Onderzoek in de huisartsenpraktijk: daar wordt iedereen beter van

Commentaar
19-10-2017
Wim Opstelten, Patrick J.E. Bindels en Jako S. Burgers

Eind vorig jaar publiceerde de Gezondheidsraad een advies over het universitaire gezondheidsonderzoek.1 Onder de aansprekende titel ‘Onderzoek waarvan je beter wordt’ schetst dit rapport de gewenste richting: meer aandacht voor veelvoorkomende aandoeningen, preventie en langdurige zorg. Het lijdt geen twijfel dat het huidige onderzoek aan universitaire medische centra (umc’s) van groot belang is en tot doorbraken heeft geleid in de klinische praktijk. Maar mede doordat ‘gewone’ patiënten steeds meer buiten academische ziekenhuizen worden behandeld, is het universitaire onderzoek vooral gericht op complexe problematiek en minder op aandoeningen met een hoge prevalentie of hoge ziektelast, het langer gezond houden van de bevolking en het omgaan met beperkingen.

Meer aandacht is dan ook nodig voor extramuraal onderzoek. Daarvoor, zo stelde de adviescommissie, is niet alleen brede samenwerking nodig – zoals met niet-academische ziekenhuizen, de sector public health en huisartsen – maar ook adequate financiering. Inmiddels wordt terecht aandacht gevraagd voor meer onderzoeksgelden, bijvoorbeeld voor ...

Om deze pagina weer te geven moet u ingelogd zijn.

Heeft u nog geen abonnement?

Sluit een abonnement af

Heeft u al een abonnement?

Registreren

Log in als abonnee

Inloggegevens kwijt?