, waarvan de afwijkingen (gedeeltelijk) al vroeg in het ziektebeloop aanwezig zijn. De resultaten zijn soms niet eenduidig, hetgeen onder meer is toe te schrijven aan de verscheidenheid in klinische presentatie van het ziektebeeld en aan beperkende factoren van de gebruikte meetmethoden. Verbeteringen in de meetmethoden en in de definiëring van de patiënten- en controlegroepen zal de variabiliteit in resultaten in de toekomst kunnen terugbrengen. Ondanks deze beperkingen lijken op basis van de huidige onderzoeksresultaten de volgende conclusies gerechtvaardigd.

Het morfologisch onderzoek heeft aangetoond dat bij een deel van patiënten met schizofrenie sprake is van een verkleind volume van de temporaalkwab, inclusief de hippocampus, alsmede van een vergroot volume van met name de laterale ventrikels. Het functioneel onderzoek wijst op een verminderde activatie in de frontaalkwab tijdens cognitieve activatie. Een aantal symptomen van schizofrenie lijkt samen te hangen met specifieke hersenafwijkingen. De ernst van de positieve symptomen, zoals auditieve hallucinaties, wanen en denkstoornissen, is in verband gebracht met de volumevermindering in de linker bovenste winding van de temporaalkwab. Tijdens auditieve hallucinaties is een toename in metabolisme in gebieden van de frontaal- en de linker temporaalkwab gevonden. De aanwezigheid van overwegend negatieve symptomen, zoals gedachten- en bewegingsarmoede, initiatiefverlies en emotionele vervlakking, hangt samen met hypometabolisme in de frontaalkwab.

Er zijn geen aanwijzingen dat de hersenafwijkingen progressief zijn, hetgeen suggereert dat geen sprake is van een degeneratief proces, zoals Kraepelin veronderstelde bij de dementia praecox.1 Gezien echter methodologische beperkingen van deze onderzoeken, waaronder het ontbreken van een controlegroep, relatief korte intervallen en smalle leeftijdsmarges, lijkt deze conclusie niet definitief. Of sprake is van een degeneratief proces zal in toekomstig goed gecontroleerd onderzoek moeten worden vastgesteld.

Invloed van het gebruik van neuroleptica op de bevindingen kan niet worden uitgesloten. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat de morfologische bevindingen het gevolg zijn van neuroleptica-gebruik; post mortemafwijkingen in de hippocampus en limbische cortices zijn ook gevonden in een onderzoek met patiënten die nooit neuroleptica hadden gebruikt,42 en in onderzoeken met MRI correleerden de gevonden afwijkingen niet met het gebruik van neuroleptica.1518 De hypofrontaliteit lijkt evenmin beïnvloed te worden door neuroleptica-gebruik, aangezien deze is aangetoond bij zowel patiënten die nog geen medicatie gebruikt hadden als bij patiënten die neuroleptica gebruikten.34 In de basale ganglia lijken neuroleptica het hypometabolisme wel te kunnen beïnvloeden. Behandeling met neuroleptica leidt soms tot een verhoging van het glucosemetabolisme.43

Over de specificiteit van de bevindingen is nog weinig bekend. Er zijn morfologische afwijkingen aangetoond bij patiënten met een bipolaire depressie die vergelijkbaar zijn met die gevonden bij patiënten met schizofrenie.44 Resultaten uit het geringe aantal vergelijkende onderzoeken naar de morfologische afwijkingen en de regionale bloeddoorstroming bij schizofrene en depressieve patiënten vormen een aanwijzing voor verschillen in morfologische en functionele hersenafwijkingen tussen beide ziektebeelden.4546

De prognostische waarde van de gevonden afwijkingen is nog niet vastgesteld. Er is bij schizofrene patiënten een relatie aangetoond tussen de ernst van de morfologische afwijking en de respons op een farmacologische behandeling: patiënten die niet reageerden op een behandeling met clozapine hadden prominentere frontale sulci (en dus waarschijnlijk meer frontale atrofie) op een voor de behandeling gemaakte CT-opname, terwijl bij degenen die goed reageerden op clozapine sprake was van relatief geringe frontale atrofie.47

