Longkanker in Nederland in de periode 1989-1997: de epidemie is nog niet voorbij

Onderzoek
M.L.G. Janssen-Heijnen
J.A.A.M. van Dijck
S. Siesling
R.M. Schipper
R.A.M. Damhuis
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 2001;145:419-23
Abstract
Download PDF

Samenvatting

Doel

In kaart brengen en interpreteren van de veranderingen in incidentie, sterfte en overleving van longkanker in Nederland in de periode 1989-1997.

Opzet

Secundaire data-analyse.

Methoden

Er werden gegevens verkregen over incidentie van longkanker van de Nederlandse Kankerregistratie (1989-1997), over sterfte van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), over incidentie van longkanker in andere Europese landen van EUROCIM (1990-1994), over overleving van Nederlandse longkankerpatiënten van het Integraal Kankercentrum Amsterdam (1988-1997) en het Integraal Kankercentrum Zuid (1988-1992), en over de overleving van andere Europese longkankerpatiënten van EUROCARE (1985-1989). Incidenties werden berekend per 100.000 persoonsjaren en gestandaardiseerd voor leeftijd naar de Europese bevolkingsopbouw. Overleving werd berekend als de ratio van geobserveerde overleving onder de longkankerpatiënten en de verwachte overleving van de hele bevolking.

Resultaten

De incidentie van longkanker was bij mannen gedaald van 109 naar 93, terwijl die bij vrouwen gestegen was van 18 naar 23. De incidentie van longkanker bij Nederlandse mannen was hoog in vergelijking met die in andere Europese landen, terwijl die bij vrouwen gemiddeld was. De trends in incidentie van longkanker hingen sterk samen met gepubliceerde trends in rookgewoonten in het verleden. De sterfte daalde bij mannen van 106 naar 91 en steeg bij vrouwen van 15 naar 20. De overleving was beter voor jongere patiënten, een gelokaliseerde tumor en beter voor plaveiselcel- en adenocarcinoom dan voor grootcellig ongedifferentieerd en kleincellig carcinoom. De relatieve 5-jaarsoverleving was 12, de relatieve 1-jaarsoverleving 39; dit was gunstig vergeleken met andere Europese landen.

Conclusie

De incidentie van en de sterfte aan longkanker bij mannen in Nederland zijn op hun retour; maar in 1997 overleden dagelijks gemiddeld nog bijna 20 mannen aan longkanker. Bij vrouwen is het einde van de stijging nog niet in zicht en in 1997 overleden dagelijks ruim 5 vrouwen aan longkanker.

Inleiding

Longkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij mannen in Nederland en neemt thans een derde plaats in bij vrouwen. Het aantal nieuwe patiënten per jaar in Nederland bedraagt bijna 7000 mannen en bijna 2100 vrouwen.1 2 Hoewel de incidentie en de sterfte bij mannen sinds midden jaren tachtig van de vorige eeuw zijn gedaald,3 4 is deze relatief hoog in vergelijking met andere Europese landen. Daarentegen is de incidentie bij vrouwen nog steeds stijgende. De overleving van niet-kleincellige tumoren is nauwelijks verbeterd.5 Bij kleincellige tumoren heeft de introductie van chemotherapie in de tweede helft van de jaren zeventig gezorgd voor een aanzienlijke verbetering in de kortetermijnoverleving, maar slechts 10 van de patiënten is twee jaar na de diagnose nog in leven.6

Daar de incidentie- en sterftecijfers voor mannen en vrouwen in de laatste decennia sterk zijn veranderd, beschrijven en interpreteren wij in dit artikel trends in incidentie, sterfte en overleving.

patiënten en methoden

Voor de incidentie werden gegevens gebruikt van de Nederlandse Kankerregistratie1 (1989-1997), die gevormd wordt door de 9 regionale kankerregistraties (die gegevens over kanker in de bevolking verzamelen). Voor de sterfte werden gegevens gebruikt van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS, Voorburg/Heerlen).

