Parenterale ijzertoediening bij hart- of nierfalen

Klinische praktijk
Michele F. Eisenga
Adry Diepenbroek
Dorine W. Swinkels
Stephan J.L. Bakker
Peter van der Meer
Carlo A.J.M. Gaillard
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A8769
Abstract
Download PDF

Samenvatting

  • IJzergebrek en anemie komen vaak voor bij patiënten met chronische nierschade of chronisch hartfalen. Beide gaan gepaard met verminderde kwaliteit van leven en hogere mortaliteit.
  • Behandeling van anemie met erytropoëtische groeifactoren brengt hierin geen verbetering. Daarom is de laatste jaren de aandacht verschoven naar het corrigeren van ijzergebrek.
  • Chronische inflammatie bij chronische nierschade verhoogt de productie van hepcidine. Hepcidine remt de opname van ijzer uit de darm en leidt tot minder efficiënt hergebruik van ijzer uit de macrofagen.
  • Bij absoluut ijzergebrek is de lichaamsijzervoorraad verlaagd. Bij relatief ijzergebrek is de aanvoer van ijzer onvoldoende voor de ijzerbehoefte van het beenmerg.
  • Een niet-afwijkende of hoge ferritineconcentratie sluit een ijzergebrek van de weefsels niet uit. De ijzerverzadingsfractie is hiervoor geschikter.
  • Behandeling van ijzergebrek bij patiënten met hartfalen met parenteraal toegediend ijzer verbetert de symptomen, ongeacht het effect op de Hb-waarde.
  • Het effect van parenteraal ijzer op mortaliteit en morbiditeit is niet bekend.
Leerdoelen
  • Behandeling van anemie is mogelijk met ijzer of erytropoëtische groeifactoren.
  • IJzergebrek gaat gepaard met klinische symptomen en een slechtere prognose bij patiënten met chronische nierschade of chronisch hartfalen, onafhankelijk van de anemie.
  • Bij een deel van deze populatie is orale ijzersuppletie effectief.
  • Parenterale ijzersuppletie is effectiever dan orale ijzersuppletie en wordt beter verdragen.
  • IJzersuppletie verbetert de kwaliteit van leven en de inspanningstolerantie bij patiënten met chronisch hartfalen.
  • De voordelen van het gebruik van parenteraal ijzer lijken op te wegen tegen de nadelen, maar hiervoor is nog geen bewijs uit studies met harde uitkomstmaten.

artikel

Anemie komt frequent voor bij patiënten met chronische nierschade of chronisch hartfalen.1 Anemie kan gepaard gaan met vermoeidheid, verminderde inspanningstolerantie en mortaliteit; verondersteld werd dat behandeling bij deze patiënten zou leiden tot een betere overleving.

Sinds eind jaren 80 worden erytropoëtische groeifactoren gebruikt voor de behandeling van anemie. Deze behandeling vermindert bij hemodialysepatiënten de noodzaak van bloedtransfusies. Toch bleek het risico op cardiovasculaire ziektes en sterfte niet af te nemen bij patiënten bij wie de hemoglobineconcentratie genormaliseerd was door gebruik van erytropoëtische groeifactoren.2 Ook bij anemische patiënten met chronisch hartfalen gaf deze behandeling geen vermindering van de sterfte of het aantal ziekenhuisopnames.3 Post-hocanalyses lieten zien dat het risico op sterfte of ziekenhuisopname vooral verhoogd was bij patiënten die relatief ongevoelig waren voor erytropoëtische groeifactoren en die daarom met hoge doseringen erytropoëtische groeifactoren behandeld werden.

Een van de belangrijkste oorzaken van ongevoeligheid voor erytropoëtische groeifactoren is ijzergebrek.4 Door het beschikbaar komen van makkelijk toe te dienen intraveneuze ijzerpreparaten wordt de behandeling bij patiënten met chronische nierschade of hartfalen steeds vaker gericht op het ijzergebrek. Hierbij speelt ook het grote verschil in kosten tussen ijzersuppletie en erytropoëtische groeifactoren een belangrijke rol. In de Verenigde Staten heeft dit al tot aantoonbare wijzigingen in het voorschrijfpatroon geleid.5

In dit artikel bespreken wij de recente inzichten in de pathofysiologie, de diagnostische mogelijkheden en de behandeling met parenteraal ijzer bij patiënten met chronische nierschade of chronisch hartfalen.

