Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. I. Doelstellingen, opzet en methoden

Onderzoek
R.V. Bijl
G. van Zessen
A. Ravelli
C. de Rijk
Y. Langendoen
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2448-52
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen van prevalentie, incidentie en beloop van psychiatrische stoornissen bij niet in instellingen verblijvende Nederlandse volwassenen.

Opzet

Prospectief en transversaal.

Plaats

Trimbos-instituut, Utrecht.

Methode

In 1996 werden, via steekproeven van achtereenvolgens gemeenten en huishoudens, 7076 mannen en vrouwen van 18-64 jaar thuis geïnterviewd. Het belangrijkste diagnostische instrument was de ‘Composite international diagnostic interview’ (CIDI), waarmee wordt vastgesteld of (ooit) stoornissen volgens de Diagnostic and statistical manual of mental disorders, 3e herziene druk (DSM-III-R), aanwezig zijn (geweest). De diagnostische categorieën waren: stemmingsstoornissen, angststoornissen, eetstoornissen, schizofrenie en andere niet-affectieve psychotische stoornissen, en afhankelijkheid en misbruik van psychoactieve middelen. Bij de analyse werd poststratificatiecorrectie uitgevoerd door middel van een weging voor sekse, leeftijd, burgerlijke staat en stedelijkheid op grond van achtergrondgegevens over de bevolking.

Resultaten

De resultaten van de eerste meting (1996) staan in het volgende artikel (1997:2453-60). De respons op de eerste meting was 64,2. Er waren geen aanwijzingen dat de psychiatrische morbiditeit van de non-responders afweek van die van de respondenten. In 1997 (12 maanden na de eerste meting) zal een tweede meting bij dezelfde groep respondenten worden uitgevoerd en in 1999 (36 maanden na de eerste meting) een derde.

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 2453.

In 1993 gaf het eerste rapport ‘Volksgezondheid toekomst verkenning’ (VTV) een brede beschrijving van de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking, de determinanten daarvan, en de verwachtingen voor de toekomst.1 De VTV liet zien hoe beperkt en versnipperd de informatie over het optreden van psychische problemen in Nederland was.23 Een inventarisatie van het psychiatrisch-epidemiologische onderzoek in Nederland toonde vervolgens aan dat er niet alleen weinig bevolkingsonderzoek van enige omvang is uitgevoerd, maar dat er ook sterk uiteenlopende definities, methoden van steekproeftrekking, populaties, meetinstrumenten en analysemethoden zijn gebruikt in de onderzoeken die hebben plaatsgehad.4 Weliswaar zijn er onderzoeken uitgevoerd bij huisartspopulaties,5-9 maar bevolkingsonderzoeken naar psychiatrische problematiek zijn beperkt tot het lokale ‘Regioproject Nijmegen’,1011 en de ‘Filterstudie Amsterdam Oost en Zuidoost’.12

Om de achterstand in psychiatrisch-epidemiologische kennis in te halen heeft men de ‘Netherlands mental health survey and incidence study’ (NEMESIS) opgezet.13 In dit artikel presenteren wij de doelstellingen en de onderzoeksopzet van het NEMESIS-project. In het navolgende artikel worden de resultaten van het eerste meetpunt (1996) beschreven.14

Het NEMESIS-onderzoek is het eerste onderzoek waarbij een volledig gestructureerd psychiatrisch interview is afgenomen bij een representatieve steekproef uit de Nederlandse bevolking van 18 tot en met 64 jaar. Het is een prospectief onderzoek met 3 meetmomenten: 1996, 1997 en 1999. Alle respondenten, zowel degenen met als degenen zonder stoornis op het eerste meetmoment, zullen in de tijd gevolgd worden.

