Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II. Prevalentie van psychiatrische stoornissen

Onderzoek
R.V. Bijl
G. van Zessen
A. Ravelli
Citeer dit artikel als: Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:2453-60
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Vaststellen van de prevalentie van psychiatrische stoornissen bij niet in instellingen verblijvende Nederlandse volwassenen.

Opzet

Transversaal.

Plaats

Trimbos-instituut, Utrecht.

Methode

De onderzoeksmethode staat in het vorige artikel (1997:2448-52). In 1996 werden 7076 personen (18-64 jaar) in een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking mondeling geïnterviewd. Met behulp van de ‘Composite international diagnostic interview’ (CIDI) werd de aanwezigheid (ooit, in de voorgaande 12 maanden en in de voorgaande maand) van de volgende stoornissen volgens Diagnostic and statistical manual of mental disorders, 3e herziene druk (DSM-III-R), vastgesteld: stemmingsstoornissen, angststoornissen, eetstoornissen, schizofrenie en andere niet-affectieve psychotische stoornissen, en stoornissen samenhangend met middelengebruik.

Resultaten

Psychiatrische stoornissen kwamen frequent voor: 41,2 van de volwassenen had ooit tenminste 1 stoornis gehad; over de voorgaande 12 maanden was de prevalentie 23,5. Er waren wat dit betreft geen verschillen tussen mannen en vrouwen. Depressie, angst en alcoholmisbruik en -afhankelijkheid kwamen het frequentst voor. Psychiatrische comorbiditeit was een veelvuldig voorkomend verschijnsel, vooral bij vrouwen. De aangetroffen prevalentie van schizofrenie en andere niet-affectieve psychotische stoornissen was laag (‘lifetime’-prevalentie: 0,4).

Inleiding

Zie ook het artikel op bl. 2448.

In dit artikel presenteren wij de cijfers aangaande de prevalentie van psychiatrische diagnosen bij Nederlandse volwassenen van 18-64 jaar volgens de classificatie in de Diagnostic and statistical manual of mental disorders, 3e herziene druk (DSM-III-R).1 Het gaat daarbij om prevalentie ooit in het leven tot het moment van het interview (‘lifetime’-prevalentie), prevalentie gedurende de voorgaande 12 maanden en prevalentie gedurende de voorgaande maand. In de eerste meetronde (1996) van de ‘Netherlands mental health survey and incidence study’ (NEMESIS) werden de diagnosen gesteld met behulp van de ‘Composite international diagnostic interview’ (CIDI), versie 1.1.2-4 NEMESIS is het eerste onderzoek waarbij een volledig gestructureerd psychiatrisch interview wordt afgenomen bij een representatieve steekproef uit de Nederlandse bevolking.

Doel en methoden

De doelstellingen, de steekproeftrekking, de respons, het diagnostische instrument, de kwaliteitsbewaking en de analysen van het NEMESIS-onderzoek staan onder andere in het vorige artikel.56

Resultaten

De prevalentie van psychiatrische stoornissen

Tabel 1 geeft de lifetime-, de 12-maands- en de 1-maandsprevalentie van psychiatrische stoornissen. De lifetimeprevalentie betreft de proportie van de steekproef die ooit voorafgaande aan het interview een stoornis had, terwijl de 12-maands- en de 1-maandsprevalentie gaan over de periode van 12 maanden of 1 maand voor het interview.

Meer dan 4 op de 10 respondenten (41,2) rapporteerden een lifetimeprevalentie van tenminste 1 DSM-III-R-stoornis, zonder significant verschil tussen mannen (42,5) en vrouwen (39,9). Bijna een kwart (23,5) van de respondenten had de voorgaande 12 maanden 1 of meer stoornissen, mannen zowel als vrouwen, en de 1-maandsprevalentie bedroeg 16,5: 1 op de 6.

De meest voorkomende psychiatrische stoornissen waren depressie in engere zin, alcoholmisbruik en fobieën. Meer dan 15 van de respondenten had een voorgeschiedenis met depressie in engere zin, bijna 6 in de voorgaande 12 maanden. Bijna 12 van de respondenten had ooit 1 of meerdere episoden van alcoholmisbruik gehad, 4,6 in de voorgaande 112 maanden. Fobieën hadden lifetimeprevalenties van 10,1 (enkel voudige fobie), 7,8 (sociale fobie) en 3,4 (agorafobie). De 12-maandsprevalenties waren respectievelijk 7,1, 4,8 en 1,6.