Pathofysiologie en klinisch beeld van ijzergebrek

De rol van ijzer in het lichaam

IJzer is een essentieel element voor de synthese van hemoglobine en van myoglobine in het hart en de skeletspieren. Daarnaast is het betrokken bij verschillende cellulaire processen, zoals DNA-synthese en mitochondriale functie (energiestofwisseling). In verband met de toxiciteit van ‘vrij ijzer’ – ongebonden ijzer-ionen en reactieve ijzercomplexen – is het meeste ijzer in het lichaam gebonden aan hemoglobine, myoglobine, cytochromen en andere ijzer-bindende eiwitten, zoals transferrine en ferritine.6

Mechanismen

Grofweg zijn er 2 verschillende mechanismen waardoor ijzergebrek kan ontstaan; we onderscheiden functioneel en absoluut ijzergebrek.

Functioneel ijzergebrek betekent dat het aanbod van ijzer in de weefsels – zoals het beenmerg – onvoldoende is ondanks de aanwezigheid van voldoende ijzer in het lichaam. Hierbij speelt hepcidine een centrale rol. Hepcidine is een acutefase-eiwit dat geproduceerd wordt door de lever en dat wordt beschouwd als de belangrijkste regulator van het ijzermetabolisme.7 Bepaalde factoren, waaronder pro-inflammatoire cytokinen, verhogen de productie van hepcidine, wat de opname van ijzer uit de darm en het vrijkomen van ijzer uit het reticulo-endotheliale systeem antagoneert (figuur 1). Hepcidine remt dit ijzertransport door zich te binden aan het ijzerexporterende eiwit ferroportine, op de celmembraan van dunnedarmcellen en macrofagen. Door afbraak van het ferroportine kunnen dunnedarmcellen geen ijzer uitscheiden in de portale bloedvaten en blijft het ijzer ‘opgesloten’ in het reticulo-endotheliale systeem.

In het geval van absoluut ijzergebrek is de absolute ijzervoorraad verlaagd, bijvoorbeeld als gevolg van gastro-intestinaal bloedverlies. De hepcidineconcentratie zal onder deze omstandigheden doorgaans laag zijn. Langdurig hoge hepcidinewaarden kunnen leiden tot een absoluut verlaagde hoeveelheid ijzer in het lichaam door verminderde ijzeropname, maar wanneer absoluut ijzergebrek wordt vastgesteld moet altijd onderzoek naar een andere oorzaak – bijvoorbeeld gastro-intestinaal bloedverlies – worden overwogen.

Klinische verschijnselen

IJzergebrek bij patiënten met chronisch hartfalen uit zich klinisch in vermoeidheid, verminderde inspanningstolerantie en verminderde concentratie, maar ook in een verhoogd risico op infecties, gestoorde temperatuurregulatie, ‘restless legs’, trofische stoornissen en psychologische symptomen als nervositeit en depressieve stemming. Deze klachten kunnen onafhankelijk van anemie optreden.8 Deze opsomming van klinische verschijnselen is overigens gebaseerd op relatief kleine observationele cohortstudies.

In de ‘Ferinject assessment in patients with iron deficiency and chronic heart failure’(FAIR-HF)-studie werd bevestigd dat bij correctie van ijzergebrek de symptomen afnemen en de kwaliteit van leven en functionele capaciteit verbeteren, ook bij niet-anemische patiënten met chronisch hartfalen en ijzergebrek.9 Bij patiënten met chronische nierschade leidt ijzerdeficiëntie op zich al tot symptomen die vaak in verband gebracht worden met anemie, zoals vermoeidheid, gestoorde temperatuurregulatie en gestoorde cognitieve functie.10

Diagnostiek van ijzergebrek

Het vaststellen van ijzergebrek is niet eenvoudig (tabel 1). De vaakst gebruikte ijzerparameters zijn de serumferritineconcentratie en de transferrineverzadiging.

