Orgaandonorpotentieel in 52 intensivecareafdelingen in Nederland groter dan het aantal gerealiseerde donatieprocedures, 2001-2004

Onderzoek
N.E. Jansen
H.A. van Leiden
M.H. Sieber-Rasch
A.J. Hoitsma
B.J.J.M. Haase-Kromwijk
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:696-5
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Inventariseren van het potentieel aan orgaandonoren en van de belangrijkste redenen waarom een orgaandonatieprocedure geen doorgang kan vinden.

Opzet

Retrospectief.

Methode

Met een retrospectief medisch statusonderzoek binnen 52 intensivecareafdelingen (ICU’s) van 30 ziekenhuizen werd van 5880 patiënten, overleden in 2001-2004, een overzicht gemaakt van het potentieel aan hersendode (‘heart-beating’; HB) en hartdode (‘non-heart-beating’; NHB) donoren en van het aantal gerealiseerde donatieprocedures.

Resultaten

Het potentieel aan HB-donoren bedroeg 2,5 tot mogelijk 6,6 van alle overledenen op de ICU’s. Bij 1,9 van alle overledenen had een HB-donatieprocedure plaatsgevonden. Het potentieel aan NHB-donoren van categorie III was tenminste 4,2 van alle overledenen, waarbij bij 1,0 van alle overledenen een NHB-donatieprocedure had plaatsgevonden. Het belangrijkste knelpunt was het bezwaar van de nabestaanden tegen orgaandonatie: 45 ten opzichte van het totale HB- en NHB-potentieel en 59 ten opzichte van het aantal gevoerde donatiegesprekken. Daarnaast werd van alle potentiële HB- en NHB-donoren 7,3 niet herkend.

Conclusie

Deze resultaten bevestigen dat het potentieel aan orgaandonoren groter is dan het aantal gerealiseerde donatieprocedures en dat de keuze van de nabestaanden nog steeds een grote beperkende factor is.

Ned Tijdschr Geneeskd. 2007;151:696-701

Inleiding

In Nederland is sinds 1998 de Wet op de Orgaandonatie (WOD) van kracht. Daarin is gekozen voor een systeem waarbij het uitnemen van organen voor orgaandonatie alleen met uitdrukkelijke toestemming van de overledene mag plaatsvinden of, indien diens keuze onbekend is, met toestemming van de nabestaanden. De behandelend arts is bij wet verplicht bij een potentiële donor het Donorregister te raadplegen en, indien van toepassing, een donatieprocedure in gang te zetten.

Bij een orgaandonorprocedure wordt een arts altijd bijgestaan door een transplantatiecoördinator. Om het donatiebeleid te implementeren en te faciliteren zijn de laatste jaren in de meeste ziekenhuizen donatiefunctionarissen aangesteld. Ondanks bovenstaande maatregelen, die voortvloeien uit de WOD en de inzet en de ondersteuning van transplantatiecoördinatoren en donatiefunctionarissen, is het jaarlijkse aantal postmortale orgaandonoren in Nederland de afgelopen 10 jaar met circa 200 vrijwel gelijk gebleven, en is de wachttijd voor orgaantransplantatie zeer lang: in 2004 stierven 160 patiënten terwijl zij op de wachtlijst stonden.1 Dit ondanks de toename van alternatieve vormen van orgaandonatie naast de traditionele donatie bij een ‘hersendode’ donor (‘heart-beating’ (HB) donor). Alternatieve vormen van orgaandonatie zijn bijvoorbeeld donatie bij leven en donatie bij een ‘hartdode’ donor (‘non-heart-beating’ (NHB) donor); bij de laatste procedure is een circulatiestilstand langer dan 5 min bepalend in plaats van het criterium ‘hersendood’ (tabel 1).2-4

Vanwege het tekort aan orgaandonoren rijst de vraag of het potentieel aan postmortale orgaandonoren wel volledig wordt benut en wat de belangrijkste knelpunten zijn bij donorwerving in Nederland.

