Opium: een oude geschiedenis

Perspectief
A.J. Dunning
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1995;139:2629-32
Download PDF

Opium: een oude geschiedenis

Toen Telemachus, de zoon van Odysseus, zijn vaders vriend koning Menelaüs in Sparta opzocht, werden herinneringen opgehaald aan de Trojaanse oorlog en de dood van Odysseus. Het maakte Telemachus uiterst terneergeslagen en verdrietig, totdat de schone Helena, de vrouw van Menelaüs, om wie de oorlog begonnen was, hem wijn aanbood waarin zij een medicijn had opgelost, de nepenthes, die kwaad en verdriet deed vergeten. Het is een mythologisch wonderkruid uit Egypte dat verlossing en vergetelheid bracht. Telemachus‘ verdriet, zo schrijft Homerus in het vierde boek van de Odyssee, wordt een etmaal gestild.

Veel uitleggers denken dat het opium is geweest dat euforie bracht waar verdriet heerste. De antieke wereld kende die eigenschappen en beschreef ze in geneeskundige verhandelingen. De papaverteelt van het Midden-Oosten leverde de ruwe grondstof die in dranken werd opgelost en wellicht speelde opium een rol in de extatische godencultus van Egypte en in de tempelslaap bij de verering van Asclepius.

In het oude Rome was opiumtinctuur alom verkrijgbaar en ze had ook een vaste plaats in de Arabische geneeskunde die haar naar Zuid-Europa bracht. De wonderdokter Paracelsus, de Luther van de artsen, verwierp de antieke ziekteleer van temperamenten en lichaamssappen en schreef de samenstelling van het lichaam toe aan vaste stof als kwik, zout en zwavel. Verstoring van hun verhoudingen veroorzaakte ziekte, te bestrijden met nieuwe, vaste middelen, zoals antimoon en kwik, maar ook opiumpoeder. Geneeskunde werd scheikunde, iatrochemie, waarvan de invloed in ons land in de 17e eeuw merkbaar werd door de in Amsterdam praktizerende en in Leiden docerende Sylvius, die zei zonder opium geen geneeskunde te kunnen beoefenen. Zijn school zag in opium een panacee, waarvoor in Engeland Sydenhem een alcoholische oplossing maakte die hij laudanum noemde, een woord dat als eerste door Paracelsus was gebruikt.

Opium had zich een vaste plaats verworven in de farmacopee, maar over gebruik of indicatie was weinig bekend, ook al omdat opium gemengd werd met andere kruiden in een veelheid van plantaardige aftreksels.

Opium als genotmiddel, voor het beleven van euforie en soms een slaperige roes, was in de 18e eeuw in Europa niet onbekend, maar weinigen bekommerden zich om gewenning of afhankelijkheid. Alcoholmisbruik was een veel groter maatschappelijk probleem. Opium, in Bengalen geproduceerd, was vooral handelswaar, voor de Britse en Nederlandse Oostindische Compagnie. De papaverteelt leverde opium voor de ruilhandel met China, waar de Indiaanse pijp, gevuld met opium en andere kruiden, zeer populair werd. De verslaving aan het hof en in het keizerlijk leger nam zo'n omvang aan, dat verdere import door de keizers aan het eind van de 18e eeuw werd verboden. Engeland zou twee bloedige handelsconflicten, de opiumoorlogen van de 19e eeuw, uitvechten om de opiumimport gelegaliseerd te krijgen.

Victoriaans engeland

Met betrekking tot opiumgebruik op grote schaal zijn wij het best ingelicht over het Victoriaanse Engeland en de maatschappelijke achtergronden zijn fraai beschreven door Berridge en Edwards.1 Een deel van de huidige drugsproblematiek heeft dan ook historische wortels die van betekenis kunnen zijn voor toekomstig beleid.

Opium was vrij en simpel verkrijgbaar in het begin van de 19e eeuw. Het werd door Nederland, Frankrijk en Engeland uit Turkije ingevoerd, al was er een bescheiden papaverteelt in Norfolk en Essex. De groothandel die het invoerde, verwerkte het in pillen, poeders, zetpillen, pleisters, zalven en dranken, vooral laudanum. Het was in kleine kruidenierswinkels evengoed verkrijgbaar als zout, zeep of brood, onder zeer verschillende namen en voor allerlei doeleinden. Het ontbreken van een toegankelijke gezondheidszorg of wetenschappelijke farmacie maakte dat men bij de grote en kleine kwalen van alle dag aangewezen was op volksgeneeskunde en zelfmedicatie. Thee van papaverbollen was een bekend kalmerend middel voor kinderen en volwassenen. Het harde bestaan in de centra van de industriële revolutie werd verzacht door opiumgebruik tegen vermoeidheid en depressie, maar ook als slaapmiddel. Gewrichtsklachten, kiespijn, hoesten en diarree waren andere, frequente aanleidingen tot gebruik. Ook krankzinnigheid en alcoholmisbruik zouden door opium beïnvloed worden. Verder werd in sommige streken laudanum aan het bier toegevoegd ter ontnuchtering.

Opiumgebruik was niet beperkt tot de stad. In het polderland van de Fens, in East Anglia, werkten grote groepen landarbeiders aan de droogleggingen. Opiumdrank werd aan mens en dier toegediend, maar vooral aan zuigelingen om hen rustig te houden als de moeders buitenshuis werk zochten. De afgelegen streek, het harde werk, de armoede en het barre klimaat droegen bij tot een hoog en algemeen gebruik van opium, in een vrije verkoop zonder medische of rechterlijke tussenkomst, met alleen de sociale controle van een armoedige gemeenschap gedurende vrijwel de gehele 19e eeuw.

Dit gebruik wekte geen zorg bij overheid of artsen, al verbaasde men zich over de hoeveelheid en de bijwerkingen van toevallige overdosering. Het werd nauwelijks als een probleem gezien. Ook de geleidelijke overgang van zelfmedicatie voor een klacht naar stimulerend gebruik werd nauwelijks bekritiseerd, omdat het gebruik algemeen was, ook buiten de arbeidersklasse.

De romantische verbeelding zocht naar nieuwe ervaringen en gevoelens en men gebruikte opium, bij vlagen of langdurig. De Quincey, schrijver van Confessions of an English opium eater (1821), Coleridge en Keats zijn de klassieke voorbeelden en hun gebruik en de relatie tot hun werk is vaak gedocumenteerd, zo goed als dat van Baudelaire en Poe buiten Engeland. Althea Hayter, die het verband tussen creativiteit en opiumgebruik bij hen onderzocht,2 meent dat door opium het droomleven wellicht is verrijkt, maar de mogelijkheid daarvan gebruik te maken is verminderd door indolentie, verlies aan inspiratie uit de buitenwereld en desintegratie van het psychisch bestaan. Opium is, naar de titel van Baudelaires laatste boek, de weg naar ‘onechte paradijzen’. Genoemde schrijvers zullen later als kroongetuigen worden aangehaald in het openbare debat over opium en wetgeving.

De prijs van het opiumgebruik

Het wijdverspreide opiumgebruik eiste slachtoffers. Opiumpreparaten waren versneden, gemengd met andere middelen, en oplossingen waren van wisselende sterkte. Overdosering met dodelijk gevolg werd gerapporteerd en de kindersterfte leek erdoor toe te nemen. De Quincey zelf zag in 1820 hoe in de katoenstad Manchester de arbeiders op zaterdag overal hun opiumpillen kochten, omdat zij zich geen drank konden veroorloven. Zelfmoord met laudanum gaf het middel een gevaarlijke reputatie, toen beroemde persoonlijkheden, zoals het echtpaar Rosetti, het daarvoor gebruikten. Hoewel de medische beroepsgroep, nauwelijks georganiseerd en geprofessionaliseerd, zich aanvankelijk niet met opium als zelfmedicatie of genotmiddel bemoeide, werd wel onderzoek gedaan naar medische toepassingen, bij krankzinnigheid, bij alcoholisme en vooral bij opwinding. Het middel werd voornamelijk als narcoticum gezien en veel minder als stimulans of pijnstiller.

De organisatie van artsen en apothekers na 1850 bracht wettelijke voorschriften inzake het voorschrijven en verschaffen van vergiften waartoe inmiddels ook opium werd gerekend. Eigenbelang was daaraan niet vreemd maar ook maatschappelijke druk speelde een rol. De populariteit van opium boven alcohol in een verpauperde stadsbevolking deed vrezen voor de stimulerende werking ervan en vroeg om controle op de verkoop. De wetgever beperkte weliswaar de vrije verkoop van opiumpreparaten, maar gedoogde de verkoop in combinatiepreparaten, zodat feitelijke verandering gering was.

Ondertussen was uit opium de meest werkzame stof morfine geïsoleerd, vernoemd naar de god van de slaap. Het kon als poeder op grote schaal worden gemaakt. Na een onderzoek in 1867 bleek het onderhuids ingespoten morfine snel als pijnstiller bij zenuwpijnen te werken. Tezeldertijd werd bij herhaalde injectie de kans op verslaving aan morfine steeds duidelijker. De eerste verslaafden waren uiteraard artsen en verpleegkundigen, maar het is twijfelachtig of door een zuiverder preparaat en de injectienaald er meer verslaafden zijn gekomen. Het morfinisme was wel een aandoening van de betere standen, in tegenstelling tot de armoedige opiumeters in de grote steden.

De morfineverslaving door injectie werd als een ziekte gezien waarvoor erfelijk-constitutioneel de een meer dan de ander was voorbeschikt. Behandeling bestond uit afzondering, vrijwillig of gedwongen, en onthouding. Het gold bij wet niet alleen voor opium- of morfineverslaafden, maar ook voor alcoholisten, gebruikers van chloraal, cocaïne en andere middelen. Hoewel er enige belangstelling bestond voor de maatschappelijke achtergronden van verslaving, bleef de medische professie zich bezighouden met het afwijkende individu en de medische controle van zijn gedrag door opsluiting en ontwenning.

De geleidelijke overgang van aanvaard, sociaal gecontroleerd opiumgebruik als genees- en genotmiddel tot controle op verstrekking en verslaving had ook te maken met de zwarte kant van het Victoriaanse imperialisme. In en buiten het parlement verzette men zich tegen slavernij en de winsten uit de opiumhandel met China, waaruit het beheer over India werd bekostigd. Het schrikbeeld van de Chinese opiumkit, voor het eerst gesignaleerd in de Londense haven, maakte de handel op China moreel verwerpelijk en potentieel besmettelijk. Men maakte onderscheid tussen opium als genotmiddel en als geneesmiddel. Morele bezwaren werden wetenschappelijk verpakt en men richtte zijn aandacht op het middel, niet op de gebruikers of de maatschappelijke omstandigheden. Het was ook een zwart-witvoorstelling, want chronisch, matig gebruik werd als een onmogelijkheid gezien, hoewel het jaren buiten de medische professie om had bestaan.

Controle

Opium en morfine, geslikt, gerookt of ingespoten, werden al spoedig beconcurreerd door andere verslavende middelen, zoals cocaïne, met Freud als bekende gebruiker, de absint van de ‘belle époque’ en hasjiesj. De opium van het volk was de opium van de arts en de apotheker geworden, te onthouden of schaars te verstrekken aan verslaafden. Het vreedzaam samenleven van opium en samenleving, zoals in het Engeland aan het begin van de vorige eeuw, leek ondenkbaar geworden. Verslaving of ‘afhankelijkheid van substanties’, volgens de voorkeursterm van de Wereldgezondheidsorganisatie, is geen slechte gewoonte ontstaan onder bepaalde persoonlijke of maatschappelijke omstandigheden, maar een ziekte. Misschien vormde een biochemisch substraat, een psychische onevenwichtigheid of een genetische voorbestemming de basis; ‘nature’ in plaats van ‘nurture’.

Afhankelijkheid, van opium of alcohol, was geen ‘moral insanity’, maar meer een erkende ziekte. Berridge en Edwards relateren dat ziektemodel aan het Victoriaanse Engeland waar het opium van de armen eerder werd getolereerd dan het morfinisme van de rijken en waar de controle op verslavende middelen in handen van artsen en apothekers kwam.1 Met wet en regel kregen de artsen mandaat de verslaafde te behandelen, dat wil zeggen te isoleren en te ontwennen.

Het ziektemodel heeft vele voordelen, want er wordt hulp geboden in plaats van straf. Er is een verklaring en verontschuldiging voor aandoening en behandeling. Een specifieke opvang komt tot stand en er zijn middelen en mensen voor hulpverlening en onderzoek. Daarnaast ontstaat er een sociaal vangnet van uitkering en begeleiding, gericht op het uiteindelijke doel, abstinentie. Een matig gebruik, zoals in sommige delen van Zuidoost-Azië nu en in het Engeland van de vroege industriële revolutie, lijkt in dat model onmogelijk. De samenleving krijgt door het medisch model controle op afhankelijkheid en op substanties en kan zo het verslavingsprobleem isoleren en beperken en in het ergste geval gedogen.

De geschiedenis kent geen lessen, wel herhalingen. Onze opvattingen over verslaving, de medische controle over verslavende middelen en de verslaafde als patiënt zijn misschien ouder dan wij hebben gedacht en meer dan ooit is het medische streven gericht op ontwenning en onthouding.

Cureren in het medische model is te verkiezen boven moraliseren in het maatschappelijke bestel, maar de vraag is of het werkt. De Amerikaanse psychiater Vaillant heeft laten zien dat in de USA de effecten van hulpverlening bij alcoholisme zeer bescheiden zijn en het natuurlijke beloop vaak een spontaan herstel laat zien wanneer mensen voor veranderingen in hun leven kiezen die opwegen tegen drankmisbruik.3 Wat in de behandeling werkzaam is, bestaat evengoed daarbuiten; de wens te veranderen, om te gaan met negatieve ervaringen, betere relaties aan te gaan met werk en familie, kortom, andere waarden na te streven dan die van de verslaving. Waarden en normen verminderen de kans op verslaving en vergroten de kans op herstel en zo gezien is het verslavingsvraagstuk ook zonder moraliseren geen medisch maar een moreel probleem. Het vooronderstelt te kunnen en willen leren omgaan met het aanbod aan substanties, van opium tot valium, omdat er betere zaken zijn dan hun overmaat.

Misschien is dat opiumgebruik van het Victoriaanse Engeland een voorbeeld van een dergelijke redelijk vreedzame coëxistentie tussen substantie en gebruiker, tussen slavernij en vrijheid, ook als het om een ontsnappingsmiddel uit de maatschappelijke ellende gaat. Ondanks alomtegenwoordige verkrijgbaarheid van alcoholische dranken, binnen ieders financieel bereik, lijkt er op bevolkingsniveau in Nederland een redelijk beheerst drankgebruik te zijn ontstaan in een civilisatieproces waarin zelfbeheersing en dwang van buitenaf beide een rol hebben gespeeld.4 Dat zou ook een leidraad kunnen zijn om de verslaafde of afhankelijke te helpen die afhankelijkheid te overleven en in te ruilen voor andere keuzen, eerder dan hem als patiënt te ontgiften. Die weg lijkt, ook zonder medische behandeling en hulpverlening, door sommigen afgelegd te kunnen worden.

Victoriaans Engeland laat de uitersten zien. Opium was er goedkoop, het werd er vrij verkocht en het werd, als valium of aspirine, in de samenleving algemeen gebruikt, vooral in de onderste klassen. De slinger is de andere kant opgegaan, van medische controle, definitie en behandeling van verslaafden en het streven naar onthouding. Het zijn voorbeelden uit een oude geschiedenis die haar einde nog niet heeft bereikt.

Literatuur
  1. Berridge V. Edwards G. Opium and the people. London: St.Martins Press, 1981.

  2. Hayter A. Opium and the romantic imagination. London:Faber & Faber, 1968.

  3. Vaillant GE. The natural history of alcoholism. Cambridge:Harvard University Press, 1983.

  4. Stel JC van der. Drinken, drank en dronkenschapproefschrift. Utrecht: Rijksuniversiteit,1995.

Auteursinformatie

Prof.dr.A.J.Dunning, cardioloog, Angsteloord 63, 1391 ED Abcoude.

Gerelateerde artikelen

Reacties

B.H.
Postma

Veldhoven, januari 1996,

Met belangstelling las ik het artikel van collega Dunning, waarin hij onder meer het opiumgebruik door Keats, Baudelaire, Coleridge, Poe en De Quincey en de invloed daarvan op hun werk ter sprake brengt (1995;2629-32).

Graag zou ik een aanvulling willen geven door te wijzen op een interessant voorbeeld dichter bij huis. Onze productiefste romantische dichter, mr. Willem Bilderdijk (1756-1831), gebruikte vanaf zijn studententijd tot zijn dood regelmatig opium, niet alleen als ‘geestverruimend middel’ maar ook als eetlustremmer.12 Tientallen eigenhandig geschreven recepten voor opium zijn van hem bewaard gebleven.3

Boudewijn Büch schrijft naar aanleiding van Bilderdijks opiumgebruik dat dit in zijn geval heeft geleid tot hypomanie, veelschrijverij en verlies van zelfkritiek,3 eigenaardigheden die al bij vluchtige kennismaking met het enorme oeuvre van de dichter opvallen. Niet alleen in zijn gedichten, ook in zijn correspondentie komt dit gevolg van zijn drugsgebruik naar voren.

Geyl spreekt bijvoorbeeld naar aanleiding van Bilderdijks correspondentie met vader en zoon Tydeman over de ‘onstuitbare uitvoerigheid en nooit falende stelligheid’ van Bilderdijks oordeelvellingen en beschouwingen en een paar regels verder over ‘de bruisende verbeelding van het nooit in verlegenheid gebrachte orakel’,4 bewoordingen die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten.

Bilderdijk blijft een van de boeiendste figuren in de Nederlandse cultuurgeschiedenis. Zijn invloed is tot op de dag van vandaag merkbaar in de opvattingen die in sommige christelijke groeperingen nog altijd worden gehuldigd. Of Bilderdijks geestendrijverij het gevolg was van zijn opiumgebruik, is moeilijk met zekerheid te bewijzen.

B.H. Postma
Literatuur
  1. Het dagboek van de student Nicolaas Beets 1833-1836. Uitgegeven, ingeleid en toegelicht door P.van Zonneveld. 's-Gravenhage, 1983.

  2. Ongedateerde brief van Bilderdijk aan Jeronimo de Vries. In: Jong MJG de, Zaal W. Bilderdijk. Een overzicht van zijn leven en een keuze uit zijn werken. Kampen: Kok, 1960:121.

  3. Büch B. De geopiaceerde wereld van Willem Bilderdijk. In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1980-1981. Leiden: Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1981:27-38.

  4. Geyl P. Een eeuw strijd om Bilderdijk. De Gids 1956.