De serumferritineconcentratie weerspiegelt de ijzervoorraad van het lichaam. Een lage concentratie ferritine is specifiek voor absoluut ijzergebrek. Hoge ferritinewaarden garanderen echter geenszins dat er voldoende ijzer beschikbaar is voor de aanmaak van erytrocyten in het beenmerg. Ferritine is een acutefase-eiwit en daardoor is de concentratie verhoogd bij inflammatie, overgewicht en maligniteiten. Bovendien verhogen inflammatoire cytokinen de hepcidineconcentratie, waardoor het in het lichaam aanwezige ijzer ‘opgesloten’ raakt in het reticulo-endotheliale systeem. Een niet-afwijkende of verhoogde ferritineconcentratie sluit een functioneel – of zelfs absoluut – ijzergebrek dus niet uit.

De ijzerverzadigingsfractie of transferrinesaturatie geeft de verzadigingsgraad weer van circulerend transferrine, het transporteiwit waaraan het grootste deel van het circulerend ijzer is gebonden. De transferrinesaturatie is een goede maat voor de hoeveelheid ijzer die beschikbaar is voor het beenmerg en de weefsels. Maar ook deze parameter heeft beperkingen. Ten eerste vertoont de ijzerverzadigingsfractie bij gezonde personen een diurnaal ritme, wat mogelijk ook bij patiënten met chronische nierschade of hartfalen van belang kan zijn. Ten tweede wordt de transferrinesaturatie door voeding beïnvloed, waardoor de waarde eveneens fluctueert.11 Ten derde dalen de serumconcentraties van zowel ijzer als transferrine bij inflammatie, maar die van ijzer meer dan die van transferrine, waardoor de transferrinesaturatie per saldo daalt.

In de praktijk worden beide parameters – ferritine en transferrinesaturatie – simultaan gebruikt. Volgens de recentste ‘Kidney disease improving global outcomes’(KDIGO)-richtlijnen is het advies aan patiënten met chronische nierschade om te starten met intraveneus toegediend ijzer als de transferrinesaturatie ≤ 30% en de ferritineconcentratie ≤ 500 ng/ml is.12

Naast de serumferritineconcentratie en de ijzerverzadigingsfractie bestaan er andere parameters om te bepalen hoeveel ijzer beschikbaar is voor de aanmaak van erytrocyten. Hieronder vallen het percentage hypochrome erytrocyten en het Hb-gehalte van de reticulocyten. De voor- en nadelen van deze parameters staan vermeld in tabel 1.

Behandeling ijzergebrek

Voor behandeling van het ijzergebrek kan gebruik worden gemaakt van orale en parenterale ijzerpreparaten. Zowel orale als parenterale suppletie heeft beperkingen. Orale ijzerpreparaten zijn goedkoop en soms wel degelijk effectief.2 Niet al het ijzer uit deze preparaten kan echter in de dunne darm worden opgenomen. Het resterende ijzer geeft gastro-intestinale bijwerkingen, waardoor de therapietrouw afneemt. Om deze reden worden een aantal nieuwe orale ijzerpreparaten onderzocht, zoals ijzer(III)citraat, een middel dat een gecombineerd effect heeft als fosfaatbinder én ijzerpreparaat,13 en heem-ijzer-polypeptide (HIP), een middel waarbij de ijzeropname onafhankelijk is van hepcidine.14

Bij patiënten met chronische nierschade zijn parenterale ijzerpreparaten effectiever dan de orale varianten voor het verhogen van de ferritine- en de Hb-concentratie, zo is uit meerdere studies gebleken.2,4 Dankzij de parenterale toediening wordt het gastro-intestinale traject overgeslagen en kunnen hogere doses in kortere tijd worden gegeven. De ‘Dialysis patients’ response to IV iron with elevated ferritin’(DRIVE)-studie liet zien dat parenteraal toegediend ijzer de hemoglobinewaarden laat stijgen; bovendien verminderde de behoefte aan erytropoëtische groeifactoren bij de hemodialysepatiënten met een verhoogde ferritineconcentratie (500-1200 μg/l) en een lage ijzerverzadigingsfractie (≤ 25%).15

Bij patiënten met chronisch hartfalen is tot op heden maar 1 kleine studie verricht waarin orale met parenterale ijzersuppletie werd vergeleken. Bij 23 patiënten met systolisch hartfalen werd geen verschil gezien in verandering van het inspanningsvermogen tussen beide groepen.16 Een goede, prospectieve vergelijking tussen orale en parenterale ijzersuppletie bij patiënten met ijzergebrek en hartfalen ontbreekt dus.