Stemmingsstoornissen, angststoornissen en stoornissen samenhangend met middelengebruik hadden een ongeveer even hoge lifetimeprevalentie: ze kwamen voor bij 1 op de 5 respondenten (18,7-19,3). In de voorgaande 12 maanden hadden angststoornissen met 12,4 een hogere prevalentie dan stoornissen samenhangend met middelengebruik (8,9) en stemmingsstoornissen (7,6). Ook op de zeer korte termijn zagen wij ditzelfde patroon: angststoornissen hadden een relatief hoge 1-maandsprevalentie (9,7) in vergelijking met stoornissen in verband met het gebruik van psychoactieve middelen (5,8) en stemmingsstoornissen (3,9).

Hoewel er geen significante sekseverschillen waren in de totale prevalentie van psychiatrische stoornissen gedurende de 3 perioden (bij t-toetsing was p steeds > 0,02 (significantiedrempel: 99)), waren deze er wel voor de afzonderlijke stoornissen. Stemmingsstoornissen kwamen bijna 2 maal zo vaak voor bij vrouwen; in het bijzonder gold dit voor dysthymie. Ook angststoornissen kwamen bij vrouwen ongeveer 2 maal zo vaak voor. Vrouwen rapporteerden hoge percentages paniekstoornissen (lifetimeprevalentie: 5,7 bij vrouwen tegenover 1,9 bij mannen) en fobieën (enkelvoudige fobie: 13,6 tegenover 6,6; sociale fobie: 9,7 tegenover 5,9). De obsessief-compulsieve stoornis was de enige uitzondering: deze kwam meer bij mannen voor. Deze verschillen golden voor alledrie de prevalentieperioden.

Mannen hadden ongeveer 4 maal zo hoge lifetime- en 12-maandsprevalenties bij stoornissen samenhangend met middelengebruik als vrouwen. Alcoholmisbruik was veruit de meest prevalente stoornis met een 4-5 maal zo hoge prevalentie bij mannen (lifetimeprevalentie: 19,3 bij mannen en 3,9 bij vrouwen), gevolgd door alcoholafhankelijkheid (lifetimeprevalentie: 9,0 bij mannen en 1,9 bij vrouwen). Drugsmisbruik en -afhankelijkheid hadden een aanzienlijk lagere lifetimeprevalentie: respectievelijk 1,5 en 1,8.

Eetstoornissen waren laagprevalent en kwamen, hoofdzakelijk in de vorm van boulimia nervosa, vooral voor bij vrouwen. Schizofrenie en andere niet-affectieve psychotische stoornissen kwamen eveneens weinig voor met een lifetimeprevalentie van 0,4 (0,36 voor mannen en 0,34 voor vrouwen; verschil niet significant).

Psychiatrische comorbiditeit

Als in tabel 1 per kolom de prevalentiepercentages worden opgeteld, blijkt dat het totaal veruit de prevalentie van het hebben van tenminste 1 stoornis (de onderste regel in tabel 1) overschreed. Dit duidt op aanzienlijke comorbiditeit. In tabel 2 wordt de mate van comorbiditeit aangegeven. Van de 41,2 respondenten die ooit in hun leven 1 of meerdere stoornissen hadden meegemaakt – overigens niet noodzakelijkerwijs tegelijkertijd – had 22,9 er slechts 1 meegemaakt, 9,3 2, 4,5 3 en 4,7 ? 4. Anders gezegd, bijna de helft (45) van de respondenten met een lifetimeprevalentie van psychiatrische morbiditeit had meer dan 1 psychiatrische stoornis gehad.

Comorbiditeit kwam meer bij vrouwen dan bij mannen voor. Bij 55 (21,839,9) van de vrouwen met een psychiatrisch verleden was er tevens comorbiditeit; dit was het geval bij 36 (15,142,5) van de mannen. De 12-maandscijfers bedroegen 26 bij de mannen en 44 bij de vrouwen.

Psychiatrische comorbiditeit kwam dus veel voor, maar vooral bij een relatief kleine groep. Dit bleek toen wij nagingen in welke mate recente psychische stoornissen (de 12-maandsstoornissen) voorkwamen bij de personen bij wie ooit sterke comorbiditeit was voorgekomen. Dergelijke comorbiditeit (? 3 stoornissen ooit in het leven) kwam voor bij ongeveer eenvijfde deel (9,241,2) van alle mensen die ooit tenminste 1 stoornis hadden gehad; van alle gerapporteerde 12-maandsstoornissen deed zich eenderde (32) voor bij deze relatief kleine groep personen.

