Medisch-wetenschappelijke verenigingen, kwaliteitscontrole en disfunctionerende artsen

Perspectief
C.N.M. Renckens
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:1749-52
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Een arts ontkende een bestaande, fatale maligniteit en diagnosticeerde kanker bij patiënten die dat niet hadden. Hij en 2 andere artsen wekten de indruk dat zij patiënten konden genezen met methoden waarvan de effectiviteit niet is aangetoond. Alle drie waren lid van een vereniging voor alternatieve geneeskunde; twee van hen zijn dat nu niet meer. De derde, een internist, is nog steeds lid van zijn alternatieve artsenvereniging, maar ook van de Nederlandse Internisten Vereniging. Ook een klinisch chemicus met een eigen laboratorium waar op aanvechtbare wijze voortdurend voedingsdeficiënties worden vastgesteld en een neuroloog die samenwerkte met een zeer omstreden Amerikaanse rugdokter werden door hun medisch-wetenschappelijke verenigingen niet geroyeerd of gecorrigeerd. De Inspectie voor de Gezondheidszorg doet onderzoek naar en gaat wellicht optreden tegen disfunctionerende artsen. De medisch-wetenschappelijke verenigingen zouden hun taak om de kwaliteit van beroepsuitoefening te bevorderen, strikter kunnen opnemen.

Zie ook de artikelen op bl. 1717, 1720, 1731 en 1752.

Hoofdinspecteur voor Gezondheidszorg Kingma maakte op 12 oktober 2002 bekend dat zijn dienst een onderzoek zal instellen naar mogelijke verwijtbare betrokkenheid van artsen bij het overlijden van de comédienne Sylvia Millecam op 19 augustus 2001.1 De Vereniging tegen de Kwakzalverij (VtdK) bepleitte terzake al eerder een actievere houding van de Inspectie tegenover alternatieve artsen, ook als er – zoals in dit geval – geen klachten van patiënten of nabestaanden beschikbaar zijn; wij zijn dan ook ingenomen met Kingma's aankondiging.2

In dit artikel wil ik enkele ervaringen rapporteren, die de VtdK opdeed toen zij trachtte ook de erkende wetenschappelijke verenigingen in dit opzicht tot meer diligentie te manen. Een vergelijking met de kwaliteitscontrole van alternatieve beroepsverenigingen zal ook in deze beschouwing worden betrokken.

Zowel de erkende wetenschappelijke verenigingen als de beroepsverenigingen van alternatieve artsen pretenderen de kwaliteit van hun beroepsuitoefening te bevorderen door kwaliteitsbeleid, visitaties, nascholing en het goed afhandelen van klachten. Van deze artsenorganisaties mag dus worden verwacht dat ze een strenge interne discipline handhaven. Ook de KNMG-gedragsregels voor artsen kennen een prominente rol toe aan de erkende wetenschappelijke vereniging: ‘De arts is bereid zich te verantwoorden en zich toetsbaar op te stellen. Leidraad bij deze toetsing is het criterium “algemeen onder beroepsgenoten gebruikelijk”, zoals dat onder meer geoperationaliseerd is of moet worden door de erkende wetenschappelijke vereniging’ (artikel I.6).3 Toen deze gedragsregels inzake de toelaatbaarheid van alternatieve geneeswijzen in de Algemene Vergadering van de KNMG op 3 oktober 1991 werden besproken, maakte de voorzitter duidelijk dat onder de wetenschappelijke verenigingen niet ook de alternatieve artsenverenigingen werden begrepen. Uiteraard poogt men ook in die kringen interne discipline uit te stralen, onder andere via het goed afhandelen van klachten en via het tuchtrecht van de Artsenfederatie Alternatieve Geneeswijzen.

leden van verenigingen voor alternatieve geneeskunde

Het betreft hier de drie artsen die in 2001 in het nieuws kwamen door hun bemoeienis met de aan borstkanker overleden comédienne Sylvia Millecam. Hun aandeel in de begeleiding van Millecam werd destijds breed in de media uitgemeten – hier volgt een kort resumé van hun optreden en beroepsopvattingen.