Voor- en nadelen parenteraal ijzer

Hoewel parenterale toediening van ijzer zeker effectiever is dan orale behandeling, zijn daar ook nadelen aan verbonden, in elk geval op theoretische gronden. Doorgaans worden deze potentiële nadelen onderverdeeld in (a) toedieningsreacties, (b) verhoogd infectierisico, (c) verhoging van oxidatieve stress, en (d) ijzerstapeling.

Op korte termijn kan parenterale ijzertoediening gepaard gaan met reacties die het gevolg zijn van ‘vrij ijzer’ en met anafylactische reacties. Bij een te hoge dosis parenteraal ijzer of te snelle toediening kan er zo veel vrij ijzer in de bloedbaan komen, dat dit de ijzerbindingscapaciteit van transferrine overstijgt; we spreken dan van ‘non-transferrin bound iron’ (NTBI), een heterogene groep van potentieel toxische ijzercomplexen in het plasma.17

Anafylactische reacties zijn levensbedreigende gegeneraliseerde overgevoeligheidsreacties die berusten op de aanwezigheid van IgE-antilichamen. IJzerdextrancomplexen met een hoog moleculairgewicht zijn berucht geworden vanwege dit type reacties; om die reden worden ze nauwelijks meer gebruikt.18 Verbindingen die geen dextranen bevatten kunnen eveneens op anafylaxie gelijkende reacties geven, die echter niet volgens het klassieke mechanisme via IgE verlopen. De World Allergy Organization reserveert de term ‘anafylaxie’ voor alle ernstige allergische reacties, ongeacht de pathogenese.19

Het European Medicines Agency (EMA) heeft recent een evaluatie uitgevoerd naar de veiligheid van parenterale ijzerpreparaten (ijzerdextrancomplexen met een laag moleculairgewicht, ijzer(III)isomaltoside, ijzer(III)carboxymaltose, ferrogluconaat en ferrioxidesaccharaat (ijzersucrose)). Tabel 2 geeft een overzicht van de voor- en nadelen van alle beschikbare parenterale ijzerpreparaten. De EMA concludeerde dat alle parenterale ijzerpreparaten een risico op allergische reacties geven. De EMA adviseert dat alle zorgprofessionals die parenteraal ijzer toedienen, voldoende getraind moeten zijn om de zeldzame maar levensbedreigende anafylactische reacties te kunnen behandelen.20

Op de lange termijn zijn er andere theoretische risico’s bij het gebruik van parenteraal ijzer denkbaar, zoals infecties, verhoogde oxidatieve stress resulterend in cardiovasculaire ziektes, en ijzerstapeling. Zo zou parenteraal toegediend ijzer infecties kunnen uitlokken, aangezien bacteriën ijzer nodig hebben om te prolifereren. Harde klinische aanwijzingen hiervoor ontbreken echter en de beschikbare data zijn tegenstrijdig. In een grote observationele studie onder hemodialysepatiënten bleek dat het risico op bacteriëmie geen verband hield met het gebruik van parenteraal ijzer.21

Voor oxidatieve stress kan een vergelijkbare analyse worden gemaakt. Het staat vast dat parenteraal ijzer – kortdurend – oxidatieve stress kan induceren, maar er zijn geen grote gerandomiseerde studies die een effect daarvan op klinische uitkomstmaten laten zien. Gegevens van de observationele ‘Dialysis outcomes and practice patterns study’ (DOPPS) lieten zien dat de hoogste dosering parenteraal ijzer een gering verhoogde kans op mortaliteit gaf.22 Hierbij is ‘residual confounding’– verstoring die overblijft na correctie – echter niet uit te sluiten, temeer daar dit effect in andere observationele studies niet werd waargenomen. Bij patiënten met chronische nierschade die niet gedialyseerd werden, zag men na een follow-up van 1 jaar geen negatieve effecten van parenterale ijzerbehandeling op het beloop van de nierfunctie.2