Met een retrospectief medisch statusonderzoek van 5880 overleden patiënten kon een overzicht worden gemaakt van het potentieel aan HB- en NHB-donoren en een inventarisatie van de belangrijkste redenen waarom een orgaandonatieprocedure geen doorgang kon vinden. Dit is het eerste grootschalige retrospectieve onderzoek op basis van gegevens uit medische dossiers van overledenen van de intensivecareafdeling (ICU).

patiënten en methode

Onderzoekspopulatie

Binnen een tijdsperiode van 4 jaar (2001-2004) hebben in totaal 30 ziekenhuizen (32 locaties) een medisch statusonderzoek verricht op 52 ICU’s (tabel 2). Deelname aan het onderzoek gebeurde op vrijwillige basis. Per ICU varieerde de duur van deelname van 0,5 tot 3 jaar. De deelnemende ziekenhuizen in dit onderzoek varieerden van algemene ziekenhuizen met en zonder neurochirurgische faciliteiten tot academische ziekenhuizen met transplantatiefaciliteiten. Op de deelnemende ICU’s waren beademingsfaciliteiten aanwezig en was orgaandonatie mogelijk. Zowel overledenen uit de neurologie als overledenen uit andere specialismen binnen de ICU werden geïncludeerd.

Meetmethode

Van iedere overledene tot en met 75 jaar screende een donatiefunctionaris of een transplantatiecoördinator het medisch dossier en onderzocht deze of het ging om een potentiële HB- of NHB-donor. Een beperking was dat in 1 ziekenhuis het potentieel aan NHB-donoren van categorie III (zie tabel 1) niet in kaart werd gebracht. Bij de screening was de medische situatie vlak vóór overlijden bepalend voor de uitspraak of er sprake was van een potentiële orgaandonor. Gegevens over het donatiebeleid bij een overledene werden ingevoerd in het Medisch Statusoverzicht (MSO), een webapplicatie ontwikkeld door de Nederlandse Transplantatie Stichting. De applicatie is afgeleid van de internationale software van Donor Action en toegespitst op de Nederlandse situatie rondom orgaandonatie.5 Donor Action is een internationaal programma dat is ontwikkeld door Eurotransplant (Nederland), Organización Nacional de Trasplantes (Spanje) en The Partnership for Organ Donation (VS), en bedoeld om het donorpotentieel te bepalen. Landelijke verzameling van de gegevens en periodieke evaluatie per ziekenhuis vonden plaats bij de Nederlandse Transplantatie Stichting. De resultaten werden ter beoordeling voorgelegd aan een transplantatiecoördinator, waarna terugkoppeling plaatsvond naar het betreffende ziekenhuis.

Analyse

Bij het in kaart brengen van het potentieel aan HB-donoren is zowel gekeken naar patiënten bij wie hersendood was vastgesteld als naar patiënten bij wie op de ICU hersendood vermoed werd, maar bij wie het hersendoodprotocol niet was afgerond. Dit betrof patiënten met ernstige neurologische schade, met een ‘Glasgow-comascore’ van E (ogen openen) = 1, M (motorische reactie) = 1, V (verbale reactie) = ‘t’ (‘tube’), en minimaal 1 of 2 afwezige hersenstamreflexen.

Bij het in kaart brengen van het potentieel aan NHB-donoren werden potentiële donoren geïdentificeerd in het HB-traject verder uitgesloten. In deze studie is alleen het potentieel aan NHB-donoren van categorie III bepaald, omdat relatief weinig deelnemende ziekenhuizen (in 3 van de 7 transplantatieregio’s in Nederland) een NHB-categorie II-protocol hebben.

De redenen waarom geen sprake kon zijn van HB- of NHB-donatie bij potentiële donoren werden gespecificeerd en gekwantificeerd. Het bezwaar van nabestaanden werd daarbij bepaald als percentage van het totaalaantal potentiële donoren en tevens als percentage van het aantal gevoerde donatiegesprekken.

resultaten

In totaal overleden 5880 patiënten op de deelnemende ICU’s (zie tabel 2). Van hen voldeed 69 (n = 4034) aan het leeftijdscriterium voor HB-orgaandonatie (0-75 jaar) (figuur 1). Bij 26 (n = 883) van alle 3435 beademde patiënten onder de 76 jaar was sprake van ernstige neurologische schade. Bij 162 van hen (18) werd hersendood vastgesteld.