Doelstellingen

Het doel van het NEMESIS-onderzoek is kennis te verzamelen over de volgende onderwerpen:

– De prevalentie van psychiatrische morbiditeit onder volwassenen (18-64 jaar), uitgedrukt in zowel afzonderlijke als comorbide psychiatrische stoornissen, alsmede de prevalentie van het gelijktijdig vóórkomen van psychische en (chronische) somatische ziekten. Psychiatrische diagnosen worden in het NEMESIS-onderzoek vastgesteld met behulp van de classificatie in de Diagnostic and statistical manual of mental disorders, 3e herziene druk (DSM-III-R).15 Er wordt ook aandacht geschonken aan subliminale beelden: manifestaties van groepen symptomen die mogelijk klinisch relevant zijn, maar niet voldoen aan de DSM-criteria voor ‘stoornis’.

– De consequenties van psychische stoornissen in termen van zorggebruik en zorgbehoeften, kwaliteit van leven, en functionele beperkingen.

– De incidentie en het beloop van psychiatrische morbiditeit. Het uitvoeren van herhaalde metingen maakt het mogelijk om nieuwe gevallen (incidentie) vast te stellen en het natuurlijke beloop van bestaande stoornissen in de tijd te volgen, in samenhang met veranderende levensomstandigheden.

– Determinanten van het ontstaan en het beloop van psychische stoornissen, in het bijzonder sociaal-demografische kenmerken, ingrijpende levensgebeurtenissen, ontvangen zorg, persoonlijkheids- en kwetsbaarheidskenmerken, en steun uit de sociale omgeving.

Biologisch en lichamelijk onderzoek vinden in het NEMESIS-onderzoek niet plaats. Via vragen over de familiaire geschiedenis wordt aandacht geschonken aan genetische aspecten.

Methoden

Steekproef

In het NEMESIS-onderzoek wordt gebruikgemaakt van een getrapte, gestratificeerde, aselecte steekproefprocedure. De eerste stap was het trekken van een steekproef van 90 gemeenten. Stratificatiecriteria waren stedelijkheid (5 klassen volgens de classificatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)) en verdeling over de 12 provincies. De tweede stap was het per gemeente trekken van een steekproef van privé-huishoudens (adressen) uit het bestand van PTT-postafgiftepunten. Het aantal inwoners per geselecteerde gemeente bepaalde het aantal huishoudens dat getrokken werd. De derde stap was de selectie van te interviewen personen. De geselecteerde huishoudens ontvingen een introductiebrief met een oproep tot deelname, ondertekend door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarna volgde een telefonische of directe benadering door de interviewers om een afspraak te maken voor een persoonlijk interview. Huishoudens zonder telefoon of met een geheim nummer (18) werden thuis bezocht. Per huishouden werd aselect één respondent gekozen, degene die het laatst jarig was geweest. Deze moest tenminste 18 en ten hoogste 64 jaar zijn en de Nederlandse taal voldoende beheersen om geïnterviewd te kunnen worden. Personen die niet direct bereikbaar waren (vanwege ziekenhuisopname, reizen, detentie en dergelijke) werden later in het jaar opnieuw benaderd. Respondenten kregen geen financiële vergoeding, slechts een kleine attentie na afloop van het gesprek.

Gedurende het veldwerk, dat – met het oog op mogelijke seizoensinvloeden,1617 en ter optimalisering van de respons – over de periode februari-december 1996 was verspreid, werden verder geen correcties in deze procedure aangebracht.

Respons

In totaal werden 7076 personen geïnterviewd (een respons van 64,2). Door de computergestuurde afname van het interview was de partiële non-respons (het ontbreken van een antwoord op bepaalde vragen) te verwaarlozen. Uit de tabel blijkt dat de responsgroep wat betreft geslacht, burgerlijke staat (samenstelling van het huishouden) en stedelijkheid een goede afspiegeling was van de Nederlandse bevolking; alleen de leeftijdscategorie 18-24 jaar was significant ondervertegenwoordigd. Om die reden werd er op basis van CBS-gegevens een weging door middel van volledige poststratificatie uitgevoerd op de gegevens.