Tot slot is er bezorgdheid over het ontstaan van ijzerstapeling. Het is niet bekend wat de klinische gevolgen op de lange termijn zijn van een overmaat aan parenteraal ijzer in de doseringen waarin het thans wordt voorgeschreven. Evenmin is duidelijk welke ferritinewaarden nog veilig zijn. Epidemiologisch onderzoek laat grote internationale verschillen zien in parenteraal ijzergebruik, de doseringen en de bereikte ferritinewaarden.23 Vergelijking met klassieke hereditaire hemochromatose is niet mogelijk, omdat er een verschil bestaat tussen ijzeropslag in het reticulo-endotheliale systeem – zoals optreedt bij patiënten met chronische nierschade – en ijzeropslag in hepatocyten bij patiënten met hereditaire hemochromatose. Er kan wel een vergelijking gemaakt worden met patiënten die de ijzerstapelingsziekte ‘ferroportin disease’ hebben. Deze patiënten hebben relatief geringe klinische verschijnselen, doordat het ijzer voornamelijk in de macrofagen accumuleert; dit wordt gekenmerkt door hoge ferritineconcentraties (> 1000 μg/l) en een niet-afwijkende tot licht verhoogde transferrinesaturatie. Gezien deze geringe klinische afwijkingen lijkt ijzeropslag in het reticulo-endotheliale systeem op de lange termijn minder toxiciteit te geven dan parenchymale ijzeropslag zoals in de hepatocyt.

Hoe verder?

In maart 2014 werden de voor- en nadelen van parenteraal ijzer geëvalueerd tijdens de ‘Controversies conference on iron management in chronic kidney disease’ (KDIGO).24 De strekking was dat de balans voor het gebruik van parenteraal ijzer op grond van beschikbare gegevens positief uitvalt bij de juiste indicatie, op voorwaarde dat de dosering en toedieningswijze geschieden volgens de richtlijnen en de contra-indicaties in acht worden genomen.

Er is veel ervaring met de moderne ijzerpreparaten. Deze zijn veilig en bij deskundig gebruik zijn ernstige reacties uiterst zeldzaam. De snelheid van toediening, de dosis en het type patiënt – wel of geen inflammatie – spelen hierbij een rol. Toch is er nog geen bewijs voor de veiligheid dat gebaseerd is op harde uitkomstmaten; de beschikbare studies zijn relatief klein en van korte duur (figuur 2).

Het is duidelijk dat grotere en langer lopende studies nodig zijn. En – belangrijker nog – er moeten studies met harde uitkomstmaten worden verricht. Op dit moment loopt in het Verenigd Koninkrijk een onderzoek met harde uitkomstmaten naar de behandeling met parenteraal ijzer van patiënten die hemodialyse ondergaan, de ‘Proactive IV iron therapy in haemodialysis patients’(PIVOTAL)-studie. De primaire uitkomstmaten van deze studie zijn de tijd tot overlijden – ongeacht de oorzaak –, en de samengestelde uitkomstmaat van niet-fatale cardiovasculaire gebeurtenissen (myocardinfarct, beroerte en ziekenhuisopname wegens hartfalen).

Recent werden de resultaten van de CONFIRM-HF-studie bij patiënten met chronisch hartfalen gepubliceerd. Deze studie was verricht om de resultaten van de FAIR-HF-studie te kunnen bevestigen (tabel 3).25 Ruim 300 patiënten met systolisch hartfalen en ijzergebrek – met en zonder anemie – waren gerandomiseerd naar parenteraal toegediend ijzer of placebo. Net als in de FAIR-HF-studie werden ook in deze studie gunstige effecten van parenteraal toegediend ijzer gezien op het inspanningsvermogen (6-minuten-looptest), de ernst van het hartfalen (afgemeten aan de ‘New York Heart Association’-klasse) en de kwaliteit van leven, vergeleken met toediening van een placebo. Hoewel de CONFIRM-HF-studie niet voldoende power had om een verschil in morbiditeit en mortaliteit aan te tonen, was het aantal ziekenhuisopnames wegens hartfalen wel duidelijk gedaald in de groep die parenteraal ijzer had gekregen; er was geen verschil in mortaliteit tussen beide groepen.

Alle lopende studies naar het effect van parenteraal ijzer bij patiënten met hartfalen zijn tot dusver gedaan bij patiënten met een gereduceerde ejectiefractie. Het effect van deze behandeling bij patiënten met hartfalen maar een behouden ejectiefractie (diastolisch hartfalen, HFpEF) is nog niet bekend.