Bewezen potentiële HB-donoren bij wie hersendood was vastgesteld

Van potentiële HB-donoren is sprake wanneer overledenen voldoen aan het leeftijdscriterium voor orgaandonatie, hersendood is vastgesteld en er geen medische contra-indicaties voor orgaandonatie bestaan.

Bij 15 van de 162 hersendode donoren werden alsnog medische contra-indicaties voor orgaandonatie gevonden (zie figuur 1). Het potentieel aan HB-donoren onder de overledenen op de ICU was dus 2,5 (147/5880). Bij 77 van hen (113/147) werd een orgaandonatieprocedure gerealiseerd, dat wil zeggen dat er minimaal 1 orgaan werd uitgenomen. Als de donatieprocedure niet werd afgerond, was de belangrijkste reden daarvoor het bezwaar van de nabestaanden tegen orgaandonatie (85, 29/34) (zie figuur 1). Overigens leidde bij 1 donor het bezwaar van nabestaanden tegen enkel HB-donatie wel tot een NHB-donatie. Bij 19 van de 144 gevoerde donatiegesprekken was er bezwaar van de nabestaanden tegen orgaandonatie.

Niet bewezen potentiële HB-donoren bij wie hersendood niet was vastgesteld

Bij 721 patiënten met ernstige neurologische schade werd hersendood niet vastgesteld. Bij 239 van hen zou sprake kunnen zijn van een potentiële HB-donor, maar vanwege niet-medische redenen was het hersendoodprotocol niet afgerond. Het potentieel aan HB-orgaandonoren op basis van medische criteria was daardoor groter dan de eerdergenoemde 2,5; mogelijk liep het aantal op tot 6,6 ((147 + 239)/5880) van de overledenen op de ICU (tabel 3).

De belangrijkste niet-medische redenen voor het niet afronden van het hersendoodprotocol was het bezwaar van nabestaanden tegen orgaandonatie (71; 170/239). De volgende belangrijke reden was het vastgelegde bezwaar van de overleden patiënt in het Donorregister (19; 45/239). Daarnaast werden niet alle potentiële orgaandonoren herkend (4,6; 11/239) en waren niet alle nabestaanden benaderd of bereikbaar (4,2; 10/239) (zie figuur 1).

De medische redenen dat patiënten met ernstige neurologische schade geen HB-donor konden worden, waren het niet voldoen aan alle hersendoodcriteria (59; 283/482), medische ongeschiktheid (33; 160/482) en het niet voldoen aan de prealabele voorwaarden6 voor het vaststellen van hersendood (8; 39/482).

Potentiële NHB-donoren categorie III

Uitgaande van bovenstaande populatie van 5880 overledenen werd tevens het potentieel aan NHB-orgaandonoren van categorie III bepaald. De 386 mogelijk medische potentiële HB-donoren werden daarbij buiten beschouwing gelaten (zie figuur 1). Van de overgebleven beademde patiënten met ernstige neurologische schade, bij wie hersendood niet was vastgesteld vanwege medische redenen (n = 482), waren uiteindelijk 141 potentiële NHB-donor (figuur 2). Van beademde patiënten zonder neurologische schade (n = 2552) waren uiteindelijk 102 potentiële NHB-donor en van patiënten zonder beademing (n = 599) uiteindelijk 2 potentiële NHB-donor. Daarbij werd in 5 van de 7 Nederlandse transplantatieregio’s een maximale leeftijdsgrens gehanteerd van 65 jaar, zoals vastgelegd in het ‘Modelprotocol postmortale orgaan- en weefseldonatie’.6

Het totale potentieel aan NHB-donoren onder de onderzochte overledenen op de ICU was dus 4,2 (245/5880). Van het gevonden NHB-donorpotentieel werd in 25 (61/245) van de gevallen de orgaandonatieprocedure gerealiseerd (zie tabel 3 en figuur 2).