Non-responsonderzoek

Personen die ondanks de aangeboden attentie weigerden deel te nemen aan het volledige interview, werd gevraagd om toch enkele kerngegevens te verstrekken (leeftijd, geslacht) en om, net als de respondenten, een screeningsinstrument voor actuele psychische problemen in te vullen, de ‘General health questionnaire’ (GHQ; 12-vragenversie).1819 Van de weigeraars verstrekte 43,6 alsnog deze informatie. Deze non-responders hadden een iets lagere gemiddelde GHQ-score dan de respondenten (1,16 tegenover 1,19), maar hun psychiatrische morbiditeit (geschat met behulp van een logistische-regressiemodel) week niet significant af van die van de respondenten.

Diagnostisch instrument

De diagnosen werden gebaseerd op de DSM-III-R.15 Het diagnostische interview dat werd gebruikt om deze diagnosen te stellen was de ‘Composite international diagnostic interview’ (CIDI), versie 1.1.20 De CIDI is een door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ontwikkeld gestructureerd diagnostisch interview,2122 gebaseerd op de ‘Diagnostic interview schedule’ (DIS) en de ‘Present state examination’ (PSE) en ontworpen om te worden gebruikt door getrainde interviewers die geen clinici zijn. Inmiddels wordt de CIDI wereldwijd toegepast.23-26 Uit veldonderzoek van de WHO blijkt een goede interbeoordelaarsbetrouwbaarheid,2728 een goede test-hertestbetrouwbaarheid,2930 en een goede validiteit voor bijna alle diagnosen,31-37 met uitzondering van acute psychotische beelden, die moeilijk kunnen worden bepaald in een gestructureerd interview.3839

In het NEMESIS-onderzoek werden klinische herinterviews afgenomen wanneer er sprake was van psychotische symptomen. Voor het herinterview werd gebruikgemaakt van vragen uit de ‘Structured clinical interview for DSM-III-R’ (SCID), een instrument met bewezen betrouwbaarheid en validiteit voor het stellen van de diagnose ‘schizofrenie’.40 De NEMESIS-diagnose ‘schizofrenie en andere niet-affectieve psychotische stoornissen’ werd gebaseerd op de gegevens uit deze klinische herinterviews.

De volgende DSM-III-R-diagnosen werden opgenomen: stemmingsstoornissen (depressie, dysthymie, bipolaire stoornis), angststoornissen (paniekstoornis, agorafobie, sociale fobie, specifieke fobie, obsessief-compulsieve stoornis, gegeneraliseerde angststoornis), middelengebruik (alcoholgebruik, drugsgebruik en -afhankelijkheid (waaronder ook afhankelijkheid van sedativa, hypnotica en anxiolytica)), eetstoornissen (anorexia en boulimia nervosa), schizofrenie en andere niet-affectieve psychotische stoornissen.

Bij alle respondenten van 55 jaar en ouder werd de ‘Mini-mental state examination’ (MMSE) afgenomen.41 De MMSE geeft een indicatie voor de aanwezigheid van stoornissen van de cognitieve functie. In geen enkel geval echter werd de drempelwaarde (een zodanig slechte cognitieve functie dat het interview moest worden afgebroken) gehaald.

Interviewers, interviewerstraining en kwaliteitsbewaking

Het veldwerk in de eerste ronde van het NEMESIS-onderzoek werd uitgevoerd door 90 interviewers, ervaren in de verzameling van wetenschappelijke gegevens. Allen hadden een vierdaagse training gehad op het WHO-CIDI-trainingscentrum van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam, specifiek gericht op de inhoud van het NEMESIS-onderzoek en op het gebruik van de CIDI.