Conclusie

Functioneel en absoluut ijzergebrek komen vaak voor bij patiënten met chronische nierschade of chronisch hartfalen. IJzergebrek speelt, onafhankelijk van anemie, een rol bij de inspanningstolerantie, de kwaliteit van leven en de prognose van patiënten met chronisch hartfalen.8

Orale ijzertoediening zal niet bij alle patiënten voldoende effectief zijn en parenterale ijzertoediening is met de huidige middelen relatief eenvoudig. De voor- en nadelen van parenteraal ijzer werden recent geëvalueerd. De conclusie van de ‘Controversies conference on iron management in chronic kidney disease’ (KDIGO) was dat de balans op grond van de huidige beschikbare gegevens positief uitvalt bij deskundig gebruik van parenterale ijzerpreparaten. De studies waar deze conclusie op gebaseerd is zijn echter klein en van korte duur geweest; er is geen bewijs op harde uitkomstmaten. Verder onderzoek richt zich daar specifiek op.

Literatuur
  1. Ezekowitz JA, McAlister FA, Armstrong PW. Anemia is common in heart failure and is associated with poor outcomes: insights from a cohort of 12 065 patients with new-onset heart failure. Circulation. 2003;107:223-5. doi:10.1161/01.CIR.0000052622.51963.FC Medline

  2. Macdougall IC, Bock AH, Carrera F, et al; FIND-CKD Study Investigators. FIND-CKD: a randomized trial of intravenous ferric carboxymaltose versus oral iron in patients with chronic kidney disease and iron deficiency anaemia. Nephrol Dial Transplant. 2014;29:2075-84. doi:10.1093/ndt/gfu201 Medline

  3. Swedberg K, Young JB, Anand IS, et al; RED-HF Committees; RED-HF Investigators. Treatment of anemia with darbepoetin alfa in systolic heart failure. N Engl J Med. 2013;368:1210-9. doi:10.1056/NEJMoa1214865 Medline

  4. Qunibi WY, Martinez C, Smith M, Benjamin J, Mangione A, Roger SD. A randomized controlled trial comparing intravenous ferric carboxymaltose with oral iron for treatment of iron deficiency anaemia of non-dialysis-dependent chronic kidney disease patients. Nephrol Dial Transplant. 2011;26:1599-607. doi:10.1093/ndt/gfq613 Medline

  5. Charytan C. Bundled-rate legislation for Medicare reimbursement for dialysis services: implications for anemia management with ESAs. Clin J Am Soc Nephrol. 2010;5:2355-62. doi:10.2215/CJN.04820610 Medline

  6. Lieu PT, Heiskala M, Peterson PA, Yang Y. The roles of iron in health and disease. Mol Aspects Med. 2001;22:1-87. doi:10.1016/S0098-2997(00)00006-6 Medline

  7. Van der Weerd NC, Grooteman MP, Nubà MJ, Ter Wee PM, Swinkels DW, Gaillard CA. Hepcidin in chronic kidney disease: not an anaemia management tool, but promising as a cardiovascular biomarker. Neth J Med. 2015;73:108-18 Medline.

  8. Jankowska EA, Rozentryt P, Witkowska A, et al. Iron deficiency: an ominous sign in patients with systolic chronic heart failure. Eur Heart J. 2010;31:1872-80. doi:10.1093/eurheartj/ehq158 Medline

  9. Anker SD, Comin Colet J, Filippatos G, et al; FAIR-HF Trial Investigators. Ferric carboxymaltose in patients with heart failure and iron deficiency. N Engl J Med. 2009;361:2436-48. doi:10.1056/NEJMoa0908355 Medline

  10. Agarwal R. Nonhematological benefits of iron. Am J Nephrol. 2007;27:565-71. doi:10.1159/000107927 Medline

  11. Wish JB. Assessing iron status: beyond serum ferritin and transferrin saturation. Clin J Am Soc Nephrol. 2006;1(Suppl 1):S4-8. doi:10.2215/CJN.01490506 Medline

  12. Drüeke TB, Parfrey PS. Summary of the KDIGO guideline on anemia and comment: reading between the (guide)line(s). Kidney Int. 2012;82:952-60. doi:10.1038/ki.2012.270 Medline