Demografische correlaten van psychiatrische morbiditeit

Tabel 3 geeft voor relevante demografische kenmerken de 12-maandsprevalentie per diagnostische groep. Tabel 4 geeft de uitkomsten weer van de logistische regressie-analysen (gecontroleerd voor sekse en leeftijd) die werden uitgevoerd met de demografische kenmerken als voorspellende variabelen voor psychiatrische stoornissen. De odds-ratio's (OR's) geven per demografisch kenmerk voor iedere categorie de sterkte van de samenhang aan. Omdat, zoals wij hiervoor constateerden, comorbiditeit een veelvoorkomend verschijnsel was, werd ook het hebben van 2 of meer stoornissen als uitkomstvariabele in de tabellen opgenomen.

Sekse

Vrouwen hadden hogere prevalenties dan mannen bij stemmingsstoornissen en angststoornissen. Mannen hadden hogere prevalenties bij alcohol- en drugsgebruik. Voor alle stoornissen tezamen waren er geen sekseverschillen. De comorbiditeit was groter bij vrouwen.

Leeftijd

Voor alle stoornissen had de oudste onderzochte groep (55-64-jarigen) de laagste prevalenties. De hoogste prevalentie van stemmingsstoornissen (9,3) kwam voor bij de 35-44-jarigen (zie tabel 3). Bij de angststoornissen ontliepen de verschillende leeftijdscategorieën elkaar niet veel. Stoornissen samenhangend met het gebruik van psychoactieve middelen namen met het stijgen van de leeftijdscategorie sterk af. Er was een hoge prevalentie (21) bij de jongste categorie van 18-24 jaar (OR: 9,60 ten opzichte van de categorie 55-64 jaar); 1 op de 5 jongeren had te maken gehad met een stoornis samenhangend met middelengebruik. Deze hoge prevalentie, vooral veroorzaakt door alcoholmisbruik, leidde ertoe dat jongeren veruit de hoogste 12-maandsprevalentie van alle DSM-III-R-stoornissen tezamen hadden (33,8), evenals de hoogste 12-maandscomorbiditeit (11). Leeftijd was een sterkere determinant van middelenmisbruik en -afhankelijkheid dan van stemmings- en angststoornissen.

Sociaal-economische status

In de tabellen zijn 3 indicatoren voor sociaal-economische status (SES) weergegeven: de hoogste voltooide opleiding, het inkomen en de maatschappelijke situatie van de respondenten. Inkomen werd berekend als het gemiddelde netto-inkomen per persoon van het gezin of het leefverband waarin de respondent verkeerde. De steekproef werd in 3 categorieën verdeeld: de 25 met de hoogste inkomens, de 25 met de laagste inkomens en de 50 met de daartussenin liggende inkomens (de middengroep). De respondenten werd gevraagd, indien zij meerdere maatschappelijke situaties op zichzelf van toepassing achtten, de voor hen belangrijkste aan te geven.

Voor stemmingsstoornissen, voor angststoornissen, voor alle stoornissen tezamen en voor de 12-maandscomorbiditeit gold dat de prevalentie hoger was naarmate het inkomen lager was. De enige uitzondering werd gevormd door stoornissen samenhangend met middelengebruik, waarbij er geen significante verschillen waren tussen de inkomensgroepen.

Bij het opleidingsniveau was het beeld in grote lijnen hetzelfde. De laagst opgeleiden hadden de hoogste prevalenties, de hoogst opgeleiden (hoger beroepsonderwijs en universitair niveau) de laagste. Bij stoornissen samenhangend met middelengebruik was er echter geen significant verschil tussen de opleidingsniveaus.

De derde indicator voor de SES, de maatschappelijke situatie, toonde dat psychiatrische stoornissen bij mensen met betaald werk en bij studenten en scholieren het minst voorkwamen. Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid daarentegen correleerden sterk met alle stoornissen en met comorbiditeit. Bij gepensioneerden kwamen relatief veel stemmingsstoornissen voor, evenals comorbiditeit.