De trends in leeftijdspecifieke en voor leeftijd gestandaardiseerde incidentie voor mannen en vrouwen worden weergegeven sinds 1989, het begin van de Nederlandse Kankerregistratie. Gegevens over de bevolkingsopbouw waren afkomstig van het CBS. De incidentie werd berekend per 100.000 persoonsjaren en gestandaardiseerd naar de Europese bevolkingsopbouw.1

Voor vergelijking van de incidentie van longkanker in Nederland met andere landen in Europa werd het gegevensbestand van de ‘European cancer incidence and mortality’ (EUROCIM) gebruikt (1990-1994) (bron: International Agency for Research on Cancer, Lyon). EUROCIM bestaat uit gegevens over kankerincidentie en -sterfte van vele Europese kankerregistraties. Voor dit onderzoek werden, in verband met kwaliteit en volledigheid, kankerregistraties gekozen met een hoog percentage histologisch bevestigde tumoren (> 70) en een mortaliteit-incidentieratio die niet veel afweek van 1. Dit laatste criterium werd gekozen omdat bij een letale ziekte als longkanker de incidentie en de sterfte naar verwachting niet ver uit elkaar liggen.

Voor de overlevingsanalyses werden gegevens gebruikt van patiënten bij wie longkanker gediagnosticeerd was in de regio van het Integraal Kankercentrum Amsterdam (IKA, 1988-1997) en het Integraal Kankercentrum Zuid (IKZ, 1988-1992). Voor deze patiënten was de follow-up compleet tot en met 31 december 1998. Aangezien in de kankerregistraties de doodsoorzaak niet bekend is, werd gekozen voor berekening van de relatieve overleving, een benadering voor de ziektespecifieke overleving. De relatieve overleving wordt berekend als de ratio van geobserveerde en verwachte overleving.7 De verwachte overleving is gebaseerd op sterftecijfers van het CBS en geeft de overleving van Nederlandse mannen en vrouwen weer in dezelfde leeftijdsgroepen per periode. Gegevens van patiënten bij wie de diagnose ‘longkanker’ gesteld was bij obductie werden niet gebruikt voor de berekening van de overleving.

Voor vergelijking van de overleving van longkanker in Nederland met die in andere landen in Europa werd het gegevensbestand van EUROCARE gebruikt (1985-1989).8 9 Voor de analyse werd longkanker ingedeeld in kleincellige en niet-kleincellige tumoren; de laatste groep werd op grond van verschillen in vóórkomen en prognose verder onderverdeeld in plaveiselcelcarcinomen, adenocarcinomen, ongedifferentieerde grootcellige carcinomen en een aantal zeldzame typen.4 10 11

Het stadium bij diagnose werd ingedeeld volgens de TNM-classificatie van de Union Internationale contre le Cancer (versie 4).12 Gegevens over behandeling van de patiënten werden verkregen van de regionale Integrale Kankercentra van Nederland. Voor de analyses van behandeling werd alleen het klinische stadium (c-TNM) gebruikt. Voor de overlevingsanalyses werd het postoperatief pathologisch bepaalde stadium (p-TNM) gebruikt, en, indien dit niet bekend was, het klinische stadium.

resultaten

Incidentie

De voor leeftijd gestandaardiseerde longkankerincidentie voor Nederlandse mannen was gedaald van 109 per 100.000 persoonsjaren in 1989-1991 tot 93 per 100.000 in 1995-1997 (tabel 1). Bij vrouwen daarentegen steeg de incidentie van 18 tot 23 per 100.000 persoonsjaren. Tegelijkertijd daalde de sterfte bij mannen van 106 naar 91 per 100.000 en bij vrouwen steeg deze van 15 naar 20 per 100.000. Deze daling bij mannen en de stijging bij vrouwen werden gezien in elke leeftijdsgroep. De trends in incidentie verschilden per histologisch subtype. Bij mannen daalde de incidentie van plaveiselcelcarcinoom en kleincellig carcinoom, terwijl die van adenocarcinoom en grootcellig ongedifferentieerd carcinoom steeg. Bij vrouwen was de incidentie van longkanker voor elk histologisch type gestegen (zie tabel 1).