De belangrijkste reden voor het niet realiseren van de procedure bij potentiële NHB-donoren was het bezwaar tegen NHB-donatie door nabestaanden in 47 (86/184) van de gevallen. Bij 53 van de 162 gevoerde donatiegesprekken was er bezwaar van de nabestaanden. Bij 13 (23/184) van het niet gerealiseerde NHB-potentieel was er bezwaar in het Donorregister geregistreerd en bij 7,6 (14/184) was de procedure niet gerealiseerd vanwege de afwezigheid van een geïmplementeerd NHB-protocol categorie III. Daarnaast werden potentiële NHB-donoren niet herkend (19; 35/184) en nabestaanden niet benaderd voor het stellen van de donatievraag (5,4; 10/184) (zie figuur 2).

beschouwing

Potentieel aan orgaandonoren

Door middel van het MSO kon worden aangetoond dat het potentieel aan HB-donoren 2,5 tot mogelijk 6,6 van alle overledenen bedroeg op de 52 deelnemende ICU’s. Bij 1,9 van alle overledenen had uiteindelijk een HB-donatieprocedure plaatsgevonden.

Het potentieel aan NHB-donoren van categorie III in deze studie was 4,2 van alle onderzochte overledenen op de ICU. Bij 25 van dit gevonden NHB-potentieel had een NHB-donatieprocedure plaatsgevonden. Uit het MSO kan worden geconcludeerd dat het potentieel aan HB- en NHB-donoren groter was dan het aantal bij wie de procedure had geleid tot een donatie.

Genoemde resultaten bevestigen bevindingen uit eerder onderzoek waarin gewezen werd op een donatietekort in plaats van een donortekort.7 8 Het ‘Don Quichot-onderzoek’, dat in 1997 in 11 Nederlandse ziekenhuizen werd verricht, liet zien dat er 2,8 keer zoveel geschikte orgaandonoren (HB en NHB) zouden zijn als er werden gerealiseerd.7 Dit was berekend vanuit het zogeheten reële scenario, waarbij rekening werd gehouden met leeftijd, contra-indicaties, beademing en diagnosen die mogelijk hersendood tot gevolg hebben. Anders dan in het ‘Don Quichot-onderzoek’ was het MSO echter gebaseerd op het medisch dossier en niet op de informatie van een uitgebreid donatieformulier.

Het potentieel aan NHB-donoren zou naar verwachting tenminste 2 maal zo groot zijn als het potentieel aan HB-donoren.9 Omdat NHB-donoren van categorie II niet in deze studie werden onderzocht, was er een onderregistratie van het potentieel van NHB-orgaandonoren en was het werkelijke potentieel waarschijnlijk meer dan 4,2. Onderzoek heeft aangetoond dat donatie bij hartdode donoren een oplossing zou kunnen betekenen voor het bestaande tekort aan donornieren.10 11 Het is echter de vraag of donatie van NHB-donoren uit categorie II wel zoveel meer donoren zal opleveren. Donatie van NHB-donoren van categorie II vindt plaats in enkele grote ziekenhuizen in Nederland, in 3 van de 7 transplantatieregio’s. In de overige regio’s is NHB-donatie van categorie II geen algemeen geaccepteerde vorm van postmortale donatie.

Bezwaar van nabestaanden

Het belangrijkste knelpunt in de donorwerving is het bezwaar van nabestaanden. In deze studie had 45 (284/631) bezwaar ten opzichte van het totale HB- en NHB-potentieel. Het bezwaar van nabestaanden ten opzichte van het totale potentieel geeft een lager weigeringspercentage dan dat ten opzichte van het aantal gevoerde donatiegesprekken.12 Van alle donatiegesprekken die in deze studie plaatsvonden met nabestaanden van potentiële HB- en NHB-donoren resulteerde 59 (284/478) in een bezwaar tegen orgaandonatie. Uit internationale studies in onder andere de VS en Denemarken blijkt dat er een vergelijkbaar weigeringspercentage (circa 50) is ten opzichte van het aantal gehouden donatiegesprekken.13 14

Stellen van de donatievraag

De meeste winst is waarschijnlijk te halen in het verbeteren van het proces rondom het stellen van de donatievraag. Ervaring in andere landen leert dat inspanning op het gebied van de vraagstelling het weigeringspercentage onder nabestaanden kan doen afnemen.15 16

Andere knelpunten die aandacht behoeven, liggen op het gebied van donorherkenning, het niet stellen van de donatievraag aan de nabestaanden en het al eerder genoemde ontbreken van een NHB-protocol. Ondanks genoemde knelpunten kan op basis van deze studie geconcludeerd worden dat slechts een klein deel (7,3) van het potentieel aan orgaandonoren niet wordt herkend in de ziekenhuizen.