Gedurende de gehele gegevensverzamelingsperiode werd het veldwerk continu bewaakt. Er werd onder andere met 1270 aselect gekozen respondenten persoonlijk contact opgenomen om hun oordeel te vragen over het interview en de interviewer. Voorts werd de gerealiseerde interviewrespons (dat wil zeggen het responspercentage per interviewer) van iedere interviewer bijgehouden, en werden alle binnengekomen interviews door de onderzoekers gecontroleerd op eventuele onvolkomenheden en toelichtingen bij antwoorden. Al deze maatregelen maakten een constante bewaking van de voortgang en de kwaliteit van het veldwerk mogelijk.

Analyse

De NEMESIS-gegevensset bevat een wegingsfactor voor poststratificatiecorrectie naar geslacht, leeftijd (9 categorieën), burgerlijke staat (2 categorieën) en stedelijkheid (5 categorieën). Door toepassing van deze wegingsfactor konden wij de gewogen steekproef laten corresponderen met de CBS-gegevens van de Nederlandse bevolking (1996). Daardoor werd generalisatie van de resultaten naar de hele Nederlandse bevolking mogelijk. Standaardfouten en betrouwbaarheidsintervallen van odds-ratio's werden berekend met STATA,42 omdat dit pakket – anders dan bijvoorbeeld SPSS43 – door gebruik te maken van de ‘Taylor series linearisation’-methode correcte standaardfouten voor de coëfficiënten van logistische-regressiemodellen rapporteert, ook wanneer er gewogen wordt.

Beperkingen en voordelen van de onderzoeksopzet

De wijze van gegevensverzameling in het NEMESIS-onderzoek heeft enkele beperkingen. Ten eerste werden bepaalde groepen niet bereikt, in het bijzonder mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats, mensen die de Nederlandse taal onvoldoende machtig waren en de langdurig in instellingen verblijvende bevolking. In hoeverre het ontbreken van deze groepen in de steekproef de uitkomsten heeft beïnvloed en zal beïnvloeden, is niet eenvoudig te zeggen. Er kan worden vermoed dat mensen met bepaalde stoornissen, bijvoorbeeld schizofrenie, minder snel willen of kunnen deelnemen aan een interview. Tegelijkertijd is bekend dat een aanzienlijke proportie van weinig voorkomende stoornissen zoals schizofrenie te vinden is bij de langdurig opgenomen populatie in psychiatrische ziekenhuizen, en die werd niet bij het NEMESIS-onderzoek betrokken. Uit het Jaarboek geestelijke gezondheidszorg 199596 blijkt dat bij circa 38 (bijna 5000 personen) van de op de peildatum langer dan een jaar in psychiatrische ziekenhuizen aanwezige patiënten de diagnose ‘schizofrenie’ is gesteld.44 Dit betekent dat de in het NEMESIS-onderzoek gevonden prevalenties van schizofrenie een ondergrens zullen zijn. Om een prevalentiecijfer te krijgen voor de totale volwassen bevolking, inclusief de 5000 in instellingen verblijvende mensen (in totaal 9,8 miljoen personen), moet men de gevonden percentages verhogen met 0,05. Om voor de overige diagnosen een correct prevalentiepercentage te krijgen moet men ook de langdurig opgenomen en om die reden niet door het NEMESIS-onderzoek bereikte personen met de betreffende diagnosen meetellen. Deze correcties zullen, anders dan bij schizofrenie, klein zijn door de in vergelijking met de prevalentieaantallen in de bevolking geringe aantallen intramurale chronische patiënten.

Tegenover deze beperkingen staan de positieve punten van de gekozen onderzoeksopzet. De CIDI is een internationaal zeer veel gebruikt instrument. Daardoor zijn er goede mogelijkheden om de resultaten van het NEMESIS-onderzoek met die van andere onderzoeken te vergelijken.