Binnen Nederland verschilde de incidentie per provincie (figuur 1). Voor mannen was deze het hoogst in Noord-Brabant en Limburg en het laagst in Zeeland, terwijl die voor vrouwen het hoogst was in Flevoland en Noord-Holland en het laagst in Zeeland, Friesland en Drenthe. Ook waren er aanzienlijke verschillen tussen landen binnen Europa (figuur 2). Zo was de incidentie voor mannen zeer hoog in Nederland, Italië en Polen en laag in IJsland en Zweden. Voor vrouwen was de incidentie van longkanker relatief hoog in Denemarken, Groot-Brittannië en IJsland en laag in Frankrijk en Spanje.

Behandeling

Het merendeel van de patiënten met een kleincellige longtumor ontving chemotherapie (ruim 75). Ongeveer 20 was niet behandeld; dit was ongeveer 40 in de oudere leeftijdsgroep. De meeste patiënten met een niet-kleincellige longtumor in stadium I of II (gelokaliseerde ziekte) waren geopereerd, van wie bijna 10 aanvullende radiotherapie ontving (tabel 2). De meest voorkomende primaire behandeling voor patiënten met een tumor in stadium III A/B (locoregionale uitbreiding) was radiotherapie (ruim 50). Van patiënten in stadium IV was het grootste deel niet behandeld (65,6), 20 ontving primaire radiotherapie, 10,8 primaire chemotherapie en 1,7 een combinatie van de laatste twee. Ouderen met een tumor in stadium I, II of III waren minder vaak geopereerd dan jongeren en ontvingen vaker primaire radiotherapie. Verder was het percentage dat niet behandeld was in alle stadia bij ouderen aanzienlijk hoger dan bij jongeren.

Overleving

De prognose voor patiënten met longkanker was slecht. Van patiënten met een kleincellige longtumor overleed 20 in de eerste maand na diagnose, ruim 70 in het eerste jaar en na 5 jaar was 4 nog in leven. Van alle patiënten met een niet-kleincellige longtumor overleed 10 binnen 1 maand na diagnose; na 1 jaar was ruim 40 overleden en 15 overleefde 5 jaar. De relatieve overleving was beter voor patiënten jonger dan 75 jaar dan voor ouderen en was sterk afhankelijk van het stadium bij diagnose. Voor patiënten met een kleincellige tumor jonger dan 75 jaar was de 1-jaarsoverleving 53 voor diegenen met kanker beperkt tot één thoraxhelft, inclusief hilusklieren, ipsi- en contralaterale mediastinale klieren en ipsi- en contralaterale supraclaviculaire klieren (‘limited disease’) en 17 voor uitgebreidere ziekte (‘extensive disease’). Voor ouderen waren deze percentages respectievelijk 41 en 7. Voor patiënten jonger dan 75 jaar met een niet-kleincellige tumor stadium I-II was de 1-jaarsoverleving 79, voor stadium III 39 en stadium IV 11. Voor patiënten ouder dan 75 jaar waren deze percentages respectievelijk 56, 28 en 9. Voor patiënten met een niet-kleincellige longtumor was de overleving voor plaveiselcel- en adenocarcinoom beter dan voor grootcellig ongedifferentieerd carcinoom.

Bij vergelijking van de overleving van longkanker binnen Europa zagen wij aanzienlijke verschillen tussen de landen. De 5-jaarsoverleving was het hoogst in Nederland, Frankrijk en IJsland en het slechtst in Denemarken, Groot-Brittannië, Polen en Slovenië (figuur 3).

beschouwing

In de periode 1989-1997 waren de incidentie van en sterfte aan longkanker bij Nederlandse mannen gedaald, terwijl die bij vrouwen stegen. In verhouding kwam er steeds minder plaveiselcelcarcinoom en steeds meer adenocarcinoom voor, met name bij mannen. In vergelijking met andere landen in Europa was de incidentie van longkanker voor mannen in Nederland hoog, terwijl die voor vrouwen gemiddeld was. De behandeling en de overleving waren sterk afhankelijk van leeftijd, histologisch type en stadium bij diagnose. Bij vergelijking van de overleving binnen Europa was die in Nederland relatief gunstig.

Ondanks de daling in incidentie van longkanker stierven er in Nederland nog bijna 7000 mannen per jaar, hetgeen neerkomt op bijna 20 per dag. Het aantal vrouwen dat jaarlijks overleed aan longkanker bedroeg bijna 2000, dus gemiddeld ruim 5 per dag.

