Nemen de prevalentie en incidentie van dementie af?

Opinie
Lisa Vermunt
Pieter Jelle Visser
Majon Muller
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:D442
Abstract
Download PDF

Een recente populatiestudie, uitgevoerd als onderdeel van de ‘Framingham heart study’, liet zien dat het risico op dementie in de afgelopen 25 jaar met maar liefst 35% is afgenomen.1 Nederland telt op dit moment ruim 260.000 patiënten met dementie. Dementie is de ziekte die gepaard gaat met de hoogste zorgkosten; in 2013 bedroegen die kosten ruim € 4 miljard en dat is ongeveer 5% van de totale gezondheidszorgkosten. Op basis van de verwachte toename van het aantal patiënten met dementie door langere levensverwachting en de vergrijzing, zijn wereldwijd projecten gestart voor de verbetering van diagnostiek en behandeling van dementie, in Nederland onder de noemer ‘Deltaplan Dementie’.2

Hoeven we ons geen zorgen meer te maken nu de incidentie vanzelf daalt? Wij zijn van mening dat de omvang van het probleem eerder zal toenemen dan afnemen. In dit commentaar bespreken we de daling van de incidentie, de mogelijke verklaringen en de implicaties daarvan.

Een dalende incidentie van dementie?

Er zijn de afgelopen jaren een aantal studies verschenen naar de veranderingen in de prevalentie en incidentie van dementie over de tijd (tabel). Veel studies laten een daling zien van de incidentie of prevalentie, maar de resultaten zijn niet eenduidig. In het cohort van de Framingham-studie is onderzoek gedaan naar de incidentie van dementie in 4 blokken van 5 jaar in de periode 1977-2008. De grootste daling van de incidentie van dementie was tussen de 1e periode (1977-1983) en de 2e periode (1986-1991), met een afname van 22%, en de kleinste daling was tussen de 3e periode (1992-1998) en de 4e periode (2004-2008), toen de afname 9% bedroeg. De daling tussen periode 2 en 4 was statistisch niet significant (hazardratio (HR): 0,89; p = 0,25). Dit suggereert dat de grootste daling van de incidentie van dementie achter de rug is.

Betere vasculaire behandeling en hogere opleiding

Een mogelijke verklaring voor de gedaalde incidentie van dementie is een betere behandeling van cardiovasculaire stoornissen. Cardiovasculaire stoornissen zijn een belangrijke risicofactor voor de ontwikkeling van dementie. De Framingham-studie liet zien dat in de afgelopen 35 jaar onder andere het aandeel van personen in de studie dat behandeld wordt voor hypertensie is toegenomen van 33 naar 62% (p < 0,001). De betere cardiovasculaire preventieve behandeling kan de afname van de incidentie echter slechts gedeeltelijk verklaren.

Een andere mogelijke reden voor de afname van de incidentie van dementie is het hogere opleidingsniveau. Conform de maatschappelijke ontwikkelingen nam het aandeel van personen in de studie met een lage opleiding af van 36 naar 5% (p < 0,001). Een hoog opleidingsniveau is een bekende beschermende factor tegen dementie omdat hersenschade beter gecompenseerd kan worden; dit wordt ook wel ‘cognitieve reserve’ genoemd.7

Cohorteffecten

Het Framingham-cohort bestond in 1948 uit 5209 inwoners van alle leeftijden uit Framingham in Noord-Amerika. Zij kregen om de 2-4 jaar follow-upvisites. In 1971 werden 5214 partners en kinderen geïncludeerd. Voor de analyses van het optreden van dementie in dit cohort werden mensen geïncludeerd die bij de eerste visite binnen een 5-jaarsperiode 60 jaar of ouder waren en geen dementie hadden. In latere periodes zitten naar verhouding meer kinderen van deelnemers uit de eerste generatie en daarom kan de afgenomen incidentie van dementie deels verklaard worden door deze cohortverschillen.

Dementie door de ziekte van Alzheimer

De ziekte van Alzheimer is de meest voorkomende oorzaak van dementie met een prevalentie van 70%.8 De incidentie van de ziekte van Alzheimer nam echter niet statistisch significant af in het Framingham-cohort (HR: 0,88 per 10 jaar; p = 0,051), terwijl de incidentie van vasculaire dementie wel afnam (HR: 0,71 per 10 jaar; p = 0,004). Dat de incidentie van het Alzheimer-type dementie toch enigszins daalt, kan komen door de verbeterde vasculaire behandeling van patiënten. Door afname in vasculair gerelateerde cognitieve stoornissen kan de ziekte van Alzheimer klinisch namelijk later tot uiting komen. Een opmerkelijke bevinding was verder dat de incidentie van dementie niet afnam bij mensen met het apolipoproteïne E4(APOE4)-allel (HR: 1,05; p = 0,76 bij vergelijking van periode 2 en 4). Het APOE4-allel is de belangrijkste genetische risicofactor voor de ziekte van Alzheimer en is aanwezig bij 60-70% van de patiënten, terwijl dat bij de algemene bevolking rond de 25% is.

