Psychiatrische morbiditeit onder volwassenen in Nederland: het NEMESIS-onderzoek. II. Prevalentie van psychiatrische stoornissen
Open

Onderzoek
16-12-1997
R.V. Bijl, G. van Zessen en A. Ravelli

Doel.

Vaststellen van de prevalentie van psychiatrische stoornissen bij niet in instellingen verblijvende Nederlandse volwassenen.

Opzet.

Transversaal.

Plaats.

Trimbos-instituut, Utrecht.

Methode.

De onderzoeksmethode staat in het vorige artikel (1997:2448-52). In 1996 werden 7076 personen (18-64 jaar) in een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking mondeling geïnterviewd. Met behulp van de ‘Composite international diagnostic interview’ (CIDI) werd de aanwezigheid (ooit, in de voorgaande 12 maanden en in de voorgaande maand) van de volgende stoornissen volgens Diagnostic and statistical manual of mental disorders, 3e herziene druk (DSM-III-R), vastgesteld: stemmingsstoornissen, angststoornissen, eetstoornissen, schizofrenie en andere niet-affectieve psychotische stoornissen, en stoornissen samenhangend met middelengebruik.

Resultaten.

Psychiatrische stoornissen kwamen frequent voor: 41,2 van de volwassenen had ooit tenminste 1 stoornis gehad; over de voorgaande 12 maanden was de prevalentie 23,5. Er waren wat dit betreft geen verschillen tussen mannen en vrouwen. Depressie, angst en alcoholmisbruik en -afhankelijkheid kwamen het frequentst voor. Psychiatrische comorbiditeit was een veelvuldig voorkomend verschijnsel, vooral bij vrouwen. De aangetroffen prevalentie van schizofrenie en andere niet-affectieve psychotische stoornissen was laag (‘lifetime’-prevalentie: 0,4).