Arts A, basisarts, houdt al lange tijd praktijk in Haarzuilens, waar hij naast een praktijkruimte ook een bedrijf in eigen alternatieve geneesmiddelen huisvest. Hij behandelt vooral kankerpatiënten langs een eigen ‘niet-toxische lijn’. Daarnaast was hij lid van de Nederlandse Artsen Acupunctuur Vereniging (NAAV). Zijn behandeling van kanker bestond bij Millecam vooral uit de uitspraak dat zij geen kanker had, maar een bacteriële infectie. Door hem ‘erkende’ kankerpatiënten behandelt hij met een serie van 21 infusen met zijn eigen middelen. Zo'n behandeling kostte in 2001 in guldens ƒ 3500,– (€ 1588,–). Lid van de NAAV wordt men alleen na het volgen van de NAAV-cursus. A heeft daar blijkbaar kennis opgedaan tijdens het onderdeel elektro-acupunctuur en heeft vervolgens met dergelijke apparatuur (Vega-test) kanker vastgesteld bij meerdere mensen die dat niet hadden.4 Vanwege het bij twee patiënten diagnosticeren van niet-bestaande hersentumoren, werd hij enkele jaren geleden een halfjaar geschorst uit het medisch beroep. Na een afwezigheid van 6 maanden hervatte A zijn praktijk. Toen hij in opspraak kwam na Millecams overlijden, sloot hij zijn praktijk opnieuw korte tijd en kreeg hij ook bezoek van de Inspectie. Niet lang daarna heropende hij zijn praktijk, nadat hij volledig zou zijn gerehabiliteerd via een schrijven d.d. 18 maart 2002 van de Inspectie, dat hij onmiddellijk publiceerde op de pro-alternatieve website www.kanker-actueel.nl. Toen wij daarover navraag deden bij de Inspectie, bleek er van rehabilitatie geen sprake te zijn; integendeel, men betreurde het dat er onvoldoende concrete klachten waren om opnieuw een zaak tegen A aanhangig te maken. Op de ledenlijst van de NAAV is A inmiddels niet meer te vinden.

Arts B, een basisarts, biedt in zijn kliniek De Grens in Millingen aan de Rijn zijn patiënten onder andere elektro-acupunctuur, donkerveldmicroscopie, magneetveldtherapie, colonhydrotherapie, biofeedback, stemanalyse, onderwater-frequentietherapie, vitaminen, homeopathie en voedingssupplementen. Ook hij was lid van de NAAV. Het irreguliere gedrag van B ten tijde van Millecams ziekbed en daarna bestond onder andere uit het geven van interviews waarin hij zich voor huisarts uitgaf en vertelde dat hij ‘ten minste 90 van zijn patiënten geneest’, maar ook door het doorgeven aan de pers van allerlei door Millecam gedane uitspraken. Deze uitspraken kwamen hem ter kennis nadat hij haar in de terminale fase van haar ziekte in zijn huis had opgenomen. Hij behandelde Millecam onder andere met PAP-IMI-apparatuur, een ‘ion-proton-elektron-kernmagnetische inductor’ die is ontwikkeld door de Griekse arts P.T.Pappas (www.papimi.gr). Het apparaat zou werkzaam zijn bij kanker, multiple sclerose, fracturen, blaasontsteking, oogkwalen, artrose, hoofdpijn, sport- en balletblessures, rugpijn, astma, allergie, hersentumoren, verbranding et cetera. Voorts zou het nut hebben voor conditieverbetering en verbetering geven bij slechte schoolprestaties. Op de site is een grote hoeveelheid casuïstiek te vinden en onder het hoofdje ‘New cancer cases from Holland’ werd daar in oktober 2001, dus ná Millecams overlijden, een aantal uit B's praktijk aan toegevoegd. Onder deze casusbeschrijvingen bevonden zich onder andere 5 ziektegeschiedenissen van patiënten met borstkanker en uit de ziektegeschiedenis van de laatste van hen valt af te leiden dat B ook patiënten met kanker die nog niet regulier behandeld zijn, in behandeling neemt. Ook tegen deze arts heeft de Inspectie tot nog toe – voorzover ons bekend – geen serieuze actie kunnen ondernemen. Ook hij blijkt inmiddels geen lid meer te zijn van de NAAV.