Zolang er een groter potentieel aan orgaandonoren is dan het aantal gerealiseerde donatieprocedures, betekent de inzet van het MSO een belangrijke aanvullende maatregel om knelpunten die donatie belemmeren in het proces van donorherkenning tot orgaanuitname nader te kwantificeren en onder de aandacht te brengen. Het streven is dan ook deze applicatie als continue registratie in zoveel mogelijk ziekenhuizen in Nederland in te zetten. Tevens kan het MSO een signaalfunctie vervullen om verschillen in donorherkenning en knelpunten in de donorwerving tussen regio’s aan te kaarten en hiermee een optimaal donatiebeleid creëren in Nederland.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Jaarverslag 2004 Nederlandse Transplantatie Stichting. Leiden: Nederlandse Transplantatie Stichting; 2005.

  2. Kootstra G. The asystolic, or non-heartbeating, donor. Transplantation. 1997;63:917-21.

  3. Klerk M de, IJzermans JNM, Kranenburg LW, Hilhorst MT, Busschbach JJ van, Weimar W. Gepaarde donorruil; nieuw landelijk programma voor nierdonatie bij leven. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:420-3.

  4. Hené RJ, Bos MA, Slooff MJH, Kootstra G. ‘Nieuwe wegen naar orgaandonatie’; een advies van de Gezondheidsraad. Ned Tijdschr Geneeskd. 2004;148:166-70.

  5. Roels L, Cohen B, Gachet C, Miranda BS. Joining efforts in tackling the organ shortage: the Donor Action experience. Clin Transpl. 2002:111-20.

  6. Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO. Modelprotocol postmortale orgaan- en weefseldonatie. Alphen aan den Rijn: Van Zuiden Communications; 2001.

  7. Ploeg RJ, Niesing J, Sieber-Rasch MH, Willems L, Kranenburg K, Geertsma A. Het Don Quichot onderzoek: donortekort of donatietekort? Den Haag: Ando; 1998.

  8. Ploeg RJ, Niesing J, Sieber-Rasch MH, Willems L, Kranenburg K, Geertsma A. Shortage of donation despite an adequate number of donors: a professional attitude? Transplantation. 2003;76:948-55.

  9. Daemen J. Non-heart-beating kidney donors – clinical implementations proefschrift. Maastricht: Universiteit Maastricht; 1998.

  10. Kootstra G, Hooff JP van. In-situpreservatie van nieren bij ‘hartdode’ donoren: mogelijkheid voor het opheffen van het tekort aan donornieren. Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:2838-43.

  11. Oomen A, Daemen J, Kootstra G. The value of non heart beating donors for developing countries. Journal of Nephrology Urology and Transplantation. 2000;1:55-61.

  12. Kompanje EJO, Bakker J, Slieker FJA, IJzermans JNM, Maas AIR. Organ donations and unused potential donations in traumatic brain injury, subarachnoid haemorrhage and intracerebral haemorrhage. Intensive Care Med. 2006;32:217-22.

  13. Sheehy E, Conrad SL, Brigham LE, Luskin R, Weber P, Eakin M, et al. Estimating the number of potential organ donors in the United States. N Engl J Med. 2003;349:667-74.

  14. Madsen M, Bogh L. Estimating the organ donor potential in Denmark: a prospective analysis of deaths in intensive care units in northern Denmark. Transplant Proc. 2005;37:3258-9.

  15. Siminoff LA, Gordon N, Hewlett J, Arnold RM. Factors influencing families’ consent for donation of solid organs for transplantation. JAMA. 2001;286:71-7.

  16. Klieger J, Nelson K, Davis R, Buren C van, Davis K, Schmitz T, et al. Analysis of factors influencing organ donation consent rates. J Transpl Coord. 1994;4:132-4.

Auteursinformatie

Nederlandse Transplantatie Stichting, Postbus 2304, 2301 CH Leiden.

Mw.drs.N.E.Jansen, beleidsmedewerker; hr.dr.H.A.van Leiden en mw.dr.M.H.Sieber-Rasch, stafmedewerkers; mw.drs.B.J.J.M.Haase-Kromwijk, directeur.

Universitair Medisch Centrum St Radboud, afd. Nefrologie, Nijmegen.

Hr.prof.dr.A.J.Hoitsma, internist-nefroloog.

Contact mw.drs.N.E.Jansen (n.jansen@transplantiestichting.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties

E.J.O.
Kompanje

Rotterdam, maart 2007,

Collega Jansen et al. onderscheiden bij hun analyse niet-medische en medische redenen voor het niet afronden van het hersendoodprotocol bij mogelijke hersendood (patiënten met een glasgowcomascore van 3 en één of twee afwezige hersenstamreflexen) (2007:696-701). Als het protocol niet kan worden afgerond, dan betekent dat dat niet voldaan kan worden aan alle drie de pijlers die in het hersendoodprotocol als voorwaarden voor het vaststellen van hersendood – en daarmee voor orgaandonatie – zijn beschreven. Als belangrijkste medische reden voor het niet voltooien van het hersendoodprotocol wordt het ‘niet voldoen aan de hersendoodcriteria’ genoemd, als belangrijkste niet-medische reden het bezwaar van de nabestaanden tegen orgaandonatie. Hieruit valt te concluderen dat bij patiënten die (nog) niet hersendood zijn reeds in een aanzienlijk aantal gevallen om toestemming voor orgaandonatie is gevraagd. Dit is in strijd met het modelprotocol ‘Orgaandonatie’ van de Nederlandse Transplantatie Stichting, dat stelt dat pas om orgaandonatie gevraagd kan worden als de hersendood is vastgesteld, of – bij ‘non-heart-beating’-donoren – de beslissing om de behandeling te staken is genomen.1 Uit het onderzoek van Jansen et al. blijkt dat niet minder dan 170 nabestaanden van 239 niet-hersendode patiënten (71%) toestemming voor orgaandonatie weigerden als die gevraagd werd voordat de hersendood was vastgesteld. Dit staat in schril contrast met de observatie dat bij bewezen hersendood in 77% van de gevallen een orgaandonatieprocedure kon worden gerealiseerd, en in deze gevallen slechts 28/147 (19%) nabestaanden orgaanuitname weigerden. Bij een eerder onderzoek in het Erasmus MC, Rotterdam, werd een vergelijkbaar weigerpercentage (23) gevonden in geval de hersendood reeds bewezen was.2

De auteurs concluderen dat het belangrijkste knelpunt in de donorwerving het bezwaar van nabestaanden is. Het al ter sprake brengen van orgaandonatie voordat de hersendood is ingetreden, lijkt ons een veel belangrijker knelpunt. Het levert in ieder geval een verschil van 58 procentpunt hogere weigering op. De conclusie dat 59% van de donatiegesprekken heeft geleid tot weigering vertekent het beeld. De les die intensivisten uit de analyse van Jansen et al. zouden moeten trekken is om bij een potentiële orgaandonor eerst de hersendood volgens het protocol vast te stellen, voordat toestemming voor orgaandonatie gevraagd wordt. De mededeling dat ‘uw familielid is overleden’ levert immers aanzienlijk minder weigering op dan de mededeling dat ‘uw familielid mogelijk hersendood zal geraken’.

E.J.O. Kompanje
G. van Dijk
Literatuur
  1. Modelprotocol orgaandonatie. Leiden: Nederlandse Transplantatie Stichting; 2006.

  2. Kompanje EJO, Bakker J, Slieker FJA, IJzermans JNM, Maas AIR. Organ donations and unused potential donations in traumatic brain injury, subarachnoid haemorrhage and intracerebral haemorrhage. Intensive Care Med. 2006;32:217-22.

