Medische en administratieve veronachtzaming van een hoge bloedglucosewaarde; aantekeningen bij een beslissing van een medisch tuchtcollege

Opinie
D.W. Erkelens
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1997;141:813-5
Abstract

Medische tuchtcolleges sturen af en toe geanonimiseerde beslissingen naar dit tijdschrift. Soms zijn die casussen leerzaam, maar de informatie is niet volledig. In dit artikel ga ik in op een casus over het beloop, het uitblijven van medische beslissingen en over administratief falen. Het is echter buitengewoon moeilijk commentaar te geven op medisch en administratief handelen van collegae en op een uitspraak daarover van een medisch tuchtcollege wanneer men niet over volledige informatie beschikt. Het moge duidelijk zijn dat ik over niet meer informatie beschik dan de uitspraak van het tuchtcollege. De nadruk ligt op:

– het aangeven van momenten waarop het medisch handelen anders had kunnen zijn en – het advies om voorzorgen te nemen die in vergelijkbare situaties desastreuze gevolgen kunnen voorkomen.

Casus

Patiënt A overleed in 1995 op 41-jarige leeftijd in het ziekenhuis. Hij was sinds 16 jaar bekend wegens een manische depressie en pleegde in 1980…

Auteursinformatie

Academisch Ziekenhuis, afd. Algemene Interne Geneeskunde, Postbus 85.500, 3508 GA Utrecht.

Prof.dr.D.W.Erkelens, internist.

Heb je nog vragen na het lezen van dit artikel?
Check onze AI-tool en verbaas je over de antwoorden.
ASK NTVG

Ook interessant

Reacties

R.K.A.
van Wermeskerken

Den Haag, juni 1997,

Naar aanleiding van het commentaar van Erkelens (1997:813-5), waarin wordt gesteld dat het klinisch-chemisch en hematologisch laboratorium thans nauwelijks een actieve rol speelt bij het signaleren van afwijkende uitslagen op grond waarvan wellicht dient te worden gehandeld, hebben wij er behoefte aan de volgende opmerkingen te maken.

De stelling: ‘Met de verregaande automatisering van laboratoria behoort een telefonische waarschuwing van de klinisch chemicus zelf aan de aanvragende medicus tot een luxe uit vroeger tijden’ kan naar onze mening en volgens onze beroepsopvatting niet anders dan badinerend zijn bedoeld. De invoering van instrumentele analyse (mechanisering) en de automatische verwerking van administratieve en analytische gegevens (automatisering) ontslaan immers de laboratoriumstaf volstrekt niet van zijn taak om terstond en uit eigen beweging (sterk) pathologische uitslagen van laboratoriumonderzoek onder de aandacht van de aanvrager te brengen. Het tegendeel is waar. Mechanisering en automatisering leiden ertoe dat de wijze van beoordelen van laboratoriumonderzoeksresultaten beter gestructureerd is dan vroeger. De in het commentaar vermelde glucoseconcentratie van 16,9 mmol/l bijvoorbeeld zou bij controle op analytische juistheid (eerstelijnsautorisatie) geen aanleiding tot doorbellen hebben gegeven. Dit zou wel het geval zijn geweest met glucoseconcentraties lager dan 3,0 mmol/l of hoger dan 20,0 mmol/l, ongeacht of de patiënt bekend is of niet. De controle op plausibiliteit echter, die in het algemeen wordt uitgevoerd door leidinggevende analisten op hoger-laboratoriumonderwijsniveau met langdurige ervaring (tweedelijnsautorisatie), zou wel degelijk geleid hebben tot een vorm van signalering, bijvoorbeeld door de klinisch chemicus tot wiens aandachtsgebied het onderhavige onderzoek behoort, omdat zou blijken dat nog niet eerder bij deze patiënt een zo hoge glucoseconcentratie gevonden was.

De opmerking: ‘Een sterretje of een andere waarschuwende aanduiding bij een afwijkende laboratoriumuitslag wordt door de machine gezet’ doet onzes inziens geen recht aan de situatie, waarin klinisch chemici instrumenten als analytische hulpmiddelen gebruiken, de hierdoor gegenereerde analytische gegevens van geslachts- en leeftijdsafhankelijke referentiewaarden voorzien en bij de rapportage afwijkingen daarvan als zodanig markeren.

In ons streven naar waterdichtheid van de beschreven werkwijze hebben wij behoefte aan verbetering van de vraagstelling, die ongetwijfeld leidt tot optimalisering van signalering tussentijds en schriftelijke of elektronische rapportage. Een betere vraagstelling is echter afhankelijk van een verbetering van de kennis van de indicatie tot en de interpretatie van laboratoriumonderzoek. Deze verbetering is naar onze mening slechts mogelijk indien medici en klinisch chemici ter verkrijging daarvan tijdens de opleiding tot arts eendrachtig samenwerken.

R.K.A. van Wermeskerken
A. Castel

Utrecht, juli 1997,

De opmerking van de collegae Van Wermeskerken en Castel is volkomen terecht. Aanmerkelijke afwijkingen van de norm worden in alle ziekenhuizen, ook in grote instituten zoals academische ziekenhuizen, naar de aanvrager teruggekoppeld. Bij mijn commentaar op de overigens slechts schriftelijke weergave van de uitspraak van het tuchtcollege heb ik gezocht naar de mogelijke oorzaken van het feit dat de diagnose ‘diabetes mellitus’ niet werd gesteld. Mij trof daarbij in eerste instantie dat men de klinische diagnose niet stelde, terwijl in ieder geval de aangeboden informatie deze aandoening zeer sterk deed vermoeden. Hoe het dan mogelijk was dat een bloedglucosewaarde van 16,9 mmol/l te laat bij de aanvrager terechtkwam, leek mij duidelijker. Deze bloedglucosewaarden komen immers veel voor bij patiënten met diabetes mellitus type I en II en zijn bij afwezigheid van klinische verschijnselen geen reden voor onmiddellijk handelen en dus ook niet voor alarmerende terugrapportage. Ik zou mij kunnen voorstellen dat niet bij alle bloedglucosewaarden van 16,9 mmol/l wordt nagegaan of de patiënt wel of niet bekend is wegens diabetes mellitus. Ik moet hier kennelijk voorzichtig zijn bij de gemelde zorgvuldige controle op plausibiliteit. Dat de klinische vraagstelling bij alle aanvragen voor laboratoriumonderzoek gerapporteerd wordt, lijkt mij utopisch en ook technisch niet haalbaar. Dit neemt niet weg dat ook ik een goede samenwerking tussen klinisch chemici en medici van groot belang acht.

D.W. Erkelens