De aannemelijkste verklaring voor het beloop van de incidentie van longkanker is de rookgewoonte in het verleden en de verandering daarin.4 13 Het percentage rokers onder mannen in Nederland is gedaald van 90 in 1958 naar 40 eind jaren tachtig.14 Het percentage rooksters is gestegen van 29 in 1958 tot 40 in de jaren zeventig en daarna gedaald tot ongeveer 30 eind jaren tachtig. Ook nationale en internationale verschillen in incidentie van longkanker kunnen waarschijnlijk verklaard worden door verschillen in roken in het verleden. Zo werden hoge incidentiecijfers voor vrouwen voornamelijk gezien in de verstedelijkte gebieden in het westen van het land, waar vrouwen eerder zijn begonnen met roken, en de incidentie voor mannen was hoger in het zuidoosten, mogelijk door de aanwezigheid van veel tabaksverwerkende industrie.15 Verder was de incidentie in landen waar veel gerookt werd, zoals Nederland, hoger dan in landen met een laag percentage rokers, zoals Zweden.

Ook de verschuiving in histologisch type kan mogelijk verklaard worden door trends in roken. Uit eerdere onderzoeken bleek dat plaveiselcelcarcinoom en kleincellig carcinoom sterker samenhangen met roken dan adenocarcinoom.16 Echter, het lager relatieve risico voor adenocarcinoom zou gedeeltelijk verklaard kunnen worden doordat adenocarcinoom ook meer bij niet-rokers voorkomt (ook het kankerrisico in de referentiegroep van niet-rokers is dus verhoogd). In een Amerikaans onderzoek werd de relatieve stijging in incidentie van adenocarcinoom in verband gebracht met een toename in het roken van filtersigaretten sinds de jaren zestig.17 Rokers van deze sigaretten inhaleren meestal dieper om in de nicotinebehoefte te voorzien. Kleinere partikels die niet door het filter worden tegengehouden, komen zo meer perifeer in de long terecht en kunnen hier adenocarcinomen veroorzaken.18 Het percentage filtersigaretten onder de sigarettenrokers bij Nederlandse mannen is gestegen van 30 in 1979 tot 78 in 1997, terwijl dit bij vrouwen al sinds de jaren zestig hoger is dan 75 (bron: Stichting Volksgezondheid en Roken, Den Haag).

Ondanks betere diagnostische en therapeutische technieken was de overleving voor patiënten met longkanker nog steeds slecht. Sinds de tweede helft van de jaren zeventig worden patiënten met een kleincellige longtumor behandeld met chemotherapie. Alhoewel de introductie hiervan gezorgd heeft voor een aanzienlijke verbetering in 1-jaarsoverleving, is slechts 10 van de patiënten twee jaar na diagnose nog in leven.6 19 Verder lijkt het erop dat de resultaten van chemotherapie een plateau bereikt hebben en dat verdere verbetering moeilijk is.6 Naast de toepassing van nieuwe behandelingsmodaliteiten, vooral vroege radiotherapie gecombineerd met chemotherapie bij geselecteerde patiënten met limited disease, is de hoop gevestigd op nieuwe middelen en technieken. De prognose voor patiënten met een niet-kleincellige longtumor gediagnosticeerd tussen 1975 en 1992 in Zuidoost-Nederland is niet verbeterd.5 Mogelijk kunnen nieuwe, vaak gecombineerde, behandelingsmodaliteiten en middelen (chemotherapeutica, angiogeneseremmers) de prognose van niet-kleincellige longtumoren verbeteren.20 21 Daar de prognose voor patiënten bij wie de tumor compleet kan worden gereseceerd, aanzienlijk beter is, is een zo nauwkeurig mogelijke preoperatieve screening naar de resectabiliteit door middel van klinische stadiëring noodzakelijk. De rol van de positronemissietomografie(PET)-scan is daartoe veelbelovend.22 De PET-scan is een belangrijke toevoeging in de diagnostiek en de stadiëring van het niet-kleincellig longcarcinoom en kan onnodige thoracotomie en mediastinoscopie voorkomen. Screening met spiraal-CT-scanning zou een optie kunnen zijn voor vroege detectie. Onlangs gepubliceerd onderzoek laat zien dat met de CT-scan bijna viermaal zoveel afwijkingen ontdekt werden als op de thoraxfoto.23 Invloed op sterfte is echter nog niet voorhanden. Bovendien kunnen vanwege de grotere gevoeligheid van de CT-scan zowel het vinden van ziekten die niet klinisch relevant zijn als fout-positieve uitslagen een groot probleem vormen.24

