Ontwikkeling van de tweedelijns-Arbo-dienstverlening: naar geïntegreerde ketens van verzekeraars en zorgaanbieders

Onderzoek
H.N. Plomp
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2000;144:1165-70
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

Beschrijven van de ontwikkeling van de tweedelijns-Arbo-dienstverlening en de rol van de particuliere verzekeraars hierbij, over de periode 1994-1999.

Opzet

Beschrijvend dwarsdoorsnedenonderzoek.

Methode

Gegevens werden in 1999 verzameld vanuit schriftelijke documenten van en aanvullende interviews met de 5 grootste particuliere aanbieders van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, 9 Arbo-diensten van uiteenlopende signatuur en 24 instellingen van tweedelijns-Arbo-dienstverlening.

Resultaten

Na de privatisering van de Ziektewet in 1996 en van delen van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, brachten de meeste werkgevers het risico van loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid onder bij particuliere verzekeraars. Dezen trachtten hun schadelast te beperken door zich actief bezig te houden met bemiddeling, behandeling en diagnostiek bij arbeidsongeschikten om zo vermijdbaar verzuim tegen te gaan. Onder invloed van verzekeringsbedrijven was er een ontwikkeling naar geïntegreerde landelijke ketens waarin de dienstverlening van verzekeraars, die van Arbo-diensten en die van uitvoeringsinstellingen op elkaar werden afgestemd.

Conclusie

Commerciële Arbo-dienstverlening was een nieuwe, vraaggestuurde vorm van zorgverlening waarin de financier een sleutelrol vervulde. Deze dienstverlening bood belangrijke innoverende impulsen voor de hele gezondheidszorg door haar grootschaligheid, sterke protocollering van processen en sturing op basis van voortdurende kosten-batenanalysen. Een heldere en maatschappelijk acceptabele regulering van commerciële Arbo-dienstverlening ontbrak.

Inleiding

Door de privatisering van belangrijke onderdelen van het socialezekerheidsstelsel tussen 1994 en 1998 zijn de directe kosten van ziekte en arbeidsongeschiktheid voor de werkgever aanzienlijk toegenomen. Hierdoor is het voor bedrijven en voor particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraars profijtelijker meer te doen aan het voorkómen van vermijdbaar ziekteverzuim en van arbeidsongeschiktheid. Het idee van commerciële zorgverlening, bijvoorbeeld in de vorm van bedrijvenpoli's, binnen reguliere zorginstellingen is na een uitvoerige maatschappelijke en politieke discussie afgewezen, omdat voorrangsbehandeling van werknemers zou leiden tot een ongewenste tweedeling in de gezondheidszorg.

Het is opmerkelijk dat de explosieve groei van de tweedelijns-Arbo-dienstverlening die hoofdzakelijk op commerciële basis buiten de reguliere gezondheidszorg plaatsvindt, in deze discussies buiten beschouwing is gebleven. De tweedelijns-Arbo-dienstverlening omvat uiteenlopende, gespecialiseerde voorzieningen die er direct of indirect op gericht zijn werkhervatting te bevorderen en arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Deze voorzieningen zijn vrijwel uitsluitend toegankelijk na verwijzing door een bedrijfsarts van een Arbo-dienst of een verzekeringsarts van de uitvoeringsinstantie (UVI) van sociale wetten vanwege de specifieke indicatiestelling, maar ook om toestemming te krijgen van de werkgever of de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor het vergoeden van de kosten. Onlangs werd bekend dat minimaal 12-14 van de werknemers die psychotherapie ontvangen, deze therapie via een commerciële instelling krijgt aangeboden.1

Dit artikel beschrijft de ontwikkeling van het aanbod van tweedelijns-Arbo-dienstverlening na de privatisering van de sociale zekerheid en de rol van de particuliere en de publieke arbeidsongeschiktheidsverzekeraars hierbij. Er wordt ingegaan op de maatschappelijke betekenis van deze ontwikkeling, in het bijzonder voor de gezondheidszorg.

