Lokale anti-androgenen bij acne

Onderzoek
J.J.E. van Everdingen
Citeer dit artikel als
Ned Tijdschr Geneeskd. 1993;137:155
Download PDF

Bij de pathogenese van acne worden 3 belangrijke factoren onderscheiden: een toegenomen sebumproduktie, hyperkeratose met obstructie van talgklieruitvoergangen alsmede bacteriële kolonisatie. De sebumproduktie staat onder invloed van androgene hormonen. Bij acne is de androgeenproduktie niet vergroot, maar de gevoeligheid ervoor van het eindorgaan, de talgklier, is toegenomen.1 Dit gegeven biedt interessante aanknopingspunten voor de behandeling. Er zijn drie mogelijkheden: behandeling met oestrogenen, met progestativa of met anti-androgenen. Oestrogenen remmen de sebumproduktie en verminderen de acne, zowel bij mannen als bij vrouwen, maar de dosis die nodig is om dit te bereiken is gezien de bijwerkingen, onaanvaardbaar. Voor progestativa ligt de zaak gecompliceerder. Deze bezitten behalve progestagene ook oestrogene en androgene activiteit en zijn daarmee niet zo geschikt voor de behandeling van acne. Het meeste effect mag worden verwacht van de anti-androgenen. Dat is in de praktijk ook gebleken. Er zijn inmiddels vele onderzoekingen verricht, waaruit blijkt dat orale behandeling met cyproteronacetaat een gunstig effect heeft. Vooral bij vrouwen die reeds een anticonceptiepil gebruiken, is cyproteronaceton succesvol gebleken. Desondanks bestaat er veel behoefte aan een werkzaam lokaal anti-androgeen waarmee behalve vrouwen ook mannen kunnen worden behandeld, zonder dat dit algemene bijwerkingen heeft. Inocoteronacetaat is een anti-androgeen dat na lokale toediening in dierproeven werkzaam is gebleken. De lokale werking is 100 maal zo groot als die van cyproteronacetaat en in tegenstelling hiermee zou het geen algemene androgene bijwerkingen hebben.2 Lookingbill et al. hebben in een dubbelblind onderzoek nagegaan wat de uitwerking van deze behandeling bij 126 mannen met acne was.3 De onderzoekers zagen geen verschil in de gemiddelde acnescore en het aantal comedonen, wel tussen het aantal papels en pustels in beide groepen, zij het dat dit verschil slechts gering was. Ook de sebumexcretie toonde geen statistisch significante verschillen. Bijwerkingen werden in beide groepen niet of nauwelijks gezien. Een verklaring voor het tegenvallende resultaat zou kunnen zijn dat Propionibacterium acnes de lokaal geappliceerde anti-androgenen door omzetting onwerkzaam maakt, hetgeen eerder is beschreven.2 Als die veronderstelling juist is, zou de combinatie van anti-androgenen en antimicrobiële middelen veelbelovend kunnen zijn.

Literatuur
  1. Meeren HLM van. Acne: a pathogenetical and therapeuticalstudy. Amsterdam, 1984. Proefschrift Universiteit van Amsterdam.

  2. Cunliffe WJ, Bottomley WW. Antiandrogens and acne, atopical approach? Arch Dermatol 1992; 128: 1261-4.

  3. Lookingbill DP, Abrams BB, Ellis CN. Inocoterone and acne;the effect of topical antiandrogen: results of a multicenter clinical trial.Arch Dermatol 1992; 128: 1197-200.

Gerelateerde artikelen

Reacties