Een ander positief punt van de NEMESIS-onderzoeksopzet is de eenstapsprocedure waarbij alle respondenten het volledige psychiatrische interview ondergaan. Anders dan tot nog toe in psychiatrisch-epidemiologisch bevolkingsonderzoek is gedaan (‘Regioproject Nijmegen’,1011 ‘Filterstudie Amsterdam Oost en Zuidoost’),12 wordt niet eerst een screening uitgevoerd op basis waarvan slechts een beperkt aantal personen een uitgebreid psychiatrisch interview krijgt. Bij een dergelijke tweestapsprocedure werd op basis van logistische regressie voor iedere score op het screeningsinstrument de kans berekend dat de betrokken personen een psychiatrische stoornis hadden. Die rekensleutel paste men vervolgens toe op de gehele steekproef om de totale prevalentie van psychiatrische morbiditeit te schatten.1045 De NEMESIS-prevalenties daarentegen zijn geen indirecte schattingen en ze hebben vanwege de veel grotere aantallen respondenten aanzienlijk smallere betrouwbaarheidsintervallen dan de prevalenties in de eerder uitgevoerde onderzoeken.

Wij danken drs.F.Smit, methodoloog, Trimbos-instituut, Utrecht, prof.dr.J.Ormel, hoogleraar Sociale Psychiatrie, Rijksuniversiteit Groningen, prof.dr.W.van den Brink, klinisch epidemioloog, Universiteit van Amsterdam, en dr.H.Verkleij, medisch socioloog, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Bilthoven, voor hun commentaar. Het NEMESIS-onderzoek wordt uitgevoerd door het Trimbos-instituut. Financiële ondersteuning is afkomstig van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)-Medische Wetenschappen en het RIVM.

Literatuur

  1. Ruwaard D, Kramers PGN, redacteuren. Volksgezondheidtoekomst verkenning: de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking inde periode 1950-2010. Den Haag: SDU, 1993.

  2. Harteloh PPM, Ruwaard D, Kramers PGN. Evaluatie van devolksgezondheid toekomst verkenning 1993. Bilthoven: RIVM, 1995.

  3. Verhaak P, Bijl RV, Berg-Jeths A van den, Harteloh PPM.Psychische problematiek. In: Ruwaard D, Kramers PGN, redacteuren.Volksgezondheid toekomst verkenning: de gezondheidstoestand van deNederlandse bevolking in de periode 1950-2010. Den Haag: SDU,1993:166-75.

  4. Vermande M, Bijl R. Psychische problematiek in Nederland:een inventarisatie van epidemiologisch onderzoek naar de omvang vanpsychische problematiek. Utrecht: NcGv, 1995.

  5. Foets M, Sixma H. Een nationale studie van ziekten enverrichtingen in de huisartspraktijk. Basisrapport: gezondheid engezondheidsgedrag in de praktijkpopulatie. Utrecht: NIVEL, 1991.

  6. Foets M, Velden J van der. Een nationale studie vanziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Basisrapport:meetinstrumenten en procedures. Utrecht: NIVEL, 1990.

  7. Ormel J, Brink W van den, Koeter MWJ, Giel R, Meer K vander, Willige G van de, et al. Recognition, management and outcome ofpsychological disorders in primary care: a naturalistic follow-up study.Psychol Med 1990;20:909-23.

  8. Ormel J, Koeter MWJ, Brink W van den, Willige G van de.Recognition, management, and course of anxiety and depression in generalpractice. Arch Gen Psychiatry 1991;48:700-6.

  9. Wilmink FW. Patient, physician, psychiatrist. Assessmentof mental health problems in primary care proefschrift.Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 1989.

  10. Hodiamont PPG. Het zoeken van zieke zielen: een onderzoekomtrent diagnostiek, epidemiologie en hulpzoekgedrag in het kader van desociale psychiatrie proefschrift. Nijmegen: KatholiekeUniversiteit Nijmegen, 1986.

  11. Furer JW, Tax B, redacteuren. Somatische klachten,psychiatrische symptomen en psychosociale problemen: prevalentie,overlappingen en verbanden met demografische variabelen. Nijmegen: Instituutvoor Sociale Geneeskunde, 1987.