methode

In de zomer van 1999 werden schriftelijke documenten verzameld en aanvullende interviews afgenomen bij de 5 grootste particuliere aanbieders van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (opgave van het Verbond van Verzekeraars), bij het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen (LISV) en bij 9 Arbo-diensten van uiteenlopende signatuur (2 voormalige gezamenlijke bedrijfsgezondheidsdiensten, 4 Arbo-diensten voortgekomen uit voormalige bedrijfsverenigingen, 3 concerngebonden diensten). Het bleek dat 6 van de 9 benaderde Arbo-diensten een min of meer vaste relatie hadden met een tweedelijnsinstelling; door de overige 3 werd op ad-hocbasis contact gezocht, vaak ook in overleg met of op aanwijzing van de werkgever. Ook de in de interviews genoemde instellingen van tweedelijns-Arbo-dienstverlening werden benaderd voor informatie over hun doelstelling, omvang en aanpak. Vanwege de door ons gevolgde werkwijze werden veel kleine, regionale aanbieders van tweedelijns-Arbo-dienstverlening niet in ons overzicht opgenomen. Wat betreft landelijk opererende instellingen bleek onze inventarisatie valide, aangezien deze goeddeels overeenkwam met 3 andere inventarisaties: één van programma's op het gebied van beroepsgericht bewegen, één van rugtrainingsprogramma's en één op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg.1-3 Gegevens over de omzet en werkwijze van de tweedelijnsvoorzieningen werden spaarzaam verkregen, doordat onze informanten ons hierover niet konden of wilden informeren.

resultaten

De rol van de particulier verzekeraar

De particuliere verzekeraars hadden een sleutelpositie verkregen op de markt van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en Arbo-dienstverlening aangezien 82 van de bedrijven het risico van loondoorbetaling aan zieke werknemers dat voorheen door de Ziektewet werd gedekt, daar had ondergebracht.4 Anders dan de sociale verzekeringen, die een monopoliepositie bezaten, moesten particuliere verzekeraars met elkaar concurreren door hun schadelast te beperken en hun marktpositie te versterken. Hiervoor werden verschillende strategieën toegepast, waarvan er hier 3 worden besproken die een grote impact hadden op de ontwikkeling van de tweedelijns-Arbozorg: de toepassing van het ‘employee-benefit’-marketingconcept, de oprichting van zogenaamde bemiddelingsbedrijven die vermijdbaar verzuim signaleren en actief verminderen, en de strategische allianties met Arbo-diensten en UVI's die belast zijn met de uitvoering van onder andere de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet (Re)integratie Arbeidsgehandicapten (Wet REA).

Het employee-benefitconcept

Onder uiteenlopende namen (‘Bedrijfszekerheidsplan’, ‘Personeelszorgplan’) werden zogenaamde employee-benefitpakketten door verzekeraars aangeboden; deze bevatten voorzieningen die tot de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden behoorden welke werkgevers aanboden aan hun werknemers. Naast verzekeringen (loonderving, ziektekosten, pensioenen, aansprakelijkheid, auto) bevatten de pakketten ook bancaire diensten (bedrijfsspaarregeling), administratieve diensten (verzuim- en salarisadministratie), gezondheids- en preventieprogramma's, bemiddeling bij wachtlijsten of bij herintreding in het arbeidsproces en een contract met een aan de verzekeraar gelieerde Arbo-dienst. Juist door de combinatie van meerdere diensten en verzekeringen kon de doelmatigheid worden vergroot en kon beter gewerkt worden aan risicobeheersing. Zo zouden de baten van gezondheids- en preventieactiviteiten een risicoreductie inhouden voor zowel de arbeidsongeschiktheids- als de ziektekostenverzekering; het inzicht dat een zorgverzekeraar had in het aanbod van gezondheidszorg kon worden aangewend voor wachtlijstbemiddeling in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het employee-benefitconcept leek aan te slaan: een grote meerderheid (72) van de (veelal kleine) bedrijven gaf de voorkeur aan één leverancier voor uiteenlopende diensten op het terrein van personele zaken als verzuimsalaris, verzekeringen en ook Arbo-dienstverlening, vanwege logistieke en administratieve voordelen.4 Voor verzekeraars was dit aanleiding hun wijze van benaderen van de markt ingrijpend te herzien: niet meer het type product (meestal verzekering) was uitgangspunt, maar het marktsegment (bedrijven, particulieren et cetera). Vanuit dit perspectief vormden de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen een ingang in bedrijven voor het verkopen van een omvangrijker employee-benefitpakket.