Arts C is internist en lid van de Artsenvereniging ter Bevordering van de Natuurgeneeskunde (ABNG). Hij was vanaf 1988 verbonden aan het Diabetes Centrum Berg en Bosch, alwaar een combinatie van reguliere en alternatieve behandeling werd geboden. De door dr. C toegepaste therapieën waren onder andere acupunctuur, homeopathie en paranormale therapie. In interviews, onder meer met Care, gaf hij hoog op van zijn resultaten en zei hij dat zijn aanpak leidde tot een grotere zelfstandigheid van de patiënt.5 Hij wil diabetes niet als ongeneselijk zien en werkt ook intensief samen met alternatieve genezers. In 1996 werd hij uit de internistenmaatschap Overvecht gezet.6 In datzelfde jaar verschenen er berichten in het Utrechts Nieuwsblad over medische fouten en onderzoek door de Inspectie. In 1996 ging hij werken in een praktijk voor Natuurgeneeskunde en biofysische geneeskunde te Hilversum, hij trad op tijdens de spiritueel georiënteerde ‘The hospital as a temple’-conferenties en trok ook de aandacht met zijn plan om de resultaten van Jomanda's healings te gaan onderzoeken.7 Na Millecams overlijden werd in het televisieprogramma Rondom Tien van 25 oktober 2001 bekend dat er ten huize van C een multidisciplinaire patiëntenbespreking rond Millecam had plaatsgevonden, waarin C naast anderen ook Jomanda, een helderziende en alternatief kankergenezer Boegem raadpleegde over de te volgen behandeling. In de ledenlijst van de ABNG staat C nog steeds als lid te boek.

Voorzichtig kan als voorlopige conclusie worden gesteld dat alternatieve artsenclubs af en toe leden die ernstig disfunctioneren, royeren.

leden van de wetenschappelijke verenigingen

Nu volgen drie casestudies over leden van de Nederlandsche Internisten Vereeniging (NIV), de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie (NVKC) en de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN), want: hoe gaan de erkende wetenschappelijke verenigingen om met disfunctionerende artsen?

Arts C, internist en lid van de NIV, is dezelfde als hierboven is beschreven. In een schrijven in oktober 2001 richtte de VtdK zich tot het bestuur van de NIV, waarin wij wezen op C's samenwerking met alternatieve genezers, op het – gezien zijn geïsoleerde positie – voor hem ontbreken van intercollegiale toetsingsmogelijkheden en wij suggereerden dat de goede naam van de NIV in het geding was. Wij drongen aan op actie van de Commissie Kwaliteit van de NIV of op een praktijkvisitatie bij C. Al snel kwam er een telefonische reactie van de secretaris van de NIV. Hij sprak waardering uit voor de brief van de VtdK. Tegelijkertijd moest hij ons mededelen dat statuten en huishoudelijk reglement van zijn vereniging weinig aanknopingspunten boden voor optreden tegen eigen leden. ‘Daar zou wellicht eens naar gekeken moeten worden’. Ook vertelde hij dat C, toen hij uit zijn ziekenhuis en maatschap werd gezet, het bestuur van de NIV om hulp had gevraagd bij het bewaken van de kwaliteit van zijn medisch handelen. Actie van de NIV tegen C was volgens de secretaris niet mogelijk.

Klinisch chemicus D, geen arts, lid van de NVKC, verricht veel bloedonderzoek op aanvraag van alternatieve hulpverleners uit vooral de orthomoleculaire hoek, artsen maar ook leken, en ontdekt bij vrijwel iedereen voedingsdeficiënties. Hij lardeert zijn uitslagen met medicatie- en voedingsadviezen, die deskundigen als onzinnig voorkomen. Hij maakt al lang deel uit van de alternatieve wereld en nam samen met mensen als Wiese en Aakster zitting in bijvoorbeeld de Wetenschappelijke Onderzoekscommissie SIKON in 1979, een van de vele mislukte pogingen om de werkzaamheid van de Moerman-therapie aan te tonen. D is directeur van een eigen klinisch-chemisch laboratorium en voorzitter van de Maatschappij ter Bevordering van de Orthomoleculaire Geneeskunde, een door de orthomoleculaire groothandel opgericht propagandagezelschap dat onder meer opleidingen verzorgt tot orthomoleculair therapeut. Daarnaast is hij ook wetenschappelijk adviseur van het Fonds voor het Hart, het ‘kwakfonds’ dat direct na zijn oprichting in het nieuws kwam met financiële schandalen.8 9 Dit bracht de cardiochirurg Brands ertoe het gezelschap te verlaten, maar D zag geen bezwaren.8 9

Genoeg reden voor de VtdK om zich, op 6 mei 2001, per brief te richten tot het bestuur van de NVKC met het advies dit lid via een visitatie te beoordelen en zo nodig disciplinaire maatregelen te overwegen. Het NVKC-bestuur had grote twijfels over D's functioneren, maar een visitatie behoorde niet tot de mogelijkheden. Wel werd D gehoord, waarbij hij zich zeer laatdunkend uitliet over schrijver dezes en stelde dat de orthomoleculaire geneeskunde al lang ‘erkend’ zou zijn, gezien een artikel van Pauling in Science in 1968. Het NVKC-bestuur hield wel bedenkingen bij de doelmatigheid van het door D verrichte onderzoek, maar – zo liet men ons weten – dat zou meer de aanvragers dan de uitvoerder van die tests aangaan. Maatregelen zijn niet genomen.

Arts E was lange tijd als neuroloog aan een ziekenhuis verbonden, maar verliet de praktijk enkele jaren geleden. Hij was en is lid van de NVN. Sinds enkele jaren treedt dr. E op als assistent van de omstreden Amerikaanse arts Alfred Bonati, die een geheime eigen operatietechniek heeft ontwikkeld tegen rugpijn, scoliose, whiplash, hoofdpijn, nekpijn en dwarslaesies.10 Na een endoscopische laserbehandeling, die in Florida wordt gegeven, mogen de slachtoffers hopen op verlichting van hun klachten. Per insteek kost een en ander 10.000 dollar (circa 10.000 euro): als er bijvoorbeeld op drie niveaus wordt behandeld, verdrievoudigt het tarief. Nederlandse patiënten worden geworven via een bureau dat zitting houdt in het Sheratonhotel op Schiphol, waar Bonati patiënten ziet en accepteert na een voorselectie door E, die daarvoor 282 euro per consult in rekening brengt. Er moet ook een kostbare MRI worden gemaakt.

Op 25 november 2001 schreef de VtdK een brief aan het bestuur van de NVN waarin wij hen attendeerden op E's praktijken. Wij drongen aan op collegiale bemoeienis en visitatie van E's Schiphol-spreekuur. Eerst na 7 maanden kwam er een telefoontje van de NVN-secretaris met het aanbod om in het verenigingsblad De Neuroloog een interview te geven over onze grief. E zou zich dan vervolgens in een interview mogen verdedigen. De beide interviews zijn begin 2003 verschenen.11 Het NVN-bestuur liet bij monde van haar voorzitter en vice-voorzitter in hetzelfde blad weten dat E, die overigens eigener beweging eind 2002 zijn samenwerking met Bonati staakte, niet geroyeerd zal worden als lid van de NVN. De NVN-bestuurders hebben wel problemen met het ontbreken van goed onderzoek naar de waarde van Bonati's therapie, maar ook in de neurologie zou niet alles evidence-based zijn en de enorme bedragen die E en Bonati in rekening brengen, worden vergoelijkt met een verwijzing naar de door de politiek gesteunde opkomst van private initiatieven in de geneeskunde.

conclusies

Medisch-wetenschappelijke verenigingen noemen bevordering van de kwaliteit van hun beroepsuitoefening in hun statuten, maar blijken in de praktijk onmachtig of onwillig op te treden tegen disfunctionerende, alternatieve leden. De alternatieve artsenverenigingen zijn op dit punt mogelijk iets verder dan de erkende verenigingen: een vrij pijnlijke constatering. De Inspectie gaat nu wellicht optreden tegen disfunctionerende specialisten, die in hun wetenschappelijke verenigingen niets in de weg wordt gelegd, hetgeen de huidige zwakte van hun zelfreinigend vermogen mijns inziens schrijnend blootlegt. Ook de KNMG gaat niet vrijuit: in haar ledenorgaan Medisch Contact wordt regelmatig geadverteerd voor de NAAV-cursus, waar de door artsen A en B toegepaste elektro-acupunctuur wordt onderwezen.

Galileo Galilei stelde volgens Bertold Brecht reeds dat de wetenschap niet alleen gediend wordt door het ontdekken van allerlei nieuwe kennis, maar minstens net zoveel door het beteugelen van ongebreidelde fantasie en het elimineren van pseudo-wetenschap: ‘Eine Hauptursache der Armut in den Wissenschaft ist meist eingebildeter Reichtum. Es ist nicht ihr Ziel, der unendlichen Weisheit eine Tür zu öffnen, sondern eine Grenze zu setzen dem unendlichen Irrtum.’12 Het heeft er helaas de schijn van dat dat inzicht bij de Nederlandse medisch-wetenschappelijke verenigingen ontbreekt.

Belangenconflict: geen gemeld. Financiële ondersteuning: geen gemeld.

Literatuur
  1. Millecam als voorbeeldcasus. Trouw 14 oktober2002.

  2. Renckens CNM. 's Konings laatste argument. Overtuchtrecht en alternatieve geneeskunde. Med Contact 2001;56:518-20.

  3. Gedragsregels voor artsen. In: Legemaate, redacteur.Regelgeving beroepsuitoefening gezondheidszorg. Houten: Bohn Stafleu VanLoghum; 1994. p. D2100.4.

  4. Arts geschorst voor vega-testen. Care1997;40:49.

  5. Lumeij J. Een alternatieve specialist tegen wil en dank.Care 1996; 36:16-20.

  6. Vos R de. Diabetescentrum regulier onderuit gehaald. Care1996; 34:53-5.

  7. Klooster B van ’t. Onderzoek naar kracht Jomanda.Algemeen Dagblad 22 maart 1999.

  8. Schulte A. Het enige wat het Hartfonds goed kan isinzamelen. Het Parool 20 april 2000.

  9. Renckens CNM. De wonderbaarlijke opkomst van de‘kwakfondsen’. NedTijdschr Geneeskd 2000;144:332-4.

  10. Zeilstra D. Laseren of belazeren. De herniabehandelingenvan wonderdokter Bonati. Skepter 2000;nr 1:10-2.

  11. Wolthuis P. Een wonderdokter of een kwakzalver? DeNeuroloog 2003;1:14-6.

  12. Brecht B. Leben des Galileo. Amsterdam: Meulenhoff; 1983.p. 95.

Auteursinformatie

Vereniging tegen de Kwakzalverij.

C.N.M.Renckens, vrouwenarts, Ramen 32, 1621 EL Hoorn

(renckens@xs4all.nl).

Contact (renckens@xs4all.nl)

Gerelateerde artikelen

Reacties

L.
Alberts

Hilversum, september 2003,

Met verbazing lees ik regelmatig de artikelen van collega Renckens waarin hij artsen die niet uitsluitend regulier werken, afschildert als mensen die disfunctioneren, levensgevaarlijk bezig zijn en veel geld proberen te verdienen over de ruggen van patiënten (ook weer in zijn recentste artikel: 2003:1749-52). Hij heeft met zijn Vereniging tegen de Kwakzalverij een soort middeleeuwse heksenjacht geopend waarbij iedereen die niet volgens zogenaamde ‘wetenschappelijke’ criteria werkt uit het systeem verwijderd dient te worden.

Zelf ben ik sinds 12 jaar werkzaam als homeopathisch arts. Patiënten melden zich bij mij met zeer uiteenlopende aandoeningen, vaak zijn dat moeders met baby's of kleine kinderen en mensen met chronische aandoeningen die aangewezen zijn op reguliere medicijnen die niet alle klachten wegnemen en ook nog gepaard gaan met veel bijwerkingen. Als voorbeeld noem ik de migrainepatiënt die al overal geweest is en dagelijks sumatriptan gebruikt omdat dit het enige is wat het leven nog leefbaar maakt. Meestal lukt het met behulp van de homeopathie om de aanvalsfrequentie en heftigheid te verminderen, soms worden deze patiënten zelfs klachtenvrij. Is dit ongeoorloofd omdat wij het werkingsmechanisme van de homeopathie (nog) niet hebben opgehelderd?

Er is nog nooit iemand beter geworden van alleen een pilletje; als iemand geen zelfherstellend vermogen heeft, overlijdt hij of zij, of de arts nu regulier of homeopathisch werkt. In beide gevallen schept men een toestand waarbij het lichaam geholpen wordt om zichzelf te genezen; in die zin verschillen de reguliere geneeskunde en de homeopathie minder dan men zou denken.

Een heet hangijzer is de behandeling dan wel de begeleiding van kankerpatiënten. Wij kunnen, net als de regulier werkende artsen overigens, kanker meestal niet genezen. Reguliere therapieën die daarop gericht zijn, gaan gepaard met zoveel bijwerkingen dat patiënten nogal eens voortijdig afhaken. Wat collega's niet beseffen, is dat wij die bijwerkingen vaak wel kunnen verminderen, zodat patiënt die laatste 2 chemokuren nog wel doorstaat; de bloedwaarden normaliseren sneller en de misselijkheid is dragelijker met de combinatie van reguliere middelen aangevuld met homeopathische.

Wij werken dus niet ‘alternatief’, maar ‘additief’. Gebeurtenissen zoals met Sylvia Millecam zijn gelukkig eerder uitzondering dan regel en ik ben dan ook van mening dat hier hard tegen opgetreden dient te worden. Vaak zijn het echter de niet-artsen die denken dat wij de reguliere geneeskunde niet nodig hebben; dat vind ik levensgevaarlijk. Echter, door de heksenjacht die momenteel gaande is, doet zich het volgende probleem voor: als afgestudeerd arts ben je je toekomst niet zeker als je additief wilt gaan werken, in die zin begint het beleid van de Vereniging tegen de Kwakzalverij vruchten af te werpen. Patiënten die onvoldoende baat hebben bij de reguliere geneeskunde zullen altijd blijven zoeken naar andere oplossingen, desnoods bij niet-artsen. De homeopathie verdwijnt dan weer naar de achterkamertjes en de regering is alle grip weer kwijt.

Ditzelfde zien wij gebeuren met het registratiebeleid van homeopathische middelen. Omdat het voor de industrie financieel niet mogelijk is om alle circa 10.000 middelen die wij gebruiken (en echt nodig hebben) te registreren, zouden wij middelen die niet zo vaak worden voorgeschreven, voor individuele patiënten magistraal kunnen laten bereiden. Wij hebben dit allemaal toegejuicht, omdat wij dan zeker dachten te zijn van een kwalitatief hoogwaardig product. Echter, de regering belet nu de apothekers de grondstoffen in te kopen voor die magistrale bereiding. Resultaat: de patiënt gaat zijn middel rechtstreeks in het buitenland bestellen, desnoods via internet. Waar blijft nu de controle?

Als goed opgeleide artsen gemotiveerd worden om additief te werken en er meer samenwerking mogelijk is, gebeuren er veel minder ongelukken. Overigens, hoe vaak gebeurt het niet dat de huisarts een patiënt (te) lang laat lopen met een tumor? Inschattingsfouten kunnen altijd gemaakt worden, als het maar niet uit fanatisme gebeurt.

Omdat homeopathische artsen voorschrijven op individuele kenmerken en zelden op indicatie, is het niet mogelijk om dubbelblind, placebogecontroleerd onderzoek te verrichten; dat maakt het moeilijker om de effectiviteit te meten. Het feit dat meer dan 90% van mijn patiënten via mond-tot-mondreclame komt, moet toch wel iets zeggen. Als mijn methode geen resultaat zou geven, was ik er al lang geleden mee opgehouden, want het reguliere circuit is financieel veel aantrekkelijker (maar geeft mij minder voldoening).

De consulttarieven liggen, berekend per tijdseenheid, onder het huisartsentarief. In het begin zie ik een patiënt 1 × per 4-6 weken, daarna 2 tot 4 × per jaar bij chronische klachten. Een buisje medicijnen kost nog geen 20 euro, goed voor een maand of tien – ook dat is niet duur. Meestal lukt het om het medicijngebruik van chronische patiënten te verminderen, soms kunnen wij het zelfs stoppen (in overleg met de voorschrijvend behandelaar). Het zou de gezondheidszorg ten goede komen als meer chronische patiënten additief behandeld werden. ‘Broodnijd’ is nergens voor nodig, want wij werken aanvullend, niet ‘in plaats van’.

De enige die reden tot bezorgdheid heeft als wij meer geaccepteerd worden, is de farmaceutische industrie; die zal de omzet van dure pijnstillers, maagzuurremmers en antidepressiva zien dalen, maar ze zullen heus nog wel voorgeschreven worden.

De reguliere zorg zal altijd hard nodig blijven, dus waar is Renckens zo bang voor?

L. Alberts
C.N.M.
Renckens

Hoorn, september 2003,

Tussen de gedachtewereld van collega Alberts en die van ondergetekende gaapt een onoverbrugbare kloof. Zonder erg in te gaan op mijn beschrijving van de onwil of de onmacht van de erkende medisch-wetenschappelijke verenigingen wat betreft hun disfunctionerende (alternatieve) leden, rakelt zij in haar brief veel thema's op, waarvan ik er slechts enkele van een kort commentaar zal voorzien.

Zo meent zij dat wij de homeopathie alleen maar als kwakzalverij beschouwen omdat het werkingsmechanisme niet is opgehelderd. Dat laatste is natuurlijk een understatement: de homeopathie berust op een nooit bewezen veronderstelling (‘het gelijkende geneest het gelijkende’) en op de absurditeit dat een sterkere verdunning – mits tijdens de bereiding krachtig geschud – tot een krachtiger effect leidt. Dat Alberts dit allemaal gelooft, betekent dat de lessen farmacologie tijdens haar studie aan haar niet besteed zijn geweest. Dat zij en passant beweert kanker ‘net als de regulier werkende artsen, meestal niet te kunnen genezen’ is regelrecht provocerend. De genezingspercentages van de reguliere geneeskunde bij kanker liggen immers rond de 50, die van de homeopathie op ongeveer 0.

Ik zou verder kunnen gaan, maar sluit af met een citaat van Van der Smagt, die een fraaie brochure over de homeopathie schreef,1 en die van mening is dat de gedragsregels voor artsen met één extra paragraaf moeten worden uitgebreid: ‘Van een goed arts wordt een zekere bescheidenheid verwacht. Wie zijn medisch handelen baseert op een privé-overtuiging waarvoor wetenschappelijke argumenten ontbreken en die slechts door een handjevol vakgenoten wordt gedeeld, lijdt aan gevaarlijke zelfoverschatting’.2 Daarover zou collega Alberts eens goed kunnen nadenken. Ik ben het er in elk geval volledig mee eens.

C.N.M. Renckens
Literatuur
  1. Smagt CP van der. Homeopathie. Het wonder van het gelijkende. Utrecht: Stichting Skepsis; 1992.

  2. Smagt CP van der. Gedragsregels [brieven]. Med Contact 2002;57:1475.

H.
Storm

Leeuwarden, september 2003,

In zijn artikel (2003:1749-52) voert Renckens een ‘klinisch chemicus D’ op met een eigen laboratorium waar op aanvechtbare wijze voortdurend voedingsdeficiënties worden vastgesteld. Gerefereerd wordt aan het feit dat het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde (NVKC) destijds geen maatregelen heeft genomen, ondanks de grote twijfels over het functioneren van D. Het feit wil echter dat D als biochemicus lid is van de NVKC, maar geen opleiding tot klinisch chemicus heeft gevolgd en ook niet in het register van klinisch chemici is opgenomen. Het is teleurstellend dat Renckens in zijn artikel hierin zo onzorgvuldig te werk gaat en daarmee een beroepsgroep benadeelt.

Aangezien de twijfels over het functioneren van D niet zijn weggenomen, heeft het NVKC-bestuur toch besloten het onderzoek naar D's functioneren te heropenen. Om eventuele speculatie te voorkomen: de in hetzelfde nummer van het Tijdschrift beschreven biochemicus Kamsteeg is geen lid van de NVKC (2003:1752-5).

Het bovenstaande onderstreept de noodzaak dat op zo kort mogelijke termijn de voordracht plaatsvindt voor een algemene maatregel van bestuur, houdende regels inzake de opleiding tot en de deskundigheid van de klinisch chemicus (Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) art. 34).

H. Storm
C.N.M.
Renckens

Hoorn, september 2003,

Volmondig bied ik mijn verontschuldigingen aan aan alle klinisch chemici van ons land voor mijn vergissing. Ik heb grote waardering voor deze beroepsgroep en wist niet dat ook niet-klinisch-chemici lid konden zijn van de NVKC. Ik ben overigens wel bang dat dat bij veel mensen onbekend zal zijn. Als het nu aangekondigde onderzoek naar D's functioneren zijn royement tot gevolg heeft, dan heeft de NVKC haar blazoen gezuiverd, maar toch blijft zij onder het vigerende toelatingsbeleid kwetsbaar voor het binnendringen van non-valeurs in haar gelederen.

C.N.M. Renckens
J.
de Ridder

Noordlaren, oktober 2003,

Met stijgende verbazing hebben wij het artikel van Renckens in de septemberuitgave van dit tijdschrift gelezen (2003:1749-52). Er staan over de Maatschappij ter Bevordering van de Orthomoleculaire Geneeskunde (MBOG) een aantal onwaarheden in.

De MBOG is 17 jaar geleden opgericht door de apotheker G.E.Schuitemaker. De MBOG is een beroepsvereniging van orthomoleculair werkende artsen, therapeuten, diëtisten en anderen en dus geen propagandagezelschap. De MBOG is strikt onafhankelijk en heeft geen commerciële bindingen. Zij organiseert geen opleidingen, maar controleert wel of opleidingen voldoen aan de hoge eisen die zij daaraan stelt. In Nederland zijn dit slechts twee opleidingen en deze worden jaarlijks getoetst op inhoud en kwaliteit van de examens. De leden die vermeld worden op de therapeutenlijst moeten minimaal een hbo-opleiding hebben voor medische basisvakken en/of geregistreerd zijn volgens de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG), en verder een orthomoleculaire opleiding gevolgd hebben bij een door de MBOG goedgekeurd opleidingsinstituut. Overigens, wij vermoeden dat met ‘de heer D’ dr.E.Vogelaar wordt bedoeld, maar deze is al 4 jaar geen voorzitter van de MBOG meer.

Het lijkt dat de redactie of de auteur slecht geïnformeerd is. Het zou aan te bevelen zijn artikelen in het Tijdschrift te verifiëren op juistheid. Dit soort onvolkomenheden halen het niveau en de betrouwbaarheid van dit, overigens interessante, blad omlaag.

J. de Ridder
A.L. Jans