Samenstelling huishouden

Sterk voorspellend voor alle stoornissen en voor comorbiditeit waren het behoren tot een eenoudergezin en, in iets minder sterke mate, het alleenwonend zijn. Comorbiditeit kwam veel voor bij alleenstaande ouders (OR: 2,83). Mensen met een partner (al dan niet met kinderen) hadden bij alle uitkomstvariabelen de laagste prevalenties.

Stedelijkheid

Bij mensen wonend in landelijke regio's (de 20 van Nederland met de laagste omgevingsadressendichtheid volgens de indeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)) kwamen lagere prevalenties voor van stemmings- en middelenstoornissen, van alle stoornissen tezamen en van comorbiditeit. Er waren geen significante verschillen tussen de stad en het platteland wat betreft angststoornissen.

Traumatisch verleden

Behalve de huidige leefsituatie kunnen ook gebeurtenissen in de jeugd een rol spelen bij het optreden van psychopathologische stoornissen.78 Om de invloed van dergelijke gebeurtenissen na te gaan werd de respondenten gevraagd of zij ouders hadden (gehad) met psychiatrische stoornissen; verder werd geïnformeerd naar de geschiedenis van de respondenten zelf wat betreft verwaarlozing en mishandeling. In beide gevallen ging het dus om een reconstructie van het eigen levensverhaal door de respondenten. Er werd gevraagd of één van de ouders of beiden één van de volgende ziekten of problemen (gehad) had(den): depressie, wanen of hallucinaties, angststoornis of fobie, of overmatig alcoholgebruik; ook werd gevraagd of er door ouders suïcide was gepleegd. Aan de respondent werd de vraag gesteld of deze voor zijn of haar 16e jaar meer dan eens emotioneel was verwaarloosd, psychisch of lichamelijk was mishandeld of tegen de wil seksueel was benaderd. Bij elke vraag werd toegelicht wat onder het betreffende begrip verstaan moest worden. Zo werd bij de vraag naar psychische, dus niet-lichamelijke, mishandeling als toelichting vermeld: ‘Daarmee bedoel ik: uitschelden, onterecht straffen, achterstellen bij broers of zussen, chantage en dergelijke.’

Er bleek een sterk toegenomen kans op alle psychiatrische stoornissen en op comorbiditeit te bestaan voor mensen met een geschiedenis van verwaarlozing en mishandeling of met een psychiatrische (voor)geschiedenis van de ouders. De samenhang van een traumatisch verleden met stoornissen ten aanzien van het gebruik van psychoactieve middelen was weliswaar significant, maar aanzienlijk minder sterk dan die met stemmings- en angststoornissen. Een ‘moeilijke jeugd’ leidde dus eerder tot depressie en angststoornissen dan tot middelenmisbruik en -afhankelijkheid.

Beschouwing

Prevalentie

De NEMESIS-resultaten laten zien dat psychiatrische stoornissen in de bevolking frequent voorkomen: 41,2 van de respondenten rapporteerde dat zij ooit 1 of meer psychiatrische stoornissen hadden meegemaakt; 19,0 had te maken gehad met stemmingsstoornissen, 19,3 met angststoornissen en 18,7 met stoornissen in verband met het gebruik van psychoactieve middelen. De 12-maandsprevalentie was 23,5, waarbij angststoornissen (12,4) meer voorkwamen dan stemmingsstoornissen (7,6) en stoornissen in verband met middelengebruik (8,9). De prevalentie in de maand voorafgaande aan het interview bedroeg 16,5 (9,7 voor angststoornissen, 3,9 voor stemmingsstoornissen en 5,8 voor stoornissen samenhangend met middelengebruik). De relatief hoge ratio tussen 12-maands- en lifetimeprevalentie van angststoornissen duidt aan dat er bij deze aandoeningen vaker sprake is van een chronisch karakter of van terugvalverschijnselen dan bij stemmingsstoornissen en bij stoornissen in verband met middelengebruik.