Bemiddelingsbedrijven

Toen in 1998 de nieuwe markt van particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen goeddeels was verdeeld, bleken er grote verliezen te zijn geleden. Om die reden werden de premies met 10-40 verhoogd en gingen verzekeraars zich actief bezighouden met risicobeheersing, onder meer door het oprichten van bemiddelingsbedrijven die langdurig verzuim signaleren en zoeken naar mogelijkheden voor een snelle reïntegratie (figuur). Ook werden er eisen aan de Arbo-dienst gesteld waarbij het bedrijf zich had aangesloten, zoals wat betreft de wijze waarop informatie werd doorgegeven. De verzekeraar Reaal bijvoorbeeld verlangde dat de Arbo-diensten van de bij hem verzekerde werkgevers hem bij iedere werknemer die voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking wilde komen, lieten weten of de bedrijfsarts van oordeel was dat er werkelijk sprake was van een ziekte, of er activiteiten van de werknemer waren die werkhervatting in de weg stonden en of er een conflict bestond met de werkgever.5

Strategische allianties

Behalve met Arbo-diensten gingen verzekeraars de afgelopen jaren samenwerkingsverbanden aan met UVI's. De verwachte voordelen van allianties tussen particuliere verzekeraars en UVI's waren, net als bij de employee-benefitpakketten, een grotere doelmatigheid en een groter synergetisch effect. Een WAO-uitkering waarvoor de UVI verantwoordelijk was, volgde immers op de uitkering van de particuliere verzekeraar in het eerste ziektejaar. Verder beoordeelde de UVI de reïntegratie-inspanningen in het eerste ziektejaar, ze stelde in het kader van de Wet REA budgetten beschikbaar voor het reïntegreren van werknemers die langere tijd ziek waren en vergoedde de kosten van een rugtraining of traumabegeleiding (tot een maximum van ƒ 8915,-) na 3 maanden verzuim, terwijl een vergelijkbare regeling werd voorbereid voor arbeidsongeschiktheid wegens burn-out.6 Vroege reïntegratie betekende een beperking van het arbeidsongeschiktheidsrisico voor de particuliere en sociale arbeidsongeschiktheidsverzekering, maar was ook van belang voor de pensioenverzekering die een aanvulling op de WAO-uitkering bood. Een ander voordeel van een alliantie met een UVI voor particuliere verzekeraars was dat de mogelijkheden die werden geboden door de Wet Premiedifferentiatie en Marktwerking bij Arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet PEMBA, 1998) om het WAO-risico voor 5 jaar door de werkgever te laten dragen, ten volle konden worden benut. In november 1999 besloot het kabinet echter af te zien van de voorgenomen privatisering van de UVI's in 2002. Hoewel het besluit eind februari 2000 nog niet was bekrachtigd door het parlement, wordt niet verwacht dat de beoogde samenwerking zal worden teruggedraaid, omdat alle reintegratieactiviteiten buiten de nieuwe organisatie van UVI's zouden vallen. De noodzaak om private en publieke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen op elkaar af te stemmen zal blijven bestaan.

De figuur laat 6 ketens of allianties zien waarin particuliere verzekeraars (van arbeidsongeschiktheid, zorg en pensioen), UVI's en Arbo-diensten met elkaar samenwerkten en waarbij ze bemiddelingsbedrijven hadden opgericht. Banken en verzekeraars hadden zonder samenwerkingsovereenkomst met een UVI bemiddelingsbedrijven opgericht. De UVI voor overheidspersoneel en onderwijzend personeel (USZO) was geen strategische allianties aangegaan.

Tweedelijns-Arbo-dienstverlening

De in het onderzoek getraceerde tweedelijns-Arbo-dienstverlenende bedrijven zijn in de tabel gerubriceerd naar de aard van dienstverlening. Allereerst werd onderscheid gemaakt tussen ‘zorgbemiddelaars’ die door verzekeraars zijn opgericht en ‘zorgaanbieders’ waar zij naar bemiddelen.

