Resultaat van psychiatrische interventies bij patiënten met klachten van depressieve aard, opgenomen op afdelingen voor Interne Ziekten

Onderzoek
F.A.J.M. Ancion
M.W. Hengeveld
H.G.M. Rooijmans
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1987;131:1523-7
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Volgens Amerikaanse literatuur komen klachten van depressieve aard voor bij 20-32 van de op afdelingen voor Interne Ziekten opgenomen patiënten. Deze zouden door de behandelende artsen veelal niet worden gesignaleerd. De vragen die bij het in dit artikel beschreven onderzoek werden gesteld waren: (1) Hoe dikwijls komen klachten en stoornissen van depressieve aard voor bij patiënten opgenomen op afdelingen van een Nederlands academisch ziekenhuis? (2) Hoe vaak wordt bij deze patiënten een psychiatrisch consult aangevraagd? (3) Hebben patiënten met deze klachten baat van psychiatrische interventies? Van de 220 onderzochte patiënten gaven 70( 32) lichte tot ernstige depressieklachten aan; voor 9 (13) van hen werd een psychiatrisch consult gevraagd. Psychiatrische interventies werden verricht bij 33 van de 70 patiënten, van wie 10 (30) bleken te lijden aan een depressieve stoornis volgens psychiatrische criteria. Bij 3 (30) van hen was een psychiatrisch consult aangevraagd. Vergeleken met de controlegroep leidde de psychiatrische interventie niet tot vermindering van het aantal medische verrichtingen of tot verkorting van het ziekenhuisverblijf, maar wel tot minder voorschrijven van pijnstillers en (of) psychofarmaca en tot vermindering van depressiviteit bij ontslag.

Inleiding

Inleiding

De consultatieve psychiatrie is de laatste jaren in Nederland sterk in opkomst. Sinds kort bestaat er in elk academisch ziekenhuis een psychiatrische consultatieve dienst en in tal van algemene ziekenhuizen zijn er psychiaters voornamelijk in deze tak van de psychiatrie werkzaam. Zij houden zich bezig met patiëntenzorg, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek betreffende patiënten op de niet-psychiatrische afdelingen van het algemeen ziekenhuis. De consultatieve psychiater wordt bij 2 à 3 van de in het ziekenhuis opgenomen patiënten in consult gevraagd; op afdelingen voor Interne Ziekten is dit het geval bij 4 à 5 van de patiënten.1 Uit de literatuur is echter bekend dat psychiatrische stoornissen bij lichamelijk zieke patiënten veel vaker voorkomen.2 Men kan zich daarom afvragen in hoeverre het zinvol zou zijn om dergelijke patiënten op te sporen en bij hen psychiatrisch te interveniëren.

Om hierover meer gegevens te verkrijgen deden wij bij patiënten met depressieve klachten opgenomen op afdelingen voor Interne Ziekten, onderzoek naar het resultaat van psychiatrische interventie. Wij kozen voor klachten van depressieve aard omdat deze het meest voorkomen bij somatische zieke patiënten.2 De getallen dienaangaande in de literatuur lopen uiteen van 20 tot 32.3-6 Bovendien worden volgens verschillende auteurs depressies door de behandelende artsen veelal niet herkend.256 In één der studies bijvoorbeeld onderkenden de assistent-internisten slechts 14 van de depressies, terwijl bij niet meer dan 5 van de depressieve patiënten de psychiater in consult werd gevraagd.3 Hoewel het aannemelijk is dat het hierbij dikwijls om relatief lichte stoornissen gaat die zonder specifieke behandeling verdwijnen,27 is het ook mogelijk dat een miskende depressieve stoornis blijft bestaan en leidt tot ernstige psychiatrische morbiditeit.5 Het is aangetoond dat depressieve patiënten een verhoogd gebruik maken van de somatische gezondheidszorg.8 Een goed meetbaar effect van psychiatrische interventies bij depressieve patiënten zou derhalve een vermindering van de kosten van de behandeling op de afdeling voor Interne Ziekten kunnen zijn.

De vragen die de auteurs zich bij het hierna beschreven onderzoek hebben gesteld, luidden daarom: 1. Hoe vaak komen depressieve klachten voor bij patiënten opgenomen op afdelingen voor Interne Ziekten? 2. Hoe dikwijls wordt bij deze patiënten een psychiatrisch consult aangevraagd? 3. Leidt psychiatrische behandeling van patiënten met depressieklachten tot (a) vermindering van deze klachten, (b) vermindering van het aantal medische verrichtingen en (c) een korter verblijf in het ziekenhuis?

PatiËnten en methode

Voor het opsporen van patiënten met klachten van depressieve aard maakten wij gebruik van een eenvoudige zelfbeoordelingsvragenlijst, de Beck Depression Inventory (BDI). Deze vragenlijst werd door Beck et al. betrouwbaar en valide bevonden voor het beoordelen van de mate van depressiviteit.9 In Nederland is één groep onderzoekers het met deze conclusie eens,10 maar door een andere groep wordt die bestreden.11 Aan het effectief-zijn van de BDI bij het opsporen van depressies bij lichamelijk zieke patiënten wordt eveneens getwijfeld.1213 Toch hebben wij besloten dit instrument toe te passen, omdat de meeste auteurs bij het vaststellen van depressies bij op afdelingen voor Interne Ziekten opgenomen patiënten ervan gebruik hebben gemaakt.4-6

De BDI bestaat uit 21 vragen die betrekking hebben op klachten van depressieve aard. Met betrekking tot elke vraag wordt een aantal antwoorden gegeven waarvan de patiënt er één moet kiezen dat het meest op hemhaar van toepassing is. Aan elke uitspraak worden, naar gelang de mate van instemming, 0-3 punten toegekend. Als omslagpunt, dat wil zeggen het aantal punten waarbeneden men niet en waarboven men wel van depressiviteit spreekt, kozen wij 13. Dit houdt in dat ook lichte depressieve stoornissen worden opgespoord. Omtrent de oorzaak, de duur en de aard van de depressie kan op grond van de score op de BDI geen uitspraak worden gedaan.

Na toestemming door de medisch-ethische commissie en de betrokken afdelingshoofden werd gedurende zes maanden bij alle patiënten die op drie afdelingen voor Interne Ziekten werden opgenomen, de BDI afgenomen. Behalve de patiënten die medewerking aan het onderzoek weigerden, werden de volgende categorieën patiënten van het onderzoek uitgesloten: zij die minder dan vijf dagen waren opgenomen, zij die naar het oordeel van de verpleegkundige staf te ziek waren, en zij die niet of nauwelijks Nederlands spraken.

Van de patiënten met een BDI-score van 13 of hoger werd de helft (om en om gekozen) door de eerste auteur gezien (interventiegroep). Bij het eerste contact werd een psychiatrische anamnese afgenomen en psychiatrisch onderzoek verricht, gericht op het vaststellen van een depressieve stoornis volgens DSM-III-criteria.14 Tijdens hun ziekenhuisverblijf werden deze patiënten door de eerste auteur min of meer frequent opgezocht, naar gelang de ernst van het psychiatrische toestandsbeeld. In de contacten met de patiënten werd gesproken over de gevolgen die hun ziek-zijn voor hen en hun omgeving had, over hun toekomstverwachting, en over de onzekerheden die hun ziek-zijn met zich meebracht. Vooral echter werd geluisterd naar hun verhaal, naar wat zij ‘kwijt wilden’. In enkele gevallen werd in overleg met de afdelingsarts een specifieke behandeling ingesteld, zoals voorschrijven of staken van psychofarmaca, het bespreken van de psychiatrische symptomen en de er aan ten grondslag liggende problemen en het regelen van poliklinische nazorg. De controlegroep bestond uit de andere patiënten met een BDI-score van 13 of meer, bij wie geen psychiatrische interventie werd verricht.

De dag voor ontslag werd de BDI opnieuw afgenomen bij iedere patiënt die oorspronkelijk een score had van 13 of meer. Ter beoordeling van het resultaat van de psychiatrische interventies werd na afloop van dit deel van het onderzoek de interventiegroep retrospectief vergeleken met de controlegroep. Het effect op de depressiviteit werd beoordeeld aan de hand van de BDI-scores bij ontslag. Als maat voor de kosten van de behandeling in het ziekenhuis werden de hoeveelheid verricht onderzoek, het aantal consulten van somatische specialisten en de hoeveelheid voorgeschreven geneesmiddelen, in het bijzonder psychofarmaca en pijnstillers, gehanteerd. Het verrichte onderzoek betrof het aantal nevenonderzoeken (ECG, röntgenonderzoek, scintigrafie, biopsie, EEG e.d.) en het aantal laboratoriumonderzoeken. De opnameduur van beide groepen patiënten werd eveneens vergeleken. Dit gedeelte van ons onderzoek was tevoren niet bekend bij de patiënten en de medische en verpleegkundige staf, opdat het niet zou interfereren met de normale behandeling in het ziekenhuis.

Tenslotte werd door een onafhankelijke en zeer ervaren internist retrospectief, op grond van de ontslagbrieven, op twee zespuntsschalen de ernst van de somatische aandoening aangegeven, zowel bij opneming als bij ontslag. Hij gaf eveneens op twee zespuntsschalen een schatting van de prognose van de patiënten wat betreft invaliditeit en overleving. Dit geschiedde ten einde de interventiegroep en de controlegroep te kunnen vergelijken op het punt van de ernst van hun ziekte.

Resultaten

In de onderzoeksperiode werden op de drie afdelingen voor Interne Ziekten 407 patiënten opgenomen. Wegens een opnameduur korter dan vijf dagen werden 67 patiënten niet betrokken bij het onderzoek. Van de in aanmerking komende 340 patiënten vielen er zes (1,8) uit wegens taalproblemen, 27 (7,9) waren volgens de verpleging te ziek en 87 (25,6) weigerden aan het onderzoek mee te werken. Er konden geen significante verschillen worden aangetoond tussen de patiënten uit de groepen uitvallers en de patiënten van de onderzochte populatie qua gemiddelde leeftijd (t-toets), geslachtsverdeling en burgerlijke staat (?2-toets).

Van de 220 patiënten bij wie een BDI werd afgenomen, scoorden er 150 (68) lager dan 13 op de BDI, en 70 (32) 13 of hoger op de BDI. Tussen deze 2 groepen waren geen verschillen aantoonbaar qua gemiddelde leeftijd, geslachtsverdeling en burgerlijke staat. Wel waren de patiënten met een BDI-score van 13 of hoger de laatste vijf jaar statistisch significant vaker in het ziekenhuis opgenomen geweest. Over het algemeen kwamen contacten met de psychiatrie in beide groepen zeer weinig voor. De behandelende assistent-geneeskundigen vroegen bij 9 (13) van de patiënten met een BDI-score van 13 of hoger een psychiatrisch consult aan. Omdat twee van deze patiënten bleken te zijn toegewezen aan de controlegroep, werden ze verder uitgesloten van het onderzoek. De interventiegroep bestond uiteindelijk uit 33 patiënten en de controlegroep uit 35 patiënten.

Tussen de interventiegroep en de controlegroep waren geen significante verschillen aantoonbaar met betrekking tot geslachtsverdeling, burgerlijke staat en somatische voorgeschiedenis (?2-toets). Evenmin verschilden de gemiddelde scores voor de ernst van de ziekte, zoals weergegeven op de vier zespuntsschalen, tussen beide groepen (t-toetsen). Wel bleek de gemiddelde leeftijd van de patiënten uit de interventiegroep (52 jaar) significant lager dan die uit de controlegroep (61 jaar) (t-toets; p ? 0,05).

Op grond van het psychiatrisch onderzoek kon bij 10 patiënten van de interventiegroep (30) een depressieve stoornis volgens DSM-III-criteria worden vastgesteld. Voor 3 van deze 10 patiënten met een duidelijke depressie werd door de behandelende arts een psychiatrisch consult gevraagd. Bij 7 patiënten werd een andere psychiatrische stoornis gediagnostiseerd en in één geval kon geen diagnose worden bepaald. Bij 15 patiënten (45) was dus geen psychiatrische stoornis volgens DSM-III-criteria aantoonbaar. De medische diagnosen van de patiënten in de interventiegroep, ingedeeld naar de hoofdgroepen in de ICD-9, waren als volgt: infectieziekte (1 patiënt), nieuwvormingen (5), endocriene, voedings- of stofwisselingsziekten (11), bloedziekten (6), hart- en vaatziekten (4), ziekten van de ademhalingswegen (2), ziekte van het spijsverteringsstelsel (1), urogenitale ziekte (1) en overige stoornissen (2 patiënten). In vier gevallen werd een psychofarmacologisch advies gegeven, waarvan tweemaal om de psychofarmaca te staken. De eerste auteur had gemiddeld 2,2 contacten en besteedde gemiddeld 107 minuten aan zijn interventies per patiënt. Slechts drie patiënten werden voor nazorg naar een psychiatrische polikliniek verwezen.

Tussen interventiegroep en controlegroep konden geen verschillen worden aangetoond met betrekking tot het gemiddelde aantal aangevraagde consulten van somatische specialisten, het verrichte onderzoek en de gemiddelde opnameduur (t-toetsen). Twee belangrijke positieve bevindingen waren echter de volgende. Wat betreft het gebruik van pijnstillers en psychofarmaca (met name benzodiazepinen en neuroleptica) wezen de getallen in de richting van minder voorschrijven van deze medicamenten aan de patiënten uit de interventiegroep: het aantal patiënten waaraan geen pijnstillers en (of) psychofarmaca werd voorgeschreven, was in de interventiegroep significant kleiner (?2-toets; p

Beschouwing

De bevindingen zullen worden besproken in volgorde van de vraagstellingen. Door ons werden 220 patiënten op drie afdelingen voor Interne Ziekten, niet geselecteerd op leeftijd, sekse of burgerlijke staat, gescreend door middel van de BDI. Uitgaande van een criterium van 13 punten op deze vragenlijst bleek er bij 32 van de patiënten sprake te zijn van depressiviteit. Dit komt overeen met het hoogste percentage gevonden in vergelijkbare Amerikaanse onderzoeken.3-6 Als men bovendien in ogenschouw neemt dat er 27 patiënten uitvielen omdat zij te ziek waren, terwijl is beschreven dat depressies meer voorkomen bij ernstig zieke patiënten,35 dan is de door ons gevonden frequentie van depressiviteit zeker aan de hoge kant. Bij het psychiatrische onderzoek in de interventiegroep werd echter slechts bij 30 van de patiënten met de BDI-score van 13 of meer een depressie volgens DSM-III-criteria vastgesteld.

Er zijn verschillende zeer aannemelijke verklaringen mogelijk voor dit grote verschil in bevindingen met de BDI en met de DSM-III. Door het kiezen van een laag omslagpunt op de BDI zijn ook patiënten met lichte klachten van depressiviteit meegeteld.9 Niet al deze klachten wijzen bovendien op de aanwezigheid van een psychopathologisch depressief syndroom.2 Ook bij andere psychiatrische stoornissen kunnen depressieklachten voorkomen. Vegetatieve klachten zoals moeheid, anorexie, energieverlies, insomnia en traagheid komen bij lichamelijke ziekten veel voor en kunnen bij het psychiatrische onderzoek niet als depressiesymptomen geïnterpreteerd worden, terwijl ze bij de scoring op de BDI wel meetellen.6 Tenslotte is één der criteria voor een depressieve stoornis volgens de DSM-III, dat de symptomen ten minste twee weken aanwezig zijn,14 terwijl er bij de BDI niet naar de duur der klachten wordt gevraagd.

Het is dus zeer waarschijnlijk dat het aantal patiënten met een psychiatrisch relevante depressie lager is dan 32. Als men ervan uitgaat dat de controlegroep niet van de interventiegroep verschilt en dat in de groep patiënten met een BDI-score lager dan 13 weinig of geen depressies voorkomen, dan zou dit betekenen dat ongeveer 1 op de 10 op afdelingen voor Interne Ziekten opgenomen patiënten een depressieve stoornis heeft. Men dient dit getal echter wel met grote reserve te bezien in verband met de kleine steekproef en de gewaagde extrapolatie naar de gehele patiëntenpopulatie.

Bij slechts 13 van de patiënten met klachten van depressieve aard volgens de BDI en 30 van de patiënten met een duidelijke depressie volgens DSM-III-criteria werd de psychiater in consult gevraagd. Deze getallen bevestigen de bevindingen van andere auteurs dat de meerderheid van lichamelijk zieke patiënten met een depressie geen psychiatrische behandeling krijgt.56 Hiermee is niet gezegd dat de behandeling van deze patiënten te kort schiet, omdat niet onderzocht is hoe dikwijls de behandelende artsen de depressie hebben gesignaleerd en omdat psychische klachten en psychiatrische stoornissen soms even goed door de eigen arts kunnen worden behandeld.2 Bovendien is weinig bekend over het ‘natuurlijke’ beloop van depressies bij ziekenhuispatiënten. Of psychiatrische interventie in zulke situaties zinvol zou kunnen zijn, was de laatste vraag van ons onderzoek.

De bevinding dat de BDI-score in de interventiegroep tussen opname en ontslag significant daalde, terwijl dit in de controlegroep niet het geval was, vormt een aanwijzing dat niet-specifieke (d.w.z. niet specifiek op depressie gerichte) psychiatrische interventies een positieve invloed hebben op opgenomen lichamelijk zieke patiënten met klachten van depressieve aard. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat de gemiddelde leeftijd van de patiënten in de interventiegroep aanzienlijk lager was dan die van de patiënten in de controlegroep. Bovendien kon bij ongeveer een derde van de interventiegroep en ongeveer de helft van de controlegroep geen tweede BDI meer worden afgenomen, omdat ze al uit het ziekenhuis waren ontslagen. Welke invloed dit heeft gehad op onze bevindingen is niet vast te stellen.

De verbetering van het psychisch welbevinden in de interventiegroep was niet te danken aan ruimer voorschrijven van pijnstillers en psychofarmaca aan de patiënten in deze groep. Integendeel, wellicht was het verminderd gebruik van deze farmaca, dat door ons werd aangetoond, juist gevolg van vermindering van de depressiviteit. Hoe het ook zij, deze bevinding kan eveneens gezien worden als een belangrijke winst van de psychiatrische interventie, zowel in het licht van kostenbesparing, als met het oog op de eventuele schadelijke nevenwerkingen van deze medicamenten. Dit effect is vergelijkbaar met dat van niet-specifieke psychologische voorbereiding voor operaties: dit leidt aantoonbaar tot verminderd gebruik van pijnstillers in de postoperatieve periode.15

Met betrekking tot de overige maten voor de kosten van de behandeling in het ziekenhuis konden geen verschillen worden aangetoond tussen de interventiegroep en de controlegroep. Evenmin was dit het geval voor de gemiddelde opnameduur van de patiënten in beide groepen. Wij hadden in het bijzonder gehoopt te kunnen aantonen dat de psychiatrische interventie had geleid tot een verkorting van de opnameduur, omdat dit effect in verschillende andere onderzoeken wèl is vastgesteld.15-17 De eenvoudigste verklaring voor onze negatieve bevindingen zou zijn dat vermindering van de medische kosten in het geheel niet te verwachten is als gevolg van een dergelijke psychiatrische interventie. Er bestaan echter zo langzamerhand tal van aanwijzingen dat psychiatrische en psychotherapeutische interventies bij diverse soorten patiënten wel degelijk leiden tot vermindering van het gebruik van gezondheidsvoorzieningen.1518-20 Wellicht betrof het in ons onderzoek een te kleine en medisch en psychiatrisch te heterogene groep patiënten om een dergelijk effect te kunnen aantonen. Het feit dat het om een groep opgenomen patiënten ging, op afdelingen met een vrij korte gemiddelde opnameduur (2 weken), waarbij de meeste onderzoekingen kort na opneming worden afgesproken, zal hiertoe zeker hebben bijgedragen. Tenslotte bevonden zich waarschijnlijk te veel patiënten zonder ernstige psychische stoornissen in de interventiegroep. Bij maar liefst 45 van hen was immers geen psychiatrische stoornis in engere zin aanwezig. Ook herberekening van onze gegevens bij retrospectieve toepassingen van hogere omslagpunten van de BDI leverde geen positieve resultaten op. De vraag is daarom, of selectie door middel van de BDI wel een groep patiënten kan opleveren bij wie psychiatrische interventie leidt tot aantoonbare vermindering van het aantal medische verrichtingen, anders dan het minder voorschrijven van pijnstillers en psychofarmaca.

Conclusies

De antwoorden op de in de inleiding gestelde vragen luiden dus als volgt. Bij ongeveer één derde van de patiënten opgenomen op afdelingen voor Interne Ziekten van een academisch ziekenhuis werden door middel van een vragenlijst lichte tot ernstige klachten van depressieve aard geconstateerd. Vermoedelijk was er bij één op de tien patiënten sprake van een duidelijke depressie. Bij slechts 13 van de patiënten met deze klachten en bij 30 van de patiënten met een depressieve stoornis werd een psychiatrisch consult aangevraagd. Al deze bevindingen komen overeen met die van vergelijkbare onderzoekingen in algemene ziekenhuizen. Wat hiervan de consequenties zijn voor de patiënten is niet onderzocht. Psychiatrische interventies bij de patiënten met klachten over depressiviteit leidden niet tot een aantoonbare vermindering van het aantal medische verrichtingen of tot een verkorting van het verblijf in het ziekenhuis. Wel werd aannemelijk gemaakt dat deze interventies leiden tot een vermindering van het aantal depressieklachten bij ontslag en, wellicht daarmee samenhangend, tot minder voorschrijven van pijnstillers en (of) psychofarmaca aan deze groep patiënten. Ook deze resultaten bevestigen de bevindingen van vergelijkbare Amerikaanse onderzoekingen. Dit alles moedigt aan om voort te gaan met het onderzoek naar de klinische en economische effecten van interventies door consultatieve psychiaters bij patiënten opgenomen in algemene ziekenhuizen.