Gezien de matige resultaten van behandeling is primaire preventie nog steeds belangrijk. Naast het geven van waarschuwingen voor de gezondheid zijn er twee manieren om longkanker te voorkomen: (a) het aanbod van sigaretten sterk verminderen, en (b) het ontwikkelen van betere strategieën om met nicotineverslaving om te gaan, zoals nicotinekauwgum, -pleisters en/of amfebutamon (bupropion).25 De effecten van deze methoden moeten nog terdege bestudeerd worden.

conclusie

Door een daling in het percentage rokers zijn de incidentie van en de sterfte aan longkanker bij mannen op hun retour, maar de sterfte was in 1997 nog bijna 20 patiënten per dag. Bij vrouwen is het einde van de stijging nog niet in zicht; in 1997 overleden dagelijks ruim 5 vrouwen aan longkanker. In verhouding kwam steeds meer adenocarcinoom voor, mogelijk door een toename in het roken van filtersigaretten. De overleving voor patiënten met longkanker bleef slecht. Mogelijk kunnen verbeterde stadiëring (PET), screening (spiraal-CT), nieuwe middelen (chemotherapeutica, angiogeneseremmers) en technieken (radiotherapeutische) in de toekomst de prognose verbeteren.

De leden van de Overleggroep Regionale Kankerregistraties waren: dr.J.W.W.Coebergh (Integraal Kankercentrum Zuid), R.A.M.Damhuis (Integraal Kankercentrum Rotterdam), mw. dr.J.A.A.M.van Dijck (Integraal Kankercentrum Oost), mw. dr.V.C.M.Kuck-Koot (Integraal Kankercentrum Midden-Nederland), mw.M.Oostindiër (Integraal Kankercentrum West), M.Schaapveld (Integraal Kankercentrum Noord), dr.L.J.Schouten (Integraal Kankercentrum Limburg), mw.dr.S.Siesling, (Integraal Kankercentrum Stedendriehoek Twente) en O.Visser (Integraal Kankercentrum Amsterdam).

Literatuur
  1. Visser O, Coebergh JWW, Schouten LJ, Dijck JAAM van,editors. Incidence of cancer in the Netherlands 1996. Utrecht: Vereniging vanIntegrale Kankercentra; 2000.

  2. Damhuis RAM, Dijck JAAM van, Siesling S, Janssen-HeijnenMLG, editors. Lung cancer and mesothelioma in the Netherlands, 1989-1997.Utrecht: Vereniging van Integrale Kankercentra; 2000.

  3. Boer KT den, Kallewaard M, Peeters PHM, Verbeek ALM.Sterfte door longkanker daalt bij mannen en stijgt bij vrouwen.Ned Tijdschr Geneeskd1995;139:1493-7.

  4. Janssen-Heijnen MLG, Nab HW, Reek J van, Heijden LH vander, Schipper R, Coebergh JWW. Striking changes in smoking behaviour and lungcancer incidence by histological type in south-east Netherlands, 1960-1991.Eur J Cancer 1995;31A:949-52.

  5. Janssen-Heijnen MLG, Schipper RM, Klinkhamer PJJM,Crommelin MA, Mooi WJ, Coebergh JWW. Divergent changes in survival forhistological types of non-small-cell lung cancer in the southeastern area ofthe Netherlands since 1975. Br J Cancer 1998;77:2053-7.

  6. Janssen-Heijnen MLG, Schipper RM, Klinkhamer PJJM,Crommelin MA, Coebergh JWW. Improvement and plateau in survival of small-celllung cancer since 1975: a population-based study. Ann Oncol1998;9:543-7.

  7. Hakulinen T, Abeywickrama KH. A computer program packagefor relative survival analysis. Comput Programs Biomed1985;19:197-207.