Zorgbemiddelaars

De meeste zorgbemiddelaars die in de tabel zijn genoemd, maakten deel uit van ketens die vermeld staan in de figuur. Zij werkten zowel in opdracht van arbeidsongeschiktheidsverzekeraars als voor werkgevers en Arbo-diensten. Zij richtten zich aanvankelijk op wachtlijstbemiddeling, maar daarna werden de taken uitgebreid met bemiddeling naar tweedelijns-Arbo-dienstverlenende bedrijven en ook met niet-medische dienstverlening zoals bemiddeling bij arbeidsconflicten, opleidingen en outplacement. Een bemiddelingsbedrijf dat duidelijk verschilde van de andere was de stichting Centra voor Arbeid en Gezondheid in Nederland (Cagin), die in 1998 van start ging.7 Cagin vertegenwoordigde in mei 1999 een veertigtal zorginstellingen en bemiddelde tussen Arbo-diensten en de aangesloten ziekenhuizen en inrichtingen voor gerichte specialistische zorg. De bemiddeling werd in rekening gebracht bij de werkgever. In 1998 waren er ruim 200 bemiddelingen.

Zorgaanbieders

De tweedelijns-zorgaanbieders zijn in de tabel gerubriceerd naar de aard van het probleem waar de zorgverlening zich op richtte. Zoals vermeld in de paragraaf ‘Methode’ werden lang niet alle kleinere, lokaal opererende aanbieders (zoals Haegstaete, Van Dijk en Van Emmerijk, Blomsma; zie de tabel) in dit onderzoek opgenomen. Deze vormden tot aan 1994 de enige vorm van tweedelijns-Arbo-dienstverlening. Pas na 1994 kwamen er landelijke aanbieders door een sterk groeiende vraag en omdat grote Arbo-diensten en verzekeringsbedrijven bij voorkeur met landelijk opererende partners overeenkomsten aangingen. Het aantal rugadviescentra groeide van 2 in 1992 tot 15 in 1999 met een personeelsbestand van 200 personen. Het aantal vestigingen van De Gezonde Zaak (voorheen Arbo-service Fysiotherapie Preventie) groeide van 10 in 1995 tot meer dan 160 in 1999, met een personeelsomvang van 900. De grotere aanbieders hadden zelf een aantal medewerkers in dienst; vaker nog werd de franchiseformule toegepast waarbij kleine praktijken de bedrijfs- en behandelingsformule overnamen, maar verder voor eigen rekening werkten (zoals bij het Coördinatiecentrum Graded Activity en De Gezonde Zaak). Grootschalige dienstverlening maakte protocollering noodzakelijk en de meeste landelijke aanbieders kenden protocollen voor contracten, intake, behandeling, doorverwijzing en rapportering. De laatste ontwikkeling was dat praktijken werden samengevoegd, waardoor er een meervoudig, multidisciplinair zorgaanbod ontstond. In februari 1999 werd De Gezonde Zaak opgericht met als aandeelhouders 2 grote Arbo-diensten en de verzekeringsmaatschappij OHRA. De Gezonde Zaak bood therapieprogramma's (revalidatie, psychotherapie, ergotherapie en multidisciplinaire programma's), trainings- en preventieprogramma's (betreffende stoppen met roken, stressherkenning, ‘repetitive strain injury’ en cursussen. De helft van de omzet werd buiten de Arbo-dienstverlening gemaakt. In mei 1999 werd Argonaut BV opgericht, waarin naast het oude Gak-onderdeel Zorgvoorzieningen Nederland, dat indicaties stelde voor aanpassingen bij handicaps, verschillende ketens van fysio- en psychotherapiepraktijken en het bemiddelingsbedrijf Return waren ondergebracht. Het aantal personeelsleden bedroeg circa 200 en de integratie van de dienstverlening was nog niet zo ver als bij De Gezonde Zaak.