Minder dementie?

Het is goed nieuws dat de incidentie van dementie de laatste 35 jaar is afgenomen door betere gezondheidszorg en opleidingen. Het aantal ouderen, met name de 80-plussers, neemt de komende 20 jaar echter sterk toe door de langere levensverwachting en doordat de babyboomgeneratie die leeftijd bereikt. Hierdoor zal het aantal patiënten met dementie in absolute zin toenemen.9 Daarom blijft onderzoek naar het optimaliseren van diagnostiek en het zoeken naar nieuwe behandelvormen onmisbaar. Met name nieuwe behandelingen voor de ziekte van Alzheimer zijn nodig omdat bovengenoemde gunstige effecten in mindere mate voor patiënten met deze ziekte gelden. De positieve effecten van cardiovasculaire preventie op de incidentie van dementie zouden op termijn weer teniet kunnen worden gedaan door het toegenomen aantal jonge mensen met obesitas, hypertensie en diabetes.10 Meer inzet voor preventie van dementie door de aanpak van cardiovasculaire risicofactoren is gerechtvaardigd en moet mogelijk al op jongere leeftijd beginnen.

Literatuur
  1. Satizabal CL, Beiser AS, Chouraki V, Chêne G, Dufouil C, Seshadri S. Incidence of dementia over three decades in the Framingham Heart Study. N Engl J Med. 2016;374:523-32. Medline

  2. Deltaplan Dementie.http://deltaplandementie.nl, geraadpleegd op 14 juni 2016.

  3. Schrijvers EM, Verhaaren BF, Koudstaal PJ, Hofman A, Ikram MA, Breteler MM. Is dementia incidence declining? Trends in dementia incidence since 1990 in the Rotterdam Study. Neurology. 2012;78:1456-63. Medline

  4. Matthews FE, Arthur A, Barnes LE, et al. A two-decade comparison of prevalence of dementia in individuals aged 65 years and older from three geographical areas of England: results of the Cognitive Function and Ageing Study I and II. Lancet. 2013;382:1405-12. Medline

  5. Qiu C, von Strauss E, Bäckman L, Winblad B, Fratiglioni L. Twenty-year changes in dementia occurrence suggest decreasing incidence in central Stockholm, Sweden. Neurology. 2013;80:1888-94. Medline

  6. Rocca WA, Petersen RC, Knopman DS, et al. Trends in the incidence and prevalence of Alzheimer’s disease, dementia, and cognitive impairment in the United States. Alzheimers Dement. 2011;7:80-93. Medline

  7. Stern Y. Cognitive reserve and Alzheimer disease. Alzheimer Dis Assoc Disord. 2006;20:S69-74. Medline

  8. Ferri CP, Prince M, Brayne C, et al. Global prevalence of dementia: a Delphi consensus study. Lancet. 2005;366:2112-7. Medline

  9. Jones SD, Greene JA. History of Medicine: Is Dementia in Decline? Historical Trends and Future Trajectories. N Engl J Med. 2016;374:507-9. Medline

  10. Zimmet P, Alberti KG, Shaw J. Global and societal implications of the diabetes epidemic. Nature. 2001;414:782-7. Medline

Auteursinformatie

VU medisch centrum, Amsterdam.

Alzheimer centrum: drs. L. Vermunt, arts-onderzoeker; dr. P.J. Visser, arts-epidemioloog, tevens MUMC, Alzheimer Centrum Limburg, Maastricht.  Vakgroep/Afd. Psychiatrie en Psychologie.

Afd. Interne Geneeskunde: dr. M. Muller, internist-ouderengeneeskunde.

Contact dr. M. Muller (majon.muller@vumc.nl)

Belangenverstrengeling

Belangenconflict en financiële ondersteuning: geen gemeld.

Auteur Belangenverstrengeling
Lisa Vermunt ICMJE-formulier
Pieter Jelle Visser ICMJE-formulier
Majon Muller ICMJE-formulier

Gerelateerde artikelen

Reacties