Vergelijking van de NEMESIS-resultaten met ander Nederlands onderzoek is slechts beperkt mogelijk omdat nog niet eerder een landelijk onderzoek naar gestandaardiseerde DSM-III-R-diagnosen is uitgevoerd. Het ‘Regioproject Nijmegen’ gebruikte bij 481 respondenten de ‘Present state examination’ (PSE), een klinisch interview waarmee een kleiner aantal stoornissen vastgesteld kan worden.910 De 1-maandsprevalentie bedroeg in dat onderzoek 7,3 (95-betrouwbaarheidsinterval (95-BI): 5,5-9,2); deze uitkomst was aanzienlijk lager en had een veel grotere betrouwbaarheidsmarge dan die van NEMESIS (16,5; 15,6-17,3). In de ‘Filterstudie Amsterdam Oost en Zuidoost’ werd de ‘Diagnostic interview schedule’ (DIS) gebruikt,11 de voorloper van de CIDI, die diagnosen genereert volgens de inmiddels niet meer gebruikte DSM-III-systematiek.12 In dit onderzoek werden een totale lifetimeprevalentie van 50,8 en een 12-maandsprevalentie van 26,3 gevonden. Betrouwbaarheidsintervallen werden niet gepubliceerd, maar deze zullen aanzienlijk zijn, gezien de kleine steekproef (n = 315).

Vergelijking met de ‘National comorbidity survey’,13 en de ‘Mental health supplement to the Ontario health survey’,1415 beide grote transversale bevolkingsonderzoeken in respectievelijk de VS en Canada (Ontario) met een vergelijkbare opzet en een vergelijkbaar instrumentarium (CIDI als psychiatrisch interview), leert dat de algehele prevalentie van psychiatrische problematiek in Nederland een middenpositie inneemt. De prevalentie ooit in het leven was 41,2 in Nederland tegen 48 in de VS en 35 in Canada. De respectieve getallen voor de 12-maandsprevalentie zijn 23,5 (NEMESIS), 29 en 18. Hierbij moet vermeld worden dat in het Amerikaanse en het Canadese onderzoek geen eetstoornissen waren betrokken; verder kwamen in deze onderzoeken dezelfde diagnosen voor als in het NEMESIS-onderzoek, met nog één extra: de anti-sociale persoonlijkheidsstoornis (lifetimeprevalentie: 3,5).

De prevalentie van stemmingsstoornissen in de afgelopen 12 maanden was in Nederland met 7,6 lager dan in de VS (11,3), maar hoger dan in Canada (4,8); vooral depressie in engere zin was in Nederland veel minder prevalent dan in de VS (5,8 tegen 10,3). Ook angststoornissen komen in de VS meer voor (12-maandsprevalentie: 17,2, tegen 12,4 in Nederland); Nederland en Canada hebben dezelfde prevalentie. Stoornissen in verband met het gebruik van psychoactieve middelen zijn in de VS met 11,3 eveneens prevalenter dan in Nederland (8,9) en Canada (5,6). De aard van de stoornissen samenhangend met middelengebruik verschilt echter tussen de drie landen. In de VS zijn de 12-maandsprevalenties van drugsmisbruik en -afhankelijkheid respectievelijk 0,8 en 2,8, in Nederland waren deze lager met 0,5 en 0,8. Canada heeft iets meer drugsmisbruik dan Nederland (0,9), maar de prevalentie van drugsafhankelijkheid is nagenoeg identiek (0,7). In Nederland was er met 4,6 meer alcoholmisbruik (VS: 2,5; Canada: 1,8). In vergelijking met de VS kende ons land de helft minder alcoholafhankelijkheid (Nederland: 3,7; VS: 7,2); in dat opzicht was Nederland vergelijkbaar met Canada (3,0).

Wij vonden een lage prevalentie voor schizofrenie en andere niet-affectieve psychotische stoornissen (lifetimeprevalentie: 0,4; prevalentie in de voorgaande 12 maanden: 0,2). Deze percentages zijn aanzienlijk lager dan men tot nog toe – op basis van de veronderstelling dat buitenlandse cijfers ook voor Nederland geldig zouden zijn – heeft aangenomen.16 In het ‘Regioproject Nijmegen’ was, via de PSE, de maandprevalentie geschat op 0,6. In het Amerikaanse onderzoek heeft men – eveneens na een klinisch herinterview – een lifetimeprevalentie van 0,7 en een 12-maandsprevalentie van 0,5 gevonden. Een overzicht van schizofrenieonderzoeken sinds 1948 toont overigens dat er, ook als men rekening houdt met methodologische beperkingen, verschillen zijn in prevalenties in diverse bevolkingsgroepen en landen in de orde van grootte van een factor 10.17

Het feit dat psychiatrische stoornissen zo veel voorkomen, maakt het – zowel om financieel-economische redenen,18 als om redenen van adequaatheid en gepastheid van zorg19 – belangrijk om na te gaan op welke wijze mensen met hun stoornis omgaan, wie er waar hulp voor zoekt, en welke groepen misschien zorg ontberen. Vermoed kan worden dat de verschillende diagnose- en bevolkingsgroepen een verschillende intensiteit en uiteenlopende vormen van zorgconsumptie laten zien,20 en dat er in veel gevallen geen noodzaak tot professionele behandeling is. In toekomstige NEMESIS-publicaties zal dit aan de orde komen.

Comorbiditeit

Psychiatrische comorbiditeit kwam veel voor. Van alle mensen die tenminste 1 stoornis in hun leven hadden gehad, had bijna de helft er meer dan 1 meegemaakt. Comorbiditeit kwam bij vrouwen meer voor dan bij mannen (lifetimeprevalentie: respectievelijk 55 en 36; 12-maandsprevalentie: respectievelijk 44 en 26). De 12-maandscomorbiditeit in Nederland lag tussen die in de VS en die in Canada in: het percentage personen met 2 of meer stoornissen gedurende 12 maanden was 8,2, in de VS 12 en in Canada 5,9.21

Een relatief kleine groep personen werd extra zwaar belast: eenderde van alle 12-maandsstoornissen vonden wij bij een kleine groep (9,2) van de bevolking die 3 of meer stoornissen had (gehad). Deze uitkomsten geven aan dat een gedetailleerd onderzoek naar deze comorbide groepen met een hoge belasting en wellicht met een grote zorgconsumptie nodig is.2223 Het longitudinale karakter van het NEMESIS-onderzoek maakt het mogelijk om op een lager aggregatieniveau in te gaan op de patronen en het beloop van de comorbiditeit, op de stabiliteit in de tijd en de volgorde van het ontstaan van stoornissen, en op de gevolgen voor zorggebruik en sociaal functioneren.

Determinanten

De gevonden determinanten, die gecorrigeerd werden voor sekse en leeftijd, stemden voor een deel overeen met die uit eerder onderzoek. NEMESIS bevestigde het uit buitenlands onderzoek bekende feit dat vrouwen meer stemmings- en angststoornissen hebben en mannen meer stoornissen in verband met het gebruik van psychoactieve middelen,24-26 en dat in stedelijke gebieden meer psychiatrische morbiditeit voorkomt dan in plattelandsgebieden.27 De globale tweedeling die wij hier hanteerden, gaf een duidelijk verschil te zien: de 12-maandsprevalentie voor alle stoornissen tezamen lag in stedelijke gebieden 30 hoger dan op het platteland.

De bestudering van de SES leverde interessante uitkomsten op. Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid vergrootten sterk de kans op psychiatrische stoornissen en op comorbiditeit. Dit is in overeenstemming met eerder onderzoek.28 Bij de factor ‘inkomen’ was het beeld minder eenduidig. Personen met een lager inkomen en personen met een lage opleiding hadden weliswaar een grotere kans op stemmings- en angststoornissen, maar niet op stoornissen in verband met middelengebruik. Stoornissen samenhangend met middelengebruik (vooral overmatig gebruik van alcohol) leken gelijkelijk over de bevolking gespreid te zijn en leken niet aan sociale klasse gebonden. Deze laatste uitkomst wijkt af van CBS-bevindingen:29 het CBS stelde, met een andere vraagstelling dan in de CIDI te vinden is, vast dat het percentage zwaardere drinkers bij lager opgeleiden na controle voor leeftijd en geslacht hoger is. Vergelijking van onze resultaten met betrekking tot de SES met die van ander onderzoek is moeilijk, omdat met SES samenhangende psychische gezondheidsverschillen in Nederland nog weinig aandacht hebben gehad. Wel is er onderzoek waarbij algemene screeningsvariabelen voor ‘zich niet wel voelen’ zijn gebruikt, maar er is geen onderzoek gedaan waarbij voor afzonderlijke stoornissen het verband is onderzocht.30-32

Opvallend was dat de 12-maandsprevalentie van stoornissen in verband met middelengebruik bij jongeren onder de 25 jaar zeer hoog was, wat vooral veroorzaakt werd door de diagnose ‘alcoholmisbruik’; 1 op de 3 jongeren voldeed aan de DSM-III-R-criteria voor deze stoornis. Met het stijgen van de leeftijd (zie de hogere leeftijdscategorieën) daalde de prevalentie sterk, wat lijkt te bewijzen dat een groot alcoholgebruik deel uitmaakt van de jongvolwassenheid en van voorbijgaande aard is. Onze indruk is overigens wel dat de DSM-III-R-criteria voor deze stoornis voor Nederlandse begrippen weinig valide zijn. De kern van de diagnose is ‘een patroon van onaangepast gebruik van alcohol’, en de criteria daarbij zijn allesbehalve streng te noemen.