De tweedelijns-zorgaanbieders van specifieke arbeidsgeneeskundige interventies verschilden duidelijk van de eerdergenoemde aanbieders. Het ging hier om klinische arbeidsgeneeskunde die, met uitzondering van de bedrijvenpoli's, niet commercieel was opgezet en niet primair was gericht op werkhervatting. Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten verzamelde kennis over beroepsziekten en bood steun bij de diagnostiek ervan in samenwerking met een groot aantal medisch specialisten. In de nieuwe Arbo-wet (1999) had het centrum ook de taak het register van beroepsziekten bij te houden. Vanaf 1 januari 2000 stelde de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) jaarlijks 3 miljoen gulden beschikbaar aan 4 zogenaamde Kenniscentra voor Arbeidsrelevante Aandoeningen die waren opgericht binnen academische ziekenhuizen. In Ziekenhuis Rijnstate in Arnhem bestond al langer binnen het specialisme Dermatologie de Kapperspoli, waar men beschikte over specifieke kennis van de samenstelling van producten die in de kappersbranche werden gebruikt. Er was een speciaal spreekuur en er werd voorlichting gegeven. Vergelijkbaar is de Danspoli in het Haagse Westeinde Ziekenhuis dat aan dansers en beroepsmusici gespecialiseerde zorg bood, waaronder ook vroege diagnostiek en preventie. Advisering op de werkplekken en bedrijven werd via Arbo-diensten gegeven.8

beschouwing en conclusies

Tweedelijns-Arbo-dienstverlening omvatte verschillende vormen van dienstverlening die elk een andere bijdrage beoogden te leveren aan het voorkómen en bekorten van arbeidsongeschiktheid. Allereerst waren er de bemiddelingsbedrijven die de afgelopen jaren door verzekeraars waren opgericht en die zich richtten op een efficiënt verloop van de behandeling en het reïntegratieproces. Daarnaast had zich een commercieel aanbod van medische en niet-medische dienstverlening buiten de reguliere zorg ontwikkeld dat gericht was op de behandeling van individuele klachten en problemen om arbeidsongeschiktheid te voorkomen of te bekorten. Tenslotte was er het veel kleinere, niet-commerciële deel van de tweedelijns-Arbo-dienstverlening dat zich binnen de reguliere gezondheidszorg had ontwikkeld door inspanningen van medisch specialisten en bedrijfsgeneeskundigen. Het betrof klinisch-arbeidsgeneeskundige voorzieningen gericht op diagnose en behandeling van beroepsgebonden aandoeningen. De minister van VWS wilde dit deel van de tweedelijns-Arbo-dienstverlening versterken door het oprichten van 4 Kenniscentra voor Arbeidsrelevante Aandoeningen. Dit initiatief was zeker van belang voor de diagnostiek en preventie van met het werk samenhangende aandoeningen, maar was geen alternatief voor de commerciële zorgaanbieders, zoals de minister beoogde.9

Uit de sterke groei van commerciële zorgarrangementen blijkt de behoefte aan voorzieningen waarin niet of niet voldoende werd voorzien binnen de reguliere gezondheidszorg; zo werden de zwakke plekken van de reguliere zorg blootgelegd. Het verbieden van commerciële zorgarrangementen was het paard achter de wagen spannen. Wanneer men commerciële zorgvoorzieningen op deze schaal niet wenst, moet het aanbod binnen de reguliere zorg gerealiseerd worden. Ondanks deze onzekerheid en het mogelijk niet doorgaan van de privatisering van de UVI's zijn de groeiverwachtingen hooggespannen, omdat pas in de komende jaren de financiële prikkels van de Wet PEMBA en van particuliere verzekeraars ten volle voelbaar zullen worden binnen het bedrijfsleven. Het is niet te verwachten dat de privatisering van de Ziektewet en delen van de WAO wordt teruggedraaid. De druk om in Nederland het percentage arbeidsongeschikten - verreweg het hoogste in Europa - terug te dringen, zal groot blijven.