N.E.
Jansen

Leiden, april 2007,

Terecht merken collega’s Kompanje en Van Dijk op dat het in Nederland wettelijk geregeld is dat toestemming voor orgaan- en weefseldonatie pas mag worden gevraagd nadat een patiënt is overleden. Belangrijk hierbij is dat het vaststellen van het overlijden een geprotocolleerde handeling is, die is voorbehouden aan artsen. Het informeren van de familie over donatiemogelijkheden, zeker als zij daar zelf naar vragen, is echter toegestaan vóór het overlijden. In het artikel gaf ik aan dat er verschillende niet-medische redenen waren dat het hersendoodprotocol niet werd afgerond. Eén van die redenen was het bezwaar van familie tegen orgaandonatie (71%). Dit mag niet, zoals Kompanje en Van Dijk doen, gelijk worden gesteld aan het weigerpercentage voor orgaandonatie. Immers, het weigerpercentage heeft betrekking op het totale medische heart-beating en non-heart-beating potentieel en bedraagt, zoals ik in het artikel aangaf, 45% (284/631). Het is maar de vraag in hoeverre de conclusie mag worden getrokken dat het altijd vragen om donatie ná de vaststelling van hersendood tot een lager weigerpercentage leidt. Bezwaar of toestemming van de nabestaanden zal zeker niet alleen afhankelijk zijn van het al dan niet aanwezig zijn van een definitieve hersendooddiagnose. Waarschijnlijk speelt de attitude van de nabestaanden tegenover donatie en het bekend zijn van de donatiewens van de overledene een veel grotere rol. Verder zal bij de beslissing van de nabestaanden de context en timing van de donatievraag een rol kunnen spelen en mogelijk de wijze waarop de patiënt en de familie zijn opgevangen vanaf de eerste dag van opname in het ziekenhuis. Deze mogelijke andere oorzaken behoeve nadere analyse. Het eerdergenoemde weigerpercentage onder nabestaanden van 45 ten opzichte van het totale medische orgaandonorpotentieel, evenals de 59%-weigering ten opzichte van alle gevoerde donatiegesprekken, geven dan een realistischer beeld dan het scenario beschreven door Kompanje en Van Dijk.

N.E. Jansen
J.
Verwiel

Nijmegen, april 2007,

Collega’s Kompanje en Van Dijk geven in hun reactie op het artikel van Jansen et al. (2007:696-701) een weinig realistische visie op orgaandonatie in de praktijk. Allereerst wekken zij de suggestie dat de donatievraag plotseling uit de lucht komt vallen, maar vrijwel altijd worden er vanaf de eerste opnamedag op de Intensive Care intensieve gesprekken gevoerd met de familie over de ernst van de situatie, waarbij de donatievraag al in een vroeger stadium aan de orde komt (hetgeen overigens iets anders is dan toestemming vragen). Ook moet onderscheid worden gemaakt tussen patiënten die positief geregistreerd staan in het Donorregister en patiënten die niet geregistreerd staan. Bij de eerste groep is er geen sprake van toestemming van de familie; de wilsbeschikking van de patiënt, vastgelegd in het Donorregister, is strikt genomen voldoende. Hier is eerder sprake van instemming dan wel het zich neerleggen bij de wens van de overledene door de familie. In de tweede groep beslissen de nabestaanden wel direct. Tenslotte maakt een intensivecarearts geen vrienden bij neurologen, neurochirurgen en neurofysiologen als na middernacht van deze collega’s een klinisch-neurologisch onderzoek en een eeg worden gevraagd, terwijl dan vervolgens in het gesprek met de familie blijkt dat deze geen donatie toestaat, en er dan dus ook geen donatie plaatsvindt. De praktijk is toch echt dat met de familie reeds uitgebreid is gesproken voordat de drie pijlers van het hersendoodprotocol (klinisch-neurologisch onderzoek, eeg en apneutest) worden uitgevoerd, hetgeen niet onwettig is, maar buitengewoon menselijk en praktisch.

J. Verwiel