Onze resultaten wijzen ook op grote psychische kwetsbaarheid van alleenstaande ouders, van mensen wier ouders psychiatrische problemen hebben of hadden en van mensen met traumatische gebeurtenissen in de jeugd. Hoewel er bij dit laatste sprake kan zijn van gekleurde perceptie duiden de grote verschillen in OR's tussen mensen met en zonder een traumatisch verleden erop dat zo'n verleden een sterk voorspellende variabele is voor psychiatrische morbiditeit en comorbiditeit. Kwetsbaarheid – en veranderingen daarin – zal een van de belangrijke thema's van het NEMESIS-onderzoek zijn in de komende jaren.

Wij danken drs.F.Smit, methodoloog, Trimbos-instituut, Utrecht, prof.dr.J.Ormel, hoogleraar Sociale Psychiatrie, Rijksuniversiteit Groningen, prof.dr.W.van den Brink, klinisch epidemioloog, Universiteit van Amsterdam, en dr.H.Verkleij, medisch socioloog, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Bilthoven, voor hun commentaar.

Het NEMESIS-onderzoek wordt uitgevoerd door het Trimbos-instituut. Financiële ondersteuning is afkomstig van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)-Medische Wetenschappen en het RIVM.

Literatuur

  1. American Psychiatric Association (APA). Diagnostic andstatistical manual of mental disorders. 3rd rev. ed. Washington: APA,1987.

  2. Smeets RMW, Dingemans PMAJ. Composite internationaldiagnostic interview (CIDI). Versie 1.1. Amsterdam: World HealthOrganization, 1993.

  3. World Health Organization (WHO). Composite internationaldiagnostic interview (CIDI). Version 1.0. Genève: WHO, 1990.

  4. Robins LN, Wing J, Wittchen HU, Helzer JE, Babor TF, BurkeJ, et al. The composite international diagnostic interview. An epidemiologicinstrument suitable for use in conjunction with different diagnostic systemsand in different cultures. Arch Gen Psychiatry 1988;45:1069-77.

  5. Bijl RV, Zessen G van, Ravelli A, Rijk C de, Langendoen Y.Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: hetNEMESIS-onderzoek. I. Doelstellingen, opzet en methoden.Ned Tijdschr Geneeskd1997;141:2448-52.

  6. Bijl R, Zessen G van. Protocol Nemesis (Netherlands mentalhealth survey and incidence study): een longitudinaal onderzoek naarprevalentie, incidentie, beloop en gevolgen van psychische problematiek in debevolking. Utrecht: NcGv, 1995.

  7. Bifulco AT, Brown GW, Harris TO. Childhood loss of parent,lack of adequate parental care and adult depression: a replication. J AffectDisord 1987;12:115-28.

  8. Bifulco A, Brown GW, Harris TO. Childhood experience ofcare and abuse (CECA): a retrospective interview measure. J Child PsycholPsychiatry 1994;35:1419-35.

  9. Hodiamont PPG. Het zoeken van zieke zielen: een onderzoekomtrent diagnostiek, epidemiologie en hulpzoekgedrag in het kader van desociale psychiatrie proefschrift. Nijmegen: KatholiekeUniversiteit Nijmegen, 1986.

  10. Furer JW, Tax B, redacteuren. Somatische klachten,psychiatrische symptomen en psychosociale problemen: prevalentie,overlappingen en verbanden met demografische variabelen. Nijmegen: Instituutvoor Sociale Geneeskunde, 1987.

  11. Limbeek J van, Berg CEA van den, Sergeant JA, GeerlingsPJ, Fransman JML, redacteuren. Patiënt, stoornis en zorg: een onderzoeknaar de prevalentie, het ziektebeloop en de herkenning van psychischestoornissen in Amsterdam Oost en Zuidoost. Amsterdam: GG&GD enUniversiteit van Amsterdam, 1994.

  12. American Psychiatric Association (APA). Diagnostic andstatistical manual of mental disorders. 3rd ed. Washington: APA,1980.

  13. Kessler RC, McGonagle KA, Zhao S, Nelson CB, Hughes M,Eshleman S, et al. Lifetime and 12-month prevalence of DSM-III-R psychiatricdisorders in the United States. Results from the national comorbidity survey.Arch Gen Psychiatry 1994;51:8-19.

  14. Lin E, Goering P. Ontario health supplement: content andmethod. Toronto: The Clarke Institute of Psychiatry, 1992.

  15. Offord DR, Boyle MH, Campbell D, Goering P, Lin E, WongM, et al. One-year prevalence of psychiatric disorder in Ontarians 15 to 64years of age. Can J Psychiatry 1996;41:559-63.

  16. Idenburg PhA, Ketting E, Bijl RV (in opdracht vanStuurgroep Toekomstscenario's Gezondheidszorg). Zorgen voor geestelijkegezondheid in de toekomst: toekomstscenario's geestelijkevolksgezondheid en geestelijke gezondheidszorg 1990-2010. Utrecht: Bohn,Scheltema & Holkema, 1990.

  17. Torrey EF. Prevalence studies in schizophrenia. Br JPsychiatry 1987;150:598-608.

  18. Donker M, Arends L, Gageldonk A van, Roijen L van, SmitF, Bijl R. Prioriteiten voor kosten-effectiviteitsonderzoek in de GGZ.Utrecht: iMTA en NcGv, 1996.

  19. Rigter H. Passend gebruik van het begrip‘gepast’ in discussies over de gezondheidszorg.Ned Tijdschr Geneeskd1994;138:4-7.

  20. Horwitz AV. Seeking and receiving mental health care.Curr Opin Psychiatry 1996;9:158-61.

  21. Kessler RC, Frank RG, Edlund M, Katz SJ, Lin E, Leaf P.Differences in the use of psychiatric outpatient services between the UnitedStates and Ontario. N Engl J Med 1997;336:551-7.

  22. Wittchen HU. What is comorbidity – fact orartefact? Br J Psychiatry 1996;168(Suppl 30):7-8.

  23. Wittchen HU. Critical issues in the evaluation ofcomorbidity of psychiatric disorders. Br J Psychiatry 1996;168 (Suppl30):9-16.

  24. Ormel J, Sytema S, Olehinkel AJ. Epidemiologischeaspecten van angst. In: Boer JA den, Westenberg HGM, redacteuren. Leerboekangststoornissen. Utrecht: De Tijdstroom, 1995:82-125.

  25. Hoofdakker RH van den, Albersnagel FA, Cuyper H de.Stemmingsstoornissen. In: Vandereycken W, Hoogduin CAL, Emmelkamp PMG,redacteuren. Handboek psychopathologie. Deel 1. Houten: Bohn Stafleu VanLoghum, 1994:164-203.

  26. Derks J. Verslavingsziekten. In: Ruwaard D, Kramers PGN,redacteuren. Volksgezondheid toekomst verkenning: de gezondheidstoestand vande Nederlandse bevolking in de periode 1950-2010. Den Haag: SDU,1993:334-42.

  27. Hodiamont PPG, Sijben AES, Koeter MWJ, Oldehinkel AJ.Psychiatrische problematiek en urbanisatiegraad. Tijdschr Psychiatrie1992;34:426-38.

  28. Hodiamont P, Peer N, Syben N. Epidemiological aspects ofpsychiatric disorder in a Dutch health area. Psychol Med1987;17:495-505.

  29. Baal M van. Gezondheidsenquête. Trendcijfersgezondheidsenquête; aspecten van (on)gezond gedrag, 1989-1995. MndberGezondheid 1996;9:4-9.

  30. Programmacommissie sociaal-economischegezondheidsverschillen. Onderzoeksprogramma sociaal-economischegezondheidsverschillen: eindverslag en aanbevelingen. Rijswijk: Ministerievan Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, 1994.

  31. Vereijken I, Bauduin D. Sociale klasse, sekse enpsychische problemen. Een verkennend literatuuronderzoek op het terrein vande psychiatrische epidemiologie. Utrecht: NcGv, 1992.

  32. Mackenbach JP. Socio-economic health differences in theNetherlands: a review of recent empirical findings. Soc Sci Med 1992;34:213-26.

Auteursinformatie

Trimbos-instituut, Postbus 725, 3500 AS Utrecht.

Dr.R.V.Bijl, socioloog; dr.G.van Zessen, psycholoog; mw.drs.A.

Ravelli, gezondheidswetenschapper.

Contact dr.R.V.Bijl

Reacties