Met dank aan de betrokken patiënten, verpleegkundigen en afdelingshoofden van de afdelingen Hematologie, Nierziekten en Stofwisselingsziekten en de co-assistenten van de afdeling Psychiatrie van het Academisch Ziekenhuis Leiden, en aan L.Kuenen, internist, voor hun medewerking aan dit onderzoek.

Literatuur
  1. Hengeveld MW. Aard en frequentie van consulten. In:Rooijmans HGM, ed. De psychiater in het algemeen ziekenhuis. Utrecht: Bohn,Scheltema & Holkema, 1984: 26-34.

  2. Rooijmans HGM. De verwevenheid van somatische enpsychische ziekten. II. Psychiatrische stoornissen bij lichamelijk ziekepatiënten. Ned TijdschrGeneeskd 1983; 127: 2327-31.

  3. Stewart MA, Drahe F, Winokur G. Depression among medicallyill patients. Dis Nerv Syst 1965; 26: 479-85.

  4. Schwab JJ, Bialow MR, Brown JM, Holzer ChE. Diagnosingdepression in medical inpatients. Ann Intern Med 1967; 67: 695-707.

  5. Moffic HS, Paykel ES. Depression in medical inpatients. BrJ Psychiatry 1975; 126: 346-53.

  6. Cavanaugh S. The prevalence of emotional and cognitivedysfunction in a general medical population: using the MMSE, GHQ and BDI. GenHosp Psychiatry 1983; 5: 15-24.

  7. Hawton K. The long-term outcome of psychiatric morbiditydetected in general medical patients. J Psychosom Res 1981; 25:237-43.

  8. Katon W. Depression: somatic symptoms and medicaldisorders in primary care. Compr Psychiatry 1982; 23: 274-87.

  9. Beck AT, Ward CH, Mendelson M, et al. An inventory formeasuring depression. Arch Gen Psychiatry 1961; 4: 53-63.

  10. Bouman TK, Luteijn F, Albersnagel FA, et al. Enigeervaringen met de Beck Depression Inventory (BDI). Gedrag, tijdschrift voorpsychologie 1985; 13: 13-24.

  11. Hoevenaars JPCM, Son MJM van. Drie Nederlandstaligezelfrapportagelijsten in de diagnostiek van depressie. Gedragstherapie 1984;17: 225-39.

  12. Kathol RG, Petty F. Relationship of depression to medicalillnes. J Affective Disord 1981; 3: 111-21.

  13. Kearns NP, Cruickshank CA, McGuigan KJ, Riley SA, ShawSP, Snaith RP. A comparison of depression rating scales. Br J Psychiatry1982; 141: 45-9.

  14. American Psychiatric Association: Diagnostic andStatistical Manual of Mental Disorders. 3rd ed. Washington DC: APA,1980.

  15. Mumford E, Schlesinger J, Glass GV. The effect ofpsychological intervention on recovery from surgery and heart attacks: Ananalysis of the literature. Am J Public Health 1982; 72: 141-52.

  16. Levitan SJ, Kornfeld DS. Clinical and cost benefits ofliaison psychiatry. Am J Psychiatry 1981; 138: 790-3.

  17. Lyons JS, Hammer JS, Strain JJ, Fulop G. The timing ofpsychiatric consultation in the general hospital and length of hospital stay.Gen Hosp Psychiatry 1986; 8: 159-62.

  18. Jones KR, Vischi TR. Impact of alcohol, drug abuse andmental health treatment on medical care utilization: A review of researchliterature. Med Care 1979; 17 (suppl 2): 1-82.

  19. Cohen-Cole SA. Training outcome in liaison psychiatry:literature review and methodological proposals. Gen Hosp Psychiatry 1980; 2:282-4.

  20. McKegney F, Beckhardt R. Evaluative research inconsultation-liaison psychiatry. Review of the literature 1970-1981. Gen HospPsychiatry 1982; 4: 197-218.

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, B1-P, afd. Psychiatrie, Postbus 9600, 2300 RC Leiden.

F.A.J.M.Ancion (thans: RIAGG Midden Brabant, Tilburg), dr.M.W.Hengeveld en prof.dr.H.G.M.Rooijmans, psychiaters.

Contact dr.M.W.Hengeveld

Gerelateerde artikelen

Reacties