Met de huidige ontwikkelingen in de neuroradiologie en de nucleaire geneeskunde kunnen de morfologische en functionele veranderingen in de hersenen van schizofrene patiënten nauwkeurig worden onderzocht. Computer-ondersteunde technieken stellen ons nu in staat om verschillende beelden aan elkaar te relateren,48 en maken aan de hand van driedimensionale visualisatie een nauwkeurige identificatie en volumebepaling van hersengebieden mogelijk, alsmede kwantificatie van hersenmetabolisme.49 Deze kwalitatieve en kwantitatieve gegevens uit het beeldvormend onderzoek van de hersenen kunnen in relatie met het psychiatrisch, neuropsychologisch, epidemiologisch en farmacologisch onderzoek een belangrijke bijdrage leveren aan inzicht in de etiologie van schizofrenie.

Literatuur
  1. Kraepelin E. Dementia praecox and paraphrenia. Facsimile1919 ed. New York: Krieger, 1971.

  2. David GB. The pathological anatomy of the schizophrenias.In: Richter D, ed. Schizophrenia: somatic aspects. Oxford: Pergamon Press,1957: 93-130.

  3. Jacobi W, Winkler H. Encephalographische Studien anchronisch Schizophrenen. Arch Psychiatr Nervenkr 1927; 81: 299-332.

  4. Johnstone EC, Crow TJ, Frith CD, Husband J, Kreel L.Cerebral ventricular size and cognitive impairment in chronic schizophrenia.Lancet 1976; ii: 924-6.

  5. Weinberger DR, Cannon-Spoor E, Potkin SG, Wyatt RJ. Poorpremorbid adjustment and CT scan abnormalities in chronic schizophrenia. Am JPsychiatry 1980; 137: 1410-3.

  6. Bogerts B. Recent advances in the neuropathology ofschizophrenia. Schizophr Bull 1993; 19: 431-45.

  7. Lieberman J, Bogerts B, Degreef G, Ashtari M, Lantos G,Alvir J. Qualitative assessment of brain morphology in acute and chronicschizophrenia. Am J Psychiatry 1992; 149: 784-94.

  8. DeLisi LE, Stritzke PH, Holan V, et al. Brainmorphological changes in 1st episode cases of schizophrenia: are theyprogressive? Schizophr Res 1991; 5: 206-8.

  9. Pfefferbaum A, Zipursky RB, Lim KO, Zatz LM, Stahl SM,Jernigan TL. Computed tomographic evidence for generalized sulcal andventricular enlargement in schizophrenia. Arch Gen Psychiatry 1988; 45:633-40.

  10. Gur RE, Mozley PD, Resnick SM, et al. Magnetic resonanceimaging in schizophrenia. I. Volumetric analysis of brain and cerebrospinalfluid. Arch Gen Psychiatry 1991; 48: 407-12.

  11. Gur RE, Pearlson GD. Neuroimaging in schizophreniaresearch. Schizophr Bull 1993; 19: 337-53.

  12. Buchanan RW, Breier A, Kirkpatrick B, et al. Structuralabnormalities in deficit and nondeficit schizophrenia. Am J Psychiatry 1993;150: 59-65.

  13. Jernigan TL, Zisook S, Heaton RK, Moranville JT,Hesselink JR, Braff DL. Magnetic resonance imaging abnormalities inlenticular nuclei and cerebral cortex in schizophrenia. Arch Gen Psychiatry1991; 48: 881-90.

  14. Bogerts B, Lieberman JA, Ashtari M, et al.Hippocampus-amygdala volumes and psychopathology in chronic schizophrenia.Biol Psychiatry 1993; 33: 236-46.

  15. Di Michele V, Rossi A, Stratta P, et al.Neuropsychological and clinical correlates of temporal lobe anatomy inschizophrenia. Acta Psychiatr Scand 1992; 85: 484-8.

  16. Shenton ME, Kikinis R, Jolesz FA, et al. Abnormalities ofthe left temporal lobe and thought disorder in schizophrenia. A quantitativemagnetic resonance imaging study. N Engl J Med 1992; 327: 604-12.

  17. Rossi A, Stratta P, Mattei P, et al. Planum temporale inschizophrenia: a magnetic resonance study. Schizophr Res 1992; 7:19-22.

  18. Suddath RL, Christison GW, Torrey EF, Casanova MF,Weinberger DR. Anatomical abnormalities in the brains of monozygotic twinsdiscordant for schizophrenia. N Engl J Med 1990; 322: 789-94.

  19. Barta PE, Pearlson GD, Powers RE, Richards SS, Tune LE.Auditory hallucinations and smaller superior temporal gyral volume inschizophrenia. Am J Psychiatry 1990; 147: 1457-62.

  20. Mesulam MM. Frontal cortex and behavior. Ann Neurol 1986;19: 320-5.

  21. Wiegersma S, Scheer E van der, Hijman R. Subjectiveordening, short-term memory and the frontal lobes. Neuropsychologia 1990; 28:95-8.

  22. Hulshoff Pol HE, Hijman R, Tulleken CAF, Ree JM van.Verbal fluency in patients following frontal-lobe damage. J Clin ExpNeuropsychol 1993; 15: 406.

  23. Allen HA, Liddle PF, Frith CD. Negative features,retrieval processes and verbal fluency in schizophrenia. Br J Psychiatry1993; 163: 769-75.

  24. Uematsu M, Kaiya H. Midsagittal cortical pathomorphologyof schizophrenia: a magnetic resonance imaging study. Psychiatry Res 1989;30: 11-20.

  25. Young AH, Blackwood DH, Roxborough H, McQueen JK, MartinMJ, Kean D. A magnetic resonance imaging study of schizophrenia: brainstructure and clinical symptoms. Br J Psychiatry 1991; 158: 158-64.

  26. Raine A, Lencz T, Reynolds GP, et al. An evaluation ofstructural and functional prefrontal deficits in schizophrenia: MRI andneuropsychological measures. Psychiatry Res 1992; 45: 123-37.

  27. DeLisi LE, Hoff AL, Schwartz JE., et al. Brain morphologyin first-episode schizophrenic-like psychotic patients: a quantitativemagnetic resonance imaging study. Biol Psychiatry 1991; 29: 159-75.

  28. DeMyer MK, Gilmor RL, Hendrie HC, DeMyer WE, Augustyn GT,Jackson RK. Magnetic resonance brain images in schizophrenic and normalsubjects: influence of diagnosis and education. Schizophr Bull 1988; 14:21-37.

  29. Andreasen N, Nasrallah HA, Dunn V, et al. Structuralabnormalities in the frontal system in schizophrenia. A magnetic resonanceimaging study. Arch Gen Psychiatry 1986; 43: 136-44.

  30. Weinberger DR, Berman KF, Suddath R, Torrey EF. Evidenceof dysfunction of a prefrontal-limbic network in schizophrenia: a magneticresonance imaging and regional cerebral blood flow study of discordantmonozygotic twins. Am J Psychiatry 1992; 149: 890-7.

  31. DeLisi LE, Stritzke P, Riordan H, et al. The timing ofbrain morphological changes in schizophrenia and their relationship toclinical outcome. Biol Psychiatry 1992; 31: 241-54.

  32. Degreef G, Ashtari M, Wu H, Lieberman J. Follow-up MRIstudy in first episode schizophrenia. Schizophr Res 1991; 5:183-210.

  33. Bachneff SA. Positron emission tomography and magneticresonance imaging: a review and a local circuit neurons hypo(dys)functionhypothesis of schizophrenia. Biol Psychiatry 1991; 30: 857-86.

  34. Andreasen NC, Rezai K, Alliger R, et al. Hypofrontalityin neuroleptic-naive patients and in patients with chronic schizophrenia.Assessment with xenon 133 single-photon emission computed tomography and theTower of London. Arch Gen Psychiatry 1992; 49: 943-58.

  35. Franzen G, Ingvar DH. Absence of activation in frontalstructures during psychological testing of chronic schizophrenics. J NeurolNeurosurg Psychiatry 1975; 38: 1027-32.

  36. Weinberger DR, Berman KF, Torrey EF. Correlations betweenabnormal hippocampal morphology and prefrontal physiology in schizophrenia.Clin Neuropharmacol 1992; 15 (Suppl 1 Pt A): 393A-4A.

  37. McGuire PK, Shah GMS, Murray RM. Increased blood flow inBroca's area during auditory hallucinations in schizophrenia. Lancet1993; 342: 703-6.

  38. Suzuki M, Yuasa S, Minabe Y, Murata M, Kurachi M. Leftsuperior temporal blood flow increases in schizophrenic and schizophreniformpatients with auditory hallucination: a longitudinal case study using123I-IMP SPECT. Eur Arch Psychiatry Clin Neurosci 1993; 242:257-61.

  39. Musalek M, Podreka I, Walter H, et al. Regional brainfunction in hallucinations: a study of regional cerebral blood flow with99m-Tc-HMPAO-SPECT in patients with auditory hallucinations, tactilehallucinations, and normal controls. Compr Psychiatry 1989; 30:99-108.

  40. Kurachi M, Kobayashi K, Matsubara R, et al. Regionalcerebral blood flow in schizophrenic disorders. Eur Neurol 1985; 24:176-81.

  41. Cleghorn JM, Franco S, Szechtman B, et al. Toward a brainmap of auditory hallucinations. Am J Psychiatry 1992; 149: 1062-9.

  42. Bogerts B, Meertz E, Schönfeldt-Bausch R. Basalganglia and limbic system pathology in schizophrenia. A morphometric study ofbrain volume and shrinkage. Arch Gen Psychiatry 1985; 42: 784-91.

  43. Buchsbaum MS, Potkin SG, Siegel BVJ, et al. Striatalmetabolic rate and clinical response to neuroleptics in schizophrenia. ArchGen Psychiatry 1992; 49: 966-74.

  44. Altshuler LL, Conrad A, Hauser P, et al. Reduction oftemporal lobe volume in bipolar disorder: a preliminary report of magneticresonance imaging. Arch Gen Psychiatry 1991; 48: 482-3.

  45. Swayze VW, Andreasen NC, Alliger RJ, Yuh WT, Ehrhardt JC.Subcortical and temporal structures in affective disorder and schizophrenia:a magnetic resonance imaging study. Biol Psychiatry 1992; 31:221-40.

  46. Berman KF, Doran AR, Pickar D, Weinberger DR. Is themechanism of prefrontal hypofunction in depression the same as inschizophrenia? Regional cerebral blood flow during cognitive activation. Br JPsychiatry 1993; 162: 183-92.

  47. Friedman L, Knutson L, Shurell M, Meltzer HY. Prefrontalsulcal prominence is inversely related to response to clozapine inschizophrenia. Biol Psychiatry 1991; 29: 865-77.

  48. Elsen PA van den, Viergever MA. Marker guidedmultimodality matching of the brain. Eur Radiol 1994; 4: 45-51.

  49. Hulshoff Pol HE, Tulleken CAF, Viergever MA, Hijman R,Kahn RS, Ree JM van. Three-dimensional reconstruction of the frontal lobes.Schizophr Res 1994; 11: 134.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, Postbus 85.500, 3508 GA Utrecht.

Afd. Volwassenenpsychiatrie: mw.drs.H.E.Hulshoff Pol, neuropsycholoog; drs.W.F.C.Baaré, experimenteel psycholoog; prof.dr.R.S.Kahn, zenuwarts.

Afd. Radiodiagnostiek en Nucleaire Geneeskunde: prof.dr.W.P.Th.M. Mali, radioloog.

Rudolf Magnus Instituut: prof.dr.J.M.van Ree, farmacoloog.

Contact mw.drs.H.E.Hulshoff Pol

Gerelateerde artikelen

Reacties