Psychiatrische stoornis en somatische aandoening: toepasselijk recht

Opinie
H.D.C. Roscam Abbing
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:228-9
Abstract
Download PDF

Zie ook het artikel op bl. 247.

Wat is de wettelijke situatie ingeval patiënten behandeling van een somatische aandoening weigeren op basis van een psychiatrische stoornis? Monden en Zandbergen komen elders in dit nummer tot de slotsom dat indien somatische behandeling geen uitstel gedoogt, vervangende toestemming mogelijk is in combinatie met dwangbehandeling.1

De Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (BOPZ) is ten principale gericht op onvrijwillige opname van psychiatrische patiënten.2 De wet beoogt het individu te beschermen tegen niet gerechtvaardigde vrijheidsberoving, dwangbehandeling en dwangmiddelen. De Wet BOPZ regelt gedwongen opname via inbewaringstelling, voorlopige machtiging, machtiging tot voortgezet verblijf en machtiging op eigen verzoek. Grondslag voor gedwongen opname is de aanwezigheid van gevaar (voor de betrokkene zelf, voor derden of voor de algemene veiligheid van personen of goederen) als gevolg van de geestelijke stoornis. Hoewel het vertrekpunt van de wet het gevaarscriterium is, bevat de Wet BOPZ toch ook elementen van bestwil.3 De aanwezigheid van gevaar voor de betrokkene zelf is zo'n element. Een ander is dat patiënten onder bepaalde voorwaarden aan gedwongen behandeling kunnen worden onderworpen.

Behandeling zonder toestemming van de patiënt is op grond van artikel 38 van de Wet BOPZ in beginsel mogelijk indien de patiënt niet in staat kan worden geacht tot redelijke waardering van zijn belangen terzake van de voorgestelde behandeling. In dat geval schrijft de wet overleg voor met een wettelijk vertegenwoordiger of een van de in de wet genoemde verwanten over het behandelingsplan dat ten behoeve van de patiënt na diens gedwongen opname moet worden opgesteld. Bij verzet door de patiënt kan behandeling alleen plaatsvinden voorzover deze strikt noodzakelijk is om ernstig gevaar (voor de patiënt of anderen), voortvloeiende uit de stoornis van de geestvermogens, af te wenden. Alleen de in het behandelingsplan opgenomen therapeutische interventies mogen worden toegepast.

Het behandelingsplan is erop gericht de stoornis zo te verminderen dat het gevaar op grond waarvan de patiënt – zonder van de bereidheid daartoe blijk te hebben gegeven – in het ziekenhuis moet verblijven, wordt weggenomen (Wet BOPZ, artikel 38, lid 3).

Zoals hiervoor is aangegeven is de Wet BOPZ gericht op gedwongen opname bij dreigend gevaar en op het behandelingsplan na opname. Dat plan moet samenhangen met de stoornis. Het behandelingsplan kan derhalve als zodanig geen betrekking hebben op somatische aandoeningen, laat staan dat deze behandelingen via het behandelingsplan, zonder toestemming van de patiënt, met vervangende toestemming van een in de Wet BOPZ genoemde persoon kunnen worden uitgevoerd. Bij een BOPZ-procedure staat het gevaar als gevolg van de stoornis centraal, niet de somatische aandoening.

De vraag of een patiënt zonder toestemming somatisch mag worden behandeld wordt ten principale beheerst door de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO). Bij wilsonbekwaamheid van de patiënt is de vertegenwoordigingsregeling van artikel 465 van de WGBO van toepassing. Artikel 465, lid 6 bepaalt onder meer dat een behandeling ondanks verzet van de wilsonbekwame patiënt mag worden uitgevoerd. Het moet gaan om een verrichting van ingrijpende aard, er moet toestemming zijn gegeven door een van de in de wet genoemde vertegenwoordigers en de verrichting moet kennelijk nodig zijn ter voorkoming van ernstig nadeel voor de patiënt. Is hiervan sprake, dan is gedwongen opname via de Wet BOPZ niet aan de orde.

De bedoelde bepaling van de WGBO geldt eveneens voor de gedwongen opgenomen patiënt die tijdens de opname een somatische behandeling nodig heeft en op dat moment niet in staat is tot redelijke waardering van zijn belangen met betrekking tot die behandeling. De gedwongen opname kan als zodanig niet gegrond worden op dringend noodzakelijke somatische behandeling. De noodzaak van gedwongen opname (een Wet-BOPZ-aangelegenheid) moet op eigen merites worden beoordeeld, er moet een samenhang zijn tussen de medische indicatie (stoornis) en de maatregel en er moet een aanbod zijn van behandeling gericht op het verminderen van de stoornis zodat het gevaar wordt weggenomen. De (toestemming voor de) somatische behandeling (een WGBO-aangelegenheid) staat juridisch gezien los van gedwongen opname uit hoofde van de Wet BOPZ. Een vanwege een psychiatrische stoornis gedwongen opgenomen patiënt kan in een gegeven situatie zeer wel in staat zijn te beslissen over een somatische behandeling. De normale toestemmingsregels van de WGBO zijn dan van toepassing. Een vrijwillig opgenomen psychiatrische patiënt kan in een gegeven situatie niet in staat blijken te zijn tot redelijke waardering van zijn belangen met het oog op somatische behandeling. De uitzondering van vervangende toestemming in artikel 465, lid 6 van de WGBO is dan van toepassing.4 De wils(on)bekwaamheid met het oog op somatische behandeling moet op basis van de WGBO worden beoordeeld, en niet op grond van de Wet BOPZ.

Het is van belang de regels van de Wet BOPZ goed te onderscheiden van die van de WGBO. Gebeurt dit niet, dan is er een risico dat ten onrechte door vrijheidsberoving een inbreuk wordt gedaan op fundamentele rechten van de patiënt. Vrijheidsberoving is een ingrijpende maatregel. Gedwongen opname ingevolge de Wet BOPZ kan niet worden gemotiveerd vanuit de wenselijkheid van (somatische) behandeling, maar enkel vanuit de aanwezigheid van ernstig gevaar als gevolg van de geestelijke stoornis.3 De Wet BOPZ en de WGBO vullen elkaar aan. Door een juiste toepassing van artikel 465 van de WGBO kan voorkomen worden dat het uitzonderingskarakter van de Wet BOPZ, door oprekking van het gevaarscriterium, geweld wordt aangedaan.

Literatuur
  1. Monden MAH, Zandbergen MW. Een patiënt met eenpsychiatrische stoornis die behandeling van een somatische aandoeningweigert. Ned Tijdschr Geneeskd1997;141:247-9.

  2. Beschikking van de Minister van Justitie van 30 mei 1995,houdende plaatsing in het Staatsblad van de tekst van de Wet bijzondereopnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, zoals deze luidt met ingang van 5mei 1995. Staatsblad 1995 nr 290. 's-Gravenhage: SDU, 1995.

  3. Leenen HJJ. Handboek gezondheidsrecht. Deel 1. Rechten vanmensen in de gezondheidszorg. 3e druk. Alphen aan den Rijn: Samsom H.D.TjeenkWillink, 1994:250.

  4. Sluyters B, Biesaart MCIH. De geneeskundigebehandelingsovereenkomst. Zwolle: W.E.J.Tjeenk Willink,1995:158.

Auteursinformatie

Mw.prof.mr.H.D.C.Roscam Abbing, Oosterpark 46, 1092 AN Amsterdam.

Gerelateerde artikelen

Reacties