Artikel
Inleiding
Hyperparathyreoïdie is een diagnose die men meestal op het spoor komt door – soms bij toeval gevonden – verhoogde calciumspiegels in het serum. Niet altijd is operatieve behandeling geïndiceerd, maar indien operatie overwogen wordt, kan pre-operatieve lokalisatie van de afwijkende bijschildklieren van nut zin.
Deze lokalisatie is vaak moeilijk…
(Geen onderwerp)
Alkmaar, september 1987,
Gaarne willen wij reageren op het artikel van de collegae Van den Berg, Piers en Zwierstra (1987;1440-2). Tussen 1984 en 1987 werden in onze kliniek 4 patiënten met secundaire hyperparathyreoïdie geopereerd. Er werden 16 bijschildklieren gevonden. Bij histologisch onderzoek bleken 2 bijschildklieren normaal, 13 waren hyperplastisch en in 1 kwam een adenoom voor. Zoals de tabel laat zien, was de uitslag van 201Tl-99mTc-subtractiescintigrafie negatief voor alle bij schildklieren (2 normaal en 8 hyperplastisch) die kleiner of gelijk waren aan 1,6 cm doorsnede, 2,1 cm³ volume dan wel 0,75 g. Al deze bijschildklieren waren retro- of intrathyreoïdaal gelokaliseerd. Bij bijschildklieren ≥ 1,7 cm (2,4 cm³; 1,2 g) was de uitslag van scintigrafie positief in 3 van de 5 gevallen. De 2 negatieve uitslagen in deze categorie betroffen een adenoom van 2 cm (3,4 cm³; 2,9 g) en een hyperplastische bijschildklier van 2,5 cm (5,3 cm³; 2,8 g). Ook deze bijschildklieren waren retro- of intrathyreoïdaal gelegen. 201Tl-99mTc-scintigrafie was positief in een geval van extrathyreoïdale lokalisatie van een hyperplastische bijschildklier (2 cm; 0,9 g) gevonden bij heroperatie wegens persisterende secundaire hyperparathyreoïdie.
Wij concluderen op grond van deze bevindingen, dat bij secundaire hyperparathyreoïdie de grens om een positieve uitslag met 201Tl-99mTc-scintigrafie te verkrijgen hoger lijkt te liggen dan de voorgestelde 1 cm doorsnede of 0,5 g gewicht: naar onze ervaring zelfs ≥ 1,5 cm of 0,75 g. Deze waarnemingen komen overeen met de beschouwingen van Van den Berg et al. betreffende de factoren die de gevoeligheid van scintigrafie zouden beperken bij secundaire hyperparathyreoïdie.
De indicatie voor scintigrafie met 201Tl-99mTc als preoperatief lokalisatie-onderzoek bij patiënten met persisterende of recidiverende hyperparathyreoïdie, door ons onlangs beschreven,1 konden wij helaas in het artikel van Van den Berg et al. niet vinden. Ook door anderen wordt de rol van 201Tl-99mTc-scintigrafie bij heroperatie benadrukt.2-4
Zietse R, Valdés Olmos RA, Nubé MJ. Preoperative gland localization by 201-thallium and 99m-technetium subtraction scintigraphy in persistent secondary hyperparathyroidism. Neth J Med 1986; 26: 12-5.
Skibber JM, Reynolds JC, Spiegel AM, et al. Computerized technetium/thallium scans and parathyroid reoperation. Surgery 1985; 98: 1077-82.
Piers DA. Scintigrafische mogelijkheden voor het lokaliseren van feochromocytomen en bijschildklieradenomen. [LITREF JAARGANG="1985" PAGINA="199-201"]Ned Tijdschr Geneeskd 1985; 129: 199-201.[/LITREF]
Clark OH, Okerlund MD, Moss AA, et al. Localization studies in patients with persistent or recurrent hyperparathyroidism. Surgery 1985; 98: 1083-94.
(Geen onderwerp)
Groningen, september 1987,
De ervaringen van Valdés Olmos et al. komen overeen met onze bevindingen. Kleine verschillen in de detectiegrenzen kunnen samenhangen met de gebruikte onderzoektechniek. De inzenders gaan daar in hun brief niet verder op in. De indicatie voor 201Tl-99mTc-subtractiescintigrafie als lokalisatie-onderzoek bij persisterende of recidiverende hyperparathyreoïdie is, zoals door Valdés Olmos et al. aangegeven, reeds in 1985 door ons in dit tijdschrift genoemd,1 en is algemeen aanvaard. Wij zijn daarop niet opnieuw ingegaan: de bedoeling van ons artikel is, zoals de titel aangeeft, de mogelijkheden en de beperkingen van de bijschildklierscintigrafie te beschouwen.
Piers DA. Scintigrafische mogelijkheden voor het lokaliseren van feochromocytomen en bijschildklieradenomen. [LITREF JAARGANG="1985" PAGINA="199-201"]Ned Tijdschr Geneeskd 1985; 129: 199-201.[/LITREF]