Een belangwekkende ontwikkeling is het ontstaan van grotere geïntegreerde ketens van aanbieders, afnemers en financiers die hun activiteiten op elkaar afstemmen. Het is een vraaggestuurd zorgproces, gericht op werkhervatting, waarvan de regie in handen is van de financier en waarbij de verwachting is dat de baten de kosten overstijgen. Dit staat in tegenstelling tot het aanbodgestuurde proces binnen de reguliere gezondheidszorg, dat uitgaat van vermeende behoeften. Het is een voor Nederland nieuwe vorm van ‘managed care’, waarbij een derde partij namens de financier (verzekeraar of bedrijf) de toegang tot en de aard van de dienstverlening bepaalt. Door de grootschaligheid is protocollering van procedures en behandeling nodig, waardoor in principe centrale sturing gericht op effectiviteit en reglementering van processen mogelijk zijn. Gegevens over het verloop en de uitkomsten van interventies kunnen worden vastgelegd, waardoor kwaliteitsbeoordeling mogelijk wordt. Vooralsnog hebben systematische effectonderzoeken nog niet plaatsgevonden. De attractiviteit van de tweedelijns-Arbo-dienstverlening is tot op heden beter aangetoond dan de effectiviteit ervan.

Tweedelijns-Arbo-dienstverlening heeft zich tot nu toe in de luwte kunnen ontwikkelen en is buiten de maatschappelijke en politieke discussies over commercialisering in de gezondheidszorg gebleven. Het nadeel hiervan is haar relatieve onbekendheid en het geringe maatschappelijk draagvlak. Dit is ook haar grootste zwakte. Behoudens enkele schermutselingen over de waarborging van privacy bij het uitwisselen van gegevens, heeft het tot nu toe vrijwel ontbroken aan structureel overleg tussen aanbieders, ontvangers en bemiddelaars van deze Arbo-dienstverlening. Vraaggestuurde zorg die op basis van een kosten-batenanalyse beschikbaar wordt gesteld, heeft consequenties voor de positie en onafhankelijkheid van beroepsbeoefenaars die hun diensten aanbieden, maar ook voor de toegankelijkheid voor patiënten. Beter dan in discussies over tweedeling kan de energie van beleidsmakers, politici en beroepsbeoefenaars worden gestoken in het reglementeren van de ontwikkeling van de commerciële zorg, zodat de privacy en keuzevrijheid van de patiënt voldoende zijn gegarandeerd, de professionele autonomie van de beroepsbeoefenaar wordt gerespecteerd en de effectiviteit, toegankelijkheid en kwaliteit beter toetsbaar worden.

Ing.E.Visser, MarketConcern BV in Nieuwegein, hielp bij het verkrijgen van gegevens over de samenwerkingsverbanden tussen verzekeraars en tweedelijns-Arbo-bemiddelingsbedrijven; prof.dr.G.van der Wal, sociaal-geneeskundige, leverde commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

Literatuur
  1. Loy NCML van, IJzerman M, Scholten CM. Commercie in deGGZ, een eerste verkenning. Leiden: Research voor beleid; 1999.

  2. Brockhuis S, Reitsma L, Slootweg L. Inventariserendonderzoek naar de effectiviteit van rugtrainingsprogramma's. Leiden:Leidse Hogeschool; 1997.

  3. Urlings IJM, Hildebrandt VH. Bewegen via de werkplek,inventarisatie van lopende activiteiten en leemten. Amsterdam: NederlandsInstituut voor Arbeidsomstandigheden/TNO; 1998.

  4. Verzekeringskengetallen. Breda: Heliview MarketingService; 1998.

  5. Mat J. Verzekeraar heerst op de ziektemarkt.NRC-Handelsblad 13 februari 1999.

  6. Vergoeding rugtrainingen en traumabegeleiding Rea.Amsterdam: Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen; 1999.

  7. Tweedelijns specialistische arbo-zorg: Cagins pleidooivoor een nieuw specialisme. Zorgvisie 1998;12:10-3.

  8. Schippers HMA. De danspoli is geen bedrijvenpoli. MedContact 1998;53:29.

  9. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).Wachttijden en tweedeling. Tweede Kamer 1997-8. 25 170. Nr 6. Rijswijk:Ministerie van VWS; 1999.

Auteursinformatie

Vrije Universiteit, afd. Sociale Geneeskunde, Van der Boechorststraat 7, 1081 BT Amsterdam.

Contact Dr.H.N.Plomp, socioloog-epidemioloog (hn.plomp.social@med.vu.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties