Samenvatting
- De multidisciplinaire richtlijn ‘Diagnostiek en behandeling van obesitas bij volwassenen en kinderen’ van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO is voorzover mogelijk gebaseerd op gepubliceerde resultaten van wetenschappelijk onderzoek.
- De diagnose ‘obesitas’ wordt bij volwassenen gesteld bij een ‘body-mass index’ (BMI) ≥ 30 kg/m2, samen met een beoordeling van de buikomvang en eventuele comorbiditeit. Bij kinderen gelden BMI-afkappunten die afhankelijk zijn van de leeftijd.
- De behandeling bij obesitas bestaat uit gecombineerde leefstijlinterventies gedurende minimaal 1 jaar, gevolgd door langdurige begeleiding gericht op gewichtsbehoud of eventueel verder gewichtsverlies. Gestreefd wordt naar een gewichtsverlies bij volwassenen van minimaal 5 na 1 jaar en een afname van de buikomvang van minimaal 10. Bij een gewichtsafname van < 5 kan men medicamenteuze therapie toevoegen aan de leefstijlinterventies.
- Bariatrische chirurgie kan men overwegen bij een BMI ≥ 40 kg/m2 of tussen 35 en 40 kg/m2 als ook comorbiditeit aanwezig is.
- Bij kinderen en adolescenten worden farmacologische en chirurgische interventies afgeraden.
Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152:2071-6
artikel
In dit artikel geven wij een samenvatting van de richtlijn ‘Diagnostiek en behandeling van obesitas bij volwassenen en kinderen’ van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO. Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die aan de ontwikkeling van de richtlijn hebben bijgedragen, zoals internisten, cardiologen, chirurgen, huisartsen, longartsen, kinderartsen, gynaecologen, reumatologen, artsen Maatschappij en Gezondheid, psychologen, psychiaters, bedrijfsartsen, inspanningsfysiologen, fysiotherapeuten, diëtisten en wijkverpleegkundigen. Deze multidisciplinaire richtlijn wil een richtsnoer zijn in de dagelijkse praktijk van diagnostiek en behandeling van obesitas. De volledige richtlijn is te vinden op www.cbo.nl/product/richtlijnen/ (in linker kolom klikken op ‘overzicht richtlijnen’).
Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft overgewicht en obesitas gekozen als speerpunt voor het volksgezondheidsbeleid (www.minvws.nl/notas/pg/2006/kiezen-voor-gezond-leven.asp). Het schenkt daarbij veel aandacht aan de rol van de openbare gezondheidszorg bij de preventie van overgewicht en daartoe is onder meer het Convenant Overgewicht opgesteld (www.convenantovergewicht.nl). Daarnaast hecht het ministerie zeer aan het ontwikkelen van adequate zorg voor mensen met overgewicht en obesitas en daartoe is onder meer het Partnerschap Overgewicht Nederland gelanceerd (www.partnerschapovergewicht.nl). Dat werkt aan een zorgstandaard ‘Overgewicht en obesitas’ en gebruikt als basis de richtlijn die in dit artikel wordt besproken.
De richtlijn is ingevoerd om de gezondheidstoestand en de kwaliteit van leven van patiënten met obesitas te verbeteren. Er is volgens de richtlijncommissie voldoende bewijs dat leefstijlinterventies bij obesitas een gunstig effect hebben op het verbeteren van het risicoprofiel voor hart- en vaatziekten, type 2-diabetes mellitus en verschillende vormen van kanker. Leefstijlinterventies dragen ook bij aan het verlichten van klachten en aandoeningen van de luchtwegen (bijvoorbeeld astma, slaapapneu en kortademigheid bij inspanning), het bewegingsapparaat (bijvoorbeeld artrose en chronische lage rugpijn) en hormonale stoornissen, zoals subfertiliteit.
definitie
Obesitas is een chronische ziekte waarbij er zo’n overmatige vetstapeling in het lichaam bestaat dat dit leidt tot gezondheidsrisico’s.
diagnostiek
In deze richtlijn is gekozen voor een eenvoudig te bepalen index: de ‘body-mass index’ (BMI). Deze wordt berekend door het gewicht (in kg) te delen door het kwadraat van de lengte (in m). Als aanvullend diagnostisch criterium geldt de buikomvang. In combinatie voldoen deze beide maten goed omdat over het algemeen geldt dat, bij een gegeven lengte meer lichaamsgewicht en een grotere buikomvang gepaard gaan met meer vetopslag.
Volwassenen
De diagnose ‘obesitas’ wordt gesteld bij een BMI ? 30 kg/m2, samen met een beoordeling van de buikomvang en eventuele comorbiditeit. Deze diagnostiek voert men uit bij alle personen die bekend zijn wegens een verhoogd risico op hart- en vaatziekten, bij patiënten met een hulpvraag over gewichtsbeheersing of bij patiënten met aan obesitas gerelateerde symptomen of aandoeningen. Het gaat dan om een gestoorde glucosetolerantie, type 2-diabetes mellitus, slaapapneu, aandoeningen van het bewegingsapparaat – artrose van knieën en heupen – en fertiliteitsproblemen bij vrouwen. Bij iedereen met obesitas is een behandeling gericht op gewichtsreductie geïndiceerd.
Overgewicht wordt niet actief opgespoord. Wanneer bij iemand een BMI wordt vastgesteld in de categorie ‘overgewicht’ (BMI tussen 25 en 30 kg/m2 is een advies gericht op preventie van verdere gewichtsstijging van belang. Bij overgewicht en een grote buikomvang wordt de richtlijn ‘Cardiovasculair risicomanagement’ van kracht. Bij aanwezigheid van type 2-diabetes mellitus geldt de standaard van het Nederlands Huisartsen Genootschap.
Het stroomdiagram voor diagnostiek, behandeling en follow-up bij volwassenen is weergegeven in figuur 1.
Kinderen
Bij de diagnose van obesitas bij kinderen hanteert men als uitgangspunt het signaleringsprotocol en het overbruggingsplan voor respectievelijk de diagnostiek en de behandeling van overgewicht. Deze worden momenteel geëvalueerd op effectiviteit. Bij de behandeling van obesitas is een verwijzing naar de kinderarts aangewezen. Deze zal in overleg met de huisarts nader onderzoek doen naar comorbiditeit. Samen zullen zij een advies uitbrengen voor een adequate behandeling.
Het stroomdiagram voor diagnostiek, doorverwijzing en behandeling van kinderen met obesitas is afgebeeld in figuur 2.
behandeling
Gecombineerde leefstijlinterventies
Voor zowel volwassenen als kinderen gaat de voorkeur uit naar een behandeling die bestaat uit verschillende interventies. Enerzijds bestaat deze uit het verminderen van de energie-inname door een individueel samengesteld dieet, dat leidt tot verbetering van het eetgedrag. Anderzijds is de behandeling gericht op het verhogen van de lichamelijke activiteit. Psychologische interventies ter ondersteuning van gedragsverandering kunnen op maat worden toegevoegd. Bij de keuze van de behandeling en het bepalen van de intensiteit daarvan zijn de volgende factoren van belang:
- comorbiditeit;
- risicocategorie (gebaseerd op BMI en buikomvang);
- persoonlijke voorkeur van de patiënt en, indien van toepassing, zijn/haar verzorgers;
- psychosociale omstandigheden;
- ervaringen en uitkomsten van behandelingen in het verleden.
De behandeling dient gericht te zijn op zowel gewichtsverlies en gewichtsbehoud als op gezondheidswinst. De aanbevolen duur van de behandeling is minimaal 1 jaar; daarna volgt een continue of langdurige begeleiding die gericht is op gewichtsbehoud.
Bij de behandeling van kinderen worden de eet- en leefgewoonten van het gehele gezin betrokken. Het is van belang dat men ouders actief bij de behandeling betrekt, zo niet hoofdverantwoordelijk maakt voor de gewenste gedragsverandering.
Dieet
Een dieet dient te passen bij de ‘Richtlijnen goede voeding’, zoals die zijn geformuleerd door de Gezondheidsraad. Om een gewichtsafname van 300-500 g per week te bereiken is het van belang dat een dieet voor volwassenen in de fase van het gewichtsverlies 600 kilocalorieën (2,5 MJ) minder bevat dan de gebruikelijke inname. Men dient te streven naar 5-15 gewichtsverlies en een afname van de buikomvang van 10. Voor zowel volwassenen als kinderen geldt dat een aanpak die alléén is gericht op dieet wordt afgeraden (zie ‘Gecombineerde leefstijlinterventies’). Een dieet is maatwerk: afgestemd op het individu, zowel wat betreft energiebeperking als eet- en leefgewoonten, op de psychologische en financiële draagkracht en op persoonlijke effectiviteit, met inachtneming van comorbiditeit. Om die reden dienen daartoe opgeleide professionals, zoals de diëtist, de begeleiding uit te voeren.
Lichamelijke activiteit
Men beveelt kinderen en volwassenen aan inactiviteit zoveel mogelijk te vermijden, zodat de gezondheidswinst kan worden vergroot. De Nederlandse ‘Norm gezond bewegen’ adviseert volwassenen om dagelijks minimaal 30 min matig intensief te bewegen. Volwassenen met overgewicht of een positieve energiebalans (gewichtstoename) wordt aangeraden dagelijks minimaal 1 h matig intensief te bewegen. De norm adviseert jongeren tot 18 jaar om dagelijks minstens 1 h aan matig intensieve inspannende lichaamsbeweging te doen door onder meer aerobics, skateboarden en hardlopen, waarbij de activiteiten tenminste 2 maal in de week gericht moeten zijn op het verbeteren of het handhaven van de lichamelijke conditie (kracht, lenigheid, coördinatie).
Beweegprogramma’s maken deel uit van de interventie bij de behandeling van volwassenen met obesitas. Het programma kan bestaan uit aerobe training van minimaal 30-60 min op 60-80 van de maximale hartfrequentie gedurende minimaal 3 maal per week.
Kinderen met obesitas kan men met gerichte beweegprogramma’s begeleiden bij het verhogen van hun lichamelijke activiteit en het verbeteren van hun conditie. Het valt aan te raden kinderen aan te moedigen om hun activiteitenniveau te verhogen, zelfs als zij daarmee geen gewicht verliezen, en om zittend gedrag te vermijden, zoals televisiekijken en computer- en videospelletjes spelen.
Voor zowel obese kinderen als volwassenen die inspanningsbeperkingen hebben als gevolg van al dan niet chronische ziekten dient men beweegprogramma’s aan te passen. Hierbij zijn deskundige begeleiding en supervisie van belang, bij voorkeur door daartoe opgeleide professionals, zoals fysiotherapeuten.
Psychologische interventies
Men zou kunnen overwegen om bij obese personen (BMI ? 30 kg/m2 cognitieve gedragstherapie aan de behandeling toe te voegen, zodat zij actief nieuwe vaardigheden kunnen aanleren. Het is gewenst dat cognitieve gedragstherapie de volgende interventies omvat: monitoring, stimuluscontrole, verandering van eetgedrag en cognitieve herstructurering. Bevordering van het probleemoplossend vermogen is een goede aanvulling op cognitieve gedragstherapie voor gewichtsstabilisatie. Het verdient aanbeveling om partners en gezinsleden te betrekken bij de behandeling. Bij obese kinderen kan men overwegen om gedragstherapie gericht op het actief aanleren van nieuwe vaardigheden toe te voegen aan een behandeling.
Elke gedragstherapeutische interventie dient te worden uitgevoerd door of onder supervisie van daarin geschoolde professionals, zoals psychologen. Hoewel ze strikt genomen niet worden aangemerkt als gedragstherapeutische interventies, verdienen bekrachtiging van gedrag en het aanmoedigen van ouders om als rolmodel te fungeren aanbeveling.
Farmacologische interventies
Wanneer serieuze leefstijlinterventies bij volwassenen leiden tot beperkt gewichtsverlies (< 5 in 1 jaar), kan men medicamenteuze therapie overwegen ter ondersteuning van de leefstijlinterventies. Medicamenteuze alternatieven zijn: orlistat, sibutramine en rimonabant. De commissie die de richtlijn heeft ontwikkeld wijst er wel op dat bijwerkingen kunnen ontstaan en dat langetermijnresultaten van medicamenteuze interventies niet bekend zijn.
Bij kinderen worden farmacologische interventies in het algemeen ontraden. In uitzonderlijke gevallen kan men die als ondersteunende therapie overwegen.
Chirurgische interventies
Op dit moment worden chirurgische interventies bij kinderen en adolescenten met morbide obesitas afgeraden. Bariatrische chirurgie kan men overwegen voor de behandeling van volwassenen met obesitas als zij aan de volgende criteria voldoen:
- zij hebben een BMI ? 40 kg/m2 of een BMI tussen 35 en 40 kg/m2 die gepaard gaat met comorbiditeit (zoals type 2-diabetes mellitus of hoge bloeddruk) en die kan verbeteren als er gewichtsverlies optreedt;
- gangbare niet-chirurgische behandelingen zijn bij hen uitgeprobeerd, maar hebben niet geresulteerd in gewichtsverlies of -behoud;
- zij zijn intensief behandeld of zullen worden behandeld in een kliniek die gespecialiseerd is in de behandeling van obesitas;
- zij zijn voldoende gezond om anesthesie en chirurgie te ondergaan (voor een oordeel hierover moet men het operatierisico en de potentiële gezondheidswinst door de operatie afwegen);
- zij begrijpen de noodzaak van langdurige follow-up en willen daaraan meewerken;
- zij zijn bereid levenslang dagelijks vitaminepreparaten te slikken.
Bij een patiënt met een BMI > 50 kg/m2 (superobees) kan men, in tegenstelling tot het bovenstaande, bariatrische chirurgie als eerste behandeling overwegen. In alle gevallen worden de voordelen en langetermijnimplicaties van chirurgie, met de daarbijbehorende risico’s op complicaties en overlijden, besproken met de patiënt.
wat is een succesvolle behandeling?
Voor de evaluatie van de behandeling wordt de volgende indeling voorgesteld, waarbij in elke categorie de afname in gewicht blijvend moet zijn:
- gewichtsverlies 0-4,9: beperkt succesvol
- gewichtsverlies 5-9,9: matig succesvol
- gewichtsverlies 10-14,9: succesvol
- gewichtsverlies ? 15: zeer succesvol
Met ‘beperkt succesvol’ wordt bedoeld dat wanneer iemand met obesitas erin slaagt meer te bewegen en gezonder te eten, het gewicht weliswaar in beperkte mate is afgenomen, maar de lichaamssamenstelling, buikomvang, lichamelijke fitheid en cardiovasculaire risicofactoren in gunstige zin veranderd zijn. In dat geval kan men toch spreken van een klinisch relevante uitkomst.
Hierbij dient te worden opgemerkt dat de meeste interventies gebaseerd op leefstijl of medicatie een gemiddeld gewichtsverlies bereiken van 3-5 kg. Zowel patiënten als zorgverleners dienen zich hiervan bewust te zijn. Voor patiënten met morbide obesitas bedraagt het gewichtsverlies 2 jaar na chirurgische interventies 25-44 kg.
implementatie van de richtlijn
Sinds 15 april 2008 wordt in het Partnerschap Overgewicht Nederland gewerkt aan de implementatie van de in dit artikel beschreven richtlijn. Hierbij schenkt men aandacht aan belangrijke barrières, die voor een deel te maken hebben met de mate waarin zowel patiënten als zorgverleners gemotiveerd zijn om aan langdurige gecombineerde leefstijlinterventies te beginnen. De effecten van dit soort interventies op het lichaamsgewicht worden door zowel de patiënt als de hulpverlener dikwijls overschat, terwijl het effect op de gezondheid vaak wordt onderschat.
Negatieve beeldvorming over mensen met obesitas kan de attitude van de zorgverlener beïnvloeden; deze dient zich hiervan bewust te zijn. Daarnaast ontbreekt nog de samenhang in het huidige stelsel van monodisciplinaire richtlijnen en standaarden, waardoor op dit moment adequate diagnostiek, verwijzingen en multidisciplinaire behandeling worden tegengewerkt. Duidelijke afspraken over de regie en de verschillende verantwoordelijkheden in de ketenzorg in geval van obesitas en comorbiditeit zullen centraal staan in de nog te ontwikkelen zorgstandaard ‘Overgewicht en obesitas’.
De werkgroep Diagnostiek en Behandeling van Obesitas bij Volwassenen en Kinderen bestond uit: prof.dr.ir.J.C.Seidell, voedingskundige (voorzitter); dr.ir.J.J.A.de Beer, voedingsepidemioloog, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO (CBO), Utrecht; dr.T.Kuijpers, epidemioloog, CBO, Utrecht; prof.dr.J.J.van Binsbergen, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), Utrecht; dr.A.M.W.Bulk-Bunschoten, arts Maatschappij en Gezondheid; drs.P.J.Daansen, klinisch psycholoog; drs.A.L.M.Dapper, huisarts, NHG, Utrecht; prof.dr.H.A.Delemarre-van de Waal, kinderarts-endocrinoloog; ir.S.J.van Dis, voedingskundige, Nederlandse Hartstichting, Den Haag; dr.J.J.Duvekot, gynaecoloog; E.Govers, diëtist; prof.dr.J.W.M.Greve, chirurg; drs.E.M.Harteveld, kinder- en jeugdpsychiater; drs.H.A.E.M.van Heereveld, reumatoloog; dr.A.J.M.Hermans, gezondheidswetenschapper, GGD Nederland en Vereniging voor GGD’en, Utrecht; dr.M.Hopman-Rock, psycholoog-epidemioloog, Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie, Amersfoort; dr.P.de Jongh, bedrijfsarts, Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde, Utrecht; dr.I.M.Hellemans, cardioloog; drs.M.W.A.Jongert, inspanningsfysioloog, TNO Kwaliteit van Leven, Leiden; drs.S.Kruizinga, gezondheidswetenschapper, Nederlandse Obesitas Vereniging, Amersfoort; prof.dr.E.M.H.Mathus-Vliegen, maag-darm-leverarts; dr.S.Mulkens, gezondheidszorgpsycholoog-psychotherapeut; prof.dr.H.Pijl, internist-endocrinoloog; M.C.van Spanje, Nederlandse Obesitas Vereniging, Amersfoort; dr.T.L.S.Visscher, epidemioloog, Nederlandse Associatie voor de Studie van Obesitas, Amsterdam; dr.P.M.J.M.de Vries, longarts; drs.Ph.J.van der Wees, fysiotherapeut-bewegingswetenschapper, Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie, Amersfoort.
Ir.L.K.L.van Aalst, voedingsdeskundige, Nederlands Tijdschrift voor Voeding & Diëtetiek, en drs.J.Halberstadt, psycholoog, Partnerschap Overgewicht Nederland, Amsterdam, leverden een redactionele bijdrage aan de richtlijn.
Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.
(Geen onderwerp)
Groningen, oktober 2008,
In deze richtlijn van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO (CBO) hebben collegae Seidell et al. een complex probleem samengevat (2008:2071-6). Daardoor zijn uiteraard details verloren gegaan. Hierdoor is ook een aantal aspecten van obesitas bij kinderen onderbelicht gebleven. Bij de diagnostiek van jonge kinderen tot 12 jaar is de perceptie van ouders van groot belang. Ouders van kinderen met overgewicht beoordelen dit als een gezond gewicht, zodat preventie en behandeling zeer moeilijk zijn.1 Ook zorgverleners hebben moeite met het herkennen van overgewicht.2 Het advies aan allen die met kinderen werken moet daarom zijn om bij ieder kind lengte, gewicht en buikomtrek te meten en deze op een groeicurve uit te zetten. De suggestie wordt gewekt dat de behandeling effectief is voor kinderen in alle leeftijdsgroepen. De recente update van een cochranereview laat echter zien dat er onvoldoende gegevens zijn over de behandeling van kinderen met obesitas jonger dan 6 jaar.3
Gecombineerde leefstijlinterventies lijken een positief effect te hebben op de BMI van schoolgaande kinderen en adolescenten op korte termijn (6 maanden). Langetermijneffectiviteit heeft men echter nauwelijks aangetoond. In het samenvattingsartikel wordt het actief stimuleren van beweging, bijvoorbeeld met aerobics, skateboarden en hardlopen, voorgesteld ter behandeling van obesitas bij kinderen. De CBO-richtlijn zelf en de recente update van de aangehaalde cochranereview over het behandelen van obesitas bij kinderen stellen echter dat het geïsoleerd stimuleren van bewegen weinig effectief is. De review laat ook zien dat geneesmiddelen zoals orlistat en sibutramine in combinatie met leefstijlinterventie een nuttige bijdrage kunnen leveren aan de behandeling van obese adolescenten (ouder dan 12 jaar).3
Tot slot is het van belang dat bij kinderen die in de groei zijn stabilisering van het gewicht meer geschikt is als doelstelling dan gewichtsverlies. Het is een goede ontwikkeling dat organisaties in Nederland de handen ineenslaan om overgewicht en obesitas bij volwassenen en kinderen tegen te gaan. Wij vertrouwen erop dat het Partnerschap Overgewicht Nederland aandacht zal hebben voor bovenstaande punten bij de implementatie van de richtlijn van het CBO en bij het ontwikkelen van de zorgstandaarden.
Parry LL, Netuveli G, Parry J, Saxena S. A systematic review of parental perception of overweight status in children. J Ambul Care Manage. 2008;31:253-68.
Spurrier NJ, Magarey A, Wong C. Recognition and management of childhood overweight and obesity by clinicians. J Paediatr Child Health. 2006;42:411-8.
Oude Luttikhuis HGM, Baur LA, Jansen H, Shrewsburry S, O’Malley CO, Stolk RP, et al. Interventions for treating obesity in children. Cochrane Database Syst Rev. [ter perse].
(Geen onderwerp)
Amsterdam, oktober 2008,
Het is een goede suggestie van collegae Oude Luttikhuis et al. om bij ieder kind lengte en gewicht en buikomtrek te meten en die op een groeicurve uit te zetten. De diagnostiek van overgewicht en obesitas voor kinderen van 2 jaar en ouder dient volgens de CBO-richtlijn plaats te vinden naar leeftijd en geslacht aan de hand van internationaal geaccepteerde afkappunten van de BMI. Stabilisering van het gewicht bij kinderen in de groei helpt inderdaad om de BMI te verlagen. De BMI is echter slechts beperkt bruikbaar voor het bepalen van de lichaamssamenstelling en het bijbehorend gezondheidsrisico bij kinderen en adolescenten.1 De lichaamsvetverdeling gemeten aan de hand van de buikomvang zou, net als bij volwassenen, een nuttig aanvullend diagnostisch criterium kunnen zijn. Voor de buikomvang zijn echter nog geen geaccepteerde indelingscriteria voor kinderen vastgesteld.
Er is inderdaad weinig informatie over de effectiviteit van leefstijlinterventies bij jonge kinderen met overgewicht, maar er is wel consensus over de invloed van gezonde voedingsgewoonten en van het stimuleren van lichamelijke activiteit op de optimale groei en ontwikkeling bij deze leeftijdsgroep.2 3 Gezonde voedingsgewoonten zijn onder andere regelmatig ontbijten en verminderen van het gebruik van energierijke snacks en dranken. De constatering dat het geïsoleerd stimuleren van bewegen (zonder dieetinterventie) weinig invoed heeft op het lichaamsgewicht is in overeenstemming met de richtlijn, maar de lichaamssamenstelling, het niveau van cardiovasculaire risicofactoren en de fitheid van de betrokken kinderen verbeteren wel.3 Het ontbreken van bewijs over langetermijneffectiviteit is vooral toe te schrijven aan een gebrek aan methodologisch acceptabel onderzoek van voldoende omvang en duur. Wat betreft de farmacologische interventies bij adolescenten met obesitas: ook daarvoor ontbreken studies naar de langetermijneffectiviteit en de veiligheid.3-5
Tenslotte: het spreekt vanzelf dat bij de implementatie van de richtlijn in de vorm van een zorgstandaard voor overgewicht en obesitas de laatste stand van de wetenschap zal worden meegenomen.6
Kok P, Seidell JC, Meinders AE. De waarde en de beperkingen van de ‘body mass index’ (BMI) voor het bepalen van het gezondheidsrisico van overgewicht en obesitas. [LITREF JAARGANG="2004" PAGINA="2379-82"]Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:2379-82.[/LITREF]
Uauy R, Kain J, Mericq V, Rojas J, Corvalán C. Nutrition, child growth, and chronic disease prevention. Ann Med. 2008;40:11-20.
Barlow SE. Expert committee recommendations regarding the prevention, assessment, and treatment of child and adolescent overweight and obesity. Pediatrics. 2007;120 Suppl 4:S164-92.
Dunican KC, Desilets AR, Montalbano JK. Pharmacotherapeutic options for overweight adolescents. Ann Pharmacother. 2007;41:1445-55.
McGovern L, Johnson JN, Paulo R, Hettinger A, Singhal V, Kamath C, et al. Treatment of pediatric obesity. A systematic review and meta-analysis of randomized trials. J Clin Endocrinol Metab. [ter perse].
Halberstadt J, Seidell JC, HiraSing RA, Renders CM, Bolhuis AMP van. Partnerschap Overgewicht Nederland: ontwikkeling van een zorgstandaard voor overgewicht en obesitas. Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen. 2008;86:281-3.