  8. Berrino F, Capocaccia R, Esteve J, Gatta G, Hakulinen T,Micheli A, editors. Survival of cancer patients in Europe: the EUROCARE-2study. Nr 151. Lyon: IARC Scientific Publications; 1999. p. 254-63.

  9. Janssen-Heijnen MLG, Gatta G, Forman D, Capocaccia R,Coebergh JWW. Variation in survival of patients with lung cancer in Europe,1985-1989. EUROCARE Working Group. Eur J Cancer 1998;34:2191-6.

  10. The World Health Organization histological typing of lungtumours. 2nd ed. Am J Clin Pathol 1982;77:123-36.

  11. Wagenaar SjSc. Nieuwe WHO-classificatie voor long- enpleuratumoren. Ned Tijdschr Geneeskd1999;143:984-90.

  12. Mountain CF. A new international staging system for lungcancer. Chest 1986;89(4 Suppl):225S-33S.

  13. Doll R, Peto R, Wheatley K, Gray R, Sutherland I.Mortality in relation to smoking: 40 years' observations on male Britishdoctors. BMJ 1994;309:901-11.

  14. Stichting Volksgezondheid en Roken (Stivoro). Jaarverslag1998. Den Haag: Stichting Volksgezondheid en Roken; 1999.

  15. Janssen-Heijnen MLG, Coebergh JWW, Reek J van. Very highmale lung cancer incidence in areas with tobacco industriesletter. Eur J Cancer 1996;32A:2372-3.

  16. Siemiatycki J, Krewski D, Franco E, Kaiserman M.Associations between cigarette smoking and each of 21 types of cancer: amulti-site case-control study. Int J Epidemiol 1995;24:504-14.

  17. Thun MJ, Lally CA, Flannery JT, Calle EE, Flanders WD,Heath jr CW. Cigarette smoking and changes in the histopathology of lungcancer. J Natl Cancer Inst 1997;89:1580-6.

  18. Stellman SD, Muscat JE, Thompson S, Hoffmann D, WynderEL. Risk of squamous cell carcinoma and adenocarcinoma of the lung inrelation to lifetime filter cigarette smoking. Cancer1997;80:382-8.

  19. Gaast A van der, Postmus PE, Burghouts J, Bolhuis C van,Starn J, Splinter TAW. Long term survival of small cell lung cancer patientsafter chemotherapy. Br J Cancer 1993;67:822-4.

  20. Smit EF, Mourik JC van, Slotman BJ, Postmus PE. De plaatsvan chemo(radio)therapie voorafgaand aan operatie bij niet-kleincelliglongcarcinoom in stadium IIIA (lokaal niet-resectabele tumor).Ned Tijdschr Geneeskd1999;143:1992-6.

  21. Splinter TAW. De veranderende rol van chemotherapie bijde behandeling van het niet-kleincellig longcarcinoom, stadium III.Ned Tijdschr Geneeskd1997;141:1085-8.

  22. Pieterman RM, Putten JW van, Meuzelaar JJ, Mooyaart EL,Vaalburg W, Koëter GH, et al. Preoperative staging of non-small-celllung cancer with positron-emission tomography. N Engl J Med2000;343:254-61.

  23. Henschke CI, McCauley DI, Yankelevitz DF, Naidich DP,Mc-Guinness G, Miettinen OS, et al. Early lung cancer action project: overalldesign and findings from baseline screening. Lancet 1999;354:99-105.

  24. Newman L. Lung project update raises issue ofoverdiagnosing patients. J Natl Cancer Inst 2000;92:1292-4.

  25. Heijdra YF, Spiegel PI van, Bootsma GP, Berkmortel FPWJvan den, Wollersheim H. Bupropion: een effectief nieuw hulpmiddel bij hetstoppen met roken. Ned TijdschrGeneeskd 2000;144:2138-42.

Auteursinformatie

Integraal Kankercentrum Zuid, afd. Onderzoek, Postbus 231, 5600 AE Eindhoven.

Mw.dr.M.L.G.Janssen-Heijnen, epidemioloog.

Integraal Kankercentrum Oost, afd. Datacentrum, Nijmegen.

Mw.dr.J.A.A.M.van Dijck, epidemioloog.

Integraal Kankercentrum Stedendriehoek Twente, afd. Onderzoek en Registratie, Enschede.

Mw.dr.S.Siesling, epidemioloog.

Catharina Ziekenhuis, afd. Longziekten, Eindhoven.

R.M.Schipper, longarts.

Integraal Kankercentrum Rotterdam, afd. Kankerregistratie en Onderzoek, Rotterdam.

R.A.M.Damhuis, arts-epidemioloog.

Contact mw.dr.M.L.G.Janssen-Heijnen (m.janssen@ikz.nl)

Verantwoording

Mede namens de Overleggroep Regionale Kankerregistraties, waarvan de leden achteraan dit artikel staan vermeld.

Gerelateerde artikelen

Reacties

J.G.
Koppe

Loenersloot, maart 2001,

Naar aanleiding van het uitstekende overzicht van collega Janssen-Heijnen et al. over de incidentie van longkanker en de relatie met roken (2001:419-23) zou ik willen opmerken dat in de periode 1960-2000 zich ook een belasting van de Nederlandse bevolking heeft voorgedaan met dioxinen en dioxineachtige polychloorbifenylen (PCB's). Mijn vraag is of ook deze onvrijwillige blootstelling kan hebben bijgedragen aan de epidemie van longkanker en wel in het bijzonder bij de niet-rokers. Immers, bij hen is het adenocarcinoom ook toegenomen volgens de schrijvers.

Verschillende epidemiologische onderzoeken suggereren dat dioxinen de totale kankerincidentie en -sterfte onder accidenteel of tijdens het werk blootgestelden verhogen en met name de luchtwegen zijn aangewezen als één van de potentiële lokalisaties met een verhoogde kankerincidentie en -sterfte.1 Daarnaast hebben Weisglas-Kuperus et al. onlangs gepubliceerd dat er op de leeftijd van 3,5 jaar een samenhang gevonden werd tussen ‘vol zitten’, slijm opgeven en hoesten, en perinatale blootstelling aan dioxinen. Ook na de vergiftigingen met PCB's en dioxinen in Japan en Taiwan werden vooral veel problemen van de luchtwegen en de buis van Eustachius gevonden bij kinderen.2 3 Gezien de klinische effecten op de luchtwegen van de blootstelling aan achtergrondconcentraties bij kinderen in Nederland is het niet ondenkbaar dat de dioxinebelasting ook heeft bijgedragen en nog bijdraagt aan de incidentie van longkanker. Volgens metingen in moedermelk in Nederland zijn de concentraties aan dioxinen in 1998 nog niet gedaald ten opzichte van de jaren ervoor. Dit is in tegenstelling tot de bevindingen in Duitsland, waar een 50% reductie werd gevonden van de dioxineconcentratie (gegevens van de Europese Commissie: ‘Compilation of EU dioxin exposure and health data. Task 5 - human tissue and milk levels’, te vinden op http://europa.eu.int/comm/environment/dioxin/download.htm#).4

Uiteraard staat het roken en het verband met longkanker vast, daar wil ik geenszins aan tornen. Maar mijn opmerkingen zijn bedoeld om erop te wijzen dat ook andere omgevingsfactoren kunnen bijdragen.

J.G. Koppe
Literatuur
  1. International Agency for research on cancer (IARC). IARC Monographs on the evaluation of carcinogenic risks to humans. Vol 69. Polychlorinated dibenzo-para-dioxins and polychlorinated dibenzofurans. Lyon: IARC; 1997.

  2. Weisglas-Kuperus N, Patandin S, Berbers GAM, Sas TCJ, Mulder PGH, Sauer PJJ, et al. Immunologic effects of background exposure to polychlorinated biphenyls and dioxins in Dutch preschool children. Environ Health Perspect 2000;108:1203-7.

  3. Guo LY. Human health effects from PCB's and dioxin-like chemicals in the rice-oil poisonings as compared with other exposure episodes. Organohalogen Compounds 1999;42:241-3.

  4. Lakind JS, Berlin CM, Naiman DQ. Infant exposure to chemicals in breast milk in the United States: what we need to learn from a breast milk monitoring program. Environ Health Perspect 2001; 109:75-88.