  12. Limbeek J van, Berg CEA van den, Sergeant JA, GeerlingsPJ, Fransman JML, redacteuren. Patiënt, stoornis en zorg: een onderzoeknaar de prevalentie, het ziektebeloop en de herkenning van psychischestoornissen in Amsterdam Oost en Zuidoost. Amsterdam: GG&GD enUniversiteit van Amsterdam, 1994.

  13. Bijl R, Zessen G van. Protocol Nemesis (Netherlandsmental health survey and incidence study): een longitudinaal onderzoek naarprevalentie, incidentie, beloop en gevolgen van psychische problematiek in debevolking. Utrecht: NcGv, 1995.

  14. Bijl RV, Zessen G van, Ravelli A. Psychiatrischemorbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II.Prevalentie van psychiatrische stoornissen.Ned Tijdschr Geneeskd 1997;141:2453-60.

  15. American Psychiatric Association (APA). Diagnostic andstatistical manual of mental disorders. 3rd rev. ed. Washington: APA,1987.

  16. Kasper S, Wehr TA, Bartko JJ, Gaist PA, Rosenthal NE.Epidemiological findings of seasonal changes in mood and behavior. Atelephone survey of Montgomery County, Maryland. Arch Gen Psychiatry1989;46:823-33.

  17. Schlager D, Schwartz JE, Bromet EJ. Seasonal variationsof current symptoms in a healthy population. Br J Psychiatry1993;163:322-6.

  18. Goldberg DP, Williams P. A users guide to the generalhealth questionnaire. Windsor: Nelson, 1988.

  19. Koeter MWJ, Ormel J. General health questionnaire:Nederlandse bewerking. Handleiding. Lisse: Swets & Zeitlinger,1991.

  20. Smeets RMW, Dingemans PMAJ. Composite internationaldiagnostic interview (CIDI). Versie I.I. Amsterdam: World HealthOrganization, 1993.

  21. World Health Organization (WHO). Composite internationaldiagnostic interview (CIDI). Version 1.0. Genève: WHO, 1990.

  22. Robins LN, Wing J, Wittchen HU, Helzer JE, Babor TF,Burke J, et al. The composite international diagnostic interview. Anepidemiologic instrument suitable for use in conjunction with differentdiagnostic systems and in different cultures. Arch Gen Psychiatry1988;45:1069-77.

  23. Kessler RC, McGonagle KA, Zhao S, Nelson CB, Hughes M,Eshleman S, et al. Lifetime and 12-month prevalence of DSM-III-R psychiatricdisorders in the United States. Results from the national comorbidity survey.Arch Gen Psychiatry 1994;51:8-19.

  24. Lin E, Goering P. Ontario health supplement: content andmethod. Toronto: The Clarke Institute of Psychiatry, 1992.

  25. Offord DR, Boyle MH, Campbell D, Goering P, Lin E, WongM, et al. One-year prevalence of psychiatric disorder in Ontarians 15 to 64years of age. Can J Psychiatry 1996;41:559-63.

  26. International Consortium in Psychiatric Epidemiologyinternetpagina.http:www.hcp.med.harvard.eduicpe.

  27. Wittchen HU, Robins LN, Cottler LB, Sartorius N, BurkeJD, Regier DA. Cross-cultural feasibility, reliability and sources ofvariance of the composite international diagnostic interview (CIDI). Themulticentre WHOADAMHA field trials. Br J Psychiatry 1991;159:645-53.

  28. Cottler LB, Robins LN, Grant BF, Blaine J, Towle LH,Wittchen HU, et al. The CIDI-core substance abuse and dependence questions:cross-cultural and nosological issues. The WHOADAMHA field trial. Br JPsychiatry 1991;159:653-8.

  29. Semler G, Von Cranach M, Wittchen HU, editors. Comparisonbetween the composite international diagnostic interview and the presentstate examination. Report to the WHOADAMHA Task Force on InstrumentDevelopment. Genève: WHO, 1987.

  30. Wacker HR, Battegay R, Mullejans R, Schlosser C. Usingthe CIDI-C in the general population. In: Stefanis CN, Rabavilas AD, SoldatosCR, editors. Psychiatry: a world perspective. Amsterdam: Elsevier Science,1990:138-43.

  31. Semler G, editor. Reliabilität und Validitätdes Composite International Diagnostic Interview (Inaugural-Dissertation).Mannheim: Universität Mannheim, 1989.

  32. Spengler PA, Wittchen HU. Procedural validity ofstandardized symptom questions for the assessment of psychotic symptoms– a comparison of the DIS with two clinical methods. Compr Psychiatry1988;29:309-22.

  33. Janca A, Robins LN, Cottler LB, Early IS. Clinicalobservation of assessment using the composite international diagnosticinterview (CIDI). An analysis of the CIDI field trials – wave II at theSt. Louis site. Br J Psychiatry 1992;160:815-8.

  34. Leitmeyer P, editor. Zur Symptomerfassung mit demstandardisierten Interview CIDI-C in der Allgemeinpraxis(Inaugural-Dissertation). Mannheim: Universität Mannheim,1990.

  35. Farmer AE, Katz R, McGuffin P, Bebbington P. A comparisonbetween the present state examination and the composite internationaldiagnostic interview. Arch Gen Psychiatry 1987;44:1064-8.

  36. Farmer AE, Jenkins PL, Katz R, Ryder L. Comparison ofCATEGO-derived ICD-8 and DSM-III classifications using the compositeinternational diagnostic interview in severely ill subjects. Br J Psychiatry1991;158:177-82.

  37. Wittchen HU, Burke JD, Semler G, Pfister H. Recall anddating of psychiatric symptoms: test-retest reliability of time-relatedsymptom questions in a standardized psychiatric interview. Arch GenPsychiatry 1989;46:437-43.

  38. Helzer JE, Robins LN, McEvoy LT, Spitznagel EL, StoltzmanRK, Farmer A, et al. A comparison of clinical and diagnostic interviewschedule diagnoses. Physician reexamination of lay-interviewed cases in thegeneral population. Arch Gen Psychiatry 1985;42:657-66.

  39. Anthony JC, Folstein M, Romanoski AJ, Von Korff MR,Nestadt GR, Chahal R, et al. Comparison of the lay diagnostic interviewschedule and a standardized psychiatric diagnosis. Experience in easternBaltimore. Arch Gen Psychiatry 1985;42:667-75.

  40. Spitzer RL, Williams JBW, Gibbon M, First MB. Thestructured clinical interview for DSM-III-R (SCID). I: history, rationale,and description. Arch Gen Psychiatry 1992;49:624-9.

  41. Folstein MF, Folstein SE, McHugh PR. ‘Mini-mentalstate’. A practical method for grading the cognitive state of patientsfor the clinician. J Psychiatr Res 1975;12:189-98.

  42. StataCorp. Stata Statistical Software: Release 5.0.College Station, TX: Stata Corporation, 1997.

  43. Norusis MJ. SPSS for Windows: Release 6.0. Chicago, Ill.:SPSS, 1993.

  44. Have ML ten, Lorsheyd JJG, Bijl RV, Osterthun P. Jaarboekgeestelijke gezondheidszorg 199596: de GGZ in getallen. Utrecht: DeTijdstroom i.s.m. NcGv en NZi, 1995.

  45. Hodiamont PPG, Veling SHJ. Een model voor het bepalen vanpsychiatrische prevalentie: de relatie GHQ-PSE. Tijdschrift voor Psychiatrie1984;26:592-601.

Auteursinformatie

Trimbos-instituut, Postbus 725, 3500 AS Utrecht.

Dr.R.V.Bijl, socioloog; dr.G.van Zessen, drs.C.de Rijk en mw.drs. Y.Langendoen, psychologen; mw.drs.A.Ravelli, gezondheidswetenschapper.

Contact dr.R.V.Bijl

Reacties