  13. Block GA, Fishbane S, Rodriguez M, et al. A 12-week, double-blind, placebo-controlled trial of ferric citrate for the treatment of iron deficiency anemia and reduction of serum phosphate in patients with CKD stages 3-5. Am J Kidney Dis. 2015;65:728-36. doi:10.1053/j.ajkd.2014.10.014 Medline

  14. Barraclough KA, Brown F, Hawley CM, et al. A randomized controlled trial of oral heme iron polypeptide versus oral iron supplementation for the treatment of anaemia in peritoneal dialysis patients: HEMATOCRIT trial. Nephrol Dial Transplant. 2012;27:4146-53. doi:10.1093/ndt/gfs372 Medline

  15. Coyne DW, Kapoian T, Suki W, et al; DRIVE Study Group. Ferric gluconate is highly efficacious in anemic hemodialysis patients with high serum ferritin and low transferrin saturation: results of the Dialysis Patients’ Response to IV Iron with Elevated Ferritin (DRIVE) Study. J Am Soc Nephrol. 2007;18:975-84. doi:10.1681/ASN.2006091034 Medline

  16. Beck-da-Silva L, Piardi D, Soder S, et al. IRON-HF study: a randomized trial to assess the effects of iron in heart failure patients with anemia. Int J Cardiol. 2013;168:3439-42. doi:10.1016/j.ijcard.2013.04.181 Medline

  17. Maas RP, Voets PJ, de Swart L, Swinkels DW. ‘Non-transferrin-bound iron’. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157:A6258 Medline.

  18. Geisser P, Burckhardt S. The pharmacokinetics and pharmacodynamics of iron preparations. Pharmaceutics. 2011;3:12-33. doi:10.3390/pharmaceutics3010012 Medline

  19. Simons FE, Ardusso LR, Bilo MB, Cardona V, Ebisawa M, El-Gamal YM, et al. International consensus on (ICON) anaphylaxis. World Allergy Organ J. 2014;7:9 (epub). Medline

  20. European Medicines Agency. New recommendations to manage risk of allergic reactions with intravenous iron-containing medicines. EMA/377372/2013. Londen: EMA; 2013.

  21. Hoen B, Paul-Dauphin A, Hestin D, Kessler M. EPIBACDIAL: a multicenter prospective study of risk factors for bacteremia in chronic hemodialysis patients. J Am Soc Nephrol. 1998;9:869-76 Medline.

  22. Bailie GR, Larkina M, Goodkin DA, et al. Data from the Dialysis Outcomes and Practice Patterns Study validate an association between high intravenous iron doses and mortality. Kidney Int. 2015;87:162-8. doi:10.1038/ki.2014.275 Medline

  23. Bailie GR, Larkina M, Goodkin DA, et al. Variation in intravenous iron use internationally and over time: the Dialysis Outcomes and Practice Patterns Study (DOPPS). Nephrol Dial Transplant. 2013;28:2570-9. doi:10.1093/ndt/gft062 Medline

  24. KDIGO. Iron management in chronic kidney disease. http://kdigo.org/home/conferences/ironmanagement, geraadpleegd op 26 mei 2015.

  25. Ponikowski P, van Veldhuisen DJ, Comin-Colet J, et al. Beneficial effects of long-term intravenous iron therapy with ferric carboxymaltose in patients with symptomatic heart failure and iron deficiencydagger. Eur Heart J. 2015;36:657-68. Medline.

Auteursinformatie

Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen.

Afd. Nefrologie: drs. M.F. Eisenga, arts-onderzoeker; A. Diepenbroek, verpleegkundig specialist nefrologie; prof.dr. S.J.L. Bakker en prof.dr. C.A.J.M. Gaillard, internisten-nefrologen.

Afd. Cardiologie: dr. P. van der Meer, cardioloog.

Radboudumc, afd. Laboratoriumgeneeskunde, Nijmegen.

Prof.dr. D.W. Swinkels, arts klinische chemie.

Contact drs. M.F. Eisenga (m.f.eisenga@umcg.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: ICMJE-formulieren zijn online beschikbaar bij dit artikel.

Auteur Belangenverstrengeling
Michele F. Eisenga ICMJE-formulier
Adry Diepenbroek ICMJE-formulier
Dorine W. Swinkels ICMJE-formulier
Stephan J.L. Bakker ICMJE-formulier
Peter van der Meer ICMJE-formulier
Carlo A.J.M. Gaillard ICMJE-formulier
Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties